Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3078

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
200.185.783_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:4141
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:9433
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gezag;

omgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 6 juli 2017

Zaaknummer: 200.185.783/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/196801/FA RK 14-3051

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.B.J.G.M. Schyns,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.C. van Heerd.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

5 De beschikking d.d. 15 september 2016

Bij die beschikking heeft het hof partijen, kort samengevat, verwezen naar de Mutsaersstichting voor een ouderschapsreorganisatietraject. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 mei 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Schyns;

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Heerd;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de Mutsaersstichting, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de Mutsaersstichting] , die als informant door het hof is gehoord.

6.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] opnieuw in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

6.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de Mutsaersstichting d.d. 8 november 2016, ter griffie ingekomen op 10 november 2016;

- de brief van de GI d.d. 8 maart 2017, ter griffie ingekomen op 9 maart 2017;

- het V-formulier d.d. 21 maart 2017 van mr. Schyns, met als bijlage de brief van mr. Schyns d.d. 21 maart 2017, ter griffie ingekomen op 22 maart 2017;

- het V-formulier d.d. 22 maart 2017 van mr. Van Heerd, ter griffie ingekomen op diezelfde dag;

- het V-formulier d.d. 5 mei 2017 van mr. Schyns, ter griffie ingekomen op 8 mei 2017, met bijlagen;

- het V-formulier d.d. 9 mei 2017 van mr. Schyns, ter griffie ingekomen op diezelfde dag, met bijlage;

- het V-formulier d.d. 9 mei 2017 van mr. Van Heerd, ter griffie ingekomen op 10 mei 2017, met bijlage;

- Het V-formulier d.d. 17 mei 2017 van mr. Schyns, ter griffie ingekomen op 18 mei 2017, met bijlage.

7 De verdere beoordeling

7.1.

De Mutsaersstichting heeft het hof in haar brief van 8 november 2016 en ter zitting, kort samengevat, bericht dat zij onvoldoende mogelijkheden ziet om invulling te geven aan een ouderschapsreorganisatietraject. Na een mislukte poging om omgang tussen de vader en [minderjarige 2] te bewerkstelligen via een BOR-regeling is er in 2015 een traject gestart in verband met het probleemgedrag van [minderjarige 1] . Dat gedrag bleek voort te komen uit systeemproblemen en er is systeemtherapie ingezet voor de ouders. Die therapie was passend bij een ouderschapsreorganisatietraject, maar een dergelijk traject bleek voor de vader onmogelijk vanwege zijn hevige emotie richting de moeder en de hulpverleningsinstanties en zijn beperkte zelfreflectie. Het traject is in april 2016 beëindigd. Er bestaat onvoldoende basis en vertrouwen om opnieuw te proberen om een dergelijk traject met de vader te starten.

7.2.

Volgens de vader dient het ouderschapsreorganisatietraject alsnog doorgang te vinden voordat er definitieve beslissingen worden genomen. Het traject dient vanwege de achtergrond van de vader door deskundigen van de Mutsaersstichting te worden begeleid of te worden uitgevoerd door een andere instantie. Verder heeft de vader zijn verzoeken ter zitting verduidelijkt. Kort samengevat verzoekt hij, zo begrijpt het hof, om de bestreden beschikking te vernietigen en primair een onderzoek door de raad te gelasten naar het gezag over en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , alsmede de omgangsregeling van de vader met hen, en om een voorlopige omgangsregeling te bepalen. Subsidiair heeft de vader verzocht om het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag over de kinderen alsnog af te wijzen en om het hoofdverblijf van beide kinderen bij hem te bepalen dan wel een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen c.q. een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen te bepalen.

7.3.

De moeder acht een nieuw ouderschapsreorganisatietraject op dit moment niet zinvol. De Mutsaersstichting biedt de meest vergaande hulp in de regio en acht een dergelijk traject mede gelet op de houding en instelling van de vader niet mogelijk. De vader dient eerst aan zijn eigen problematiek te werken. De moeder heeft verzocht om de verzoeken in hoger beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7.4.

De GI heeft, kort samengevat, verklaard dat er zorgen bestaan over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] . Zij bevindt zich in een enorm loyaliteitsconflict en voor haar is hulpverlening ingezet. [minderjarige 2] laat gedragsproblemen op school zien en daarvoor moet speltherapie worden ingezet. De vader wil niet meer samenwerken met de gezinsvoogd vanwege de volgens hem onbelicht gebleven problemen in de opvoedsituatie bij de moeder. De vader laat zich dreigend en beledigend uit richting de GI. Hij is op zoek naar een manier om contact te krijgen met beide kinderen, maar wordt daarin gehinderd door zichzelf. Hij is verdrietig en boos en het zou helpen als hij aan zijn eigen problematiek gaat werken. Daar is hij nog niet aan toegekomen, omdat de focus steeds ligt op het contact met de kinderen.

7.5.

De raad heeft ter zitting verklaard dat het belangrijk is dat er rust ontstaat voor de kinderen. Voor zowel de kinderen als de moeder wordt hulpverlening ingezet. De vader lijkt niet intrinsiek gemotiveerd voor hulpverlening. Hij blijft hangen in boosheid en frustratie. De raad ziet geen heil in nadere trajecten voor de ouders met betrekking tot de kinderen zolang de vader geen stappen heeft gezet met betrekking tot zijn eigen problematiek.

7.6.

Het hof acht zich voldoende voorgelicht ten aanzien van de verzoeken en acht een onderzoek door de raad in het belang van de kinderen niet noodzakelijk om tot een beslissing te komen. Het primaire verzoek van de vader zal dan ook worden afgewezen.

7.7.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de relatie tussen de vader en de moeder langdurig en fundamenteel verstoord is. De vader is boos en gefrustreerd en laat zich dreigend uit tegenover de moeder. Voorts is gebleken dat ook [minderjarige 1] , die inmiddels weer contact heeft met de vader, wordt belast met die frustratie en boosheid. De vader laat zich ook dreigend uit tegenover haar. Volgens de vader bestaan er voldoende mogelijkheden om de communicatie en samenwerking tussen de ouders te verbeteren met begeleiding van hulpverlening. Het hof ziet die mogelijkheden op dit moment niet. Uit de brief van de Mutsaersstichting van 8 november 2016 blijkt immers dat er – nadat in 2014-2015 een door de rechtbank aangewezen BOR traject was mislukt – in de periode 2015-2016 in het kader van hulpverlening voor [minderjarige 1] is geprobeerd om systeemtherapie c.q. ouderschaps-reorganisatie tussen partijen van de grond te laten komen. Vanwege de emoties van de vader jegens de moeder en de hulpverlening en zijn gebrek aan zelfinzicht is dat niet gelukt en is dit traject in april 2016 beëindigd. Het hof was hier overigens ten tijde van het nemen van de beslissing op 15 september 2016 niet mee bekend. Ook de GI stelt zich thans op het standpunt dat de samenwerking met de vader haast onmogelijk is vanwege zijn dreigende en beledigende manier van communiceren.

Ten aanzien van de eigen problematiek van de vader blijkt uit het door de vader als productie 19 overgelegde verslag van de reclasseringsmedewerker voorts dat de vader gesprekken voert met een GZ-psycholoog om te leren op een adequate wijze om te gaan met frustraties, irritaties en krenkingen zonder verbaal dreigend te worden, maar dat de gesprekken zich beperken tot stoom afblazen door de vader terwijl aan de doelen van die gesprekken nauwelijks aandacht wordt besteed, en zonder dat het gedrag van de vader zich wijzigt. Ter zitting heeft de vader desgevraagd verklaard dat hij geen probleem heeft en dat zijn gedrag door anderen, waaronder door de moeder en [minderjarige 1] , wordt uitgelokt en dat hij bezoeken aan de psycholoog brengt omdat anderen dat graag willen. Het voorgaande getuigt naar het oordeel van het hof van geen, dan wel een zeer beperkt zelfinzicht van de vader in zijn problematiek. Het hof is, evenals de raad, van oordeel dat voor de vader het onderkennen van die problematiek en een intrinsieke motivatie om hieraan te gaan werken en zijn gedrag te veranderen essentieel is om verbetering in de huidige situatie te brengen. De vader heeft geen blijk gegeven dit in te zien en hij heeft in dat kader nog geen stappen gezet. Dat de moeder de vader mogelijk provoceert en dat de vader zorgen heeft over de opvoedsituatie bij de moeder doet aan het bovenstaande niet af.

7.8.

Gelet op het voorgaande ziet het hof thans geen toegevoegde waarde in een nieuwe verwijzing naar een ouderschapsreorganisatietraject. Het hof is ten aanzien van het gezag met de rechtbank van oordeel dat aan de wettelijke vereisten van artikel 1:253n BW is voldaan. De ouders zijn al jarenlang niet in staat gebleken om (op positieve wijze) met elkaar te communiceren, ook niet met inzet van hulpverlening. [minderjarige 1] bevindt zich in een hevig loyaliteitsconflict en bij een gezamenlijke gezagsuitoefening bestaat er naar het oordeel van het hof een onaanvaardbaar risico dat ook [minderjarige 2] klem of verloren zou raken tussen de ouders. Het voorgaande in aanmerking nemende, is het hof van oordeel dat in deze situatie naar redelijke verwachting binnen afzienbare tijd geen verbetering zal optreden alleen reeds omdat het de vader aan zelfinzicht ontbreekt om de hiervoor noodzakelijke stappen te zetten. Gelet op het voorgaande zal het hof het eenhoofdig gezag van de moeder in stand laten. De kinderen hebben dan van rechtswege hun hoofdverblijfplaats bij de moeder. Het hof merkt hierbij nog wel op dat de door de vader geuite zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder invoelbaar zijn, met name gelet op het (probleem)gedrag van [minderjarige 1] . Het hof heeft weinig kritische geluiden gehoord ten aanzien van de moeder en acht het passend dat de GI die opvoedsituatie goed in de gaten houdt en zo nodig passende maatregelen neemt.

7.9.

Voorts is het hof van oordeel dat omgang met de vader op dit moment in strijd is met zwaarwegende belangen van [minderjarige 2] , zodat sprake is van een ontzeggingsgrond als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW. De vader heeft [minderjarige 2] gedurende ruim tweeënhalf jaar niet gezien en het eerder ingezette BOR-traject, waarbij geprobeerd is om omgang tussen [minderjarige 2] en de vader te bewerkstelligen, is vastgelopen. Gelet op de problematiek van de vader ziet het hof geen heil in het starten van een nieuw omgangstraject en acht het hof onbegeleide omgang in strijd met de belangen van [minderjarige 2] en om die reden niet aan de orde. De rechtbank heeft het verzoek van de vader derhalve terecht afgewezen. Indien mocht blijken dat in alle redelijkheid de verwachting is gewettigd dat in de huidige situatie verandering zal komen, onder meer omdat de vader stappen heeft gezet met betrekking tot zijn eigen problematiek, kan alsdan overwogen worden of (begeleide) omgang tussen hem en [minderjarige 2] alsnog mogelijk is.

7.10.

Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij weer contact heeft met [minderjarige 1] (inmiddels 14 jaar oud), dat zij vrij is om te komen en te gaan wanneer zij wil en dat daarom geen omgangsregeling hoeft te worden bepaald. Het hof is uit het besprokene ter zitting en uit de overgelegde stukken gebleken dat [minderjarige 1] weliswaar contact met haar vader wil, maar ook heel ambivalent tegenover de vader staat, gelet op de incidenten die zich in dat contact nog voordoen. Mede gezien de leeftijd van [minderjarige 1] zal het hof geen omgangsregeling tussen haar en de vader vaststellen, maar gaat het hof er van uit dat [minderjarige 1] en de vader met hulp van de gezinsvoogd zullen groeien naar een situatie waarin [minderjarige 1] onbelast haar eigen keuzes kan maken en het contact met haar vader naar eigen wens kan inrichten.

7.11.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en de verzoeken van de vader afwijzen.

8 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 9 november 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.N.M. Antens en M.C. Bijleveld-van der Slikke en is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.