Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3050

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
20-001458-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Confrontatie tussen twee honden bij hondenuitlaatgebied De Put bij Wagenberg. Eén van de honden is daarbij door de verdachte gestoken en is als gevolg van de door die messteek opgelopen verwondingen komen te overlijden. Het hof spreekt de verdachte vrij van het opzettelijk en wederrechtelijk doden van die hond, omdat sprake was van een situatie van noodtoestand. Door de aanval van de hond was de veiligheid van de verdachte en van zijn hond in gevaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001458-16

Uitspraak : 5 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 mei 2016 in de strafzaak met parketnummer 02-023792-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van 'opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, doden' veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is volledig toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Namens de verdachte is primair bepleit dat het openbaar ministerie vanwege een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard en subsidiair dat bewijsuitsluiting dient te volgen. De verdediging heeft meer subsidiair bepleit dat de verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken dan wel moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 januari 2016 te Wagenberg opzettelijk en wederrechtelijk een dier, te weten een hond (ras Mechelse Herder), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft gedood en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Van de zijde van verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard omdat is verzuimd nader onderzoek in te stellen naar de verwondingen die de hond van de verdachte bij de confrontatie met de hond van de aangever heeft opgelopen. De verdachte heeft foto's gemaakt van die verwondingen en heeft deze als bijlage bij een e-mailbericht naar de politie verzonden. De foto's zijn evenwel niet in het dossier opgenomen en er is geen nader onderzoek naar de verwondingen van de hond verricht, waardoor de waarheidsvinding in het gedrang is gekomen en de rechten van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak op grove wijze zijn geschonden.

Het hof stelt het volgende voorop. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan.

Nu uit hetgeen is aangevoerd en de stukken die daartoe zijn overgelegd niet van een zodanig ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde blijkt en het hof dit evenmin overigens is gebleken verwerpt het hof het verweer. Het hof voegt daaraan toe dat de noodzaak voor nader onderzoek naar de verwondingen bij de hond van verdachte niet is gebleken. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de strafvervolging.

Vrijspraak

1.

De verdediging heeft – in het geval het hof het openbaar ministerie ontvankelijk verklaart in de strafvervolging – zich op het standpunt gesteld dat op dezelfde gronden als hiervoor onder het kopje 'Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie' zijn aangevoerd uitsluiting van het bewijs zou moeten plaatsvinden van alle verklaringen van aangever [benadeelde] .

Gelet op de hierna te geven beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering is het hof van oordeel dat dit verweer geen nadere bespreking behoeft.

2.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, althans moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat aan hem een beroep op noodweer, putatief noodweer of noodweerexces toekomt.

3.1

Het hof overweegt het volgende.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard. Op 31 januari 2016 liep hij met zijn vriendin en hun hond, een witte Bull terriër genaamd [naam 1] , een rondje om de plas bij de Put te Wagenberg. Hun hond was niet aangelijnd. Op enig moment kwam een man met twee honden hen tegemoet lopen. Eén van de honden was een Mechelse herder, de andere hond was van een kleiner ras. De honden waren niet aangelijnd, maar de Mechelse herder liep bij de man. Toen beide partijen elkaar passeerden, hield de man zijn hond vast. Nadat zij elkaar voorbij waren gelopen, keek verdachte om naar zijn hond, die achter hem en zijn vriendin liep. Hij zag dat de Mechelse herder, die inmiddels weer was losgelaten, op zijn hond af rende en er meteen bovenop dook. Daarbij beet de Mechelse herder zijn hond in haar nek en begon meteen te schudden. Volgens verdachte was de Mechelse herder heel agressief en leek het erop dat zij zijn hond 'wilde slopen' of 'uit elkaar wilde trekken'. De verdachte is direct naar de twee honden gerend en heeft de Mechelse herder geschopt en vastgegrepen. Hij heeft geprobeerd de Mechelse herder van zijn hond te trekken. De Mechelse herder is daarbij met de voorpoten van de grond gekomen, aldus de verdachte. De Mechelse herder reageerde daarop door de hond van de verdachte los te laten, zich om te draaien en in de richting van het gezicht van de verdachte te bijten. De verdachte heeft de Mechelse herder hierop van zich afgeduwd. Hij zag dat de Mechelse herder zich daarna weer op zijn hond richtte en de hond opnieuw in haar nek greep. De verdachte heeft toen een mes, dat hij na zijn werk nog bij zich droeg, gepakt en de Mechelse herder daarmee één keer in de zij/flank gestoken om te bewerkstelligen dat zij zijn hond zou loslaten. De Mechelse herder heeft de hond van de verdachte vervolgens losgelaten.

3.2

Het hof heeft geen reden om aan de inhoud van de verklaring van de verdachte te twijfelen. Het hof overweegt dat de verdachte bij gelegenheid van zijn verhoor bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep gedetailleerd en consistent heeft verklaard over wat er op 31 januari 2016 is voorgevallen. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep, terwijl hem kritische vragen zijn gesteld, zonder terughoudendheid verklaard over zijn eigen handelen en – voor zover mogelijk in het korte tijdbestek waarin een en ander heeft plaatsgevonden – de afwegingen die hij daarbij heeft gemaakt, hetgeen op het hof een authentieke indruk heeft gemaakt.

Het hof overweegt voorts dat de verklaring van de verdachte, voor wat betreft de confrontatie tussen de twee honden, wordt ondersteund door de verklaring die aangever [benadeelde] op 31 januari 2016 heeft afgelegd. Aangever [benadeelde] heeft daarover verklaard dat hij zag dat zijn Mechelse herder, genaamd [naam 2] , naar het witte hondje [het hof begrijpt: de hond van de verdachte] liep en wilde aanvallen. Aangever heeft daarop geroepen: 'Geef hem een schop dan stopt hij wel!'. Met 'hem' bedoelde hij zijn hond [naam 2] . De aangever heeft verder verklaard dat hij met zijn hond naar de dierenarts is gegaan en dat die heeft geconstateerd dat zij met een lang voorwerp net onder of achter het schouderblad is gestoken. Van meerdere steekwonden bij [naam 2] is het hof niet gebleken.

Het hof zal dan ook uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3.1 zijn weergegeven.

3.3

Het hof heeft zich ambtshalve de vraag gesteld of de door verdachte genoemde feiten en omstandigheden een beroep op noodtoestand kunnen rechtvaardigen.

Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodtoestand is vereist dat sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele en concrete nood (bestaande uit een belangenconflict) en die geëigend is om daaraan een eind te maken. Bovendien moet het gedrag een toetsing aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit kunnen doorstaan. Geen sprake van noodtoestand is indien de dader zichzelf in de overmachtssituatie heeft gemanoeuvreerd en zich eruit heeft gered door het plegen van een strafbaar feit. Dit voorafgaand handelen kan hem worden verweten indien dit vermeden had kunnen en behoren te worden.

Slechts uitzonderlijke omstandigheden kunnen in een individueel geval meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende terecht heeft laten prevaleren.

3.4

Het hof merkt allereerst op dat de honden van aangever en verdachte losliepen in een gebied waar dat was toegestaan. Vast staat dat het, kort nadat aangever en verdachte elkaar met hun honden waren gepasseerd, tot een confrontatie tussen de Mechelse herder van de aangever en de hond van de verdachte is gekomen. Niet betwist is dat de verdachte de Mechelse herder tijdens deze confrontatie met een mes heeft gestoken en dat zij als gevolg van de door die messteek opgelopen verwonding is komen te overlijden.

Op grond van de verklaring van de verdachte is aannemelijk geworden dat de confrontatie tussen de twee honden uitging van de hond van de aangever. Deze plotseling ontstane situatie is naar het oordeel van het hof zodanig uitzonderlijk dat de verdachte niet kan worden tegengeworpen dat hij hierop voorafgaand aan het passeren van aangever en zijn hond had dienen te anticiperen, bijvoorbeeld door met zijn eigen hond om te draaien c.q. een andere wandelroute te kiezen. Immers, uit de verklaring van verdachte volgt dat aangever zijn hond vasthield toen zij elkaar passeerden, zodat kan worden gezegd dat aangever zijn hond, in elk geval op dat moment, onder controle had. Naar het oordeel van het hof was dan ook geen sprake van een overmachtssituatie waarin de verdachte zichzelf had gemanoeuvreerd, maar was toen de hond van de aangever aanviel sprake van een actuele en concrete nood, waarbij het belangenconflict voor de verdachte hierin bestond dat hij moest kiezen tussen de plicht om een aan een ander toebehorend dier niet te doden of verwonden, zoals door de wetgever strafbaar is gesteld in artikel 350, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en zijn eigen veiligheid en die van zijn hond.

3.5

Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte door te handelen als hij heeft gedaan de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet heeft overschreden. Weliswaar kan worden gezegd dat het toebrengen van een messteek een zwaar middel is, maar onder de omstandigheden die hiervoor zijn geschetst, waarbij niet alleen voor de hond van de verdachte, maar ook voor de verdachte zelf een reëel gevaar is ontstaan dat hij serieuze verwondingen zou oplopen, kan niet worden gezegd dat het (één keer) met een mes steken niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de ontstane dreiging.

3.6

Het hof komt tot de conclusie dat op grond van de uitzonderlijke omstandigheden van dit concrete geval een situatie van noodtoestand bestond. Dat heeft tot gevolg dat het bestanddeel 'wederrechtelijk' van de tenlastelegging niet kan worden bewezen, zodat de verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

3.7

Zoals hiervoor is opgenomen, heeft de verdediging betoogd dat aan de verdachte een beroep op noodweer, dan wel putatief noodweer of noodweerexces toekomt. Nu de feiten van dit concrete geval het hof aanleiding geven om uit te gaan van noodtoestand behoeft dit verweer geen verdere bespreking.

3.8

Gelet op de omstandigheid dat het hof, op de gronden als hiervoor vermeld, verdachte zal vrijspreken van het hem ten laste gelegde, behoeven de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging tot het horen van vier getuigen, het horen van een deskundige op het gebied van het gedrag van honden en het doen opmaken van een aanvullend proces-verbaal door [verbalisant] geen nadere bespreking.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 91,96. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Nu de verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, wordt vrijgesproken, kan de benadeelde partij [benadeelde] in haar vordering niet worden ontvangen.

Het hof beslist over de proceskosten als hierna te melden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.F. Heirman, griffier,

en op 5 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.