Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3056

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
200 204 906_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:6102, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

afstemmingsregel in kort geding, verkoop voormalige echtelijke woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.204.906/01

arrest van 4 juli 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.C.W. van der Zanden te Liempde,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.E.M. van Schaijk-Böhm te Veghel,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 november 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 7 oktober 2016, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/311901/KG ZA 16-491)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen zijn ex-echtgenoten. Zij zijn op 25 oktober 1984 in gemeenschap van goederen gehuwd. Bij beschikking van 20 augustus 2009 heeft de rechtbank ’s- Hertogenbosch de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 29 oktober 2009 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3.1.2.

In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank partijen bevolen de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap ten overstaan van een notaris te verdelen. Partijen zijn hier niet in geslaagd.

3.1.3.

Tot de huwelijksgemeenschap behoort de voormalige echtelijke woning, gelegen aan [adres] te [plaats 1] (hierna: de woning). De woning wordt thans bewoond door [appellant] .

3.1.4.

[geïntimeerde] heeft op 8 januari 2014 een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Oost-Brabant (zaaknummer C/01/273457 / HA ZA 14-50). Daarin heeft zij onder meer gevorderd haar te machtigen om mede namens [appellant] de woning te verkopen en vervolgens te leveren en te bepalen dat [appellant] op verzoek van [geïntimeerde] de makelaar en geïnteresseerde kopers toegang dient te verlenen tot de woning.

Op 17 december 2014 heeft de rechtbank [appellant] bij tussenvonnis verzocht zich uit te laten over de mogelijkheid om de woning over te nemen voor een bedrag van € 460.000,--.

[appellant] heeft bij akte aangegeven niet in staat te zijn de woning te financieren. De rechtbank heeft vervolgens bij tussenvonnis van 5 augustus 2015 geoordeeld dat de woning moet worden verkocht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten of zij inmiddels gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan een makelaar tot verkoop van de woning.

Op 15 september 2015 zijn partijen overeengekomen dat zij makelaarskantoor [makelaarskantoor] B.V. (hierna: [makelaarskantoor] ) opdracht zullen verstrekken om te bemiddelen bij de verkoop van de woning. Ook zijn partijen overeengekomen dat de laatprijs € 514.000,-- zal zijn en dat de vraagprijs in overleg met de makelaar zal worden vastgesteld.

Op 16 september 2015 hebben partijen de rechtbank bericht dat zij overeenstemming hebben bereikt over de in te schakelen makelaar en dat aan deze makelaar de bemiddelingsopdracht zal worden verstrekt. Makelaar [makelaar] (hierna: de makelaar) van [makelaarskantoor] is vervolgens benaderd om te bemiddelen bij de verkoop van de woning.

3.1.5.

De makelaar heeft aangegeven problemen te ondervinden bij het uitvoeren van de bemiddelingsopdracht omdat hij van partijen geen eensluidende instructies ontving.

Naar aanleiding daarvan heeft [geïntimeerde] op 24 februari 2016 een kort geding (zaaknummer C/01/304867 KG ZA 16-79) aanhangig gemaakt waarin zij, kort gezegd, heeft gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld aan [makelaarskantoor] de bemiddelingsopdracht te geven tegen een nader genoemde vraag- en laatprijs.

Bij vonnis in kort geding van 25 maart 2016 heeft de voorzieningenrechter [appellant] veroordeeld om aan [makelaarskantoor] de bemiddelingsopdracht te geven waarbij de vraagprijs € 475.000,-- zal zijn en de bodemlaatprijs € 430.000,--. [appellant] is veroordeeld om in te stemmen met de door de makelaar voorgestelde aanpassingen met betrekking tot de vraagprijs als partijen het daarover niet eens worden. Ten slotte is [appellant] veroordeeld om de makelaar en geïnteresseerde kopers ongehinderd toegang te verschaffen tot de woning.

Na betekening van het vonnis in kort geding heeft [appellant] op 12 april 2016 de opdracht tot dienstverlening aan [makelaarskantoor] ondertekend. In afwijking van het vonnis hebben partijen in overleg met de makelaar de vraagprijs vastgesteld op € 495.000,--.

3.1.6.

Op 8 juni 2016 heeft de rechtbank eindvonnis gewezen in de bodemzaak met zaaknummer C/01/273457 / HA ZA 14-50. Voor zover in hoger beroep relevant heeft de rechtbank het volgende beslist:

“1a. bepaalt met toepassing van artikel 3:185 lid 2 onder c BW dat het onroerend goed, gelegen aan [adres] te [plaats 1] moet worden verkocht, uiterlijk één jaar na de datum van dit vonnis, met bemiddeling van makelaarskantoor [makelaarskantoor] te [plaats 2] [hof: [plaats 3] ] waarbij de vraagprijs om te beginnen wordt gesteld op € 475.000,00 en de laatprijs op € 430.000,00;

1b. veroordeelt partijen jegens elkaar binnen 10 dagen na de datum van dit vonnis gezamenlijk schriftelijk opdracht te geven aan makelaarskantoor [makelaarskantoor] te [plaats 2] , voornoemd, tot verkoop van het onroerend goed aan [adres] te [plaats 1] ;

1c. veroordeelt partijen jegens elkaar de adviezen van makelaarskantoor [makelaarskantoor] inzake de te hanteren vraag- en laatprijs op te volgen en zich te houden aan de overige adviezen van makelaarskantoor [makelaarskantoor] te [plaats 3] om de woning zo spoedig mogelijk tegen een zo gunstig mogelijke prijs te verkopen en na verkoop mee te werken aan de notariële levering van het onroerend goed aan koper;

2a. bepaalt dat, indien het onroerend goed gelegen aan [adres] te [plaats 1] niet binnen één jaar na de datum van dit vonnis daadwerkelijk is verkocht het onroerend goed openbaar zal worden verkocht ten overstaan van een door makelaarskantoor [makelaarskantoor] te [plaats 3] aan te wijzen notaris;

2b. veroordeelt partijen jegens elkaar om op het eerste verzoek van makelaarskantoor [makelaarskantoor] te [plaats 3] voornoemd aan de door hem genoemde notaris opdracht tot openbare verkoop te geven en op diens aanwijzing alles te doen wat nodig is voor de openbare verkoop;

2c. veroordeelt partijen jegens elkaar mee te werken aan de notariële levering van de woning indien deze openbaar zal zijn verkocht;

3a. bepaalt dat de kosten, verbonden aan de (openbare) verkoop en levering van het onroerend goed door partijen voor gezamenlijke rekening van partijen zijn;

3b. bepaalt dat in het geval een van partijen weigert de opdracht tot verkoop te geven aan de makelaar en/of notaris zoals hiervoor bedoeld onder 1b respectievelijk 2b, en/of weigert mee te werken aan de notariële levering van de woning dit vonnis in de plaats treedt van de daartoe benodigde aktes of gedeelten daarvan;

(…)

5a. veroordeelt de vrouw om aan de man te voldoen als haar aandeel in de door de man tot aan de datum van levering van de woning aan de koper betaalde hypotheekrente en eigenaarslasten het bedrag van € 31.099,08 te vermeerderen met de helft van de door de man over de periode vanaf 1 januari 2015 tot aan de datum van levering van de woning betaalde hypotheekrente waarop in mindering komt het belastingvoordeel dat de man heeft genoten vanwege de voor hem geldende hypotheekrente-aftrek;

5b. bepaalt dat de man uiterlijk een week voor de notariële levering van de woning schriftelijk opgave doet aan de vrouw en aan de notaris ten overstaan van wie het transport plaatsvindt van hetgeen hij vanaf 1 januari 2015 aan hypotheekrente heeft betaald en van het daarover door hem genoten belastingvoordeel;

(…)

13. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;”

[geïntimeerde] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan. Deze zaak is bij dit hof bekend onder zaaknummer HD 200.199.709/01.

3.1.7.

Een medewerker van de makelaar heeft per e-mail van 27 juni 2016 en 22 juli 2016 zijn ongenoegen geuit over de gebrekkige medewerking van [appellant] bij het maken van foto’s van de woning en bij twee bezichtigingen van de woning. In een e-mail van 2 augustus 2016 heeft de makelaar [appellant] bericht dat [makelaarskantoor] genoodzaakt zal zijn haar werkzaamheden te staken indien bij een eventuele volgende bezichtiging geen verandering is te zien. Voorts heeft de makelaar [appellant] in deze e-mail het volgende medegedeeld.

“Hoewel u telefonisch al had aangegeven dat de woning nog niet verkoopklaar was, hebben wij helaas moeten constateren dat bij u elke motivatie tot verkoop ontbreekt.

Ondanks het feit dat wij al geruime tijd met elkaar in gesprek zijn over verkoop van jullie woning is het schijnbaar nog steeds niet gelukt om de diverse onderhoudskwesties aan te pakken. Maar dit heeft ons inziens niets te maken met onderstaande punten:

 alle gordijnen waren dicht en u vroeg mij waar het voor nodig was om deze open te maken?

 u gaf aan dat we de tuin maar van binnenuit moesten bezichtigen, pas na diverse malen aandringen mochten we de tuin bekijken

 slaapkamers verre van opgeruimd …

 verlichting overloop functioneerde niet

 etc.

De kandidaat kopers hebben ons inmiddels laten weten erg geschrokken te zijn van de staat waarin de woning verkeert en er zodoende ook niet verder mee te gaan.”

Bij e-mail van 24 augustus 2016 aan [geïntimeerde] heeft een medewerker van de makelaar opmerkingen gemaakt over achterstallig onderhoud van de woning.

3.2.1.

[geïntimeerde] heeft [appellant] vervolgens opnieuw in kort geding gedagvaard. Zij vordert, na vermeerdering van eis, op straffe van een dwangsom, samengevat:

  1. [appellant] te veroordelen in te stemmen met de door de makelaar geadviseerde aanpassingen voor de hoogte van de vraagprijs en het moment waarop die aanpassingen in werking treden, voor zover partijen het in onderling overleg over die aanpassingen niet eens worden;

  2. [appellant] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de gehele woning en tuin in een voor verkoop acceptabele staat te hebben gebracht;

  3. [appellant] te bevelen de makelaar en geïnteresseerde kopers ongehinderd toegang te verschaffen en daartoe aan de makelaar af te geven de sleutel(s) die toegang bieden tot de woning en alle daartoe behorende ruimtes, alsmede hem te bevelen op geen enkele wijze de toegang aan de makelaar en geïnteresseerde kopers te hinderen;

  4. [geïntimeerde] te machtigen namens [appellant] een koopovereenkomst te tekenen wanneer er een koper is voor de bodemprijs van € 430.000,-- of hoger, subsidiair [appellant] te bevelen mee te werken aan het tekenen van een koopovereenkomst wanneer er een koper is voor de bodemprijs van € 430.000,-- of hoger;

  5. [geïntimeerde] te machtigen namens [appellant] de leveringsakte te tekenen, subsidiair hem te bevelen mee te werken aan de levering van de woning wanneer de woning is verkocht;

  6. [appellant] te bevelen de woning te ontruimen voordat de woning aan een derde wordt geleverd, met inlevering van de sleutels bij de makelaar;

  7. [appellant] te veroordelen om binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis te gehengen en te gedogen dat de makelaar een “te koop-bord” in de tuin plaatst en hem te gelasten het bord geplaatst te houden;

  8. [appellant] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Partijen hebben op 15 september 2015 een overeenkomst gesloten voor de verkoop van de woning. Die overeenkomst moeten partijen, ondanks het eindvonnis van de rechtbank van 8 juni 2016, nakomen. De rechtbank is in dat vonnis buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door voor de woning een beslissing te nemen terwijl zij ervan op de hoogte was dat partijen daarover inmiddels overeenstemming hadden bereikt.

[appellant] schiet toerekenbaar tekort in de nakoming van zijn verplichtingen uit die overeenkomst door de verkoop, kort gezegd, te traineren.

[geïntimeerde] heeft een spoedeisend belang. Zij hoeft niet langer te wachten op het te koop aanbieden van de woning die steeds minder waard wordt omdat [appellant] de woning niet onderhoudt. [geïntimeerde] is niet in staat tot het betalen van de helft van de hypothecaire lasten die zijn verbonden aan de woning.

3.2.3.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en het (spoedeisend) belang van [geïntimeerde] bij haar vorderingen betwist. Volgens [appellant] zijn de vorderingen van [geïntimeerde] prematuur en in strijd met het vonnis van de rechtbank van 8 juni 2016 omdat daarin is bepaald dat partijen tot 8 juni 2017 de tijd hebben om de woning te verkopen. [geïntimeerde] komt de verplichtingen uit dat vonnis niet na. [appellant] bestrijdt dat hij de verkoop van de woning traineert. Hij erkent dat de woning onderhoud behoeft, maar hij heeft hiervoor onvoldoende financiële middelen en [geïntimeerde] is niet bereid die kosten voor haar rekening te nemen.

[appellant] heeft een vordering van circa € 40.000,-- op [geïntimeerde] . Deze vordering neemt in omvang toe en moet worden betaald uit het aandeel van [geïntimeerde] in de overwaarde. Indien zij wordt gemachtigd de verkoop zelf ter hand te nemen, zal zij moedwillig het financieel belang van [appellant] schaden. Niet kan worden verlangd dat [appellant] zijn medewerking verleent aan verkoop van de woning voor een bedrag van € 430.000,--. De vorderingen om in te stemmen met de adviezen van de makelaar en om de woning en tuin in acceptabele staat te brengen zijn onvoldoende bepaald. Ten slotte kan [appellant] niet worden bevolen de sleutels aan de makelaar ter beschikking te stellen.

3.3.

In het bestreden eindvonnis van 7 oktober 2016 heeft de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van [geïntimeerde] , gelet op het tijdsverloop sinds de echtscheiding, evident geoordeeld.

Bij de beoordeling van de vorderingen van [geïntimeerde] heeft de voorzieningenrechter voorop gesteld dat hij in kort geding zijn oordeel in beginsel dient af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter. Het vonnis van 8 juni 2016 vormde daarom voor de voorzieningenrechter het uitgangspunt. Dat die beslissing afwijkt van hetgeen partijen op 15 september 2015 zijn overeengekomen doet daar niet aan af. Door het vonnis van 8 juni 2016 moet de overeenkomst van partijen als achterhaald worden beschouwd, omdat de rechtbank – blijkens haar vonnis – kennis heeft genomen van de overeenkomst, maar desondanks aanleiding heeft gezien om met toepassing van art. 3:185 lid 2 BW zelf te bepalen hoe het verkooptraject van de woning zal verlopen. Aangezien de voorzieningenrechter geen grond ziet om af te wijken van voornoemd uitgangspunt kunnen de vorderingen slechts voor toewijzing in aanmerking komen voor zover deze niet in strijd zijn met het vonnis van 8 juni 2016.

Het eerste deel van de vordering (het instemmen met de adviezen van de makelaar over de vraagprijs) is toegewezen en versterkt met de sanctie van een dwangsom vanwege de niet coöperatieve houding van [appellant] .

Het tweede deel van de vordering (de woning en tuin in een voor verkoop acceptabele staat brengen) is ook toegewezen, met dien verstande dat [appellant] is veroordeeld de adviezen van de makelaar over de presentatie van de woning en de tuin op te volgen. Ook aan deze veroordeling is een dwangsom verbonden.

Volgens de voorzieningenrechter bestond voldoende aanleiding om [appellant] te bevelen de makelaar en potentiële kopers toegang te verschaffen tot de woning, op straffe van een dwangsom. De vordering tot afgifte van de sleutels aan de makelaar is afgewezen.

De vorderingen sub 4, 5 en 6 zijn prematuur geacht en derhalve afgewezen.

De gevorderde veroordeling tot het plaatsen en geplaatst houden van het “te koop-bord” is toegewezen. Ook aan deze veroordeling is een dwangsom verbonden.

De proceskosten ten slotte zijn gecompenseerd.

3.4.1.

[appellant] heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 7 oktober 2016. Hij heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, tot niet-ontvankelijk verklaring van [geïntimeerde] in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van deze vorderingen.

De grieven hebben betrekking op:

  • -

    de veroordeling om in te stemmen met de adviezen van [makelaarskantoor] over de vraag- en laatprijs en het moment waarop die aanpassingen in werking treden (grief 1);

  • -

    de geschiktheid van de woning voor verkoop (grief 2).

3.4.2.

[geïntimeerde] heeft de grieven gemotiveerd weersproken en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

Spoedeisend belang

3.5.

Voorop wordt gesteld dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is (zie HR 31 mei 2002, LJN AE3437, NJ 2003/343 m.nt. H.J. Snijders).

De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De omstandigheid dat de eisende partij lang heeft stilgezeten, kan bij die afweging een rol spelen, en de omstandigheid dat een rechtsvraag in geschil is waarop het antwoord niet evident is, kan leiden tot behoedzaamheid bij de toewijzing van de gevraagde voorziening, maar deze omstandigheden kunnen noch ieder voor zich noch in onderlinge samenhang het oordeel rechtvaardigen dat de eisende partij geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening (meer) heeft. Evenmin zijn die omstandigheden op zichzelf voldoende voor het oordeel dat de eisende partij, door een vordering in kort geding in te stellen, handelt in strijd met de eisen van een goede procesorde (HR 29 november 2002, LJN AE4553).

Het hof is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. Partijen zijn sinds 29 oktober 2009 gescheiden. Het is partijen niet gelukt, ook niet met tussenkomst van verschillende gerechtelijke procedures die hebben geleid tot meerdere condemnatoire vonnissen, de verdeling van de echtelijke woning tot stand te brengen. Partijen verkeren derhalve bijna acht jaren in een onverdeeldheid. Door de rechtbank is in het vonnis van 5 augustus 2015 geoordeeld dat de woning moet worden verkocht. De woning is nog steeds niet verkocht en het lukt partijen niet dit zelfstandig, constructief, ter hand te nemen. Reeds hieruit volgt dat sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van [geïntimeerde] . Met zijn veroordeling in kort geding in eerste aanleg is ook het spoedeisend belang van [appellant] bij dit hoger beroep gegeven.

De adviezen over de vraag- en laatprijs (grief 1)

3.6.1.

Met de eerste grief voert [appellant] aan dat de voorzieningenrechter de vorderingen ten onrechte heeft toegewezen. Ondanks het oordeel van de voorzieningenrechter dat de overeenkomst waarop [geïntimeerde] haar vorderingen baseert is achterhaald door het vonnis van de rechtbank van 8 juni 2016, zijn haar vorderingen toegewezen.

Daarnaast zijn partijen op 12 april 2016 overeengekomen dat een vraagprijs van € 495.000,-- zal worden gehanteerd. Het oordeel van de voorzieningenrechter om [appellant] nogmaals te veroordelen in te stemmen met de adviezen van de makelaar over de vraagprijs en het hieraan verbinden van de sanctie van een dwangsom is daarom onbegrijpelijk.

De vordering sub 1 ten slotte is onvoldoende bepaald. Er is geen advies van de makelaar. Ook een stappenplan voor de vraag- en/of laatprijs van de woning ontbreekt.

3.6.2.

[geïntimeerde] stelt dat de voorzieningenrechter krachtens art. 25 Rv de rechtsgronden heeft aangevuld en vervolgens haar vorderingen, omdat [appellant] de veroordelingen in het vonnis van 8 juni 2016 niet nakwam, heeft gegrond op een onrechtmatige daad van [appellant] .

Partijen zijn, in overleg met de makelaar en met diens instemming overeengekomen dat de vraagprijs wordt verhoogd naar € 495.000,--. Dit is een nadere overeenkomst. Vanwege de niet coöperatieve houding van [appellant] was er voldoende aanleiding om, voor zover partijen in onderling overleg over de aanpassing van de vraag- en laatprijs het niet eens zouden worden, hem te veroordelen om in te stemmen met de adviezen van [makelaarskantoor] .

3.6.3.1. Het hof oordeelt als volgt. Bij de beoordeling van deze grief dient het volgende voorop te worden gesteld.

De rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, dient in beginsel zijn vonnis af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Daarbij dient de voorzieningenrechter in haar oordeel niet de kans van slagen van een tegen dat vonnis ingesteld rechtsmiddel te betrekken.

Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel, hetgeen het geval zal kunnen zijn indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen (HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015, HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128 en hof ’s-Hertogenbosch 15 november 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5123). Voornoemd uitgangspunt heeft ook te gelden voor de voorzieningenrechter in hoger beroep.

3.6.3.2. De voorzieningenrechter heeft zich uitdrukkelijk vergewist van bovenstaand uitgangspunt (rov. 4.2.). Dientengevolge heeft de voorzieningenrechter het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 juni 2016 tot uitgangspunt bij zijn beoordeling genomen. Voorts heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding gezien af te wijken van dit uitgangspunt (rov. 4.3.).

Het hof stelt vast dat geen grief is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de afstemmingsregel van toepassing is en dat geen grond is voor afwijking hiervan. Daarmee staat dit oordeel in hoger beroep vast.

In dat licht bezien moet worden beoordeeld of de voorzieningenrechter met inachtneming van het vonnis van 8 juni 2016 tot zijn oordeel heeft kunnen komen.

3.6.3.3. [geïntimeerde] heeft haar vordering gebaseerd op de op 15 september 2015 tussen partijen gesloten overeenkomst. Volgens [geïntimeerde] dienen partijen die overeenkomst “ondanks het eindvonnis van de rechtbank van 8 juni 2016 na te komen”. De voorzieningenrechter heeft vervolgens geoordeeld dat de vorderingen van [geïntimeerde] , voor zover niet in strijd met dit vonnis voor toewijzing in aanmerking kunnen komen. Dat oordeel van de voorzieningenrechter is, temeer nu het de voorzieningenrechter in eerste aanleg alsmede in hoger beroep niet is toegestaan in zijn oordeel de kans van slagen van het tegen het vonnis van 8 juni 2016 ingestelde hoger beroep te betrekken, juist. De overeenkomst tussen partijen is slechts in zoverre “achterhaald” voor die onderdelen waarover in het vonnis van 8 juni 2016 anders is geoordeeld. Voor zover [appellant] met zijn grief betoogt dat de grondslag aan de vordering van [geïntimeerde] is komen te ontvallen, faalt deze dan ook.

Het betoog van [geïntimeerde] dat de voorzieningenrechter zijn beslissing heeft gegrond op een onrechtmatige daad van [appellant] jegens [geïntimeerde] , berust, gelet op het vorenstaande, op een onjuiste lezing van het vonnis.

3.6.3.4. De voorzieningenrechter heeft vervolgens geoordeeld dat voldoende grond bestaat “om de man daartoe [het opvolgen van de adviezen van de makelaar = hof] (nogmaals) te veroordelen, ditmaal versterkt met een dwangsom”. De ter toelichting van de eerste grief aangevoerde stelling van [appellant] dat ook [geïntimeerde] geen uitvoering heeft gegeven aan het vonnis in kort geding van 25 maart 2016 omdat partijen op 12 april 2016 zijn overeengekomen dat een vraagprijs van € 495.000,-- zal worden gehanteerd kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet tot de conclusie leiden dat geen veroordeling van de man, versterkt met een dwangsom, dient te volgen. Reeds daarom hoeft deze stelling geen nadere bespreking.

3.6.3.5. Ten slotte betoogt [appellant] ter toelichting op zijn eerste grief dat de vordering sub 1 onvoldoende bepaald is. Toewijzing daarvan zou leiden tot veroordeling om onbekende adviezen op te volgen.

Het hof stelt vast dat de rechtbank reeds bij tussenvonnis van 5 augustus 2015 heeft geoordeeld dat de woning moet worden verkocht. Voorts is in de gedingstukken in eerste aanleg genoegzaam komen vast te staan dat [appellant] de verkoophandelingen niet heeft bevorderd. Het hof verwijst hiervoor ook naar zijn rov. 3.1.5. en 3.1.7. hiervóór en de overweging van de rechtbank in haar vonnis van 8 juni 2016 luidende “Uit de aktewisseling blijkt andermaal dat partijen er niet in slagen samen te werken”.

Gelet op het belang van beide partijen om niet langer dan noodzakelijk in een onverdeeldheid te moeten blijven – een onverdeeldheid die inmiddels al bijna acht jaren voortduurt – is het hof van oordeel dat in het licht bezien van die feiten en omstandigheden de vordering als voldoende bepaald moet worden geacht, temeer daar gesteld noch gebleken is dat de makelaar bij het geven van de adviezen niet prudent, zoals van een makelaar verwacht mag worden, zal optreden. Een dwangsom moet mede gelet hierop en indachtig de e-mails van de medewerker(s) van de makelaar noodzakelijk worden geacht.

3.6.3.6. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de eerste grief faalt.

De geschiktheid van de woning voor verkoop (grief 2)

3.7.1.

De tweede grief heeft betrekking op de veroordeling van [appellant] om een “te koop-bord” in de tuin te plaatsen, de makelaar toegang te verlenen tot de woning en het in een acceptabele staat brengen van de woning en de tuin. Aan die veroordelingen is volgens [appellant] ten onrechte een dwangsom verbonden.

[appellant] stelt dat hij de woning en tuin opgeruimd houdt voor bezichtiging. Het voor verkoop in acceptabele staat brengen van de woning en de tuin is weinig concreet en te ruim geformuleerd en kan niet zonder meer ter boordeling van de makelaar worden gelaten. Hij is niet in staat achterstallig groot onderhoud te bekostigen.

[appellant] betwist dat hij de makelaar en potentiële kopers de toegang tot de woning heeft ontzegd. Het “te koop-bord” was voordat het kort geding diende in de tuin geplaatst.

3.7.2.

[geïntimeerde] bestrijdt dat de makelaar adviezen met betrekking tot achterstallig onderhoud geeft. Zijn adviezen betreffende de presentatie van de woning en de tuin en zijn, volgens [geïntimeerde] , terecht gegeven. Dreigend onrechtmatig gedrag van [appellant] jegens [geïntimeerde] is voldoende voor de voorzieningenrechter om een ordemaatregel te treffen, versterkt door een dwangsom. Het “te koop-bord” is pas nadat hiertoe een tweede kort geding is gevoerd in de tuin geplaatst.

3.7.3.

Het hof overweegt dat de noodzaak uit de onverdeeldheid van de woning te geraken, hier door verkoop van de woning, bepaalde verplichtingen meebrengt. Zo dienen de woning en de tuin in een voor potentiële kopers acceptabele staat te zijn, in die zin dat de woning en de tuin in ieder geval opgeruimd dienen te zijn, geen sprake is van klein achterstallig onderhoud dat eenvoudig te herstellen is en verder achterstallig onderhoud, door als een “goed huisvader” voor de woning en de tuin te zorgen, moet worden voorkomen. Daarnaast is het evident dat de verkoper verplicht is potentiële kopers en de makelaar ongehinderd toegang te verlenen tot de woning én de tuin. Het is plaatsen en geplaatst houden van een “te koop-bord” in de tuin van de woning ten slotte behoort ook tot de verplichtingen van de verkoper.

Op beide eigenaren rust de verplichting om achterstallig (groot) onderhoud aan de woning te (doen) verrichten. De overige genoemde verplichtingen rusten op [appellant] , als degene die de woning feitelijk bewoont. Gelet op hetgeen is overwogen in rov. 3.1.5. en 3.1.7. hiervóór, is niet gebleken dat [appellant] zich van die verplichtingen kwijt. Dat alsnog, al dan niet door tussenkomst van een nieuw kort geding, inmiddels wel een “te koop-bord” in de tuin is geplaatst, leidt niet tot een ander oordeel nu [appellant] tot meerdere verplichtingen is gehouden.

Gelet op die omstandigheden, is het hof, evenals de voorzieningenrechter en op dezelfde gronden als de voorzieningenrechter, die het hof na eigen beoordeling en weging overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat [appellant] terecht en op goede gronden is veroordeeld om de adviezen van [makelaarskantoor] voor de presentatie van de woning en de tuin in het kader van bezichtigingen door potentiële kopers op te volgen, hen en de makelaar ongehinderd toegang te verschaffen voor het doen van bezichtigingen en het plaatsen en geplaatst houden van een “te koop-bord”. De tweede grief treft daarom geen doel.

Proceskosten

3.8.

Partijen zijn gewezen echtgenoten. Gelet op het bepaalde in art. 237, lid 1 Rv juncto art. 353 Rv zullen de proceskosten daarom worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 7 oktober 2016 waarvan beroep voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 juli 2017.

griffier rolraadsheer