Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2968

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
200.215.758_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep mogelijk van tussenvonnis van de rechtbank waarbij na einde termijn wsnp nog een medisch onderzoek is ‘bevolen’ alvorens uitspraak te doen over het al dan niet verlenen van de schone lei?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 29 juni 2017

Zaaknummer : 200.215.758/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01/14/103 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. H. Sanli te Helmond.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 mei 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties -door [appellant] gezamenlijk met zijn echtgenote, [echtgenote van appellant] , (hierna: [echtgenote van appellant] ), met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, ingediend-, ingekomen ter griffie op 15 mei 2017, heeft [appellant] verzocht voormeld het (tussen)vonnis van de rechtbank te Oost-Brabant d.d. 8 mei 2017 (C/01/14/103 R) te vernietigen en daarbij te bepalen dat de schuldsaneringsregeling is beëindigd na verloop van de termijn met toekenning van de schone lei, althans de termijn van de verlenging vast te stellen, althans de termijn van de verlenging gelijk te stellen aan de termijn van verlenging ten aanzien van [echtgenote van appellant] .

2.2.

Gelet op de verknochtheid van onderhavige zaak met de zaak van [echtgenote van appellant] , ter griffie ingeschreven onder nummer HV200.215.757/01, heeft het hof de beide zaken gelijktijdig behandeld ter zitting.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Sanli;

  • -

    mevrouw [bewindvoerder 2] , waarnemend namens mevrouw [bewindvoerder 1] , hierna te noemen: de bewindvoerder;

  • -

    [echtgenote van appellant] , eveneens bijgestaan door mr. Sanli.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 6 juni 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 10 maart 2014 is ten aanzien van [appellant] (en [echtgenote van appellant] ) de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

In eerste aanleg was aan de orde de voordracht tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling na verloop van de termijn. De bewindvoerder had geadviseerd de schone lei aan [appellant] niet te verlenen.

Bij (tussen)vonnis, waarvan beroep, heeft de rechtbank besloten dat [appellant] zal worden opgeroepen voor een medische keuring, waarbij is bepaald dat de rapportage van de verzekeringsarts uiterlijk op 19 juni 2017 door de griffie van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling Toezicht, dient te zijn ontvangen, waarna de bewindvoerder in de gelegenheid zal worden gesteld daarop schriftelijk te reageren en is iedere verdere beslissing aangehouden.

3.3.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Voor wat betreft de stellingen van [appellant] verwijst het hof naar de inhoud van het door [appellant] ingediende beroepschrift en naar hetgeen door en namens hem ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren is gebracht.

Hieronder zal daarop slechts voor zover voor het oordeel van het hof van belang specifieker worden ingegaan.

De ontvankelijkheid

3.4.

Zoals uit het bestreden (tussen)vonnis blijkt heeft de rechtbank geoordeeld dat er vooralsnog sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de sollicitatieverplichting gedurende de gehele looptijd van de schuldsaneringsregeling, doch dat de rechtbank uit de door [appellant] overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er wellicht sprake is van een medische gesteldheid op grond waarvan hij niet in staat kan worden geacht, geheel dan wel gedeeltelijk, aan de op hem rustende sollicitatieverplichting te voldoen.

De rechtbank oordeelde vervolgens dat alsnog een medische keuring van [appellant] door de verzekeringsarts dient plaats te vinden zodat kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate, de schuldenaar zijn sollicitatieverplichting niet is nagekomen.

Zoals uit het dictum van het vonnis blijkt is de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van die rapportage van de verzekeringsarts met betrekking tot de medische keuring van [appellant] en is iedere verdere beslissing aangehouden.

3.5.

Van een dergelijke tussenuitspraak als de onderhavige kan, naar het oordeel van het hof, behoudens rechterlijk verlof, slechts beroep worden ingesteld tegelijk met het beroep van de einduitspraak in dezelfde procedure. Het hof verwijst in dat verband naar hetgeen is bepaald in artikel 337 lid 2 en artikel 358 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv).

3.5.1.

Dat hier sprake is van een rekestprocedure die in beginsel zal eindigen met een vonnis -en waarover kennelijk onduidelijkheid bestaat of de Vierde afdeling van de Zevende titel van het Eerste boek van Burgerlijke rechtsvordering daarop ook van toepassing is- maakt dit niet anders.

Ook kennisneming van in het bijzonder ECLI:NL:PHR:2002:AE3344 (en ook ECLI:NL:HR:2002:AE3344) -in een procedure waarbij sprake was van een gedeeltelijke eindbeslissing/tevens tussenbeslissing en waarop Rv (oud) van toepassing was- brengt het hof niet tot andere inzichten.

3.5.2.

Onder een tussenuitspraak in de zin van de hierboven vermelde bepalingen dient te worden verstaan een uitspraak waarin de rechter niet door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde (of in het onderhavige geval “het verzochte”) een einde aan het geding heeft gemaakt.

Het hof is van oordeel dat daarvan in het onderhavige geval sprake is nu de rechter in eerste aanleg, alvorens verder op de zaak te beslissen, een onderzoek heeft bevolen waarvan de beslissing van de zaak zelf afhankelijk kan zijn.

3.5.3.

Het hof ziet in de door de advocaat van [appellant] aangevoerde omstandigheden dat door de rechtbank (op één datum) uitspraak is gedaan in zowel de zaak van [echtgenote van appellant] als die van [appellant] en dat die zaken parallel zouden dienen te (ver)lopen, geen aanleiding om af te wijken van bovenstaande.

3.6.

Nu tegen de uitspraak waarvan beroep naar het oordeel van het hof (thans) geen hoger beroep kan worden ingesteld zal [appellant] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, L.Th.L.G. Pellis en J.J.Minnaar en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017.