Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2994

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
20-003498-15
Formele relaties
Na terugverwijzing door: ECLI:NL:HR:2015:2920
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Fiscale fraudezaak. Artikelen 52, 68 en 69 AWR. Van de aan de fiscale administratieplicht gekoppelde bewaarplicht zijn onjuiste of valse stukken niet uitgezonderd. Partiële vrijspraak. De verdachte wordt wel veroordeeld ter zake van het niet opnemen van enige verkoopfacturen in zijn administratie.

Een bedrijfsadministratie dient zodanig te worden ingericht en voor controle door de fiscus toegankelijk te zijn dat binnen redelijke termijn conclusies kunnen worden getrokken omtrent de aard en omvang van de fiscale verplichtingen. Door het niet opnemen van verkoopfacturen in de administratie heeft de verdachte deze controlemogelijkheid feitelijk onmogelijk gemaakt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 68
Algemene wet inzake rijksbelastingen 69
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1589
V-N 2017/49.5 met annotatie van Redactie
FutD 2017-1723
NTFR 2017/2516 met annotatie van mr. D.N.N. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003498-15

Uitspraak : 4 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van

het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden, op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 22 juli 2008 met parketnummer 01-996033-05 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonadres] ,

met ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven postadres:

[postadres] .

Procesverloop

De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij vonnis van 22 juli 2008 (arrondissementsparketnummer 01-996033-05) ter zake van ‘opzettelijk een feit begaan omschreven in artikel 68 tweede lid onderdeel f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ (ten aanzien van de verkoopfacturen) en ‘medeplegen van opzettelijk een feit begaan omschreven in artikel 68 tweede lid onderdeel f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ (ten aanzien van de inkoopfacturen en de vrachtbrieven) bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 10 september 2013 (ressortsparketnummer 20-001980-12) de verdachte ter zake van ‘opzettelijk een feit begaan omschreven in artikel 68, tweede lid en onder d, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Namens de verdachte is tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 6 oktober 2015 (rolnummer S 13/04771) het bestreden arrest vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 31 januari 2017 en 20 juni 2017, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 5 maart 2008 en 8 juli 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde partieel bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft voorts gerequireerd tot oplegging van bijzondere voorwaarden in de vorm van reclasseringstoezicht, medewerking aan een traject inzake schuldhulpverlening en hulp bij het verwerken van de post, alsmede het meewerken aan een ambulant behandeltraject door een psychiater of psycholoog, het een en ander indien en voor zover de reclassering dat noodzakelijk acht.

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 april 2005 en/of 14 april 2006, althans op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 april 2005 tot en met 14 april 2006, te Eindhoven, in elk geval in het arrondissement ‘s-Hertogenbosch, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet (artikel 52 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen) verplicht was tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) alstoen aldaar (telkens) opzettelijk geen (kopie-)verkoopfacturen in verband met een of meer verkooptransactie(s) opgenomen en/of verwerkt en/of voorhanden gehad in zijn (bedrijfs)administratie

en/of

een (of meer) (kopie-)(inkoop)factu(u)r(en) en/of (kopie-)vrachtbrief/vrachtbrieven opgenomen en/of verwerkt en/of voorhanden gehad in voormelde (bedrijfs)administratie waarop (telkens) in strijd met de waarheid een ander dan verdachte als geadresseerde en/of inkoper en/of ontvanger van goederen vermeld staat, te weten:

- een (hoeveelheid) (kopie-)factu(u)r(en), blijkens de factuuropdruk afkomstig van

[bedrijf DS] [adres bedrijf DS] Lommel en/of geadresseerd aan [bedrijf YT]

[adres bedrijf YT] Eindhoven Nederland NL 158.199.534 B01

(D-035, D-042, D70 t/m D-78) en/of

- een (hoeveelheid) (kopie-)factu(u)r(en), blijkens de factuuropdruk afkomstig van [bedrijf DS] [adres bedrijf DS] Lommel en/of geadresseerd aan [naam derde]

[adres derde] Bakel Nederland NL 165.754.308 B 01) (D-005a, D-006 t/m

D-012) en/of

- een (hoeveelheid) (kopie-)vrachtbrief/vrachtbrieven (telkens) voorzien van een stempel van afzender/commissionair [bedrijf DS] [adres bedrijf DS] Lommel

(D-005b, D-006a, D-007a, D-008a, D-009a, D-010a, D-011a, D-011b, D-012a en D-012b, D-037 en D-043);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 april 2005 en/of 14 april 2006, althans op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 april 2005 tot en met 14 april 2006 te Eindhoven, in elk geval in het arrondissement ‘s-Hertogenbosch, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een (grote) hoeveelheid valse of vervalste (kopie-)(inkoop)facturen en/of (kopie-)vrachtbrieven, althans een of meerdere vals(e) of vervalste (kopie-)factu(u)r(en) en/of (kopie-)vrachtbrief/vrachtbrieven, zijnde (telkens) een (samenstel(sel) van geschrift(en) bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als echt en onvervalst, en bestaande de valsheid of vervalsing hierin dat - zakelijk weergeven - op voornoemd(e) geschrift(en) (telkens) in strijd met de waarheid een ander dan verdachte als geadresseerde en/of inkoper en/of ontvanger van goederen vermeld staat, te weten:

- elf, althans een aantal (kopie)(inkoop)factu(u)r(en), blijkens de factuurafdruk afkomstig van [bedrijf DS] [adres bedrijf DS] Lommel en/of geadresseerd aan [bedrijf YT] [adres bedrijf YT] Eindhoven Nederland NL 158.199.534 B01 (D-035,

D-042, D-70 t/m D-78) en/of

- acht, althans een aantal (kopie)(inkoop)factu(u)r(en), blijkens de factuurafdruk afkomstig van [bedrijf DS] [adres bedrijf DS] Lommel en/of geadresseerd aan [naam derde] [adres derde] Bakel Nederland NL 165.754.308 B 01 (D-005a, D-006 t/m

D-012) en/of

- een hoeveelheid (kopie-)vrachtbrief/vrachtbrieven (telkens) voorzien van een stempel van afzender/commissionair [bedrijf DS] [adres bedrijf DS] Lommel en/of de ontvanger [naam derde] ( [adres derde] Bakel) en/of [bedrijf YT] [adres bedrijf YT] (o.a. D-005b, D-006a, D-007a, D-008a, D-009a,

D-010a, D-011a, D-011b, D-012a, D-012b, D-037, D-043).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak van het primair ten laste gelegde

Aan de verdachte is primair onder meer ten laste gelegd dat hij in strijd met de waarheid opgemaakte (kopie-)inkoopfacturen en vrachtbrieven in de administratie heeft opgenomen en/of verwerkt en/of voorhanden heeft gehad.

Van de aan de fiscale administratieplicht als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gekoppelde bewaarplicht zijn onjuiste of valse stukken evenwel niet uitgezonderd. Het hof is daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte, met het in de administratie opnemen en/of verwerken en/of voorhanden hebben van valselijk opgemaakte facturen, geen administratie overeenkomstig de bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen heeft gevoerd. Mitsdien zal hij van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 april 2005 en 14 april 2006 te Eindhoven telkens als degene die ingevolge artikel 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen verplicht was tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft verdachte alstoen aldaar telkens opzettelijk geen (kopie-)verkoopfacturen in verband met verkooptransacties opgenomen en/of verwerkt en/of voorhanden gehad in zijn bedrijfsadministratie.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het opzet had om geen verkoopfacturen in zijn administratie op te nemen. Enerzijds wist de verdachte immers niet hoe hij voor zijn onderneming een boekhouding moest voeren en anderzijds heeft de verdachte inkopen gedaan voor derden. Het voorhanden hebben van vrachtbrieven op naam van die derden maakt volgens de raadsman nog niet dat daarmee de verdachte opzettelijk verkoopfacturen uit zijn eigen boekhouding heeft gehouden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2013 verklaard dat hij heeft geprobeerd om van zijn onderneming een administratie bij te houden, maar dat hij dat enorm heeft onderschat. Deze lezing heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2017 bevestigd. Bij gelegenheid van laatstgenoemde zitting heeft hij voorts verklaard dat hij zich ervan bewust was dat indien iemand een bedrijf begint, het noodzakelijk is om een administratie te voeren.

Het hof is van oordeel dat uit voornoemde verklaringen volgt dat de verdachte zich ervan bewust was dat hij de administratie niet naar de eisen der wet voerde. Desondanks heeft hij voor het voeren van een administratie geen hulp of ondersteuning gezocht. Hij heeft zijn ondernemingsactiviteiten evenmin gestaakt. Aldus heeft de verdachte, door geen (kopie-)verkoopfacturen in zijn administratie op te nemen, welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn administratie niet voldeed aan de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen. Mitsdien faalt in zoverre het verweer.

Uit de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich zowel met de inkoop als verkoop van lege CD’s en DVD’s bezighield. Desondanks zijn er door opsporingsambtenaren van de FIOD op 1 april 2005 en 14 april 2006 geen verkoopfacturen aangetroffen. De bescheiden die wel zijn aangetroffen betroffen inkoopfacturen en vrachtbrieven. Indien en voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de verdachte in naam van en voor rekening van derden inkopen heeft gedaan, op grond waarvan hij geen verkoopfacturen in zijn administratie hoefde op te nemen, neemt dat naar het oordeel van het hof niet weg dat de verdachte ter terechtzittingen in hoger beroep van 27 augustus 2013 en 20 juni 2017 heeft verklaard dat hijzelf (ook) op eigen titel aan (eind)afnemers heeft geleverd. Op grond van artikel 3 junctis de artikelen 34, eerste lid (oud), 35 en 35c van de Wet op de omzetbelasting 1968 was de verdachte daarmee gehouden van die prestaties verkoopfacturen uit te reiken en deze facturen in zijn administratie op te nemen. Nu de verdachte dat heeft nagelaten, is het hof van oordeel dat hij geen administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen heeft gevoerd. Aldus treft het verweer geen doel.

Het hof verwerpt op grond van het voorgaande het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

ingevolge de belastingwet verplicht zijnde een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen te voeren, een zodanige administratie opzettelijk niet voeren, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich als administratieplichtige schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen. Een bedrijfsadministratie dient

zodanig te worden ingericht en voor controle door de fiscus toegankelijk te zijn dat binnen redelijke termijn conclusies kunnen worden getrokken omtrent de aard en omvang van de fiscale verplichtingen. Door het niet opnemen van verkoopfacturen in de administratie zoals bewezen verklaard, heeft de verdachte deze controlemogelijkheid feitelijk onmogelijk gemaakt. Het is op grond van algemene ervaringsregels waarschijnlijk dat een dergelijke handelswijze ertoe leidt dat te weinig belasting wordt geheven. Het hof rekent het de verdachte daarom aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 maart 2017, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezen verklaarde onherroepelijk is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof kennis genomen van de zich in het dossier bevindende, doch in het kader van een andere strafzaak opgemaakte, rapporten te weten het psychiatrisch rapport d.d. 16 juli 2007 van dr. [psychiater] en het psychologisch rapport d.d. 24 juni 2007 van drs. [psycholoog] . Uit genoemde rapporten komt naar voren dat de verdachte lijdende is aan de stoornis van Asperger en daarnaast een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven (NAO) met borderline, schizotypische en depressieve kenmerken. Daarnaast heeft het hof kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 15 mei 2013 van [reclasseringsmedewerker] . De reclassering adviseert oplegging van reclasseringstoezicht, een ambulante behandeling voor zijn psychische problematiek en deelname aan een maatschappelijk hulptraject (met name gericht op schuldhulpverlening), alles in de vorm van bijzondere voorwaarden.


Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak ambtshalve het volgende.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling van de fases van hoger beroep en cassatie telkens dienen te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak voorts te gelden dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden na het instellen van het beroep in cassatie ter griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen.

Het hof stelt vast dat in de onderhavige strafzaak namens de verdachte op 30 mei 2012 hoger beroep is ingesteld. Het hof heeft bij arrest van 10 september 2013 de verdachte veroordeeld. Vervolgens is op 18 september 2013 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn eerst op 28 januari 2015 – zijnde meer dan acht maanden na het instellen van het cassatieberoep – ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. De Hoge Raad heeft op 6 oktober 2015 arrest gewezen, waarbij de zaak is teruggewezen opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het hof zal bij arrest van heden – 4 juli 2017 – einduitspraak doen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de redelijke termijn in de cassatiefase weliswaar is overschreden, maar dat gelet op de aard van de hierna te melden op te leggen straf, dit niet hoeft te leiden tot vermindering van de straf.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Het hof zal aan de voorwaardelijke straf de volgende bijzondere voorwaarden verbinden: een meldplicht, het meewerken aan reclasseringstoezicht inclusief schuldhulpverlening en hulp bij verwerking van post, alsmede een verplichting voor de verdachte om zich ambulant te laten behandelen voor zijn psychische problematiek. Aangezien uit het verhandelde ter terechtzitting naar voren is gekomen dat de verdachte te kampen heeft met een grote schuldenproblematiek, geeft het hof de reclassering in overweging te bevorderen dat de verdachte bewindvoering aanvraagt.

Met oplegging van de hierna op te leggen voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;

bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende deze proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij het Leger des Heils, gevestigd aan de Dr. Cuyperslaan 80, 5623 BB te Eindhoven, zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd, op de tijden door of namens de reclassering vast te stellen, onder behandeling zal stellen van een instelling voor ambulante forensische zorg, waarbij de te kiezen instelling ter beoordeling van de reclassering is, teneinde zich te laten behandelen voor de stoornis van Asperger en een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven (NAO) met borderline, schizotypische en depressieve kenmerken, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven;

stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen te geven door of namens de reclasseringsinstelling het Leger des Heils te Eindhoven, ook als deze aanwijzingen inhouden dat de veroordeelde zal deelnemen aan een of meer maatschappelijk hulptraject(en), onder meer bestaande uit schuldhulpverlening en hulp bij de verwerking van post;

geeft opdracht aan het Leger des Heils te Eindhoven tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. drs. P. Fortuin en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 4 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.