Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3077

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
200.179.223_01 en 200.179.344_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:3371
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afwikkeling verdeling en verrekening van huwelijks vermogen na echtscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2018/126 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 6 juli 2017

Zaaknummer: 200.179.223/01 en 200.179.344/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/263120 / FA RK 13-2545_6

in de zaak in hoger beroep met nummer 200.179.223/01 van:

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks,

tegen

[de man] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.L.A. van Opstal

en in de zaak in hoger beroep met nummer 200.179.344/01 van:

[de man] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.L.A. van Opstal

tegen

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
's-Hertogenbosch van 3 juni 2014, 3 november 2014, 10 november 2014, 3 april 2015 en 24 juli 2015.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met nummer 200.179.223/01:

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 oktober 2015, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen voor zover in het beroepschrift bestreden en, opnieuw rechtdoende:

I. Primair te bepalen dat de grijs geaccentueerde inboedelgoederen vermeld op productie 2 aan de vrouw worden toegedeeld met veroordeling van de man om binnen één maand na betekening van deze beschikking er aan mee te werken dat deze inboedelgoederen in goede staat aan de vrouw worden overgedragen op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,-- voor elke dat dat de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, althans een zodanig bedrag vanaf een zodanige datum als het hof redelijk oordeelt.

Subsidiair de inboedelgoederen vermeld op productie 2 toe te delen aan de man onder de verplichting om wegens overbedeling aan de vrouw te voldoen een bedrag ad € 30.000,--, althans een zodanig bedrag al het hof redelijk oordeelt;

II. De man te veroordelen om de geel geaccentueerde inboedelzaken op productie 2 binnen één maand na betekening van deze beschikking in goede staat over te dragen aan de vrouw op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, althans een zodanig bedrag en vanaf een zodanige termijn als het hof redelijk oordeelt.

III. De wijze van verdeling van het perceel grasland/cultuurgrond gelegen nabij de [weg] te [plaats 1] gelast in die zin dat dit perceel dient te worden verkocht door een door het hof te benoemen makelaar die de opdracht krijgt om het perceel tegen een zo hoog mogelijke prijs te verkopen aan een derde met bepaling

- dat beide partijen de redelijke adviezen van deze makelaar ten aanzien van de vraag- en laatprijs moeten opvolgen;

- dat beide partijen moeten meewerken aan verkoop en levering van dat perceel aan derden ten overstaan van de notaris, ter keuze van de koper;

- dat beide partijen bij helfte delen de opbrengst, na aftrek van de verkoopkosten;

IV. De man te veroordelen om, ter uitvoering van het periodieke verrekenbeding in de akte huwelijkse voorwaarden en de aanspraken van de vrouw op de helft van de waardestijging van de woning aan de [adres] te [plaats 1] en per saldo aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 505.677,33 zoals volgt uit productie 17 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening althans een zodanig bedrag als het hof redelijk oordeelt;

V. Te bepalen dat beide partijen de helft van de aanslagen IB 2012 dienen te dragen voor zover de aanslag na 17 mei 2013 is betaald, dan wel te bepalen dat beide partijen recht hebben op de helft van de teruggave, voor zover die na 17 mei 2013 is ontvangen;

VI. De man te veroordelen om aan de vrouw te vergoeden een bedrag van € 1.917,--;

VII. Te bepalen dat de vrouw in de onderlinge verhouding met de man draagplichtig is voor een bedrag ad € 183.114,-- ter zake de met de woning verbonden hypotheekschuld aan de Rabobank;

VIII. Te bepalen dat de man zich ervoor dient in te spannen dat de vrouw binnen zes maanden na deze beschikking wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld bij de Rabobank en dat bij gebreke van het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid binnen die termijn, de man wordt veroordeeld om uiterlijk binnen zeven maanden na deze beschikking de woning aan de [adres] te [plaats 1] te koop te zetten bij een door hem aan te wijzen makelaar voor een marktconforme vraagprijs en met bepaling:

- dat de man de redelijke adviezen van deze makelaar ten aanzien van de vraag- en de laatprijs moet opvolgen;

- dat de man moet meewerken aan verkoop en levering van de woning aan derden ten overstaan van de notaris, ter keuze van de koper;

een en ander op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, althans een zodanig bedrag en vanaf een zodanige termijn als het hof redelijk oordeelt;

IX. De man te veroordelen om te bewerkstelligen dat [holding] Holding B.V. een bedrag van € 40.000,-- bruto afstort onder een door de vrouw aan te wijzen verzekeraar binnen vier weken na beschikking van het hof, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, althans een zodanig bedrag en vanaf een zodanige termijn als het hof redelijk oordeelt.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 december 2015, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar grieven en vorderingen als onjuist, ongegrond en onbewezen af te wijzen.

In de zaak met nummer 200.179.344/01:

2.3.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 oktober 2015, heeft de man verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen voor zover het gaat om de in het lichaam van het beroepschrift aangegeven punten en, opnieuw rechtdoende:

1. Te bepalen welke goederen als roerende inboedelgoederen moeten worden beschouwd als toebehorend aan partijen in privé en deze toe te delen aan de man met verrekening van de door de man nader aan te geven waarde per datum van de verdeling, alsmede te bepalen dat de overige inboedelgoederen niet in de verdeling en verrekening worden betrokken (zie nummer 14 van het beroepschrift);

2. De waarde van het weiland te bepalen op € 49.250,--, het weiland voor die waarde toe te delen aan de man en daarbij te bepalen dat de man het op dit weiland betrekking hebbende gedeelte van de hypothecaire geldlening bij de Rabobank, te weten € 142.941,--, en alle daaruit voortvloeiende verplichtingen op zich neemt met vrijwaring van de vrouw, alsmede de vrouw te veroordelen ter zake van deze verdeling een bedrag van € 45.618,50 ter verrekening aan de man te betalen (nummer 18);

3. De vrouw te veroordelen om voor de helft bij te dragen in de rente van de hypothecaire geldlening bij de Rabobank, voor zover die betrekking heeft op het weiland, vanaf 17 mei 2013 tot de datum van goederenrechtelijke toedeling van dit weiland aan de man, te weten met een bedrag van € 253,22 per maand en de vrouw te veroordelen het totaalbedrag bij de goederenrechtelijke toedeling van dit weiland aan de man aan hem te voldoen (nummer 19);

4. De waarde van de woning van de man te [plaats 1] (exclusief weiland) voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen op € 565.000,--, subsidiair een gerechtsdeskundige te benoemen om de woning per die datum te taxeren en daarbij te bepalen, mocht de geldlening van de man bij [holding] Holding BV niet in de verrekening worden betrokken, dat dient te worden vastgesteld welke onderdelen van de woning door de man uit privévermogen zijn bekostigd en op grond daarvan niet in de waardering betrokken dienen te worden (nummer 39 en 41);

5. De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden ter zake van de waardevermeerdering van de woning aldus te bepalen, dat de vrouw ter zake daarvan opeisbaar aan de man is verschuldigd een bedrag van € 115.566,50, althans een bedrag van € 158.286,-- waar tegenover, enkel in dit subsidiaire geval, aan de vrouw toekomt ter zake van de waardeverandering van de woning een bedrag van € 153.463,-- (nummer 25 tot en met 27);

6. Te bepalen dat de gemeenschappelijke hypothecaire schuld aan de Rabobank ten bedrage van € 600.000,-- de man aangaat voor een bedrag van € 371.470,50 en de vrouw voor een bedrag van € 228.529,50, waarbij de vrouw daarnaast geen vergoedingsrecht toekomt ter zake de aflossing uit deze hypothecaire geldlening van de voorhuwelijkse hypothecaire schuld van de man (nummer 31);

7. De vrouw te veroordelen om ter zake van de premie voor de Opmaatverzekering bij Interpolis en de Opbouwspaarrekening bij de Rabobank een bedrag aan de man te betalen van € 576,11 (nummer 45);

8. Te bepalen dat de helft van de per peildatum vastgestelde datum (bedoeld zal zijn: waarde, opm. hof) van de Opmaat Verzekering van € 29.343,47 pas bij de man opeisbaar is vanaf de datum waarop de polis feitelijk tot uitkering komt, subsidiair te bepalen dat deze polis voor de contante waarde per de peildatum van 17 mei 2013 in de verrekening dient te worden betrokken (nummer 48).

9. Te bepalen dat de man ter zake van verrekening van het saldo van bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 221,63 (nummer 50);

10. Te bepalen dat de man ter zake van verrekening van het saldo van bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 285,33 (nummer 51);

11. Te bepalen dat de effectenportefeuille van de man bij de Rabobank onder nummer [nummer effectenportefeuille] niet tot het te verrekenen vermogen behoort, subsidiair, voor het geval deze portefeuille wel geacht moet worden tot het te verrekenen vermogen te behoren, te bepalen dat dan ook de schuld van de man in rekening-courant aan zijn vennootschap [holding] Holding BV per 17 mei 2013 tot het te verrekenen vermogen behoort en de vrouw te veroordelen de helft daarvan ter verrekening aan de man te voldoen;

12. Aan de hand van de door de vrouw over te leggen bewijsstukken het saldo van de bankrekeningen van de vrouw (betaalrekening en Toprekening ING, nummer [rekeningnummer 3] ) vast te stellen en de vrouw te veroordelen uit hoofde van verrekening van die saldi de helft daarvan aan de man te betalen (nummer 57).

13. De vrouw te veroordelen om ter zake van haar afgeloste studieschuld aan de man ter verrekening dan wel vergoeding te betalen een bedrag van € 2.784,06 (nummer 59).

14. De vrouw te veroordelen om ter zake van de polissen bij Aegon (nummer [polisnummer 1] en [polisnummer 2] ) aan de man te voldoen een bedrag van € 6.183,72 (nummer 60).

15. De waarde van het paard [pony] te bepalen op € 100,--, van [paard 1] op € 8.500,-- en van [paard 2] op € 3.000,--, voor zover nodig deze paarden toe te delen aan de vrouw en de vrouw te veroordelen ter verrekening van de waarde van deze paarden aan de man te betalen een bedrag van € 5.800,-- (nummer 67);

16. De vrouw te veroordelen aan de man te voldoen een bedrag van € 350,-- per maand in verband met verzorging door de man van de, naar de stellingen van de vrouw, aan haar toebehorende paarden [paard 2] , [pony] en [paard 1] vanaf 17 mei 2013, althans vanaf 1 september 2015 tot aan de datum waarop de vrouw deze paarden bij de man komt ophalen;

17. Te bepalen dat de latente belastingclaim van de man, betrekking hebbend op de periode tot peildatum 17 mei 2013, ten bedrage van € 196.394,12 te vermeerderen met heffingsrente en de boete, tot het te verrekenen vermogen behoort en de vrouw te veroordelen om de helft van het bedrag van deze aanspraken aan de man te betalen (nummer 78);

18. Het verzoek van de vrouw tot betaling door de man van de helft van de facturen van de psycholoog ten bedrag van € 550,-- alsnog af te wijzen (nummer 75);

19. Alsnog te bepalen dat het saldo van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 4] per 3 juni 2014 bij helfte aan ieder van partijen toekomt en aldus dient te worden verdeeld (nummer 77);

20. Te bepalen dat de vakantiegeldaanspraken van de vrouw, betrekking hebbend op de periode tot 17 mei 2013, tot het te verrekenen vermogen behoren en de vrouw te veroordelen om de helft van het bedrag van deze aanspraken aan de man te betalen (nummer 78);

21. De vrouw te veroordelen om ter zake van de kosten van verplaatsing van het hekwerk aan de man te voldoen een bedrag van € 2.152,59 (nummer 80);

22. Te bepalen dat het per saldo van het door de vrouw aan de man ter zake van de verdeling en verrekening verschuldigde bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 17 mei 2013.

2.4.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 december 2015, heeft de vrouw verzocht de verzoeken van de man onder 1 tot en met 22 van zijn petitum af te wijzen, met uitzondering van de verzoeken onder 9, 10 en 14, waarvan de vrouw de juistheid heeft erkend.

Tevens heeft de vrouw hierbij - bij wijze van incidenteel appel - een aanvullend verzoek gedaan en verzocht te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man aan de vrouw vanaf 17 mei 2013 een gebruiksvergoeding voldoet van € 140,-- per maand zolang het weiland gemeenschappelijk eigendom is van partijen en bij de man in gebruik is althans een zodanig bedrag als het hof redelijk oordeelt.

2.4.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 20 januari 2016, heeft de man verzocht de vrouw in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Althans ook haar in het incidenteel hoger beroep gedane verzoek als onjuist, ongegrond en onbewezen af te wijzen.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 juli 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Schellens-Stoks.

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Van Opstal.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

- het journaalbericht met brief en bijlagen van mr. Van Opstal van 17 juni 2016;

- het journaalbericht met brief en bijlagen van mr. Schellens-Stoks van 24 juni 2016;

- het journaalbericht met brief en bijlagen van mr. Van Opstal van 29 juni 2016;

- de ter zitting van de zijde van beide partijen overgelegde pleitaantekeningen.

Na de mondelinge behandeling is, volgens afspraak ter zitting, nog binnen gekomen het journaalbericht van mr. Van Opstal van 13 juli 2016 met als inhoud dat tussen partijen geen overeenstemming is bereikt terzake de inboedel.

3 De beoordeling in beide zaken.

3.1.

Partijen zijn op 28 april 1995 na het opstellen van huwelijkse voorwaarden (akte van huwelijke voorwaarden van 27 april 1995) gehuwd. De huwelijkse voorwaarden bevatten kort gezegd een uitsluiting van iedere vermogensrechtelijke gemeenschap en een verrekenbeding.

3.2.

Bij beschikking van 11 maart 2014 heeft de rechtbank Oost-Brabant, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 26 augustus 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Na tussenbeschikkingen van 3 juni 2014, 3 november 2014, 10 november 2014, 3 april 2015 heeft de rechtbank in de beschikking van 24 juli 2015 de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen gelast en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld als in het dictum van die beschikking nader aangegeven.

3.4.

Beide partijen kunnen zich op een groot aantal punten niet met de beslissing van de rechtbank verenigen en zijn ieder afzonderlijk in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikkingen. In het door de man ingesteld hoger beroep heeft de vrouw voorts incidenteel appel ingesteld.

3.5.

De geschilpunten die aan het hof zijn voorgelegd zullen hierna achtereenvolgens door het hof worden beoordeeld. Die geschilpunten betreffen zowel de verdeling van eenvoudige gemeenschappen als de verrekening op basis van de overeengekomen huwelijkse voorwaarden.

De vrouw heeft haar grieven niet genummerd. Het hof zal de grieven een nummering geven, in de volgorde zoals deze door de vrouw in haar appelschrift zijn opgenomen.

3.6.

De inboedel van de voormalige echtelijke woning (grief 1 van de vrouw en grief Ia van de man).

3.6.1.

Partijen zijn het oneens over de vraag in hoeverre de inboedel van de voormalige echtelijke woning verdeeld moet worden en omtrent de (wijze van) verdeling van die inboedel.

De rechtbank heeft overwogen (in de beschikking van 3 juni 2014) dat op dit punt geen beslissing hoeft te worden genomen gelet op de afspraak tussen partijen om de inboedel te verdelen door beurtelings een keuze te maken uit zowel de inboedelzaken die nog aanwezig zijn in de voormalige echtelijke woning als de inboedelzaken die de vrouw reeds onder zich heeft.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen afgesproken dat zij zouden proberen om binnen veertien dagen alsnog overeenstemming te bereiken terzake de inboedel. De advocaat van de man heeft het hof (bij V8-formulier van 13 juli 2016) bericht dat de verdeling van de inboedel in onderling overleg niet mogelijk is gebleken. Het hof zal derhalve op dit geschil beslissen. De eerste grief van de vrouw en grief Ia van de man hebben hierop betrekking.

3.6.2.

Bij de beoordeling van dit geschilpunt dient als uitgangspunt het bepaalde in artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden dat luidt (voor zover thans van belang):

De huishoudelijke linnengoederen, meubelen en andere voor gemeenschappelijk gebruik bestemde roerende goederen, worden steeds geacht eigendom te zijn van beide echtgenoten, tenzij een echtgenoot kan bewijzen dat bepaalde goederen door hem zijn aangebracht of verworven.

De tot het door een echtgenoot uitgeoefend beroep of bedrijf behorende roerende goederen en rechten worden geacht toe te behoren aan de echtgenoot, ongeacht door wie van de echtgenoten deze ten huwelijk zijn aangebracht of gedurende het huwelijk zijn verworven.

(…)

3.6.3.

De vrouw stelt dat voor een aantal inboedelzaken geldt dat deze haar privé-eigendom zijn, omdat ze zijn gekocht met privé-geld, namelijk met geld dat afkomstig is uit de nalatenschap van haar moeder. Op de inboedellijst die door haar in het geding is gebracht (productie 1 bij haar appelschrift in de zaak met nummer 200.179.223) heeft zij deze zaken met geel gearceerd. Zij heeft, ten bewijze van haar eigendomsrecht, verwezen naar de producties 10 en 11 bij haar appelschrift.

Productie 10 bevat een overzicht van de mutaties op de Toprekening van de vrouw bij de ING met nummer [rekeningnummer 3] . Productie 11 betreft de factuur met betrekking tot een aantal inboedelzaken (het hof begrijpt dat dit de zaken zijn die op de inboedellijst van de vrouw geel zijn gearceerd). De factuur is gedateerd: 12 mei 2009.

Op productie 10, het mutatie-overzicht van de Toprekening, staat een drietal kasopnamen in 2009 vermeld, namelijk op 8 maart een bedrag van € 250,-, op 19 april een bedrag van

€ 5.000,- en op 12 mei een bedrag van € 11.550,-. Volgens de vrouw is met de gelden die op 19 april en op 12 mei 2009 zijn opgenomen, de factuur d.d. 12 mei 2009 betaald. De man betwist dit.

3.6.4.

Naar het oordeel van het hof valt aan de door de vrouw overgelegde stukken onvoldoende bewijs te ontlenen voor haar stelling dat de hier bedoelde inboedelzaken met privé-geld zijn betaald. Ook overigens ontbreekt toereikend bewijs zodat de hier bedoelde stelling van de vrouw niet kan worden aanvaard. De door de vrouw bedoelde zaken moeten, gelet op artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden, geacht worden gemeenschappelijk te zijn.

3.6.5.

De man stelt zich van zijn kant op het standpunt dat voor een aantal inboedelzaken geldt dat ze van hem privé zijn dan wel tot zijn bedrijf horen zodat ze buiten de verdeling dienen te blijven. Hij heeft een lijst geproduceerd van inboedelzaken (productie 25 bij processtuk 3) waarop staat vermeld welke zaken volgens hem zijn privé-eigendom zijn en welke tot zijn bedrijf horen.

Ten bewijze van zijn stelling heeft de man als productie 38 bij zijn appelschrift in de zaak met nummer 200.179.344 een tweetal facturen overgelegd waaruit blijkt dat door hem in 1989, dus vóór het huwelijk van partijen, een aantal zaken is gekocht, te weten:

- een schrijfbureau;

- twee boekenrekken;

- een slaapkamerameublement “Susanne”.

Door de vrouw zijn deze bewijsstukken niet betwist zodat het hof ervan uit gaat dat deze zaken door de man ten huwelijk zijn aangebracht en om die reden buiten de verdeling moeten blijven.

Voor het overige heeft de man zijn stelling dat de door hem genoemde zaken privé dan wel zakelijk zijn in het geheel niet onderbouwd, zodat zijn stelling in zoverre niet kan worden aanvaard. Het hof ziet om die reden geen aanleiding om het bewijsaanbod van de man op dit punt te honoreren.

3.6.6.

Het voorgaande betekent dat – behoudens de zaken die in de vorige rechtsoverweging zijn genoemd – alle inboedelzaken geacht worden gemeenschappelijk te zijn en verdeeld moeten worden.

Uit de stellingen van partijen en uit de overgelegde stukken (met name: productie 64 bij processtuk 18, productie 25 bij processtuk 3 en productie 1 bij het verweerschrift van de man in het hoger beroep met nr. 200.179.223) leidt het hof af dat er reeds een partiële verdeling heeft plaatsgevonden in die zin dat een deel van de inboedel in het bezit is van de vrouw; voor het overige is de inboedel achtergebleven in de voormalige echtelijke woning, in het bezit van de man.

Het hof zal, mede gelet op de slechte verstandhouding tussen partijen die een feitelijke verdeling van de inboedelzaken problematisch maakt, bepalen dat de inboedel aldus wordt verdeeld dat aan partijen wordt toegedeeld hetgeen zij feitelijk in bezit hebben.

Door deze verdeling is de man overbedeeld, zoals hij zelf ook erkent (processtuk 3 onder randnummer 31, waarbij de man een bedrag van € 10.000,- noemt). Dit betekent dat de man ter zake van de inboedel een overbedelingsuitkering aan de vrouw zal moeten voldoen.

3.6.7.

Voor de bepaling van de hoogte van de overbedelingsuitkering stelt het hof voorop dat het bij de waardebepaling niet gaat om de aanschaf- of de vervangingswaarde van de inboedel maar om de waarde in het economisch verkeer. Van algemene bekendheid is dat tweedehands inboedelzaken op de vrije markt slechts een geringe waarde vertegenwoordigen. In dit geval moet een uitzondering worden gemaakt, zoals de man onweersproken heeft gesteld, voor de paardentrailer en de paardenzadels. De paardentrailer en het zadel voor het paard [paard 2] zijn in bezit van de vrouw; de overige zadels, waaronder een wedstrijdzadel voor het paard [paard 1] , zijn in bezit van de man, met dien verstande dat het paard [paard 1] wordt bereden door de dochter van partijen, [dochter] .

Alles bijeen schat het hof in redelijkheid dat de man door bovenstaande verdeling met een bedrag van € 12.000,-is overbedeeld, zodat hij aan de vrouw wegens overbedeling een bedrag van € 6.000,- moet voldoen.

3.6.8.

Het voorgaande betekent dat de eerste grief van de vrouw en grief Ia van de man gedeeltelijk slagen en voor het overige falen.

3.7.

Het perceel grasland en de financiering daarvan (grief 2 van de vrouw en grief Ib van de man).

3.7.1.

Partijen zijn op 31 augustus 2004 gezamenlijk eigenaar geworden van een perceel grasland (hierna aangeduid als het weiland of het perceel), gelegen naast de voormalige echtelijke woning aan de [weg] in [plaats 1] . Zij hebben het weiland gekocht voor een bedrag van € 122.600,-. Blijkens de leveringsakte (productie 24 bij processtuk 3) gaat het om:

a) het gehele perceel kadastraal bekend als gemeente [gemeente] sectie [sectie] nummer [perceelnummer 1] groot

1.04.20

ha en

b) een op het terrein afgepaald gedeelte ter grootte van ongeveer 18.40 aren van het perceel

kadastraal bekend als gemeente [gemeente] sectie [sectie] nummer [perceelnummer 2] .

De rechtbank heeft in de eindbeschikking d.d. 24 juli 2015 als wijze van verdeling van het weiland gelast dat dit dient te worden verkocht en dat partijen bij helfte delen in een eventuele overwaarde (zijnde de verkoopopbrengst verminderd met de verkoopkosten en de hypothecaire lening ad € 140.487,-) dan wel voor de helft draagplichtig zijn ter zake van een eventuele onderwaarde.

3.7.2.

Beide partijen hebben gegriefd tegen deze beslissing. Uit de grieven blijkt dat partijen het met elkaar oneens zijn over de wijze van verdeling van het perceel, over de waarde van het perceel op de peildatum en over de wijze waarop de aankoop van het perceel in 2004 is gefinancierd.

3.7.3.

De man stelt dat de aankoop van het weiland destijds is gefinancierd met een deel van de hypothecaire lening ten bedrage van € 600.000,- die partijen in 2004 hebben afgesloten bij Nationale Nederlanden (welke lening in 2006 is overgenomen door de Rabobank). Een kopie van de notariële akte d.d. 16 juli 2004 waarin de lening is vastgelegd en waarin als zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van partijen hypotheek is gevestigd op de voormalige echtelijke woning, is overgelegd als productie 24 bij processtuk 3.

3.7.4.

Niet in geschil is dat met de aankoop van het weiland in 2004 de volgende bedragen waren gemoeid:

- koopsom € 122.600,-

- overdrachtsbelasting € 7.356,-

- notariskosten € 400,81

Totaal € 130.356,81

De man stelt dat ook een aantal werkzaamheden ten behoeve van het weiland (omheining, bak, stal, bestrating, mestkuil) uit de voormelde hypotheek is betaald, dit tot een bedrag van ruim € 10.000,-. Daarmee komt het totaal van het uit voormelde hypothecaire lening betaalde bedrag voor het weiland op € 140.487,-, zijnde het bedrag waarvan de rechtbank in eerste aanleg is uitgegaan.

De vrouw betwist dat de aankoopsom en/of de kosten met betrekking tot het weiland zijn gefinancierd met een deel van de hypothecaire lening bij Nationale Nederlanden.

3.7.5.

De man heeft ten bewijze van zijn stelling met betrekking tot de financiering van het weiland verwezen naar de producties 3 en 4 bij zijn verweerschrift in het hoger beroep met nummer 200.179.223. Productie 4 betreft de afrekening van de notaris van de lening d.d. 16 juli 2004 waaruit blijkt dat van de lening bij Nationale Nederlanden ad € 600.000,-, na aflossing van een drietal oude leningen en na aftrek van rente en kosten, een bedrag resteerde van € 366.228,66. Productie 3 betreft kopieën van een viertal bankafschriften van de rekening van de man bij ABN AMRO met nummer [rekeningnummer 1] waaruit het volgende blijkt:

- voormeld bedrag van € 366.228,66 is op 19 juli 2004 gestort op de genoemde bankrekening

van de man;

- op 20 juli 2004 is van die bankrekening een bedrag van € 325.000,- overgeschreven naar

bankrekening nummer [rekeningnummer 5] ten name van de man;

- op 26 augustus 2004 is van laatstgenoemde bankrekening een bedrag van € 180.000,-

teruggestort op de voornoemde rekening met nummer [rekeningnummer 1] ;

- van laatstgenoemde rekening is ten slotte op 30 augustus 2004 een bedrag van € 130.356,81

overgemaakt naar de rekening van de notaris die het transport van het weiland heeft

verzorgd.

Gelet op de datum en de hoogte van het bedrag moet als vaststaand worden aangenomen dat de laatstgenoemde overschrijving betrekking heeft op de aankoop door partijen van het weiland in geschil.

Het hof acht, gelet op het verloop van de boekingen zoals hiervoor weergegeven, voldoende verband aanwezig tussen het op 19 juli 2004 ontvangen bedrag van Nationale Nederlanden en de betaling voor de aankoop van het weiland, om te kunnen concluderen dat die aankoop is gefinancierd met een deel van de hypothecaire lening van Nationale Nederlanden.

De vrouw heeft er weliswaar op gewezen dat het van Nationale Nederlanden geleende bedrag door de man was overgeboekt op zijn rekening met nummer [rekeningnummer 5] en daar mogelijk vermengd is geraakt met overgespaard inkomen alvorens een deel groot € 180.000,- weer werd teruggestort op rekening [rekeningnummer 1] , maar naar het oordeel van het hof doet die omstandigheid, indien al juist, onvoldoende af aan de conclusie zoals hiervoor weergegeven.

3.7.6.

Dat de werkzaamheden ten behoeve van het weiland (omheining, bak, stal, etc.) ten bedrage van ruim € 10.000,- eveneens uit de lening van Nationale Nederlanden zijn gefinancierd, is door de man niet aangetoond, zodat zijn stelling in zoverre niet kan worden aanvaard.

3.7.7.

Het voorgaande betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat de aankoop van het weiland tot een bedrag van € 130.356,81 is gefinancierd met een deel van de hypothecaire lening bij Nationale Nederlanden, sinds 2006 bij de Rabobank, voor welke lening beide partijen zich hoofdelijk hebben verbonden. Partijen zijn ieder voor de helft draagplichtig met betrekking tot voormeld bedrag van € 130.356,81.

3.7.8.

De man wenst toedeling van het weiland aan hem tegen betaling van de helft van de waarde aan de vrouw. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het weiland moet worden verkocht aan een derde en dat de opbrengst moet worden verdeeld.

Het hof is vooralsnog van oordeel dat het perceel moet worden toegedeeld aan de man, dit onder de voorwaarde dat de vrouw door de man geheel of gedeeltelijk wordt ontslagen uit haar draagplicht met betrekking tot voormeld bedrag van € 130.356,81, dit afhankelijk van de waarde van het perceel.

Omtrent die waarde zijn partijen het oneens. Er zal daarom een taxatie moeten plaatsvinden door een onafhankelijke deskundige. De man heeft zich bereid verklaard thans aan een dergelijk deskundigenonderzoek mee te werken.

Als peildatum voor de waardering geldt de datum van verdeling. Om die reden dient de deskundige de actuele waarde in het economisch verkeer te taxeren.

Het hof zal de deskundige benoemen die ook reeds door de rechtbank was aangewezen (beschikking 3 november 2014), te weten de heer P. van Helvoort in [plaats 2] .

3.7.9.

De man heeft in zijn appelschrift aanvullend verzocht om de vrouw te veroordelen om voor de helft bij te dragen in de rente op de hypothecaire lening bij de Rabobank (welke rente, in totaal groot € 2.162,92 per maand, thans volledig door hem wordt betaald), voor zover die rente betrekking heeft op het weiland, dit vanaf 17 mei 2013 (de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek) tot aan de datum van eigendomsoverdracht van het aandeel van de vrouw in het weiland aan hem. De man heeft het aandeel van de vrouw in de hypotheekrente, voor zover betrekking hebbend op het weiland, berekend op € 253,22 per maand.

3.7.10.

De vrouw heeft niet betwist dat de totale rentelast voor de hypothecaire lening bij de Rabobank € 2.162,92 per maand bedraagt. Evenmin is door haar betwist dat zij voor de helft draagplichtig is voor de hypotheekrente, voor zover de lening betrekking heeft op het weiland. Zij betwist echter dat de berekening van de man van de hoogte van haar bijdrage juist is. Zij heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat rekening gehouden moet worden met het fiscaal voordeel dat de man geniet vanwege de betaling van hypotheekrente.

3.7.11.

Naar het oordeel van het hof dient de vrouw vanaf 17 mei 2013 voor de helft bij te dragen in de netto door de man betaalde rentelast, indien en voor zover betrekking hebbend op de financiering van de aankoop van het weiland. Hiervóór is vastgesteld dat die financiering € 130.356,81 bedraagt. Dit betekent dat de bruto rentelast, betrekking hebbend op het weiland, kan worden berekend op 130.356,81 : 600.000 x € 2.162,92 = € 469,92.

De vrouw heeft onweersproken aangevoerd dat het fiscaal voordeel van de man 40% bedraagt, zodat de netto maandlast betrekking hebbend op het weiland € 281,95 per maand bedraagt. De vrouw dient de helft daarvan, zijnde € 140,97 per maand aan de man te vergoeden, vanaf 17 mei 2013 tot aan de eigendomsoverdracht van het aandeel van de vrouw aan de man.

3.7.12.

Ook de vrouw heeft met betrekking tot het weiland een aanvullend verzoek ingediend: zij verzoekt het hof de man te veroordelen om aan haar een gebruiksvergoeding te betalen van € 140,- per maand omdat de man sinds mei 2013 het uitsluitend gebruik van het weiland heeft.

De man heeft dit verzoek bestreden. Hij stelt dat het weiland mede wordt gebruikt voor de paarden die aan de vrouw zijn toegedeeld. Hij stelt verder dat het de vrouw vrij staat om gebruik te maken van het weiland, zodat van een uitsluitend gebruik door hem geen sprake is.

3.7.13.

Naar het oordeel van het hof is het aanvullend verzoek van de vrouw niet toewijsbaar. Vanaf mei 2013 is het weiland mede gebruikt voor het weiden van de paarden [paard 2] en [paard 1] en de pony [pony] ( [paard 2] tot eind 2013); de rechtbank heeft met betrekking tot deze paarden en de pony vastgesteld dat ze gemeenschappelijk eigendom zijn. Tegen die vaststelling is door de vrouw niet gegriefd. De rechtbank heeft de genoemde paarden en pony op 3 april 2014 toegedeeld aan de vrouw. Onder deze omstandigheden is er geen grond voor de vaststelling van een door de man te betalen gebruiksvergoeding.

3.8.

De ING rekening met nummer [rekeningnummer 4] ten name van beide partijen (grief XII van de man).

3.8.1.

Met betrekking tot de voormelde gezamenlijke rekening bij de ING heeft de rechtbank in de beschikking van 3 juni 2014 overwogen dat partijen het saldo per 3 juni 2014 moeten verdelen.

In zijn twaalfde grief wijst de man er op dat de rechtbank verzuimd heeft deze beslissing in het dictum van de eindbeschikking op te nemen. Hij verzoekt het hof om alsnog een beslissing in het dictum op te nemen.

3.8.2.

De vrouw heeft in reactie hierop aangevoerd dat de man geen belang heeft bij dit verzoek, gelet op het volgende. Op de hier bedoelde rekening was na het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning een negatief saldo ontstaan als gevolg van kasopnamen door de man ten bedrage van € 3.350,-. Dat tekort is aangezuiverd doordat de bank het tekort heeft verrekend met het saldo op de betaalrekening van de vrouw met nummer [rekeningnummer 3] (productie 22 bij het verweerschrift van de vrouw in het hoger beroep met nummer 200.179.344). Als gevolg van deze gang van zaken heeft de vrouw een vergoedingsrecht jegens de man van

€ 1.675,-. Met dat vergoedingsrecht is door de rechtbank rekening gehouden bij de berekening van het aan de vrouw toekomende bedrag (pagina 5 van de eindbeschikking d.d. 24 juli 2015).

3.8.3.

Voormelde stellingen zijn door de man niet weersproken. De conclusie is dan ook dat hij geen belang heeft bij zijn verzoek en dat grief XII faalt.

3.9.

De voormalige echtelijke woning [adres] te [plaats 1] en de met die woning verbonden leningen (grief 3 en 4 van de vrouw en grief IIa en IIb van de man).

3.9.1.

De voormalige echtelijke woning aan de [adres] in [plaats 1] is eigendom van de man. De vrouw stelt zich op het standpunt dat een deel van de waarde van de woning aan haar toekomt. Zij baseert zich hierbij op het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden (artikel 6) dat (voor zover thans van belang) luidt:

Bij het einde van hun huwelijk om welke reden dan ook verplichten de echtgenoten zich ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van hun inkomsten onverteerd is gebleven casu quo hetgeen daaruit door belegging is verkregen (…)

Onder inkomsten in de vorige zin wordt verstaan het begrip inkomen volgens artikel 5 lid 2.

Daarnaast verplichten de echtgenoten zich alsdan te zullen verrekenen de waardeveranderingen, ontstaan tijdens het huwelijk, van de echtelijke woning. (…)

Teneinde te vergemakkelijken wat bij het einde van hun huwelijk krachtens het vorenstaande door de echtgenoten eventueel aan elkaar verschuldigd is verbinden de echtgenoten zich jegens elkaar om telkenjare per een januari vast te stellen hetgeen alsdan te verrekenen zou zijn indien op dat tijdstip hun huwelijk door echtscheiding ontbonden zou zijn. (…)

Partijen zijn het erover eens dat artikel 6 een periodiek verrekenbeding bevat dat niet jaarlijks is uitgevoerd. Zij zijn het ook eens over de peildatum voor de verrekening op grond van het verrekenbeding, namelijk 17 mei 2013.

Partijen zijn het oneens over de uitleg van de zin: Daarnaast verplichten de echtgenoten zich alsdan te zullen verrekenen de waardeveranderingen, ontstaan tijdens het huwelijk, van de echtelijke woning. De man stelt dat op basis van deze bepaling niet alleen de waardevermeerdering van de woning moet worden verrekend maar ook een eventuele waardevermindering. De vrouw bestrijdt dit. Volgens haar komt alleen waardevermeerdering in aanmerking voor verrekening, niet een eventuele waardevermindering.

Naar het oordeel van het hof is deze discussie in zoverre niet relevant dat partijen het erover eens zijn dat de woning tijdens het huwelijk in waarde is gestegen. Het bewijsaanbod van de man omtrent de uitleg van de voormelde bepaling in de huwelijkse voorwaarden wordt om die reden gepasseerd.

3.9.2.

Omtrent de omvang van de waardestijging van de woning tijdens het huwelijk verschillen partijen van mening.

Ten tijde van het sluiten van het huwelijk van partijen op 28 april 1995 bedroeg de waarde (omgerekend) € 258.074,-. De vrouw stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van de waardestijging uitgegaan moet worden van een lager aanvangsbedrag dan het genoemde bedrag van € 258.074,-, aangezien de woning in 2004 grotendeels is gesloopt en herbouwd.

Naar het oordeel van het hof kan dit standpunt niet worden aanvaard. Nog afgezien van het feit dat de man betwist dat er in 2004 sprake is geweest van omvangrijke sloop, heeft voor de toepassing van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden te gelden dat de waarde van de woning bij het begin van het huwelijk moet worden vergeleken met de waarde op de peildatum 17 mei 2013. Dat in de loop van de verrekenperiode mogelijk sprake is geweest van een tijdelijke waardedaling als gevolg van sloopwerkzaamheden is voor de berekening niet relevant.

3.9.3.

Partijen zijn het oneens over de waarde van de woning op de peildatum 17 mei 2013. Hetgeen hiervoor onder 3.7.8 is overwogen met betrekking tot de waarde van het weiland is van overeenkomstige toepassing. Het hof zal opdracht geven aan de deskundige Van Helvoort om de waarde in het economisch verkeer van de voormalige echtelijke woning per 17 mei 2013 te taxeren.

3.9.4.

Partijen zijn het verder oneens over de vraag of (en zo ja: in hoeverre) bij de verrekening van de waardestijging van de woning conform artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden, rekening gehouden moet worden met de (op de peildatum bestaande) schulden die zijn gemaakt om de waardestijging mogelijk te maken. In casu gaat het om leningen die zijn afgesloten om de verbouwing van de woning te financieren. Volgens de man is de verbouwing gefinancierd met de lening van (thans) de Rabobank ad € 600.000,- (gedeeltelijk) en met een lening van zijn vennootschap [holding] Holding B.V.

In de huwelijkse voorwaarden is niets geregeld omtrent de vraag of en zo ja: in hoeverre bij de uitvoering van artikel 6 rekening gehouden moet worden met dergelijke leningen. Evenmin is gesteld of gebleken dat partijen op dit punt nadere afspraken hebben gemaakt.

De enkele omstandigheid dat de hypothecaire lening bij (thans) de Rabobank ten name van beide partijen is gesteld acht het hof voor de beoordeling niet doorslaggevend. Immers: die lening heeft (behoudens het deel dat gebruikt is voor de financiering van het weiland) uitsluitend ten dienste gestaan van de financiering van de woning van de man, zodat als uitgangspunt heeft te gelden dat de lening in zoverre voor zijn rekening moet komen. Een bijzondere omstandigheid in dit geval is dat de vrouw, op grond van de huwelijkse voorwaarden, deelt in de waardestijging van de woning van de man tijdens de verrekenperiode.

3.9.5.

In het licht van het voorgaande is het hof is van oordeel, rekening houdend met de redelijkheid en billijkheid die partijen als voormalige echtgenoten jegens elkaar in acht moeten nemen en mede gelet op de aard van het verrekenbeding, welke aard meebrengt dat slechts positief vermogen in de verrekening moet worden betrokken, dat de vrouw slechts dán recht heeft op verrekening van de waardestijging van de woning indien en voor zover die waardestijging groter is dan de (op de peildatum aanwezige) schulden die zijn aangegaan om de waardestijging te realiseren.

Andersom brengen de redelijkheid en de billijkheid en de aard van het verrekenbeding mee dat de vrouw in de verhouding met de man niet verder draagplichtig is voor de schulden die zij hoofdelijk met de man is aangegaan om de verbouwing te financieren dan tot het bedrag van haar aandeel in de waardestijging van de woning ingevolge artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden.

3.9.6.

Van de lening bij (thans) de Rabobank ad € 600.000,-, is een deel gebruikt ter aflossing van een voorhuwelijkse lening van de man bij Delta Lloyd ten bedrage van (inclusief rente) € 157.620,75, zoals blijkt uit de afrekening van de notaris (productie 4 bij het verweerschrift van de man in hoger beroep in de zaak 200.179.223). Dit bedrag dient volledig ten laste van de man te komen. Na aftrek hiervan resteert van de lening een bedrag van € 442.379,25.

Hiervoor is overwogen dat een deel van de lening, groot € 130.356,81, betrekking heeft op de financiering van de aankoop van het weiland in 2004. Na aftrek hiervan resteert van de lening een bedrag van € 312.022,44.

De lening is mede gebruikt voor de aflossing van twee oude leningen die partijen gezamenlijk waren aangegaan voor de verbetering van de woning in 1996. In verband met de aflossing van deze oude leningen zijn respectievelijk een bedrag van € 18.388,- (inclusief rente) en een bedrag van € 49.926,46 in mindering gebracht. Tevens zijn op de lening een bedrag van € 6.600 aan afsluitprovisie en een bedrag van € 1.235,15 aan notariskosten in mindering gebracht. Per saldo resteerde voor de financiering van de verbouwing in 2004:

€ 312.022,44 min € 49.926,46 min € 6.600,- min € 1.235,15 = € 235.872,83.

De vrouw is in verhouding tot de man draagplichtig voor de helft van het voormelde bedrag van € 312.022,44 (zijnde € 156.011,22) dat van de lening resteert na aftrek van de privéschuld van de man bij Delta Lloyd en van het bedrag dat is gebruikt voor de financiering van het weiland, waaromtrent reeds in het voorgaande is beslist dat de vrouw in zoverre voor de hypotheekschuld voor de helft draagplichtig is.

Zoals overwogen, geldt de draagplicht met betrekking tot het voormelde bedrag van

€ 156.011,22 niet indien en voor zover dat bedrag hoger is dan het bedrag van haar aandeel in de waardestijging van de woning ingevolge artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden.

3.9.7.

Dat de vrouw daarnaast jegens de man recht zou hebben op een bedrag van

€ 71.470,50 (de helft van de afgeloste hypotheek bij Delta Lloyd zoals de rechtbank heeft beslist), is naar het oordeel van het hof onjuist, nu immers hiervoor al is uitgegaan van het bedrag dat van de lening resteert na aftrek van de privéschuld van de man aan Delta Lloyd. De tegen die beslissing gerichte grief van de man slaagt.

3.9.8.

Zoals overwogen, is de man uitsluitend gehouden tot betaling van de helft van de waardestijging van de woning voor zover die waardestijging groter is dan het bedrag dat is gemoeid met de financiering van de verbouwing van de woning. Volgens de man is niet alleen het hiervoor genoemde restant van de hypothecaire lening bij (thans) de Rabobank , groot € 235.872,83, gebruikt voor de verbouwing in 2004, maar ook een lening die hij heeft afgesloten bij [holding] Holding B.V. ten bedrage van € 221.487,-. Volgens de man (in de brief van zijn advocaat aan het hof d.d. 17 juni 2016) hebben de totale verbouwingskosten

€ 538.059,- bedragen. Het hof merkt hierbij op dat dit meer is dan de som van voormelde leningen en ook beduidend meer dan is vermeld in het hierna te noemen rapport van de accountant [accountant] , zodat het door de man genoemde bedrag niet erg geloofwaardig is.

De vrouw heeft het bestaan van de lening bij [holding] Holding B.V. op zichzelf niet betwist. Zij betwist wel dat het bedrag van de lening zou zijn gebruikt voor de verbouwing van de woning in 2004.

3.9.9.

De man heeft, ten bewijze van zijn stellingen met betrekking tot de lening bij de Holding, verwezen naar de producties 76b, c, d en f bij processtuk 29.

Productie 76b betreft de leenovereenkomst die op 7 maart 2008 is gesloten tussen de man en de Holding. In de overeenkomst is het leenbedrag van € 221.487,- vermeld.

Productie 76f bevat een verklaring van de accountant [accountant] dat blijkens de administratie van [holding] Holding B.V. door de vennootschap in totaal een bedrag van € 221.487,- aan verbouwingskosten is betaald, waarvan een bedrag van € 127.459,- betrekking zou hebben op de verbouwingskosten in 2004/2005 en een bedrag van € 94.028,- op verbouwingskosten in de periode 1996/2003.

Het hof merkt hierbij op dat onderliggende bewijsstukken met betrekking tot deze cijfers in het rapport ontbreken.

Productie 76c bevat een uitdraai van grootboekkaarten met betrekking tot de jaren 2004 en 2005 waarin betalingen door de vennootschap van de man voor de verbouwing van de voormalige echtelijke woning zijn vermeld.

Productie 76d bevat de facturen die door de vennootschap van de man zouden zijn betaald.

Het hof stelt vast dat slechts voor 7 van de overgelegde facturen geldt dat de betaling daarvan terug te vinden is op de grootboekkaart 2004, te weten:

- factuur [derde 1] ad € 22.865,85

- factuur [derde 1] ad € 9.222,50

- factuur Brabantwater € 279,84

- factuur Essent € 466,48

- factuur [derde 2] € 8.489,92

- factuur [derde 3] € 395,26

- factuur [derde 4] € 3.315,34

- factuur [derde 5] € 10.275,00

Totaal € 55.310,19

Wat betreft deze facturen acht het hof voldoende aangetoond dat ze via de vennootschap van de man zijn voldaan en dat hij in zoverre een schuld heeft aan de vennootschap in verband met betaalde verbouwingskosten.

Voor het overige acht het hof onvoldoende bewijs aanwezig voor de door de man gestelde schuld aan zijn vennootschap in verband met betaalde verbouwingskosten.

3.9.10.

Het voorgaande betekent dat de man de waardevermeerdering van de woning tijdens het huwelijk met de vrouw zal moeten verrekenen indien en voor zover die waardevermeerdering een bedrag van (€ 312.022,44 plus € 55.310,19 = ) € 367.332,63 overstijgt.

3.10.

De Opmaatverzekering bij Interpolis met nummer [verzekeringnummer] (grief 5 van de vrouw en grief III van de man).

3.10.1.

Partijen zijn gemeenschappelijk eigenaar van de Opmaatverzekering bij Interpolis. Het gaat om een kapitaalverzekering die gekoppeld is aan de hypotheek van € 600.000,- bij de Rabobank. De verzekering is de voortzetting van een polis bij Delta Lloyd die de man reeds vóór het huwelijk had afgesloten. De waarde van de polis bij het aangaan van het huwelijk bedroeg (omgerekend) € 14.895,96. De waarde van de polis is ingebracht in een verzekering bij Nationale Nederlanden en nadien bij Interpolis.

De opgebouwde waarde van de Opmaatverzekering op 17 mei 2013 bedroeg € 71.417,54. Het hof begrijpt dat partijen het erover eens zijn dat voor de verdeling van de waarde van de polis als peildatum 17 mei 2013 heeft te gelden.

De rechtbank heeft de Opmaatverzekering aan de man toegedeeld onder de verplichting om aan de vrouw ½ x (€ 71.417,54 min € 14.895,96 =) € 28.260,79 te betalen.

3.10.2.

Tegen de toedeling van de Opmaatverzekering aan de man is niet gegriefd.

De man heeft terecht aangevoerd dat bij de berekening van het door hem aan de vrouw verschuldigde bedrag moet worden uitgegaan van de contante waarde op de peildatum. De verzekering wordt immers voortgezet door de man. Uit productie 68 bij processtuk 29 blijkt dat het door de rechtbank gehanteerde bedrag van € 71.417,54 de afkoopwaarde van de polis is. De man dient een brief van Interpolis in het geding te brengen met daarin vermeld de contante waarde van de Opmaatverzekering op 17 mei 2013.

3.10.3.

De man betoogt in grief II dat aan hem uitstel van betaling aan de vrouw moet worden verleend totdat de polis tot uitkering komt. Omdat de verzekering is gekoppeld aan de hypothecaire lening zal de uitkering te zijner tijd in mindering strekken op de hypotheekschuld.

Naar het oordeel van het hof kan dit betoog niet worden aanvaard. De opgebouwde waarde van de Opmaatverzekering vertegenwoordigt een gemeenschappelijk vermogensbestanddeel dat aan de man wordt toegedeeld. De man wordt daardoor in zoverre overbedeeld en hij dient om die reden de helft van de waarde van de polis (minus de waarde van de door hem ten huwelijk aangebrachte polis) aan de vrouw te vergoeden. Dat de polis pas later tot uitkering komt, doet hieraan niet af. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de uitkering zal worden benut om de hypothecaire lening af te lossen.

3.10.4.

De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen om de helft van de door hem betaalde premies ten behoeve van de Opmaatverzekering in de maanden maart, april en mei 2013 (tot 7 mei 2013) aan hem te vergoeden.

Dit verzoek zou toewijsbaar zijn indien vast zou staan dat de man de hier bedoelde premies uit privémiddelen heeft voldaan. De man heeft dat echter niet aangetoond, zodat er ook geen grond is voor een vergoedingsrecht. Aangenomen moet worden dat de premies door de man zijn betaald uit de banksaldi waarop de vrouw, ingevolge het verrekenbeding, voor de helft aanspraak kon maken. In die zin heeft de vrouw ook meebetaald aan de premies, zoals zij terecht in haar verweer op de grief van de man heeft aangevoerd.

Dit betekent dat grief III van de man in zoverre faalt.

3.10.5.

Grief 5 van de vrouw heeft betrekking op de nabetaling die de man van Delta Lloyd heeft ontvangen in verband met de tot 2004 bestaande polis bij Delta Loyd. De rechtbank is uitgegaan van een nabetaling van € 2.165,37 en heeft bepaald dat de man de helft, dus

€ 1.082,68 aan de vrouw moet voldoen.

3.10.6.

Tegen het uitgangspunt dat de door de man ontvangen nabetaling tot het te verrekenen vermogen hoort, is niet gegriefd. Ook het hof zal hiervan uitgaan.

Volgens de vrouw is de nabetaling geen € 2.165,37 maar € 3.345,52. De man bestrijdt dit en heeft verwezen naar een brief van Delta Lloyd d.d. 12 mei 2015, die als bijlage is gevoegd bij processtuk 34.

3.10.7.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de door de man overgelegde brief van Delta Lloyd d.d. 12 mei 2015 blijkt dat de man recht heeft op een nabetaling van € 3.345,45 inclusief rente. Het gaat hierbij echter om een nabetaling die betrekking heeft op te weinig berekende rente vanaf 28 oktober 1988; gerekend over de huwelijkse periode is de nabetaling door Delta Lloyd berekend op

€ 2.165,37.

Het voorgaande betekent dat de vijfde grief van de vrouw faalt.

3.11.

De Opbouwspaarrekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 6] ten name van beide partijen. (grief II van de man).

3.11.1.

Met betrekking tot deze spaarrekening heeft de rechtbank beslist dat het saldo zoals dat op 17 mei 2013 bestond ten bedrage van € 25.008,17 tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld. Tegen deze beslissing is niet gegriefd.

3.11.2.

De grief van de man heeft betrekking op de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen aan hem de helft van de inleg gedurende maanden februari, maart, april en mei 2013 (tot 17 mei 2013) te vergoeden.

De grief faalt op dezelfde gronden als die hiervoor onder 3.10.4 zijn vermeld.

3.12.

De banksaldi van de man (grief 6 van de vrouw en grief IV van de man).

3.12.1.

Partijen zijn het erover eens dat de banksaldi van de man op de peildatum tot het te verrekenen vermogen horen.

De zesde grief van de vrouw houdt in dat de rechtbank ten onrecht niet alle banksaldi van de man in de verrekening heeft betrokken.

De vierde grief van de man houdt in dat de rechtbank ten aanzien van een aantal bankrekeningen ten onrechte heeft volstaan met de vaststelling van de wijze van verdeling van de saldi, zonder concrete bedragen te vermelden.

3.12.2.

Het hof gaat ervan uit, op grond van de overgelegde stukken voor zover deze niet of onvoldoende zijn weersproken, dat de man op de peildatum 17 mei 2013 de beschikking had over de volgende banksaldi:

- ABN AMRO nummer [rekeningnummer 1] € 443,27

- ABN AMRO nummer [rekeningnummer 5] € 2.750,00

- ING nummer [rekeningnummer 7] € 285,33

- Rabobank nummer [rekeningnummer 8] € 16.297,67

- SNS nummer [rekeningnummer 9] € 1.379,24

Totaal € 21.155,51

De vrouw heeft recht op de helft van dit bedrag, dit is € 10.577,76.

3.12.3.

Partijen zijn het oneens over de saldi van de volgende bankrekeningen van de man:

* Rabobank nummer [rekeningnummer 10] .

Het betreft een internetspaarrekening ten name van de man. Met betrekking tot deze rekening heeft de man in zijn verweerschrift in de appelzaak met nummer 200.179.223 (randnummers 47 tot en met 50) aangevoerd dat de ontslagvergoeding die hij op 6 mei 2011 van zijn voormalige werkgever [voormalige werkgever] heeft ontvangen op 2 juni 2011, grotendeels (namelijk tot een bedrag van € 88.000,-) is gestort op de hier bedoelde internetspaarrekening. Omdat de ontslagvergoeding is omgezet in een stamrecht dat is ondergebracht in zijn vennootschap [holding] Holding B.V., is voormeld bedrag geboekt als bezitting van de Holding. Op 4 februari 2013 is het voornoemde bedrag, vermeerderd met rente, overgeschreven op een bedrijfsspaarrekening ten name van [holding] Holding B.V.

De vrouw heeft het voorgaande niet weersproken.

Naar het oordeel van het hof betekent dit dat er geen saldo op rekening nummer [rekeningnummer 10] te verrekenen valt.

* Rabobank nummer [rekeningnummer 11] .

De man heeft een bankafschrift overgelegd (bij brief van zijn advocaat aan het hof d.d. 17 juni 2016) waaruit blijkt dat het saldo op deze rekening op de peildatum € 2.289,37 bedroeg.

De vrouw stelt (in de brief van haar advocaat aan het hof d.d. 24 juni 2016) dat het saldo op deze rekening moet worden gecorrigeerd met betalingen die door de man aan zijn advocaat zijn gedaan. Het hof begrijpt dat het hierbij gaat om betalingen die vóór de peildatum zijn gedaan.

Voor een correctie zoals door de vrouw wordt verlangd, bestaat geen rechtsgrond.

Wat deze rekening betreft zal het hof daarom uitgaan van het door de man genoemde saldo. De vrouw heeft recht op de helft daarvan, dit is € 1.144,69.

3.12.4.

De vrouw heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat er ook sprake zou zijn van een saldo op een bankrekening van de man bij Van Lanschot. De man betwist dit.

De vrouw verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de bankafschriften inzake de en/of rekening van partijen bij (toen) de Postbank die de man als productie 43 heeft overgelegd bij de brief van zijn advocaat aan het hof d.d. 17 juni 2016. De hier bedoelde afschriften van de Postbank hebben echter betrekking op de jaren 2004 en 2005 en bieden naar het oordeel van het hof onvoldoende houvast om een onderzoek naar een eventueel banksaldo op de datum 17 mei 2013 te rechtvaardigen.

3.12.5.

De conclusie is dat de grief van de man slaagt; de grief van de vrouw slaagt gedeeltelijk en faalt voor het overige.

3.13.

De effectenrekening bij de Rabobank met nummer [nummer effectenportefeuille] en de rekening-courantschuld aan [holding] Holding B.V. (grieven V en IX van de man).

3.13.1.

De man was op de peildatum 17 mei 2013 eigenaar van een effectenrekening bij de Rabobank met bovengenoemd nummer. Volgens de man heeft hij de effecten in 2001 overgenomen van zijn vennootschap [holding] Holding B.V. en is de koopsom ad fl. 153.947,- geboekt als schuld in rekening-courant. De effecten werden door de man aanvankelijk gehouden via een rekening bij ABN AMRO; vanaf december 2004 via rekeningen bij de Rabobank.

In september 2013, dus ná de peildatum, heeft de man de effecten verkocht; de opbrengst heeft hij gebruikt ter aflossing van zijn rekening-courantschuld bij de Holding.

De man stelt zich op het standpunt dat de effecten met privégeld zijn betaald en buiten de verrekening moeten blijven. De vrouw heeft dit standpunt bestreden.

De rechtbank heeft beslist dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat de effecten met privégeld zijn betaald en dat de waarde van de effecten om die reden in de verrekening moet worden betrokken. Wat betreft de rekening-courantschuld heeft de rechtbank bepaald dat daarmee bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden géén rekening moet worden gehouden.

De man kan zich met deze beslissingen niet verenigen. Zijn grieven V en IX hebben hierop betrekking.

3.13.2.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Onbetwist is dat de effecten die werden gehouden via de effectenrekening [nummer effectenportefeuille] eigendom waren van de man.

Eveneens onbetwist is dat de schuld in rekening-courant bij [holding] Holding B.V. een privéschuld van de man was.

Verder is niet betwist dat de opbrengst van de effecten in 2013 in mindering is gebracht op de rekening-courantschuld van de man bij de Holding.

In geschil is of op de peildatum 17 mei 2013 voldoende samenhang bestond tussen de rekening-courantschuld en de effecten om de conclusie van de man dat de effecten gefinancierd zijn met privégeld, te rechtvaardigen.

3.13.3.

Het hof is van oordeel dat de man, door overlegging van de producties 57 en 58 bij processtuk 17, in samenhang met de verklaring van de accountant [accountant] (productie 76f bij processtuk 29) in voldoende mate heeft aangetoond dat hij de effecten op 22 september 2001 heeft overgenomen van [holding] Holding B.V. tegen een waarde van fl. 153.947,- (omgerekend: € 69.858,10) en dat de overnamesom als schuld van de man in rekening-courant is geboekt.

Het hof is voorts van oordeel dat de man, door overlegging van productie 16 bij processtuk 3 en productie 76f bij processtuk 29, in voldoende mate heeft aangetoond dat de rekening-courantschuld eind 2012 € 100.064,- bedroeg en op de peildatum 17 mei 2013 € 97.064,-.

De vrouw heeft die bedragen op zichzelf niet betwist, maar zij betoogt dat de rekening-courantschuld in de jaren 2007 tot en met 2009 aanzienlijk lager was en daarna weer is opgelopen zodat het verband tussen de rekening-courantschuld en de aankoop van de effecten ontbreekt. Zij verwijst in dit verband naar productie 22 bij de brief van haar advocaat aan het hof d.d. 24 juni 2016, welke productie betrekking heeft op gedeelten van concept-aangiften IB van de vrouw over de jaren 2007 tot en met 2009, in welke stukken melding wordt gemaakt van schulden van de vrouw aan [holding] Holding B.V van respectievelijk € 30.000,-, € 35.000,- en € 27.000,-.

De man heeft betwist dat deze concept-aangiften zijn schuld in rekening-courant in de desbetreffende jaren weergeven.

Naar het oordeel van het hof zijn de door de vrouw overgelegde stukken te onduidelijk om daaruit te kunnen concluderen dat het verband tussen de effecten van de man en diens schuld in rekening-courant ontbreekt.

3.13.4.

Uit het “Jaaroverzicht beleggersportefeuille 2012” van de Rabobank (productie 57 bij processtuk 17) in samenhang met productie 60, eveneens bij processtuk 17, leidt het hof af dat de waarde van de effecten op 31 december 2012 € 84.692,22 bedroeg.

Uit productie 60 bij processtuk 17, in samenhang met de overgelegde bankafschriften (productie 55 bij processtuk 17) valt af te leiden dat, wanneer de boekingen van de ene naar de andere beleggingsrekening buiten beschouwing worden gelaten, de opnamen van de beleggingsrekening de (beperkte) stortingen ruimschoots overtreffen.

Gelet op deze feiten en omstandigheden acht het hof door de man in voldoende mate aangetoond dat de op de peildatum aanwezige beleggingen moeten worden geacht te zijn gefinancierd met privégeld (te weten: een schuld in rekening courant bij de Holding) en dat de waarde van de effecten om die reden niet in de verrekening dient te worden betrokken.

De grieven van de man slagen in zoverre.

3.14.

De betaal- en Toprekening van de vrouw bij ING met nummer [rekeningnummer 3] (grief 7 van de vrouw en grief VI van de man).

3.14.1.

De vrouw had op de peildatum 17 mei 2013 een betaal- en Toprekening bij de ING met nr. [rekeningnummer 3] .

De betaalrekening had op die datum een saldo van € 1.305,46. Wat betreft de Toprekening acht het hof, met het overleggen door de vrouw van een overzicht van de ING (productie 10 bij haar appelschrift) in voldoende mate door de vrouw aangetoond dat het saldo van die rekening op de peildatum € 10.734,90 bedroeg.

De grief van de man faalt in zoverre.

3.14.2.

De rechtbank heeft beslist dat zowel het saldo van de betaalrekening als van de Toprekening in de verrekening moet worden betrokken. De beslissing met betrekking tot de betaalrekening is niet in geschil, maar de vrouw kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat ook het saldo op de Toprekening moet worden verrekend. Zij stelt zich op het standpunt dat het saldo op de Toprekening (grotendeels) afkomstig is van de nalatenschap van haar moeder en deels van vóórhuwelijkse spaarrekeningen op haar naam, zodat er geen grond is voor verrekening.

De man stelt zich op het standpunt dat het saldo van de Toprekening wél in de verrekening moet worden betrokken.

3.14.3.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit productie 56 bij processtuk 16 blijkt dat in de periode maart tot en met december 2006 in totaal een bedrag van € 31.592,82, afkomstig van de nalatenschap van de moeder van de vrouw, is gestort op haar betaalrekening bij de ING. In dezelfde periode is een bedrag van in totaal € 27.000,- overgeboekt van haar betaalrekening naar haar (toenmalige internetspaarrekening bij de ING met nr. [rekeningnummer 12] (productie 57 bij processtuk 16). Het saldo op die internetspaarrekening was per 1 januari 2006 € 0 en op 31 december 2006 € 26.000,- (productie 26 bij processtuk 2).

Eind 2008 is de internetspaarrekening beëindigd; een bedrag van € 23.130,- is overgeboekt naar de nieuw geopende Toprekening met nummer [rekeningnummer 3] . Het hof begrijpt dat die overboeking heeft plaatsgevonden via de betaalrekening van de vrouw (productie 7 bij het appelschrift van de vrouw).

3.14.4.

Blijkens productie 10 bij het appelschrift van de vrouw zijn, afgezien van voormeld bedrag van € 23.130,-, nog de volgende bedragen gestort op de Toprekening:

- op 22 december 2008: € 670,00

- op 1 maart 2009: € 3.000,00

- op 10 juli 2011: € 1.427,27

Totaal € 5.097,27

Het totaalbedrag aan stortingen op de Toprekening heeft aldus € 23.130,- plus € 5.097,27 = € 28.227,27 bedragen. De vrouw stelt dat de stortingen ad € 670,- en € 1.427,27 betrekking hebben op geld dat afkomstig was van vóórhuwelijkse spaarrekeningen en daarom buiten de verrekening moeten blijven. De man heeft dit bestreden.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat de stortingen met een totaal van € 5.097,27 afkomstig zijn van niet-verrekenbaar vermogen. Wat de storting van € 23.130,- betreft is het hof van oordeel dat de vrouw, met de overlegging van de in de vorige rechtsoverweging genoemde stukken, wél voldoende heeft aangetoond dat die storting afkomstig is van niet-verrekenbaar vermogen, namelijk uit de nalatenschap van haar moeder.

Dit betekent dat van het saldo op de peildatum ad € 10.734,90 een gedeelte groot (5.097,27 : 28.227,27) x € 10.734,90 = € 1.938,50 moet worden verrekend. De man heeft recht op de helft, dit is € 969,25.

3.15.

De voormalige studieschuld van de vrouw (grief VII van de man).

3.15.1.

De vrouw had ten tijde van de huwelijkssluiting een studieschuld van € 5.568,12. De lening is tijdens het huwelijk van partijen afgelost. Volgens de man heeft hij jegens de vrouw recht op vergoeding van de helft van het afgeloste bedrag omdat de aflossing heeft plaatsgevonden uit overgespaard inkomen.

De rechtbank heeft dit standpunt van de man verworpen. De man is het hiermee niet eens; zijn zevende grief heeft hierop betrekking.

3.15.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de studieschuld door de vrouw is afgelost uit haar eigen inkomen. Dat inkomen is in zoverre verteerd. Van een investering met overgespaard inkomen is geen sprake. Dit betekent dat er geen grond is voor verrekening. Van een vergoedingsrecht is evenmin sprake, aangezien niet is gesteld of gebleken dat de man uit privévermogen heeft bijgedragen aan de aflossing van de studieschuld.

De conclusie is dat grief VII van de man faalt.

3.16.

De polissen van de vrouw bij Aegon (grief VIII van de man).

3.16.1.

De vrouw had op de peildatum 17 mei 2013 twee polissen bij Aegon in eigendom, met de nummers [polisnummer 1] en [polisnummer 2] . De rechtbank heeft beslist dat de waarde van de polissen op de peildatum moet worden verrekend en dat de vrouw de helft van die waarde aan de man moet voldoen.

3.16.2.

De man wil met zijn achtste grief bereiken dat een concreet bedrag voor de polissen in de verrekening wordt betrokken.

3.16.3.

Niet in geschil is dat de waarde van de polissen op de peildatum respectievelijk

€ 4.657,59 en € 7.709,84 bedroeg, hetgeen betekent dat een bedrag van € 12.367,43 in de verrekening moet worden betrokken. De man heeft recht op de helft, dit is € 6.183,72.

3.17.

Het stamrecht van de man in [holding] Holding B.V. (grief 8 van de vrouw).

3.17.1.

De man heeft in maart 2011 een ontslagvergoeding van zijn voormalige werkgever [voormalige werkgever] ontvangen. Hij heeft die ontslagvergoeding ingebracht als stamrecht in [holding] Holding B.V. Uit productie 12 van de man bij zijn verweerschrift in het hoger beroep met nummer 200.179.223 blijkt dat de waarde van het stamrecht op de peildatum 17 mei 2013 € 87.773,- bedroeg

De rechtbank heeft geoordeeld dat het stamrecht nog niet tot uitkering is gekomen en daarom niet voor verrekening in aanmerking komt. De vrouw kan zich hiermee niet verenigen; haar achtste grief is tegen deze beslissing gericht.

3.17.2.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De door de man met zijn Holding gesloten stamrechtovereenkomst is als productie 41 overgelegd bij processtuk 8. Uit artikel 1 van de stamrechtovereenkomst blijkt dat de van [voormalige werkgever] ontvangen ontslagvergoeding aan de man was toegekend ter compensatie van gederfd of te derven loon. Uit artikel 3 van de stamrechtovereenkomst blijkt dat het stamrecht aan de man een aanspraak geeft op een periodieke uitkering die uiterlijk op zijn 65e jaar zal ingaan.

Naar het oordeel van het hof volgt uit het feit dat de aan de man verstrekte ontslaguitkering diende ter compensatie van gederfd loon, dat de uitkering – voor zover deze ziet op suppletie tijdens de verrekenperiode – moet worden aangemerkt als onverteerd en daarmee verrekenbaar inkomen. De omstandigheid dat het recht op uitkering ingevolge de stamrechtovereenkomst pas ingaat ná de verrekenperiode doet hieraan niet af. Het hof sluit hiermee aan bij de uitspraak van de Hoge Raad zoals deze is gedaan voor een situatie waarin partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen (HR 24 juni 2016 ECLI:NL:HR:2016:1293).

3.17.3.

Gelet op artikel 3 van de stamrechtovereenkomst gaat het hof ervan uit dat de ontslagvergoeding van de voormalige werkgever van de man diende ter compensatie van inkomensderving tot de leeftijd van 65 jaar. Gelet op zijn geboortedatum ( [geboortedatum] 1961) bereikt hij die leeftijd op [geboortedatum] 2026. Dit betekent dat de inkomenssuppletie is bedoeld voor een periode van (afgerond) 15 jaar; een deel groot (afgerond) 2 jaar valt in de verrekenperiode die immers loopt tot 17 mei 2013.

Het voorgaande betekent dat een deel groot 2/15 x € 87.773,- = € 11.703,- tot het te verrekenen vermogen van de man hoort. De vrouw heeft recht op de helft, dit is € 5.851,50.

3.17.4.

Het voorgaande betekent dat de achtste grief van de vrouw gedeeltelijk slaagt en voor het overige faalt.

3.18.

De waarde van de aandelen in [holding] Holding B.V. (grief 9 van de vrouw).

3.18.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aandelen in [holding] Holding B.V. eigendom zijn van de man.

In geschil is of in de vennootschap sprake is van “opgepotte winsten” als bedoeld in artikel 1:141 lid 4 BW, die voor verrekening in aanmerking komen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat hiervan sprake is; de man betwist dit.

De rechtbank heeft de man in het gelijk gesteld. De vrouw is het hiermee niet eens en heeft haar negende grief tegen deze beslissing gericht.

3.18.2.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge artikel 5 lid 2, in samenhang met artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden, valt ook winst uit onderneming – voor zover nog aanwezig op de peildatum, al dan niet geïnvesteerd – onder inkomen dat voor verrekening in aanmerking komt.

Ingevolge het vierde lid van artikel 1:141 BW komt niet alleen overgespaarde winst die daadwerkelijk is uitgekeerd, maar ook winst die uitgekeerd kan worden zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen maar niet is uitgekeerd, voor verrekening in aanmerking.

3.18.3.

Naar het oordeel van het hof is van dergelijke opgepotte winsten in dit geval geen sprake. Uit productie 12 bij het verweerschrift van de man in het hoger beroep met nummer 200.179.223 leidt het hof af dat op de peildatum 17 mei 2013 tegenover de activa van de vennootschap ten bedrage van in totaal € 511.000,- (waaronder vorderingen op de man ter zake van geldlening en rekening-courant ten bedrage van respectievelijk € 221.487,- en

€ 100.064,-) omvangrijke verplichtingen jegens de man staan, in verband met de in de Holding aanwezige pensioenverplichting en de stamrechtverplichting. Het eigen vermogen van de Holding op de peildatum is volgens de overgelegde jaarrekening € 35.000,- negatief.

Gelet op deze cijfers, bezien in samenhang met de brief van de belastingdienst d.d. 9 december 2015 (productie 14 bij het verweerschrift van de man in de appelzaak 200.179.223) moet de conclusie zijn dat de man in voldoende mate heeft aangetoond dat de Holding geen opgepotte winsten bevat die voor verrekening in aanmerking komen.

3.18.4.

De vrouw heeft ook nog aangevoerd dat (mogelijk) overige voor verrekening in aanmerking komende gelden door de man zijn ondergebracht in de Holding, maar dat standpunt kan, bij gebrek aan toereikende onderbouwing, niet worden aanvaard.

3.18.5.

Het voorgaande betekent dat grief 9 van de vrouw faalt.

3.19.

De eenmanszaak [eenmanszaak] (grief 10 van de vrouw).

3.19.1.

De man is in 2011 een eenmanszaak gestart met bovenstaande naam.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het eigen vermogen van de eenmanszaak op de peildatum in de verrekening moet worden betrokken. De rechtbank is uitgegaan van een eigen vermogen op de peildatum van € 8.652,-. Dit bedrag is vermeld op de balans van de eenmanszaak per 17 mei 2013 (productie 63 bij processtuk 17).

3.19.2.

De vrouw is het oneens met het door de rechtbank gehanteerde bedrag aan eigen vermogen. Haar tiende grief heeft hierop betrekking. Zij stelt primair dat uitgegaan moet worden van het eigen vermogen per 31 december 2012 ad € 74.475,- en niet van het eigen vermogen per 17 mei 2013, omdat in de periode van januari 2013 tot 17 mei 2013 met grote bedragen is geschoven; er zou in die periode € 169.829,88 aan liquide middelen zijn uitgegeven.

De man heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden. Onder verwijzing naar de kolommenbalans (productie 47 bij processtuk 8) stelt hij dat, indien rekening wordt gehouden met de boekhoudkundige verwerking van de diverse bedragen, in de desbetreffende periode in 2013 een bedrag van € 51.577,32 is uitgegeven.

3.19.3.

Naar het oordeel van het hof bestaat er onvoldoende grond om in dit geval af te wijken van de peildatum 17 mei 2013.

Voor zover de vrouw bedoeld heeft te stellen dat er sprake is geweest van verspilling dan wel van het lichtvaardig maken van schulden als bedoeld in artikel 1:139 lid 2 BW, heeft zij haar standpunt, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende onderbouwd.

Ditzelfde geldt indien de vrouw bedoeld heeft te stellen dat de man verrekenbaar vermogen heeft onttrokken uit de eenmanszaak en elders heeft ondergebracht.

3.19.4.

Het subsidiaire standpunt van de vrouw dat het eigen vermogen van de eenmanszaak op de peildatum moet worden gecorrigeerd met de door de man uit de eenmanszaak betaalde advocaatkosten kan evenmin worden aanvaard. Voor een dergelijke correctie op het te verrekenen bedrag ontbreekt een rechtsgrond.

3.19.5.

De conclusie is dat de tiende grief van de vrouw faalt.

3.20.

De paarden (grief 11 van de vrouw en grief X van de man).

3.20.1.

Partijen waren op de peildatum in het bezit van 6 paarden, waaronder 3 veulens en 3 volwassen paarden (genaamd [paard 3] , [paard 2] en [paard 1] ), en een Shetlander pony (genaamd [pony] ).

De rechtbank heeft beslist dat [paard 3] privé-eigendom van de man is en dat de overige paarden en de pony gemeenschappelijk eigendom zijn.

De 3 veulens heeft de rechtbank – conform de tussen partijen gemaakte afspraak – aan de man toegedeeld tegen (onmiddellijke) betaling van € 2.000,- aan de vrouw.

De paarden [paard 1] en [paard 2] en de pony [pony] heeft de rechtbank aan de vrouw toegedeeld, [paard 1] en [pony] om niet, onder het beding dat de vrouw [paard 1] en [pony] om niet zou overdragen aan [dochter] , de dochter van partijen. [paard 2] is door de rechtbank aan de vrouw toegedeeld tegen een waarde van € 350,-, onder de verplichting om de helft daarvan, dit is

€ 175,- aan de man te voldoen.

3.20.2.

Wat betreft het paard [paard 3] heeft de rechtbank de stelling van de man aanvaard dat het paard aan hem is geleverd en door hem is betaald (via zijn vennootschap [holding] Holding B.V).

De vrouw is het hiermee in zoverre niet eens dat zij stelt dat de aankoop van [paard 3] is betaald uit overgespaard inkomen. Ter onderbouwing hiervan voert zij aan dat – nog afgezien van het feit dat volgens haar het geld in de Holding tot het te verrekenen vermogen hoort – de betaling van [paard 3] heeft plaatsgevonden via de en/of rekening van partijen bij de ING (productie 48 bij processtuk 8). Weliswaar is op 24 juli 2009, de dag van aankoop van [paard 3] , een bedrag van € 4.800,- van de rekening van de Holding gestort op de en/of rekening van partijen bij de ING, maar de vrouw wijst er op dat uit productie 14 bij haar appelschrift blijkt dat op dezelfde dag een zelfde bedrag van de beleggersrekening van de man is overgeschreven naar de bankrekening van de Holding.

3.20.3.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Dat het paard [paard 3] aan de man is geleverd, is door de vrouw niet betwist. Uit het bankafschrift dat als productie 48 bij processtuk 8 is overgelegd blijkt dat via de en/of rekening van partijen bij de ING op 23 juli 2009 de koopsom voor [paard 3] ten bedrage van € 4.800,- is betaald. Op 24 juli 2009 is vervolgens van de bankrekening van de Holding met nummer [rekeningnummer 13] een bedrag van € 4.800,- gestort op de en/of rekening van partijen bij de ING. Gelet op de data en de bedragen moet aangenomen worden dat het geld van de Holding bedoeld was voor de aankoop van [paard 3] . Weliswaar is, eveneens op 24 juli 2009, van de (toenmalige) beleggersrekening van de man bij de Rabobank een bedrag van

€ 4.800,- gestort op de voornoemde bankrekening van de Holding, maar uit hetgeen in het voorgaande is overwogen en beslist omtrent de effecten van de man, volgt dat het hierbij gaat om privégeld van de man.

3.20.4.

De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft beslist dat de man privé-eigenaar is van [paard 3] en dat de waarde van het paard niet in de verrekening dient te worden betrokken. Grief 11 van de vrouw faalt om die reden.

3.20.5.

Grief X van de man heeft betrekking op de (in de ogen van de man: te lage) waarde die de rechtbank heeft toegekend aan de paarden [paard 1] en [paard 2] en aan de pony [pony] .

Tegen de toedeling van deze paarden en de pony aan de vrouw heeft de man niet gegriefd.

Met betrekking tot de waarde van [paard 1] en [pony] overweegt het hof dat partijen het er in eerste aanleg over eens waren dat [paard 1] en [pony] door de vrouw om niet zouden worden overgedragen aan dochter [dochter] , die ze feitelijk in gebruik had en tot op heden de beschikking heeft over het paard en de pony. De rechtbank heeft haar beslissing op deze overeenstemming gebaseerd.

Naar het oordeel is er onvoldoende reden om thans anders te beslissen. De beslissing dat [paard 1] en [pony] om niet aan de vrouw worden toegedeeld wordt dan ook bekrachtigd. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw thans haar medewerking zal verlenen aan de spoedige eigendomsoverdracht aan [dochter] .

3.20.6.

Wat betreft de waarde van het paard [paard 2] , welk paard sinds eind 2013 feitelijk in het bezit is van de vrouw, overweegt het hof het volgende.

Uitgangspunt bij de waardebepaling in het kader van een verdeling, ook als het om een paard gaat, is de waarde in het economische verkeer op de datum van verdeling, dat is in dit geval 3 april 2015, de datum van de eindbeschikking van de rechtbank.

Voor de waardering is onder meer van belang dat het in casu gaat om een IJslander merrie van 20 jaar oud die allergisch is voor stof en om die reden niet op stal kan staan en geen hooi verdraagt. Naar het oordeel van het hof stelt de vrouw terecht dat deze feiten en omstandigheden een sterk waardedrukkend effect hebben.

Het hof is van oordeel dat in dit licht bezien de door de rechtbank geschatte waarde van

€ 350,- alleszins redelijk is.

3.20.7.

De man heeft bij wijze van aanvullend verzoek het hof verzocht om de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 350,- per maand vanwege door hem gemaakte kosten van verzorging van de aan de vrouw toegedeelde paarden [paard 1] en [paard 2] en de pony [pony] .

3.20.8.

Wat betreft [paard 1] en [pony] is dit verzoek niet toewijsbaar nu partijen het erover eens zijn dat dit paard en de pony feitelijk in gebruik waren bij dochter [dochter] en nog steeds voor haar beschikbaar zijn. In het kader van de alimentatieprocedure heeft de man verklaart dat hij alle kosten voor [dochter] voor zijn rekening neemt.

3.20.9.

Wat betreft [paard 2] staat als onbetwist vast dat de vrouw dit paard sinds eind 2013 heeft opgehaald en sindsdien feitelijk in bezit heeft. In de periode tussen 17 mei 2013 en eind 2013 was het paard gemeenschappelijk eigendom en liep het in de gemeenschappelijke wei. Door de man is niet onderbouwd dat hij in die periode bijzondere kosten heeft gemaakt voor [paard 2] die tot een vergoedingsrecht aanleiding zouden kunnen geven.

3.20.10.

De conclusie is dat grief X van de man geheel faalt.

3.21.

De auto’s (grief 12 van de vrouw).

3.21.1.

De vrouw was op de peildatum 17 mei 2013 eigenaar van een Skoda Yeti, waarvan de aankoop op 4 maart 2010 was betaald door [holding] Holding B.V (productie 43 bij processtuk 8).

De rechtbank heeft geoordeeld dat dit leidt tot een vergoedingsrecht van de man op de vrouw.

De vrouw is het hiermee niet eens. Haar twaalfde grief heeft mede hierop betrekking.

3.21.2.

Naar het oordeel van het hof is deze grief terecht aangevoerd. De betaling van de auto door de Holding leidt niet zonder meer tot een vergoedingsrecht van de man op de vrouw. Mogelijk is sprake van een vergoedingsrecht van de Holding jegens de vrouw, maar een dergelijk recht is thans niet aan de orde.

De man stelt weliswaar dat de aankoop van de Skoda bij de Holding is geboekt als een schuld van de man in rekening-courant maar de vrouw betwist dit en de man toont het niet aan.

3.21.3.

De man was op de peildatum eigenaar van een Peugeot 5008, waarvan de aankoop op 18 maart 2011 is betaald door [onderneming]

De rechtbank heeft geoordeeld dat de waarde van de Peugeot niet voor verrekening in aanmerking komt. De vrouw is het met die beslissing niet eens.

3.21.4.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Vast staat dat de aankoopsom voor de Peugeot is betaald door een vennootschap van de man. Volgens de man is de aankoopsom bij die vennootschap geboekt als schuld van hem in rekening-courant. Weliswaar is die stelling door de vrouw betwist en ontbreekt bewijs aan de zijde van de man, maar dat betekent nog niet dat de waarde van de Peugeot in de verrekening moet worden betrokken. Niet valt immers in te zien dat de betaling door de vennootschap moet worden gezien als een investering met overgespaard inkomen van de man. Bijzondere omstandigheden die in dit geval tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn niet gesteld of gebleken.

In zoverre faalt de twaalfde grief van de vrouw.

3.22.

Belastingteruggaven en –aanslagen tot 17 mei 2013 (grieven 13 van de vrouw en grief XI van de man).

3.22.1.

Partijen zijn het erover eens dat géén verrekening zal plaatsvinden van belastingteruggaven respectievelijk –aanslagen die betrekking hebben op het jaar 2013. Wat betreft de jaren daarvóór zijn partijen het erover eens dat de aanslagen respectievelijk teruggaven bij helfte moeten worden gedeeld.

3.22.2.

Inmiddels is gebleken dat aan de man over het jaar 2012 een teuggave IB is toegekend van € 3.354,- (productie 17 bij zijn verweerschrift het hoger beroep met nummer 200.179.223). Aan de vrouw is over het jaar 2012 een teruggave IB toegekend van € 7.171,- (productie 15 bij het appelschrift van de vrouw).

Conform afspraak dienen deze teruggaven bij helfte te worden gedeeld, hetgeen betekent dat de man aan de vrouw € 1.677,- moet voldoen en de vrouw aan de man € 3.585,50.

3.22.3.

De vrouw stelt in haar dertiende grief dat er mogelijk een correctie door de belastingdienst zal worden toegepast omdat de man de betaalde hypotheekrente in 2012 voor 100% als aftrekpost heeft opgevoerd; de vrouw heeft dezelfde hypotheekrente voor de helft als aftrekpost opgevoerd.

Naar het oordeel van het hof kan hiermee voor de financiële afwikkeling tussen partijen thans geen rekening worden gehouden. Indien er een correctie van de belastingdienst komt, dienen partijen ieder de helft van die correctie te dragen.

3.22.4.

In de toelichting op grief XI voert de man aan dat mogelijk een fiscale verplichting actueel wordt met betrekking tot het in [holding] Holding B.V. ondergebracht pensioen, namelijk in het geval bij de financiële afwikkeling tussen partijen géén rekening wordt gehouden met zijn leenschuld aan [holding] Holding B.V. De man meent dat bij de verrekening met deze mogelijke fiscale claim rekening moet worden gehouden.

3.22.5.

Het hof overweegt hieromtrent allereerst dat uit hetgeen hiervoor onder 3.9.9 is overwogen volgt dat wél (gedeeltelijk) rekening wordt gehouden met de leenschuld aan de Holding zodat aan de voorwaarde waaronder de grief is aangevoerd in zoverre niet is voldaan.

Afgezien hiervan kan de stelling van de man dat een eventuele (latente) fiscale verplichting met betrekking tot zijn pensioen in de verrekening moet worden betrokken, niet worden aanvaard. Het gaat hier om een pensioentoezegging aan de man van vóór het huwelijk, waarin de vrouw niet deelt. Niet valt in te zien dat zij wél zou moeten delen in een eventuele fiscale last met betrekking tot dit pensioen.

3.22.6.

De conclusie is dat grief XI van de man faalt.

3.23.

De vergoedingsaanspraken van de vrouw (grief 14 van de vrouw en grief XII van de man).

3.23.1.

De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht om vergoeding van een aantal bedragen die zijn opgesomd op de pagina’s 23 en 24 van de beschikking van de rechtbank d.d. 3 juni 2014. De rechtbank heeft dit verzoek van de vrouw afgewezen, met uitzondering van een tweetal posten:

a. a) de man dient aan de vrouw een bedrag te vergoeden van € 550,- wegens een door hem ontvangen vergoeding van de zorgverzekering.

De man is het met die beslissing niet eens.

De vrouw heeft in hoger beroep haar verzoek op dit onderdeel ingetrokken. Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank op dit punt niet in stand kan blijven en dat grief XII van de man in zoverre slaagt;

b) de man dient een bedrag van € 1.675,-, zijnde de helft van het door hem opgenomen bedrag van de gezamenlijke en/of rekening bij de ING aan de vrouw te vergoeden Grief XII van de man heeft mede hierop betrekking. Op dit onderdeel heeft het hof hiervoor reeds beslist onder rechtsoverweging 3.8.1 en verder.

3.23.2.

Grief 14 van de vrouw heeft mede betrekking op de afwijzing door de rechtbank van haar verzoek om de man te veroordelen aan haar een bedrag van € 468,50 te betalen, zijnde de helft van de teruggave van een bedrag wegens een geannuleerde vakantie. Zij verwijst in dit verband naar de annuleringsnota die als productie 16 is gevoegd bij haar appelschrift.

3.23.3.

De man heeft betwist dat hij een bedrag heeft ontvangen zoals de vrouw stelt. Hij heeft slechts een bedrag aan annuleringskosten betaald, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde nota.

3.23.4.

Naar het oordeel van het hof is het verzoek van de vrouw niet toewijsbaar. Uit de overgelegde annuleringsnota blijkt niet dat de man na de peildatum een bedrag heeft ontvangen wegens de annulering van een vakantie.

3.23.5.

De vrouw wil voorts van de man een vergoeding omdat zij stukadoorwerkzaamheden ten behoeve van de woning van de man uit privémiddelen zou hebben betaald. Het zou gaan om een bedrag van € 2.897,- dat door haar zou zijn betaald met gelden die zij op 19 april 2009 en 12 mei 2009 heeft opgenomen van haar Toprekening bij de ING (productie 10 bij het appelschrift van de vrouw).

De man betwist dat de stukadoorwerkzaamheden door de vrouw zijn betaald.

Naar het oordeel van het hof kan de juistheid van de stelling van de vrouw niet blijken uit de door haar overgelegde productie 10. Bij gebreke van ander toereikend bewijs kan haar stelling niet worden aanvaard.

3.23.6.

Het voorgaande betekent dat de veertiende grief van de vrouw faalt.

3.24.

De vergoedingsaanspraken van de man (grief XIII van de man).

3.24.1.

De man stelt dat hij ingevolge het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden recht heeft op de helft van het vakantiegeld dat door de vrouw enkele weken na de peildatum 7 mei 2013 is ontvangen, aangezien dat vakantiegeld nagenoeg geheel betrekking heeft op de verrekenperiode.

De rechtbank heeft dit standpunt van de man verworpen. De man kan zich hiermee niet verenigen. Grief XIII heeft mede hierop betrekking.

3.24.2.

Naar het oordeel van het hof faalt dit onderdeel van de grief. Het vakantiegeld is door de vrouw ontvangen ná de peildatum 17 mei 2013. Van overgespaard inkomen op de peildatum is geen sprake. De vergelijking van de man met de Opmaatverzekering gaat niet op: voor de Opmaatverzekering is door partijen tijdens de verrekenperiode gespaard door middel van premiebetaling. Daarmee is een vermogensbestanddeel opgebouwd dat als overgespaard inkomen moet worden gekwalificeerd. Voor het vakantiegeld is niet in voormelde zin gespaard; het is een inkomensbestanddeel waarvan de uitbetaling ná de peildatum heeft plaatsgevonden.

3.24.3.

De man heeft in januari 2014 kosten gemaakt in verband met de verplaatsing van het hekwerk rond het gezamenlijke weiland van partijen naast de voormalige echtelijke woning. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door [bedrijf] in opdracht van de man. De man heeft een factuur van [bedrijf] ter zake van deze werkzaamheden ten bedrage van € 4.305,18 overgelegd (productie 52 bij processtuk 8).

De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw de helft van die kosten aan hem moet vergoeden.

De rechtbank heeft dit standpunt van de man verworpen en zijn verzoek op dit punt afgewezen. De man kan zich hiermee niet verenigen. Zijn grief XIII heeft mede hierop betrekking.

3.24.4.

Uit de overgelegde stukken, met name de brief van Waterschap Aa en Maas die als productie 52 bij processtuk 8 is overgelegd, blijkt dat de verplaatsing van het hekwerk diende te geschieden op last van het Waterschap. Naar het oordeel van het hof was de man gerechtigd om voor de verplaatsing van het hekwerk opdracht te geven, dit op grond van het bepaalde in artikel 3:170 lid 1 BW: in verband met de dreigende bestuursdwang ging het om werkzaamheden die geen uitstel gedoogden.

3.24.5.

De vrouw betwist niet dat het hekwerk verplaatst moest worden, maar zij verzet zich tegen de omvang van de kosten. Zij stelt dat de kosten beperkt hadden kunnen worden door het weiland af te zetten met paal en draad.

Naar het oordeel van het hof is dat standpunt niet redelijk. Nu het weiland was voorzien van een deugdelijk hekwerk hoefde de man geen genoegen te nemen met vervanging door paal en draad.

De vrouw betwist verder dat het bedrag van € 4.305,18 daadwerkelijk door de man is betaald. De man heeft een betalingsbewijs overgelegd waaruit slechts blijkt van een betaling aan [bedrijf] van € 2.322,35. (productie 44 bij het appelschrift van de man).

Het hof is, mét de vrouw van oordeel dat de man slechts een vergoeding van de vrouw kan claimen voor zover hij de daadwerkelijke betaling van de kosten aantoont. Hij heeft die betaling slechts aangetoond tot een bedrag van € 2.322,35. De vrouw moet voor de helft hierin bijdragen, dit is € 1.161,18. Voor het overige is het verzoek van de man niet toewijsbaar.

Dit betekent dat dit onderdeel van grief XII gedeeltelijk slaagt en voor het overige faalt.

3.25.

De beslissing op de grieven 15 (wettelijke rente) en grief 16 (de eindsaldi) van de vrouw wordt door het hof aangehouden tot de eindbeschikking.

3.26.

in afwachting van het deskundigenbericht als bedoeld in de rov. 3.7.8. en 3.9.3, alsmede in afwachting van de door de man te verstrekken informatie als bedoeld in rov. 3.10.2. zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

4 De beslissing in beide zaken

Het hof:

4.1.

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht ter beantwoording van de volgende vragen:

- Wat is de waarde in het vrije economische verkeer van het perceel grasland en

cultuurgrond (kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie [sectie] nummer [perceelnummer 1] en sectie

[sectie] nummer [perceelnummer 2] ) per de datum van de feitelijk taxatie?

- Wat is de waarde in het vrije economische verkeer van de woning met aanhorigheden,

staande en gelegen aan de [adres] te [plaats 1] (kadastraal bekend als

gemeente [gemeente] , sectie [sectie] nummer [perceelnummer 3] ) per 17 mei 2013?

- Zijn er nog punten die u naar voren wilt brengen waarvan het hof volgens u kennis

dient te nemen bij de verdere beoordeling?

4.2.

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

De heer P. van Helvoort,

Van Helvoort RTR

[straat]

[postcode] [plaats 2]

Telefoonnummer [telefoonnummer]

een en ander tenzij (één van) partijen binnen 14 dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de benoeming van deze deskundige bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen.

4.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen twee weken na de datum van deze beschikking (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

4.4.

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

4.5.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 2.616,63 tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat ieder van partijen de helft van genoemd voorschot van € 2.616,63. , derhalve € 1.308,32, zal voldoen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

4.6.

benoemt mr. M.J. van Laarhoven tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier (het Bureau Deskundigen van dit hof) dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

4.7.

bepaalt dat partijen binnen vier weken na ontvangst van het deskundigenbericht daarop kunnen reageren door middel van een brief aan het hof, met afschrift aan de wederpartij;

4.8.

houdt iedere verdere beslissing pro forma aan tot 30 november 2017.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en A.R. Autar en is op 6 juli 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.