Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2996

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
20-004067-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:8696, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Fiscale fraudezaak. De verdachte wordt veroordeeld ter zake van het opdracht geven tot het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Ontvankelijkheidsverweer OM wordt verworpen, nu aan de vereisten voor strafvervolging op grond van de ATV-richtlijn is voldaan.

Bewijsoverweging opzet van de verdachte. Hoewel de boekhouder ernstig nalatig is geweest in haar werkzaamheden, betekent dit niet zonder meer dat de verdachte vrijuit gaat. Het hof is van oordeel dat ondanks de beperkte fiscale en boekhoudkundige kennis van de verdachte, zij gelet op de grote verschillen in vergelijking met de gang van zaken bij haar eerdere boekhouder, had moeten ingrijpen. Door niet in te grijpen waar de verdachte had behoren in te grijpen, is zij tekortgeschoten in haar samenwerking met de boekhouder. Door dit tekortschieten, in combinatie met de omstandigheid dat zij zelf maandelijks enkel de bedragen aan omzetbelasting aan haar boekhouder doorgaf, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangiften omzetbelasting onjuist werden ingediend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/1765 met annotatie van Iris de Roos
V-N Vandaag 2017/1588
V-N 2017/51.18.35
FutD 2017-1720
NTFR 2017/2268 met annotatie van mr. drs. A.J. Meijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004067-14

Uitspraak : 4 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 17 december 2014 in de strafzaak met parketnummer 02-993500-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres basisregistratie personen] ,

volgens opgave ter terechtzitting in hoger beroep wonende te:

[woonadres] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van ‘opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd’ en ‘medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 4 maanden hechtenis alsmede een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is daartegen hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis alsmede een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouwe van de verdachte heeft primair aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging. Subsidiair heeft zij vrijspraak bepleit en meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring, kwalificatie en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

[onderneming verdachte] B.V., hierna te noemen "de B.V.", op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 maart 2008 tot en met 2 september 2011, in elk geval op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks het jaar 2008 en/of 2009 en/of 2010 en/of 2011, in de gemeente(n) Terneuzen en/of Goeree-Overflakkee en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (maand)aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [onderneming verdachte] B.V. over het/de aangiftetijdvak(ken):

maart 2008 (D-001-25) en/of

april 2008 (D-001-26) en/of

mei 2008 (D-001-27) en/of

juni 2008 (D-001-28) en/of

juli 2008 (D-001-29) en/of

augustus 2008 (D-001-30) en/of

september 2008 (D-001-31) en/of

oktober 2008 (D-001-32) en/of

november 2008 (D-001-33) en/of

december 2008 (D-001-34) en/of

januari 2009 (D-001-35) en/of

februari 2009 (D-001-36) en/of

april 2009 (D-001-38) en/of

mei 2009 (D-001-39) en/of

juni 2009 (D-001-40) en/of

juli 2009 (D-001-41) en/of

augustus 2009 (D-001-42) en/of

september 2009 (D-001-43) en/of

oktober 2009 (D-001-44) en/of

november 2009 (D-001-45) en/of

december 2009 (D-001-46) en/of

januari 2010 (D-001-47) en/of

februari 2010 (D-001-48) en/of

maart 2010 (D-001-49) en/of

april 2010 (D-001-50) en/of

mei 2010 (D-001-51) en/of

juni 2010 (D-001-52) en/of

juli 2010 (D-001-53) en/of

augustus 2010 (D-001-54) en/of

september 2010 (D-001-55) en/of

oktober 2010 (D-001-56) en/of

november 2010 (D-001-57) en/of

december 2010 (D-001-58) en/of

januari 2011 (D-001-59) en/of

februari 2011 (D-001-60) en/of

maart 2011 (D-001-61) en/of

april 2011 (D-001-62) en/of

mei 2011 (D-001-63) en/of

juni 2011 (D-001-64) en/of

juli 2011 (D-001-65) en/of

augustus 2011 (D-001-66)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans laten doen,

immers heeft/hebben de B.V. en/of (één of meer van) haar medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken), in elk geval één of meer tijdvak(ken),

- zakelijk weergegeven - (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven en/of doen opgeven en/of (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid een te laag belastbaar bedrag en/of een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven en/of doen opgeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsvrouwe heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat niet tot strafvervolging van de verdachte over had mogen worden gegaan. Daartoe is aangevoerd dat aan geen enkel voor strafrechtelijke afdoening vereist aspect, zoals genoemd in de Aanmeldings-, transactie- en vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en douanedelicten (hierna: ‘ATV-richtlijn’), is voldaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In de van toepassing zijnde ATV-richtlijn 2010 valt de onderhavige zaak onder categorie I. Deze categorie behelst zaken waarin het nadeel dat aan opzet is te wijten ten minste het drempelbedrag van € 15.000,00 en minder dan € 125.000,00 bedraagt. Daarnaast dient ten minste één van de overige aspecten zoals genoemd in hoofdstuk 5 aan de orde te zijn.

Het hof is van oordeel dat te dezen het aspect ‘Medewerking van adviseur, deskundige derde of douane-expediteur’ van toepassing is. Het hof overweegt daartoe als volgt.

[boekhoudkantoor] V.O.F. te Middelharnis (hierna ook wel: [boekhoudkantoor] ) is als adviseur van [onderneming verdachte] B.V. ingeschakeld om de boekhouding en belastingaangiften te verzorgen. De belastingaangiften werden onder verantwoordelijkheid van de gevolmachtigde van [boekhoudkantoor] , [boekhouder] , ingediend. Na een boekenonderzoek door [belastingambtenaar] bleek dat in de maandaangiften omzetbelasting over de periode 2008 tot en met 2010 de omzet en/of de af te dragen omzetbelasting en/of de geclaimde voorbelasting regelmatig op afgeronde en/of dezelfde bedragen eindigden. De digitale administratie, die door [boekhoudkantoor] aan de Belastingdienst ter beschikking was gesteld, sloot niet aan bij de ingediende maandaangiften omzetbelasting.

Aldus konden de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie, op basis van de hen ten tijde van de verdenking, dat de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan belastingfraude, ter beschikking staande informatie, op goede gronden de mening zijn toegedaan dat de adviseur [boekhoudkantoor] en/of [boekhouder] op de hoogte was van die fraude en daar haar medewerking aan verleende.

Gelet op het vorenoverwogene is aan de criteria voor strafrechtelijke afdoening op grond van de ATV-richtlijn voldaan. Bijgevolg is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de strafvervolging van de verdachte. Het hof verwerpt het verweer.

Vrijspraak medeplegen

Het hof houdt het er voor dat [boekhouder] voor de aangiften omzetbelasting afging op de door de verdachte verstrekte bedragen aan betaalde en in rekening gebracht BTW. [boekhouder] werd pas eerst achteraf, namelijk bij (de poging tot) het opstellen van de jaarstukken, bekend met de onjuistheid van de bedragen die in de eerder ingediende aangiften waren vermeld. Anders dan de advocaat-generaal, maar met de verdediging is het hof daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking bij het doen van de onjuiste belastingaangiften tussen de verdachte, [boekhoudkantoor] en/of [boekhouder] . De verdachte zal daarom van het ten laste gelegde medeplegen worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[onderneming verdachte] B.V., hierna te noemen "de B.V.", op tijdstippen in de periode van 3 augustus 2009 tot en met 2 september 2011, in de gemeenten Goeree-Overflakkee en/of Apeldoorn, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een maandaangifte voor de omzetbelasting ten name van [onderneming verdachte] B.V. over de aangiftetijdvakken:

juli 2009 en

augustus 2009 en

september 2009 en

oktober 2009 en

november 2009 en

december 2009 en

januari 2010 en

februari 2010 en

maart 2010 en

april 2010 en

mei 2010 en

juni 2010 en

juli 2010 en

augustus 2010 en

september 2010 en

oktober 2010 en

november 2010 en

december 2010 en

januari 2011 en

februari 2011 en

maart 2011 en

april 2011 en

mei 2011 en

juni 2011 en

juli 2011 en

augustus 2011

onjuist heeft laten doen,

immers heeft de B.V. toen aldaar telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde aangiftetijdvakken, - zakelijk weergegeven - een te hoog bedrag aan voorbelasting doen opgeven en een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting doen opgeven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte telkens opdracht heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouwe van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat het opzet van de verdachte nooit gericht is geweest op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en dat zij slechts heeft gehandeld op basis van hetgeen door boekhouder [boekhouder] van [boekhoudkantoor] werd verzocht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat [boekhouder] ernstig nalatig is geweest in haar werkzaamheden voor [onderneming verdachte] B.V. De aan [boekhouder] gegeven opdracht tot het opmaken van jaarrekeningen en het doen van aangiften vennootschapsbelasting is [boekhouder] niet nagekomen, terwijl ook de daarvoor benodigde verwerking van de administratie door [boekhouder] niet of nauwelijks is uitgevoerd. Voorts heeft [boekhouder] bij het doen van de aangiften omzetbelasting genoegen genomen met door de verdachte doorgegeven bedragen zonder te verifiëren of deze juist waren, terwijl [boekhouder] de opdracht had gekregen de aangiften omzetbelasting te doen.

De omstandigheid dat [boekhouder] in haar werk als boekhouder ernstig tekort is geschoten brengt echter niet zonder meer met zich dat de verdachte, zijnde bestuurder van [onderneming verdachte] B.V., vrijuit gaat. Immers, de omstandigheid dat de verdachte een adviseur heeft ingeschakeld, aan wie (voorwaardelijk) opzet kan worden verweten, kan samengaan met de mogelijkheid dat bij de verdachte zelf (voorwaardelijk) opzet op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting aanwezig is geweest. In dat verband kan van belang zijn of de verdachte de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van haar kan worden gevergd bij de keuze van haar adviseur en bij de samenwerking met die adviseur. Wat in dit opzicht redelijkerwijs van de verdachte kan worden gevergd, zal intussen van geval tot geval sterk kunnen verschillen, bijvoorbeeld naar gelang haar hoedanigheid en haar kennis en ervaring omtrent de ter zake relevante fiscale en andere aspecten.1

De verdachte heeft verklaard dat zij kratten met administratie bij [boekhouder] heeft ingeleverd en deze onaangeroerd weer heeft opgehaald. Voorts moest zij van haar voormalige boekhouder een kasboek bijhouden, omdat het kasstelsel werd toegepast. Toen zij gebruik maakte van de diensten van [boekhoudkantoor] hoefde zij niet langer een kasboek bij te houden. De verdachte wist ook dat haar vorige boekhouder aan het einde van elk jaar suppletieaangiften omzetbelasting indiende, terwijl [boekhouder] dit niet deed. Daarnaast heeft de verdachte nooit jaarstukken van [boekhouder] ontvangen en is door [boekhouder] nimmer een aangifte vennootschapsbelasting gedaan.

Hoewel verdachtes fiscale en boekhoudkundige kennis beperkt is, is het hof op grond van het voorgaande van oordeel dat er in vergelijking met de gang van zaken bij haar eerdere boekhouder dusdanig veel verschillen waren, dat de verdachte vanaf medio 2009 (toen de jaarstukken over 2008 en een suppletie omzetbelasting over 2008 uitbleven) redelijkerwijs actie had moeten ondernemen. Dat heeft zij echter nagelaten. Sterker nog, zij is doorgegaan met het doorgeven van (onjuiste) omzetbelasting-gegevens op grond waarvan [boekhoudkantoor] de aangiften omzetbelasting namens [onderneming verdachte] B.V. indiende. De verdachte gaf maandelijks aan [boekhoudkantoor] alleen de bedragen aan omzetbelasting door, die in de aangiften moesten worden opgenomen, zodat de verdachte wist dan wel redelijkerwijs had moeten weten dat deze, door haar doorgegeven bedragen, ten tijde van het doen van die aangiften niet door [boekhoudkantoor] werden gecontroleerd. Door niet in te grijpen waar de verdachte had behoren in te grijpen, is de verdachte tekortgeschoten in haar samenwerking met [boekhouder] . Door dit tekortschieten, in combinatie met de omstandigheid dat de verdachte zelf maandelijks aan [boekhoudkantoor] alleen de bedragen aan omzetbelasting doorgaf, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangiften omzetbelasting onjuist werden ingediend. Aldus had de verdachte voorwaardelijk opzet op de verboden gedragingen.

Nu de verdachte met [boekhoudkantoor] de afspraak had gemaakt dat [boekhoudkantoor] op basis van de door haar verstrekte omzetbelasting-gegevens de aangiften van [onderneming verdachte] B.V. zou indienen, heeft zij tot het plegen van de bewezen verklaarde feiten opdracht gegeven.

Mitsdien faalt het verweer. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging daarom in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, begaan door een rechtspersoon, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven en zij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Bij het bepalen van de duur van de straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van fraude. Het hof zal daarbij uitgaan van een, na te noemen, benadelingsbedrag van ruim € 59.000,00. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf bij een dergelijk benadelingsbedrag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 tot 5 maanden en/of een taakstraf.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat zij opdracht heeft geven tot het plegen van belastingfraude. Gedurende ongeveer 2 jaren werd door het administratiekantoor [boekhoudkantoor] te Middelharnis een te hoog bedrag aan voorbelasting en een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting aangegeven op de aangiften omzetbelasting. Per saldo kreeg [onderneming verdachte] B.V., waarvan de verdachte bestuurder was, hierdoor altijd omzetbelasting terug van de fiscus. Deze onjuiste aangiften werden gedaan in opdracht van de verdachte, waartoe zij telkens de benodigde onjuiste gegevens verstrekte aan [boekhoudkantoor] . Op deze wijze hebben de Staat der Nederlanden en de Europese Unie een belastingnadeel van € 59.962,97 geleden.

Bij belastingheffing zijn in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met belastingheffing wordt immers beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door haar handelswijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt er uiteindelijk toe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Voorts is het voor een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting essentieel dat uitgegaan kan worden van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Het systeem van de omzetbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet en dat de belastingdienst op basis daarvan in beginsel tot uitbetaling overgaat. Daarvan heeft de verdachte misbruik gemaakt. Door aangiften te doen die niet stroken met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven. Het hof neemt het de verdachte dan ook kwalijk dat zij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 maart 2017, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat zij niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof kennis genomen van de omstandigheid dat de verdachte ten gevolge van het onderhavige strafbare feit geen werk meer heeft, haar beslagen woning per executieveiling is verkocht, zij dientengevolge bij haar kinderen woont en daarvan financieel afhankelijk is.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak ambtshalve het volgende.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft voorts te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld. Beide uitgangspunten kunnen uitzondering lijden indien sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of haar raadsvrouwe op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Het hof stelt vast dat de verdachte eerst op 9 oktober 2012 door de politie is verhoord. De rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda heeft op 17 december 2014 vonnis gewezen. Vervolgens is namens de verdachte op 24 december 2014 hoger beroep ingesteld. Het hof zal bij arrest van heden – 4 juli 2017 – einduitspraak doen. Aldus is in de fase van eerste aanleg en hoger beroep telkens einduitspraak gedaan na het verstrijken van twee jaren en is daarmee de redelijke termijn in eerste aanleg met ongeveer 3 maanden en in hoger beroep met ongeveer met ongeveer 7 maanden overschreden.

De verdediging heeft bij appelschriftuur van 7 januari 2015 verzocht om het horen van een tweetal getuigen. Dit verzoek is door het hof gehonoreerd, waarna de eerste verzochte getuige op 29 maart 2016 door de raadsheer-commissaris en de tweede getuige ter terechtzitting van het hof van 20 juni 2017 is gehoord. Aldus is de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep gedeeltelijk toe te schrijven aan de door de verdediging verzochte getuigenverhoren. Gelet op die omstandigheid kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met de enkele constatering dat in de fase van hoger beroep inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Evenwel zal het hof de geringe overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg alsmede de ouderdom van de zaak betrekken in de straftoemeting.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen, waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 69 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis;

bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door:

mr. drs. P. Fortuin, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 4 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 HR 1 december 2006, nr. 40369, ECLI:NL:HR:2006:AU7741. Vgl. HR 25 maart 2016, nr. 15/02764, ECLI:NL:HR:2016:480.