Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2888

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
200.194.131_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewijs arbeidsongeschikt na verkeersongeval

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0558
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.194.131/01

arrest van 27 juni 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] (België),

appellant,

advocaat: mr. D. Marcus te Tilburg,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht Royal and Sun Alliance (RSA) Insurance Group PLC,

gevestigd te [vestigingsplaats] (United Kingdom),

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.J. de Lange te Voorburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 juni 2016 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, civiel recht, zittingsplaats Eindhoven door de kantonrechter gewezen vonnis van 21 april 2016 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde in verzet, oorspronkelijk eiser, en geïntimeerde -RSA- als eiseres in verzet, oorspronkelijk gedaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    voornoemde dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

Nadat RSA arrest heeft gevraag en stukken heeft gefourneerd, is bepaald dat arrest wordt gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 4707680 rolnr. 15-15518)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 21 april 2016 en naar het daaraan voorafgegane vonnis van 21 januari 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald en het verstekvonnis van de kantonrechter Eindhoven met zaaknr. 4495024/rolnr. 15-10988 van 22 oktober 2015.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

De kantonrechter heeft in het vonnis van 21 april 2016 onder “2. De feiten” de feiten vastgesteld. Partijen hebben daar geen bezwaren tegen aangevoerd, zodat ook het hof van die feiten, voor zover relevant, zal uitgegaan. Daarnaast staan nog enkele feiten vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de vaststaande feiten.

a. Op 28 oktober 2009 is [appellant] betrokken geweest bij een verkeersongeval in [plaats 1] tussen hem en een verzekeringnemer van RSA. [appellant] was op 28 oktober 2009 al enige tijd werkloos.

b. Namens RSA is de aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend en heeft RSA aan [appellant] schade vergoed tot in elk geval € 4.200,- (zie productie 1 dagvaarding in eerste aanleg), waarbij geen schadevergoeding is uitgekeerd wegens gederfde inkomsten.

c. Het door [appellant] als productie 2 bij zijn inleidende dagvaarding overgelegde stuk houdt in, voor zover van belang:

arbeidsovereenkomst voor arbeiders-transport

Tussen de firma [transportbedrijf] NV (…) de werkgever enerzijds,

en [appellant] (…) de werknemer anderzijds,

wordt overeengekomen (…):

1. De werknemer verklaart zich bereid in dienst te treden van de werkgever in de hoedanigheid van per uur betaalde werknemer voor een bepaalde duur van 02.11.2009 tot 01.05.2010

2. De bezoldiging van de werknemer wordt vastgesteld op 16,0550 € per uur.

3. De definitieve aanwerving van de werknemer zal voorafgegaan zijn door een proefperiode, welke niet minder dan zeven dagen en niet meer dan veertien dagen zal bedragen. Tussen de zevende en de veertiende dag van de proefperiode zullen beide partijen zonder opzegging noch vergoeding een einde mogen stellen aan het contract en de proefperiode.

(…)

13. De werknemer verklaart een goede beroepskennis te hebben als chauffeur (…)

Hij zal de vrachtwagen met de nodige zorg behandelen, (…)

26. De arbeidsovereenkomst wordt gesloten voor voltijdse arbeid.

(…)

Datum:02.11.2009

Eigenhandig schrijven: “gelezen en goedgekeurd

(noot hof: waaronder met de hand is geschreven “gelezen en goedgekeurd”)

Tenslotte staat op deze arbeidsovereenkomst onder het woord “De werknemer” een handtekening, evenals onder het woord “De werkgever”.

d. Het door [appellant] als productie 3 bij zijn inleidende dagvaarding overgelegde stuk houdt in, voor zover van belang:

[plaats 2] , 20 juni 2012

Aan de heer [appellant]

Geachte heer,

Op uw verzoek kunnen wij het volgende verklaren.

Wij sloten met u een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur voor de periode van 2 november 2009 tot 1 mei 2010.

Ten gevolge van het feit dat u op 28 oktober 2009 slachtoffer werd van een ongeval en vervolgens arbeidsongeschikt kon u de overeenkomst niet nakomen en hebben wij u geen werk verschaft.

(…)

Het ongeval deed zich voor nog voordat de arbeidsovereenkomst een aanvang nam, zodat wij niet verplicht waren enig loon uit te betalen.

(…)”.

Het stuk is namens NV [transportbedrijf] ondertekend door bestuurder [bestuurder van transportbedrijf] , RA(+ een voor het hof onleesbare derde letter).

e. [appellant] is onderzocht door dr. [medisch adviseur] , de medisch adviseur van zijn rechtsbijstandverzekeraar, onder meer op 11 (aldus het als productie 1 bij akte overlegging producties door RSA in eerste aanleg overgelegde verslag. De kantonrechter vermeldt per abuis 12) mei 2010. Het verslag vermeldt, voor zover van belang:

“(…)

BETREFT: [appellant] , (…)

Problematiek inzake verkeersongeval dd. 28/10/2009

(…)

Op het ogenblik van de feiten was hij zonder werk.

Hij had vooruitzichten op een werk in loondienst bij een bedrijf in [vestigingsplaats] als productie-arbeider.

(…)

Op 28/10/2009 bestuurde hij een personenwagen (…). Een (…) vrachtwagen voegde plots van rechts voor hem in (…). Zij wagen werd in de flank aangetikt, draaide rond zijn as, werd opnieuw geraakt door de vrachtwagen en is nadien tegen de vangrail geslingerd (…)

Hij raadpleegde ’s anderendaags de huisarts.

Hij kloeg van pijn in de borstkas en buik.

De huisarts verwees hem naar het Medisch Centrum in [vestigingsplaats] .

Op 30/10/2009 werden hier PX opnamen gemaakt van cervicale en lumbale wervelzuil.

Hierop weerhield men geen afwijkingen.

Een RX thorax toonde een fractuur van de 9de rib links.

Een echografie van de buik gaf tekens van een hematoom thv. de linker nier.

Betrokkene kreeg pijnstillers voorgeschreven en diende een ribverband te dragen. Op 04/11/2009 gebeurde een controle-echografie van de buik.

Er gebeurde geen verdere tussenkomst.

Betrokkene raadpleegde nog een paar maal de huisarts.

Wegens lumbalgie werd kinesitherapie voorgeschreven.

Betrokkene heeft deze behandeling niet gevolgd.

INVLOED OP DE AKTIVITEITEN:

Betrokkene is vanaf de datum van het ongeval ten laste gekomen van de ziekteverzekering.

(…)

KLINISCH ONDERZOEK:

Bij inspectie noteren we geen littekens als gevolg van het ongeval.

Er is geen drukpijn over het ribbenrooster.

De ademhaling verloopt normaal. Betrokkene geeft drukpijn aan thv. de paravertebrale spieren lumbaal links.

Er wordt pijn aangegeven bij diepe flexie van de romp, vooral in combinatie met rotaties. Ook rechtkomen vanuit gebogen houding tegen weerstand lokt de pijnklachten uit.

(…)

Op basis van de mij bekende gegevens kunnen de gevolgen van het ongeval als volgt bepaald worden:

Tijdelijke arbeidsongeschiktheid:

  • -

    100% van 28/10/2009 tem. 31/12/2009

  • -

    50% van 01/01/2010 tem. 31/01/2010

Verdere tijdelijke ongeschiktheden met meerinspanning:

  • -

    25% van 01/02/2010 tem. 28/02/2010

  • -

    15% van 01/03/2010 tem. 31/03/2010

  • -

    10% van 01/04/2010 tem. 30/04/2010

  • -

    5% van 01/05/2010 tot aan de consolidatie.

(…)”.

4.2

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad:

1. RSA veroordeelt om aan hem tegen deugdelijk bewijs van kwijting te betalen € 11.776,86, althans zoveel als de kantonrechter in goede justitie zal bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum ongeval tot de dag der algehele voldoening;

2. RSA veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten van € 892,77 en in de kosten van het geding, alsmede veroordeling van RSA in de nakosten ad € 131,- zonder betekening, dan wel € 199 in geval van betekening, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf de termijn van voldoening. Voor zover niet in de nakosten kan worden veroordeeld, vordert [appellant] op grond van art. 237, lid 4 Rv afgifte van een bevelschrift waarin RSA wordt veroordeeld tot betaling van de nakosten.

De kantonrechter heeft in het verzetvonnis van 21 april 2016 geoordeeld dat [appellant] de door hem gesteld arbeidsongeschiktheid ten gevolge van het verkeersongeval onvoldoende heeft onderbouwd. Ten overvloede heeft de kantonrechter overwogen dat evenmin is komen vast te staan dat er een arbeidsovereenkomst bestond tussen [transportbedrijf] en [appellant] . Bij dat verzetvonnis is vervolgens het verstekvonnis van 22 oktober 2015, waarbij de vordering was toegewezen behoudens dat de nakosten op andere wijze zijn begroot, vernietigd, en is de vordering alsnog afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.3

Bij memorie van grieven heeft [appellant] zes genummerd grieven, waarvan twee grieven het nummer drie hebben gekregen, en een niet genummerd slotgrief voorgedragen en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 21 april 2016 en tot toewijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van RSA in de kosten van het geding in beide instanties en met verklaring dat het arrest uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.

RSA heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis van 21 april 2016 met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

4.4

De genummerde grieven leggen in feite twee vragen voor. De eerste is of [appellant] door het verkeersongeval van 28 oktober 2009 zodanig gewond is geraakt dat hij in elk geval gedurende enige tijd arbeidsongeschikt is geworden. De tweede vraag is of er tussen [appellant] en [transportbedrijf] NV ten tijde van het ongeval een arbeidsovereenkomst was gesloten inhoudende dat [appellant] met ingang van 2 november 2009 als chauffeur bij [transportbedrijf] NV werkzaamheden zou verrichten. De grieven zullen aldus en verder niet afzonderlijk, worden beoordeeld.

4.5

Allereerst de vraag of [appellant] door het verkeersongeval zodanig gewond is geraakt dat hij gedurende enige tijd arbeidsongeschikt is geworden.

Vaststaat dat er een verkeersongeval is geweest. Eveneens staat vast dat de gevolgen hiervan zodanig zijn geweest dat RSA € 4.200,- aan [appellant] heeft uitgekeerd (zie rov. 4.1 sub b). In het verslag van dr. [medisch adviseur] (rov. 4.1 sub e) is vermeld dat het verkeersongeval een botsing betrof tussen een door [appellant] bestuurde personenauto en een vrachtwagen. Nu niet anders is gesteld of gebleken gaat het hof vooralsnog daarvan uit. Dat een bestuurder van een personenauto bij een dergelijke botsing letsel oploopt is niet onwaarschijnlijk. In het verslag van [medisch adviseur] valt verder te lezen dat [appellant] zich op 29 oktober 2009, dus daags na het verkeersongeval, heeft gemeld bij zijn huisarts met klachten en dat nader onderzoek is gedaan, waarbij PX en RX (zie rov. 4.1 sub e) opnames zouden zijn gemaakt. Aan de hand van dit alles heeft [appellant] vooralsnog voldoende onderbouwd gesteld dat hij gewond is geraakt bij het verkeersongeval. Alleen al omdat het verslag van [medisch adviseur] bijna 6,5 maanden na het verkeersongeval is opgemaakt en niet duidelijk is op welke wijze hij aan de betreffende informatie omtrent huisarts en het beweerdelijke verdere onderzoek verricht in het Medisch Centrum [vestigingsplaats] is gekomen, kan het hof, gelet op de betwisting door RSA, op grond van dat verslag niet tot het oordeel komen dat [appellant] zodanig gewond is geraakt bij het verkeersongeval dat hij daardoor arbeidsongeschikt is geraakt. Het hof heeft wat dat betreft allereerst behoefte aan nadere informatie en draagt [appellant] op de voet van art. 22 Rv op om in het geding te brengen zijn huisartsendossier betreffende de periode 1 oktober 2009 tot 1 mei 2010 en de naar aanleiding van de verwijzing van zijn huisarts (door het Medisch Centrum in [vestigingsplaats] ) op 30/10/2009 gemaakte PX opnamen van cervicale en lumbale wervelzuil, RX thorax die beweerdelijk een fractuur van de 9de rib links toonde, de echografie van de buik die tekens gaf van een hematoom thv. de linker nier en stukken waaruit blijkt dat hij pijnstillers kreeg voorgeschreven en een ribverband diende te dragen. [appellant] dient tevens een verklaring van zijn huisarts over te leggen waarin deze uitleg geeft over de oorzaak, de aard, de inhoud en ernst van de lumbalgie en de opinie van zijn huisarts omtrent de mate van arbeidsgeschiktheid van [appellant] als chauffeur op 29 oktober 2009.

4.6

Met de ondertekende arbeidsovereenkomst heeft [appellant] vooralsnog voldoende onderbouwd dat hij op 2 november 2009 als chauffeur bij [transportbedrijf] NV in dienst zou treden. De betwisting dat een dergelijke arbeidsovereenkomst is gesloten, is echter voldoende serieus te nemen. Zo roept het vragen op dat de overeenkomst kennelijk op 2 november 2009 is ondertekend, dus na het ongeval. Nadere informatie omtrent de wijze waarop [appellant] aan de baan als chauffeur is gekomen, heeft hij niet verschaft. [appellant] heeft evenmin voldoende feitelijke informatie verschaft omtrent de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is opgezegd. Onduidelijk is verder waarom de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst niet enige tijd is opgeschort en merkwaardig is dat het verslag van [medisch adviseur] vermeldt dat hij op het ogenblik van het verkeersongeval zonder werk was, maar vooruitzichten had op een werk in loondienst bij een bedrijf in [vestigingsplaats] -dus niet [plaats 2] , waar [transportbedrijf] NV is gevestigd- als productie-arbeider, dus niet als chauffeur. Het hof zal [appellant] dan ook toelaten te bewijzen dat hij met [transportbedrijf] NV een arbeidsovereenkomst had gesloten inhoudende dat hij met ingang van 2 november 2009 bij [transportbedrijf] NV als chauffeur werkzaamheden zou verrichten.

4.7

Het hof zal in afwachting van de nadere informatie en de bewijslevering iedere verdere belissing aanhouden.

5 De uitspraak

Het hof:

I. draagt [appellant] op om bij de hierna te noemen akte over te leggen zijn huisartsendossier betreffende de periode 1 oktober 2009 tot 1 mei 2010 en de naar aanleiding van de verwijzing van zijn huisarts (door het Medisch Centrum in [vestigingsplaats] ) op 30/10/2009 gemaakte PX opnamen van cervicale en lumbale wervelzuil, RX thorax die beweerdelijk een fractuur van de 9de rib links toont, de echografie van de buik die tekens geeft van een hematoom thv. de linker nier en stukken waaruit blijkt dat hij pijnstillers kreeg voorgeschreven en een ribverband diende te dragen vanaf omstreeks eind oktober 2009-begin november 2010;

II. stelt [appellant] in staat om bij de hierna te noemen akte over te leggen een verklaring van zijn huisarts waarin deze uitleg geeft over de oorzaak, de aard, de inhoud en ernst van de lumbalgie en de opinie van zijn huisarts omtrent de mate van arbeidsgeschiktheid van [appellant] als chauffeur op 29 oktober 2009;

III. laat [appellant] toe te bewijzen dat hij met [transportbedrijf] NV te [plaats 2] een arbeidsovereenkomst had gesloten inhoudende dat hij met ingang van 2 november 2009 voltijdse arbeid als chauffeur zou verrichten;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. J.R. Sijmonsma als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 25 juli 2017 al waar [appellant] bij akte de hiervoor onder I. en II. genoemde stukken dient over te leggen en opgave dient te doen van het aantal getuigen dat hij wenst voor te dragen ter zake de hiervoor onder III. vermelde bewijsopdracht, en van de verhinderdata van de verschenen partij(en), hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 juni 2017.

griffier rolraadsheer