Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2882

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
200.173.996_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:3808
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand. Geschil over de deels onbetaald gebleven declaraties. Is voor werkzaamheden opdracht gegeven? Welke tariefafspraken zijn gemaakt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3304
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.173.996/01

arrest van 27 juni 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. B.I. van Vugt te Roosendaal,

tegen

de maatschap [de maatschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [de maatschap] ,

advocaat: mr. M. Oprel te Rotterdam,

als vervolg op de door de rolraadsheer gegeven rolbeslissing van 8 september 2015 en het door het hof gewezen tussenarrest van 29 september 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda onder zaaknummer C/02/286673 en rolnummer HA ZA 14-615 gewezen vonnis van 25 maart 2015.

4 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 29 september 2015;

  • -

    de door [appellant] genomen memorie van grieven met één productie (nr. 11);

  • -

    de door [de maatschap] genomen memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

5 De verdere beoordeling

5.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof:

 [appellant] niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, voor zover ingesteld tegen de in de appeldagvaarding genoemde geïntimeerden sub 2 tot en met 5;

 de zaak naar de rol verwezen voor een door [appellant] te nemen memorie van grieven;

 iedere verdere beslissing aangehouden.

Het door [appellant] ingestelde hoger beroep is dus alleen nog aanhangig tegen [de maatschap] . Het hof kan, nu de memories van grieven en antwoord zijn gewisseld, overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

5.2.

De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 3.2.1 tot en met 3.2.12 van het vonnis van 25 maart 2015 enkele feiten vastgesteld. Het hof maakt daarbij de volgende twee kanttekeningen:

 I. In de toelichting op grief 1 heeft [appellant] enkele kanttekeningen gemaakt bij rov. 3.2.4 van het vonnis. Het hof zal die kanttekeningen verderop in dit arrest, bij de behandeling van grief 1, bespreken. De kanttekeningen doen niet af aan de juistheid van de door de rechtbank in rov. 3.2.4 vastgestelde feiten.

 II. In rov. 3.2.11 van het vonnis heeft de rechtbank door een kennelijke verschrijving de vier facturen uit 2012 onvermeld gelaten. Het hof zal die facturen hierna in rov. 5.2.11 alsnog vermelden.

Met inachtneming van deze twee kanttekeningen kan in dit hoger beroep worden uitgegaan van de door de rechtbank vastgestelde feiten. Het hof zal de door de rechtbank vastgestelde feiten, vernummerd tot 5.2.1 tot en met 5.2.12, hieronder weergeven.

5.2.1.

[de maatschap] is een in [vestigingsplaats] gevestigd advocatenkantoor. Tot 1 juli 2013 was mr. [advocaat] (hierna: [advocaat] ) als advocaat aan dit kantoor verbonden.

5.2.2

[advocaat] heeft [appellant] vanaf 1998 bijgestaan in een arbeidsconflict tussen [appellant] en zijn toenmalige werkgever PrimeSource Holdings Ltd. en de overnemende partij Textainer Equipment Management Ltd. (hierna gezamenlijk aan te duiden als Textainer), welke conflict eindigde in een nog nader uit te werken gentlemensagreement van 29 mei 1999. [advocaat] heeft [appellant] bijgestaan in de onderhandelingen over deze uitwerking. Dit heeft niet geleid tot overeenstemming tussen partijen, waarna de werkzaamheden een aantal jaren stil zijn komen te liggen, mede in verband met het feit dat [appellant] herstellende was van een ernstig verkeersongeval dat hij in januari 1998 tijdens een dienstreis had gehad. De werkzaamheden zijn verricht op grond van een overeenkomst van opdracht van 18 mei 1998.

5.2.3.

In 2004 heeft [appellant] zich opnieuw tot [advocaat] gewend voor juridisch advies. Tijdens een bespreking op 27 mei 2004 op het kantoor van [de maatschap] heeft [appellant] een overeenkomst van opdracht getekend, waarna [advocaat] bij brief van 28 mei 2004 de verjaring van de aanspraken van [appellant] uit de gentlemensagreement heeft gestuit. Vervolgens zijn de bij de gentlemensagreement betrokken partijen opnieuw met elkaar in onderhandeling getreden. Dit heeft niet tot resultaat geleid, waarna besloten is tot dagvaarding van Textainer over te gaan. Voor het voeren van deze procedure zijn [advocaat] en [appellant] een fixed fee overeengekomen van € 10.000,= voor de werkzaamheden vanaf 1 januari 2008. Voor de werkzaamheden verricht vóór 1 januari 2008 stond nog een bedrag aan declaraties open van in totaal € 37.111,11. Deze declaraties zijn in februari 2009 voldaan.

5.2.4.

Op 22 december 2008 is de dagvaarding tegen Textainer uitgebracht, waarna er op 19 oktober 2009 bij de kantonrechter een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden. Aangezien tijdens de procedure bleek dat [appellant] mogelijk aanspraak zou kunnen maken op een uitkering uit hoofde van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, die PrimeSource in 1999 zou hebben afgesloten voor [appellant] bij Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor beroepsvervoer (hierna: Pensioenfonds), hebben partijen afgesproken dat zij een onderzoek zouden verrichten met betrekking tot de aanspraken uit die verzekering. Tevens zou er een mediationtraject worden opgestart.

5.2.5.

Nadat Pensioenfonds op 6 januari 2010 negatief had gereageerd op het verzoek om de verzekeringsovereenkomst gestand te doen, hebben [advocaat] , [appellant] en de advocaat van Textainer op 4 februari 2010 in [plaats] een bespreking gehad met Pensioenfonds. Naar aanleiding van deze bespreking heeft [advocaat] Pensioenfonds bij brief van 23 maart 2010 een nadere onderbouwing van de aanspraken van [appellant] gegeven. Bij brief van 7 juli 2010 heeft Textainer [advocaat] bericht dat Pensioenfonds zich op het standpunt had gesteld dat onvoldoende aannemelijk is dat in 1999 een arbeidsongeschiktheidsverzekering tot stand was gekomen. [advocaat] heeft vervolgens bij brief van 2 september 2010 een opdrachtbevestiging aan [appellant] toegezonden en een concept dagvaarding. In deze brief heeft [advocaat] geadviseerd om Pensioenfonds te dagvaarden, het mediationtraject niet te volgen en met Textainer een schikking te treffen. Vervolgens heeft er tussen partijen een e-mailwisseling plaatsgevonden, waarbij [appellant] heeft aangegeven het schikkingsvoorstel van Textainer niet te accepteren en het mediationtraject te willen volgen. [appellant] heeft de opdrachtbevestiging niet getekend.

5.2.6.

Op 18 november 2010 heeft [advocaat] twee nieuwe opdrachtbevestigingen aan [appellant] toegezonden, te weten een opdrachtbevestiging voor de zaak [appellant] /Pensioenfonds (dossiernummer [dossiernummer 1] ) en een opdrachtbevestiging voor de zaak [appellant] /mediation (dossiernummer [dossiernummer 2] ). In de begeleidende brief heeft [advocaat] aangegeven op verzoek van [appellant] de declaraties voor hun werkzaamheden in de zaak tegen Pensioenfonds te hebben gesplitst in het tijdvak tot 1 februari 2010 en na 1 februari 2010, met het verzoek de declaraties binnen 14 dagen te voldoen. [appellant] heeft de opdrachtbevestigingen niet getekend. De declaraties met betrekking tot de werkzaamheden tot 1 februari 2010 zijn voldaan.

5.2.7.

In 2011 heeft [appellant] aangegeven mediation niet te kunnen betalen, zodat het mediationtraject niet is doorgezet. Als gevolg daarvan is het geschil tegen Textainer weer gaan leven. Op het nieuwe dossiernummer ( [dossiernummer 2] ) zijn vervolgens de werkzaamheden in de procedure tegen Textainer geboekt. Op 6 juli 2011 heeft de advocaat van Textainer een voorstel gedaan. Hierover hebben tussen [advocaat] en de advocaat van Textainer besprekingen plaatsgevonden en [appellant] heeft bij e-mailbericht van 24 augustus 2011 op het voorstel gereageerd. Bij e-mailbericht van 15 november 2011 heeft [advocaat] [appellant] verzocht te laten weten of hij akkoord gaat met het voorstel van Textainer, aangezien de termijn waarbinnen beslist moet worden afloopt.

5.2.8.

Bij brief van 28 maart 2012 heeft [advocaat] de verjaring van de aanspraken van [appellant] opnieuw gestuit. Hierop heeft Textainer op 29 juni 2012 een nieuw voorstel gedaan. Hierover heeft tussen [advocaat] en [appellant] in juli 2012 een

e-mailwisseling plaatsgevonden.

5.2.9.

Bij e-mailbericht van 14 augustus 2012 heeft [advocaat] [appellant] verzocht de opdrachtbevestigingen te ondertekenen en te retourneren en de openstaande declaraties te betalen. Op 21 augustus 2012 heeft [advocaat] nogmaals gerappelleerd. [appellant] heeft niet aan het verzoek voldaan. Vervolgens heeft [advocaat] bij e-mailbericht van 3 september 2012 [appellant] bericht dat de werkzaamheden niet zullen worden voortgezet als de opdrachtbevestigingen niet getekend retour worden gezonden. Daarop heeft [appellant] bij e-mailbericht van 17 september 2012 gereageerd met de woorden ‘Ik ben je cliënt derhalve dien je mijn belangen te behartigen’.

5.2.10.

Op 14 november 2012 heeft [advocaat] een reactie gegeven op het voorstel van de advocaat van Textainer, waarna op 6 juni 2013 namens Textainer een brief met een final offer is gestuurd, die door [advocaat] op 7 juni 2013 aan [appellant] is doorgeleid. Bij e-mailbericht van 19 juni 2013 heeft [appellant] de samenwerking met [de maatschap] beëindigd.

5.2.11.

Voor de werkzaamheden verricht vanaf 4 februari 2010 heeft [de maatschap] aan [appellant] de volgende declaraties gestuurd:

15 november 2010 (€ 238,=), 18 november 2010 (€ 18.548,18), 31 december 2010 (€ 1.158,71), 10 mei 2011 (€ 267,39), 10 mei 2011 (€ 245,12), 16 september 2011 (€ 1.002,73), 31 december 2011 (€ 66,85), 31 december 2011 (€ 5.113,58), 21 mei 2013 (€ 271,90) en 8 juli 2013 (€ 611,75). Van de declaratie van 18 november 2010 heeft [appellant] een bedrag van € 7.967,50 voldaan en van de declaratie van 6 juli 2012 een bedrag van € 74,42.

Hof: in de zojuist genoemde door de rechtbank gegeven opsomming van facturen zijn door een kennelijke verschrijving de navolgende facturen onvermeld gebleven:

6 juli 2012 (€ 111,42), 13 september 2012 (€ 958,16), 31 december 2012 (€ 381,06) en 31 december 2012 (€ 3.672,36). [appellant] heeft erkend dat ook die vier facturen uit 2012 aan hem zijn verzonden en onderdeel uitmaken van de vordering in conventie. [appellant] heeft deze vier facturen in de conclusie van antwoord sub 10 ook besproken. Het hof zal bij de behandeling van grief 5 nog ingaan op de gevolgen van deze facturen voor de in totaal verschuldigde hoofdsom.

5.2.12.

Voor de betaling van deze bedragen zijn diverse aanmaningen gestuurd, onder meer op 6 december 2010, 13 mei 2011, 31 juli 2012, en 5 november 2013. [appellant] heeft niet aan deze sommaties voldaan.

5.3.1.

In het geding bij de rechtbank vorderde [de maatschap] in conventie veroordeling van [appellant] tot betaling van:

 € 24.605,29, € 24.605,29, vermeerderd met de wettelijke rente zoals in de inleidende dagvaarding vermeld;

 € 24.605,29, € 1.021,05 ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten;

met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.

5.3.2.

Aan deze vordering heeft [de maatschap] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[advocaat] heeft in de periode van 4 februari 2010 tot en met 30 juni 2013 in opdracht van [appellant] werkzaamheden verricht met betrekking tot het conflict met het Pensioenfonds en met betrekking tot het conflict met Textainer. [advocaat] heeft met [appellant] afgesproken dat voor zijn werkzaamheden en die van zijn kantoorgenoten in deze dossiers een uurtarief van € 175,= (exclusief btw en 7% kantoorkosten) zou worden gerekend. [de maatschap] heeft voor de in de periode van 4 februari 2010 tot en met 30 juni 2013 voor [appellant] verrichte werkzaamheden aan [appellant] de veertien facturen gezonden die in de inleidende dagvaarding sub 3.1 tot en met 3.12 zijn opgesomd (hof: de veertien facturen die opgesomd zijn in rov. 5.2.11 van dit arrest). In mindering op de factuur van 18 november 2010 heeft [appellant] € 7.967,50 voldaan en in mindering op de factuur van 6 juli 2012 heeft [appellant] € 74,42 voldaan. De andere twaalf facturen zijn geheel onbetaald gebleven. In totaal heeft [appellant] dus een bedrag van € 24.605,29 onbetaald gelaten.

5.3.3.

[appellant] heeft in conventie gemotiveerd verweer gevoerd. Voortbouwend op dat verweer vorderde [appellant] in het geding bij de rechtbank in reconventie veroordeling van [de maatschap] tot betaling van:

 A € 15.052,89 vermeerderd met wettelijke rente;

 B € 11.887,55 vermeerderd met wettelijke rente;

 C € 50.000,-- vermeerderd met wettelijke rente;

met veroordeling van [de maatschap] in de proceskosten.

5.3.4.

Aan de vorderingen sub A en B heeft [appellant] in het geding bij de rechtbank, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[appellant] heeft aan [de maatschap] onder protest € 15.052,89 betaald ter zake werkzaamheden in het geschil met het Pensioenfonds. Daarnaast heeft [appellant] aan [de maatschap] onder protest € 11.887,55 betaald ter zake werkzaamheden met betrekking tot mediation in het geschil met Textainer. Voor de betreffende gestelde werkzaamheden had [appellant] echter geen opdracht gegeven en bovendien zijn de gestelde werkzaamheden niet verricht. Beide bedragen zijn dus onverschuldigd betaald en moeten daarom door [de maatschap] worden terugbetaald.

5.3.5.

Aan de vordering sub C heeft [appellant] in het geding bij de rechtbank, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[advocaat] heeft vanaf 1998 werkzaamheden in rekening gebracht die niet zijn verricht. Bovendien is [advocaat] toerekenbaar tekortgeschoten bij de uitvoering van de werkzaamheden. [de maatschap] moet daarom aan [appellant] een bedrag van € 50.000,-- (terug)betalen op grond van onverschuldigde betaling, althans als schadevergoeding wegens de toerekenbare tekortkoming van [advocaat] bij de uitvoering van de werkzaamheden.

5.3.5.

In het tussenvonnis van 3 december 2014 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

5.3.6.

In het eindvonnis van 25 maart 2015 heeft de rechtbank, samengevat, als volgt overwogen.

 Uit de door [de maatschap] in het geding gebrachte stukken blijkt dat [appellant] opdracht heeft gegeven voor de werkzaamheden waarvan in conventie betaling wordt gevorderd, en dat die werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht. Het door [advocaat] gehanteerde uurtarief van € 175,-- per uur is alleszins redelijk. De in conventie gevorderde hoofdsom is dus toewijsbaar (rov. 3.6).

 Dit brengt tevens mee dat de vordering in reconventie tot terugbetaling van de bedragen van € 15.052,89 en € 11.887,55 moet worden afgewezen. [appellant] heeft deze bedragen niet onverschuldigd betaald (rov. 3.7, eerste deel).

 [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat [advocaat] excessief heeft gedeclareerd, de zaak niet adequaat heeft behandeld of misbruik van omstandigheden heeft gemaakt. Het door [appellant] in reconventie gevorderde bedrag van € 50.000,-- is reeds om die reden niet toewijsbaar (rov. 3.7, tweede deel).

 De vergoeding in conventie tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar (rov. 3.8).

Op grond van deze oordelen heeft de rechtbank:

 [appellant] veroordeeld om aan [de maatschap] € 24.605,29 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2010 over € 238,00; vanaf 2 december 2010 over € 10.580,68; vanaf 14 januari 2011 over € 1.158,71; vanaf 24 mei 2011 over € 267,39; vanaf 24 mei 2011 over € 245,12; vanaf 30 augustus 2011 over € 1.002,73; vanaf 14 januari 2012 over € 66,85; vanaf 14 januari 2012 over € 5.113,58; vanaf 20 juli 2012 over € 37,00; vanaf 27 augustus 2011 over € 958,06; vanaf 14 januari 2013 over € 381,06; vanaf 14 januari 2013 over € 3.672,36; vanaf 4 juni 2013 over € 271,90; vanaf 22 juli 2013 over € 611,75, tot aan de dag der algehele voldoening;

 [appellant] in de kosten van het geding in conventie veroordeeld, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten;

 het in conventie meer of anders gevorderde afgewezen;

 de vorderingen van [appellant] in reconventie afgewezen;

 [appellant] in de kosten van het geding in reconventie veroordeeld, vermeerderd met wettelijke rente.

5.4.1.

[appellant] heeft zes grieven aangevoerd tegen het beroepen vonnis. De zesde grief is door [appellant] , evenals de eerste grief, voorzien van het nummer 1. Het hof zal de zesde grief hierna aanduiden als grief 6.

5.4.2.

[appellant] heeft op grond van de grieven geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 25 maart 2015 en tot:

 afwijzing van de vorderingen in conventie;

 toewijzing van de vorderingen in reconventie;

met veroordeling van [de maatschap] in de proceskosten.

Met betrekking tot grief 1: rov. 3.2.4 van het vonnis

5.5.1.

Grief 1 is gericht tegen rov. 3.2.4 van het vonnis. Het hof heeft de inhoud van deze overweging, waarin de rechtbank enkele feiten heeft vastgesteld, hiervoor in rov. 5.2.4 van dit arrest weergegeven.

5.5.2.

In de toelichting op de grief heeft [appellant] niet betoogd dat de rechtbank in rov. 3.2.4 van het vonnis bepaalde feiten onjuist heeft vastgesteld. [appellant] heeft in de toelichting op de grief de volgende stellingen verwoord:

 De partijen hebben afgesproken dat het onderzoek naar een eventuele aanspraak van [appellant] op het Pensioenfonds zou bestaan uit een fact-finding-mission en dat [appellant] afhankelijk van de uitkomst van die fact-finding-mission al dan niet opdracht zou geven om nadere werkzaamheden te verrichten ter verkrijging van een uitkering van het Pensioenfonds. Omdat de fact-finding-mission niets opleverde, heeft [appellant] geen opdracht gegeven om verdere werkzaamheden met betrekking tot het Pensioenfonds te verrichten.

 Bovendien had [appellant] duidelijk gemaakt dat hij alleen een opdracht tot het verrichten van verdere werkzaamheden (hof: werkzaamheden die verder gingen dan de uitvoering van de fact-finding-mission) met betrekking tot het Pensioenfonds wilde geven, als de kosten van die werkzaamheden zouden worden vergoed door Textainer of door de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] .

5.5.3.

Het hof constateert dat [appellant] die stellingen ook betrokken heeft in de toelichting op grief 2. Het hof zal de stellingen bij de beoordeling van grief 2 behandelen. Het hof volstaat hier met de vaststelling dat de in rov. 3.2.4 van het vonnis weergegeven feiten door grief 1 niet worden bestreden. In zoverre verwerpt het hof grief 1.

Met betrekking tot grief 2:

5.6.1.

[appellant] is met grief 2 opgekomen tegen rov. 3.6 van het vonnis. In die rov. heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] opdracht heeft gegeven voor de werkzaamheden waarvan in conventie betaling wordt gevorderd, dat die werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht, dat het door [advocaat] gehanteerde uurtarief redelijk is en dat de in conventie gevorderde hoofdsom dus toewijsbaar is.

5.6.2.

Ten behoeve van de behandeling van de grief zal het hof de veertien facturen die aan de vordering in conventie ten grondslag liggen, nummeren van 1 tot en met 14:

  1. factuur van 15 november 2010 ten bedrage van € 238,--;

  2. factuur van 18 november 2010 ten bedrage van € 18.548,18;

  3. factuur van 31 december 2010 ten bedrage van € 1.158,71;

  4. factuur van 10 mei 2011 ten bedrage van € 267,39;

  5. factuur van 10 mei 2011 ten bedrage van € 245,12;

  6. factuur van 16 september 2011 ten bedrage van € 1.002,73;

  7. factuur van 31 december 2011 ten bedrage van € 66,85;

  8. factuur van 31 december 2011 ten bedrage van € 5.113,58;

  9. factuur van 6 juli 2012 ten bedrage van € 111,42;

  10. factuur van 13 september 2012 ten bedrage van € 958,16;

  11. factuur van 31 december 2012 ten bedrage van € 381,06;

  12. factuur van 31 december 2012 ten bedrage van € 3.672,36;

  13. factuur van 21 mei 2013 ten bedrage van € 271,90;

  14. factuur van 8 juli 2013 ten bedrage van € 611,75.

Van deze facturen staat op factuur 1 het dossiernummer [dossiernummer 3] en de dossiernaam “ [appellant] ; advies”.

Op de facturen 2, 3, 5, 7, 11 en 13 staat het dossiernummer [dossiernummer 1] en de dossiernaam “ [appellant] / Pensioenfonds Vervoer”.

Op de facturen 4, 6, 8, 9, 10, 12 en 14 staat het dossiernummer [dossiernummer 2] . Dit dossier had aanvankelijk de dossiernaam “ [appellant] ; mediation”. Omstreeks augustus 2012 heeft [de maatschap] de dossiernaam gewijzigd in “ [appellant] / Textainer”. De versies van de facturen 4, 6, 8, 9, 10, 12 en 14 die als productie bij de inleidende dagvaarding zijn overgelegd, dragen allemaal deze naam, omdat die ter voeging bij de dagvaarding zijn uitgedraaid nadat de naam van het dossier gewijzigd was.

Zoals hiervoor in rov. 5.2.11 vastgesteld, heeft [appellant] in mindering op factuur 2 € 7.967,50 voldaan en in mindering op factuur 9 € 74,42.

Dossier [dossiernummer 3] , “ [appellant] ; advies”: factuur 1

5.7.

Factuur 1 heeft betrekking op belaste verschotten. Uit de bijlage bij de factuur blijkt dat het op de factuur genoemde bedrag (€ 200,-- exclusief btw, € 238,-- inclusief btw) betrekking heeft op een nota van Axyla B.V. van 24 november 2009. [appellant] heeft in de conclusie van antwoord in conventie sub 10 gesteld dat hij niet weet waar deze declaratie betrekking op heeft. [de maatschap] heeft daarna bij conclusie van antwoord in reconventie sub 5.8 uiteengezet dat deze kosten betrekking hebben op een onderzoek naar de statutaire vestiging van de Textainer-vennootschappen in het buitenland, samenhangend met de procedure [appellant] / Textainer. [de maatschap] heeft voorts onder verwijzing naar de als prod. 35 bij de conclusie van antwoord in reconventie overgelegde e-mail van [de maatschap] aan [appellant] van 18 juli 2008 uiteengezet dat deze verschotten niet onder de in die e-mail genoemde “fixed fee” vallen. [appellant] heeft dat vervolgens niet betwist, ook niet in de toelichting op grief 2. De toelichting die [appellant] op grief 2 heeft gegeven, heeft met name betrekking op de facturen met betrekking tot het dossier met nummer [dossiernummer 1] en de dossiernaam “ [appellant] / Pensioenfonds Vervoer (randnummer 11 memorie van grieven) en de facturen met betrekking tot het dossier met nummer [dossiernummer 2] en de dossiernaam “ [appellant] / Textainer” (randnummer 12 memorie van grieven). Voor zover in de memorie van grieven sub 10 de stelling zou moeten worden gelezen dat [de maatschap] geen opdracht had om de kosten voor het onderzoek naar de statutaire vestiging van de Textainer-vennootschappen in het buitenland te maken, verwerpt het hof dat standpunt. Dit verweer is niet te verenigen met de door [appellant] zelf betrokken stelling dat [de maatschap] de moedervennootschap van Textainer aansprakelijk had moeten stellen (blz. 13, onderaan memorie van grieven). Het hof concludeert dat de rechtbank factuur 1 terecht toewijsbaar heeft geacht.

Dossier [dossiernummer 1] , “ [appellant] / Pensioenfonds Vervoer: facturen 2, 3, 5, 7, 11 en 13

5.8.1.

De facturen 2, 3, 5, 7, 11 en 13 met dossiernummer [dossiernummer 1] ter zake het dossier “ [appellant] / Pensioenfonds Vervoer” belopen tezamen € 20.671,82, terwijl [appellant] in mindering daarop € 7.967,50 heeft voldaan zodat ter zake van deze facturen ten tijde van het beroepen vonnis nog een bedrag van € 12.704,32 openstond. De facturen zijn voorzien van urenspecificaties. Daaruit blijkt dat de facturen betrekking hebben op werkzaamheden die (volgens de specificaties) zijn verricht in de periode van 4 februari 2010 tot en met 5 maart 2013 en dat het overgrote deel van de gefactureerde werkzaamheden (volgens de specificaties) is uitgevoerd in het jaar 2010.

5.8.2.

[appellant] heeft in de toelichting op grief 2 aangevoerd dat hij voor het leeuwendeel van de gefactureerde werkzaamheden geen opdracht heeft gegeven. Het hof stelt dienaangaande voorop dat tijdens de comparitie van partijen die op 19 oktober 2009 heeft plaatsgevonden in de procedure van [appellant] tegen Textainer, is gebleken dat [appellant] mogelijk aanspraak zou kunnen maken op een uitkering uit hoofde van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, die PrimeSource in 1999 zou hebben afgesloten voor [appellant] bij het Pensioenfonds. Volgens [appellant] heeft hij toen aan [de maatschap] de opdracht gegeven voor de uitvoering van een beperkte fact-finding-mission, welke op 4 februari 2010 is uitgevoerd. Van een opdracht om ook verdergaande werkzaamheden met betrekking tot het Pensioenfonds te verrichten is volgens [appellant] geen sprake geweest, omdat de fact-finding-mission niets opleverde. [de maatschap] heeft dit betoog van [appellant] gemotiveerd betwist, en daartoe (al tijdens de procedure bij de rechtbank) verwezen naar verschillende producties. Het hof constateert dat het verweer van [appellant] , dat hij uitsluitend een opdracht heeft gegeven voor een beperkte fact-finding-mission die op 4 februari 2010 heeft plaatsgevonden, niet te verenigen is met de briefwisselingen en e-mailwisselingen die destijds hebben plaatsgevonden. Het hof noemt in dit verband als voorbeeld de uitgebreide brief van [de maatschap] aan het Pensioenfonds van 23 maart 2010 (dus van ruim anderhalve maand ná de door [appellant] bedoelde “fact-finding-mission”) waarin het Pensioenfonds aansprakelijk is gesteld en waarin aan het Pensioenfonds is verzocht een gemotiveerde dekkingsbeslissing te nemen (prod. 39 bij conclusie van antwoord in reconventie). Onder meer uit de als onderdeel van prod. 38 overgelegde e-mail van 2 maart 2010 van [appellant] aan [de maatschap] blijkt dat [appellant] een concept van deze brief heeft beoordeeld en daarbij nog een wijziging heeft voorgesteld. Eenzelfde actieve betrokkenheid van [appellant] bij correspondentie van [de maatschap] met het Pensioenfonds blijkt ook uit andere producties. Bij deze stand van zaken kan [appellant] in redelijkheid niet volhouden dat hij geen opdracht heeft gegeven voor de betreffende werkzaamheden. [de maatschap] heeft er in de gegeven omstandigheden in elk geval in redelijkheid op mogen vertrouwen dat zij die opdracht wel van [appellant] gekregen had.

5.8.3.

[appellant] heeft in de toelichting op grief 2 verder aangevoerd dat hij aan het geven van een opdracht aan [de maatschap] om na de fact-finding-mission van 4 februari 2010 nog verdere werkzaamheden met betrekking tot het Pensioenfonds te verrichten, de uitdrukkelijke voorwaarde had verbonden dat de kosten van die werkzaamheden zouden worden vergoed door zijn rechtsbijstandsverzekeraar of door Textainer. Dat [appellant] die voorwaarde heeft gesteld, en wel in dier voege dat hij de werkzaamheden van [de maatschap] niet zelf zou betalen, zodat [de maatschap] geen honorarium zou ontvangen als Textainer of de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] die kosten niet zouden willen dragen, kan in de door [appellant] genoemde e‑mails echter niet gelezen worden. Uit de brieven is op dit punt slechts af te leiden dat [appellant] wenste dat de kosten van de werkzaamheden zo mogelijk verhaald zouden worden op zijn rechtsbijstandsverzekeraar of op Textainer. [de maatschap] heeft daaruit geenszins hoeven te begrijpen dat [appellant] zich niet tot betaling voor de werkzaamheden van [de maatschap] met betrekking tot het Pensioenfonds gehouden wilde achten, indien de rechtsbijstandsverzekeraar of Textainer die kosten niet wilden vergoeden.

5.8.4.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij aan een opdracht voor werkzaamheden in het pensioendossier de in rov. 5.8.3 genoemde voorwaarde heeft verbonden, heeft [appellant] in de eerste alinea van blz. 5 van de memorie van grieven verwezen naar correspondentie uit de periode van 2004 tot 2009. Die correspondentie ondersteunt de stelling van [appellant] echter niet, reeds omdat het Pensioenfonds pas tijdens de comparitie van partijen van 19 oktober 2009 in beeld is gekomen. In de correspondentie van vóór die datum zijn werkzaamheden met betrekking tot het Pensioenfonds in het geheel niet ter sprake gekomen.

5.8.5.

Aan het slot van paragraaf 11 van de memorie van grieven, welke paragraaf betrekking heeft op de werkzaamheden met betrekking tot het Pensioenfonds, heeft [appellant] nog gesteld dat hij “in de tang zat” vanwege “de door hem onder druk ondertekende opdrachtbevestiging van 27 mei 2004”. Volgens hem zou hij, als hij die opdracht zou intrekken, een hogere vergoeding (de basisfee plus 50% van de succesfee zonder maximumbedrag) verschuldigd zijn dan bij het niet intrekken van de opdracht (de basisfee plus weliswaar 100% van de succesfee als de rechtsbijstand tot resultaat zou hebben gehad, maar dan tot een gemaximeerd bedrag). Volgens [appellant] kon hij daardoor de opdracht niet beëindigen. Dit betoog van [appellant] kan niet leiden tot het geheel of ten dele afwijzen van de vordering van [de maatschap] met betrekking tot de facturen ter zake het Pensioendossier, reeds omdat de opdrachtbevestiging van 27 mei 2004 geen betrekking had op het (pas eind 2009/begin 2010 gerezen) geschil met het Pensioenfonds, maar op het geschil met Primesource en Textainer.

5.8.6.

Volledigheidshalve constateert het hof dat [appellant] in de toelichting op grief 2 niet, althans niet gemotiveerd, heeft betwist dat [de maatschap] de ter zake het pensioendossier in rekening gebrachte werkzaamheden heeft verricht en dat daarmee de in de urenspecificaties vermelde tijd gemoeid is geweest. De enkele stelling aan het slot van paragraaf 13 van de memorie van grieven dat de declaraties niet afdoende gespecificeerd en onderbouwd zijn en dat [de maatschap] excessief heeft gedeclareerd, kan niet als een voldoende gemotiveerde betwisting worden aangemerkt. Naar het oordeel van het hof zijn de bij de facturen gevoegde specificaties, waarin de bestede tijd naar datum is gespecificeerd met vermelding van een omschrijving van de verrichte werkzaamheden en de naam van de medewerker die de werkzaamheden heeft verricht, voldoende gedetailleerd.

5.8.7.

Ter zake de werkzaamheden die met betrekking tot het pensioendossier in rekening zijn gebracht, resteert nu nog het door [appellant] in de toelichting op grief 2 gevoerde verweer dat [de maatschap] ten onrechte een uurtarief van € 175,-- heeft gehanteerd. Volgens [appellant] is over dat tarief geen overeenstemming met hem bereikt en ligt het meer in de reden aan te haken bij de tarieven die genoemd zijn in de opdrachtbevestiging van 27 mei 2004.

Het hof verwerpt dat verweer omdat de opdrachtbevestiging van 27 mei 2004 betrekking heeft op het geschil met Primesource en Textainer en niet op het pas zes jaar later gerezen geschil met het Pensioenfonds. [de maatschap] heeft in haar aan [appellant] verzonden opdrachtbevestigingen van 2 september 2010 en 18 november 2010 een voor alle advocaten die aan het dossier werken te hanteren “flat rate” van € 175,-- per uur opgenomen. [appellant] heeft niet betwist dat dit tarief aanzienlijk lager is dan het in 2010 gebruikelijke tarief van [de maatschap] . [appellant] heeft evenmin betwist dat hij na ontvangst van deze opdrachtbevestigingen geen bezwaar heeft gemaakt tegen dit tarief en dat hij bovendien facturen heeft voldaan waarin dit uurtarief was gehanteerd. Bij deze stand van zaken mocht [de maatschap] er in redelijkheid op vertrouwen dat [appellant] met het hanteren van dit tarief voor de werkzaamheden in het Pensioendossier instemde, zodat zij voor haar verdere werkzaamheden in dat dossier ook dit tarief mocht hanteren.

5.8.8.

Daar komt – ten overvloede – bij dat toepassing van de tarieven die genoemd zijn in de opdrachtbevestiging van 27 mei 2004 niet tot een lager verschuldigd totaalbedrag leidt. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen hierna met betrekking tot het Textainerdossier over de tarieven wordt overwogen.

5.8.8.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat de vordering van [de maatschap] ter zake de facturen 2, 3, 5, 7, 11 en 13 met dossiernummer [dossiernummer 1] ter zake het dossier “ [appellant] / Pensioenfonds Vervoer”, welke vordering overeenkomstig rov. 5.8.1 van dit arrest € 12.704,32 beloopt, toewijsbaar is. [appellant] heeft in hoger beroep zijn verweer tegen dit onderdeel van de vordering onvoldoende onderbouwd. In zoverre verwerpt het hof grief 2.

Dossier [dossiernummer 2] , “ [appellant] ; mediation” dan wel “ [appellant] / Textainer”: facturen 4, 6, 8, 9, 10, 12 en 14

5.9.1.

De facturen 4, 6, 8, 9, 10, 12 en 14 met dossiernummer [dossiernummer 2] ter zake het dossier dat aanvankelijk genaamd was “ [appellant] ; mediation” en dat omstreeks augustus 2012 hernoemd is tot “ [appellant] / Textainer”, belopen tezamen € 11.737,39. In mindering daarop heeft [appellant] € 74,42 betaald zodat er ter zake van deze facturen ten tijde van het beroepen vonnis nog een bedrag van € 11.662,97 open stond.

Ook deze facturen zijn voorzien van urenspecificaties. Daaruit blijkt dat de facturen betrekking hebben op werkzaamheden die (volgens de specificaties) zijn verricht in de periode van 17 januari 2011 tot en met 19 juni 2013.

5.9.2.

[appellant] heeft met betrekking tot deze facturen in de toelichting op grief 2 (paragraaf 12 memorie van grieven) allereerst aangevoerd dat nooit mediationgesprekken hebben plaatsgevonden zodat hij daarvoor ook geen kosten verschuldigd is. Dit verweer gaat niet op. Tussen partijen is niet in geschil dat geen mediationgesprekken hebben plaatsgevonden. Dergelijke gesprekken zijn ook niet in rekening gebracht door middel van de facturen.

5.9.3.

[appellant] heeft in paragraaf 12 van de memorie van grieven voorts aangevoerd dat de werkzaamheden die [de maatschap] onder dit dossier met nummer [dossiernummer 2] heeft genoteerd, betrekking hebben op het geschil met Textainer en dus thuishoren bij het Textainerdossier dat in 2004 is geopend met als dossiernummer [dossiernummer 3] en als dossiernaam “ [appellant] ; advies”. Volgens [appellant] vallen de werkzaamheden daarom onder de voorwaarden van de op 27 mei 2004 door hem ondertekende opdrachtbevestiging, en meer in het bijzonder onder de in die opdrachtbevestiging neergelegde tariefafspraken. Volgens [appellant] mag [de maatschap] daarom voor de werkzaamheden niet het door haar gehanteerde uurtarief van € 175,-- rekenen, maar slechts het uurtarief dat genoemd is in de opdrachtbevestiging van 27 mei 2004.

5.9.4.

Dit verweer kan [appellant] reeds niet baten omdat zonder nadere toelichting, die door [appellant] niet is gegeven, niet kan worden gezegd dat toepassing van de tariefvoorwaarden uit de opdrachtbevestiging van 27 mei 2004 op de werkzaamheden die bij de facturen 4, 6, 8, 9, 10, 12 en 14 in rekening zijn gebracht, zou leiden tot een lager verschuldigd bedrag dan nu door [de maatschap] gevorderd. De opdrachtbevestiging van 27 mei 2004 gaat immers uit van een verschuldigd basistarief dat bij een succesvolle afhandeling van het geschil met Textainer vermeerderd wordt met een succesfee tot een maximumbedrag dat afhangt van het bereikte resultaat, terwijl bij een voortijdig intrekken van de opdracht (naast basistarief) slechts 50% van de succesfee verschuldigd zal zijn, zonder maximering van het dan in totaal verschuldigde bedrag (blz. 3, eerste alinea van de opdrachtbevestiging). In het onderhavige geval heeft [appellant] de opdracht uiteindelijk op 19 juni 2013 voortijdig ingetrokken, terwijl het geschil met Textainer nog niet beëindigd was ( [appellant] heeft met behulp van een andere advocaat dat geschil voortgezet). Uit de eigen stellingen van [appellant] , zoals hiervoor in rov. 5.8.5 weergegeven, volgt dat een dergelijke intrekking van de opdracht terwijl het geschil met Textainer nog loopt (waardoor [de maatschap] het “succes” niet meer kan realiseren en de volledige basisfee dus niet meer ontvangt), tot gevolg heeft dat [appellant] (naast de basisfee) 50% van de succesfee verschuldigd is zonder maximering van het in totaal verschuldigde bedrag.

Toepassing van de voorwaarden van de opdrachtbevestiging van 27 mei 2004 voert er bij deze stand van zaken toe dat [appellant] (ook volgens zijn eigen stellingen) voor de door advocaten van [de maatschap] gewerkte uren een vergoeding verschuldigd zou zijn die volgens het onderstaande staatje zou moeten worden berekend.

werk verricht door: basistarief: 50% van succesfee: totaal:

 Partners € 150,-- € 100,-- € 250,--

 Senior medewerkers € 100,-- € 75,-- € 175,--

 Junior medewerkers € 50,-- € 50,-- € 100,--

Aangezien het merendeel van de werkzaamheden door [advocaat] (partner en mede-naamgever van [de maatschap] ) is verricht ( [appellant] heeft niet gesteld dat [advocaat] slechts medewerker was) en daarvoor volgens de opdrachtbevestiging uit 2004 maar liefst € 250,-- per uur (in plaats van de volgens [de maatschap] in 2010 overeengekomen € 175,-- per uur) mag worden gerekend, voert het verweer van [appellant] dat de afspraken uit 2004 hadden moeten worden toegepast niet tot de conclusie dat [de maatschap] een te hoog totaalbedrag in rekening heeft gebracht. [appellant] heeft met betrekking tot zijn verweer dat toepassing van de voorwaarden uit de opdrachtbevestiging van 27 mei 2004 tot een lager verschuldigd bedrag zou leiden, dus niet aan zijn stelplicht voldaan.

5.9.5.

Het hof is voorts van oordeel dat [appellant] in de toelichting op grief 2 niet, althans niet gemotiveerd, heeft betwist dat [de maatschap] de door middel van de facturen 4, 6, 8, 9, 10, 12 en 14 in rekening gebrachte werkzaamheden daadwerkelijk heeft verricht en dat daarmee de in de urenspecificaties vermelde tijd gemoeid is geweest. De enkele stelling aan het slot van paragraaf 13 van de memorie van grieven dat de declaraties niet afdoende gespecificeerd en onderbouwd zijn en dat [de maatschap] excessief heeft gedeclareerd, kan niet als een voldoende gemotiveerde betwisting worden aangemerkt. Naar het oordeel van het hof zijn de bij de facturen gevoegde specificaties, waarin de bestede tijd naar datum is gespecificeerd met vermelding van een omschrijving van de verrichte werkzaamheden en de naam van de medewerker die de werkzaamheden heeft verricht, voldoende gedetailleerd.

5.9.6.

Het hof concludeert op grond van het bovenstaande dat de vordering van [de maatschap] met betrekking tot de facturen 4, 6, 8, 9, 10, 12 en 14 terecht is toegewezen. [appellant] heeft in hoger beroep (in de toelichting op grief 2) zijn verweer tegen dit onderdeel van de vordering onvoldoende onderbouwd. Ook in zoverre verwerpt het hof grief 2.

Met betrekking tot grief 3: wettelijke rente over de vordering in conventie

5.10.

In de toelichting op grief 3 heeft [appellant] uitsluitend aangevoerd dat als de in conventie gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, ook de grondslag voor een veroordeling tot betaling van wettelijke rente komt te vervallen. Het hof heeft naar aanleiding van grief 2 echter geoordeeld dat de in conventie gevorderde hoofdsom terecht is toegewezen. Daarom blijft ook de veroordeling tot betaling van wettelijke rente over het verschuldigde bedrag in stand.

Met betrekking tot grief 5: rekenfout bij begroting hoofdsom?

5.11.1.

Door middel van grief 5 voert [appellant] aan dat de door de rechtbank in conventie toegewezen hoofdsom van € 24.605,29 niet in overeenstemming te brengen is met het totaalbedrag van de tien facturen die de rechtbank in rov. 3.2.11 van het vonnis heeft opgesomd, indien rekening wordt gehouden met de door [appellant] betaalde bedragen van

€ 7.967,50 en € 74,42.

5.11.2.

Het hof verwerpt deze grief. Zoals het hof hiervoor in rov. 5.2.11 heeft uiteengezet, zijn in rov. 3.2.11 van het vonnis door een kennelijke verschrijving de vier facturen uit 2012 onvermeld gebleven. Het was voor [appellant] echter op grond van de inleidende dagvaarding duidelijk dat ook deze facturen aan de vordering ten grondslag zijn gelegd. [appellant] heeft ook deze facturen uit 2012 besproken in zijn verweer in de conclusie van antwoord in conventie sub 10. Uit de rest van het vonnis blijkt onmiskenbaar dat ook de facturen uit 2012 zijn opgenomen in de toegewezen hoofdsom. Dat blijkt onder meer uit de wijze waarop bij de in conventie uitgesproken veroordeling wettelijke rente is toegekend over elk van de factuurbedragen. Er is bij de begroting van de toewijsbare hoofdsom dus geen sprake van de door [appellant] in de toelichting op grief 5 gestelde rekenfout. Het hof verwerpt daarom grief 5.

Met betrekking tot grief 6: de afwijzing van de vordering in reconventie

5.12.1.

Grief 6 is gericht tegen de afwijzing van de vordering van [appellant] in reconventie, strekkende tot veroordeling van [de maatschap] tot betaling van:

 A € 15.052,89 vermeerderd met wettelijke rente;

 B € 11.887,55 vermeerderd met wettelijke rente;

 C € 50.000,-- vermeerderd met wettelijke rente;

met veroordeling van [de maatschap] in de proceskosten.

5.12.2.

Aan vordering A heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat hij de betreffende betalingen tot een totaalbedrag van € 15.052,89, die hij inzake het dossier met betrekking tot het Pensioenfonds aan [de maatschap] heeft verricht, onverschuldigd heeft betaald omdat hij voor het verrichten van die werkzaamheden geen opdracht heeft gegeven.

5.12.3.

Omdat [appellant] zich in reconventie beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat hij het bedrag van € 15.052,89 zonder rechtsgrond heeft betaald, rust op hem de stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de betaling zonder rechtsgrond heeft plaatsgevonden. [appellant] heeft, tegenover het gemotiveerde verweer van [de maatschap] dat de betaling wel verschuldigd was, zijn andersluidende stelling onvoldoende onderbouwd. Het hof verwerpt het standpunt van [appellant] dat de betalingen onverschuldigd waren, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 5.8.2 tot en met 5.8.5 is overwogen. Het hof is dus evenals de rechtbank van oordeel dat vordering A niet toewijsbaar is.

5.12.4.

Aan vordering B heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat hij de betalingen die hij tot het bedrag van € 11.887,55 heeft gedaan inzake dossier [dossiernummer 2] (“ [appellant] ; mediation” dan wel “ [appellant] / Textainer”), onverschuldigd heeft verricht.

5.12.5.

Ook met betrekking tot deze vordering geldt dat op [appellant] de stelplicht en de bewijslast rust van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de betaling zonder rechtsgrond heeft plaatsgevonden. [appellant] heeft, tegenover het gemotiveerde verweer van [de maatschap] dat de betaling wel verschuldigd was, zijn andersluidende stelling onvoldoende onderbouwd. Het hof verwerpt het standpunt van [appellant] dat de betalingen inzake dossier [dossiernummer 2] onverschuldigd waren, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 5.9.2 tot en met 5.9.6 is overwogen. Hetgeen daar is overwogen met betrekking tot de facturen 4, 6, 8, 9, 10, 12 en 14, is onverkort van toepassing op de facturen in mindering waarop [appellant] het bedrag van € 11.887,55 heeft betaald. Het hof is dus evenals de rechtbank van oordeel dat vordering B niet toewijsbaar is.

5.12.6.

Aan vordering C heeft [appellant] een aantal stellingen ten grondslag gelegd. Dat betreft allereerst de stelling dat [advocaat] tekortgeschoten is bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. Het hof verwerpt dat standpunt omdat het onvoldoende is onderbouwd. Ook het door [appellant] aan [advocaat] gemaakte verwijt dat hij de moedermaatschappij van Textainer niet aansprakelijk heeft gesteld, is onvoldoende onderbouwd. [appellant] heeft niet toegelicht waarom een dergelijke aansprakelijkstelling geïndiceerd zou zijn en kans van slagen zou hebben. Bovendien volgt uit de enkele stelling van [appellant] dat [advocaat] tekortgeschoten is, niet dat [de maatschap] aan [appellant] een schadevergoeding van € 50.000,-- zou moeten betalen. Evenmin brengt dat mee dat van alle betalingen die [appellant] in de loop der jaren aan [de maatschap] heeft gedaan, een deel van € 50.000,-- als onverschuldigd betaald kan worden bestempeld.

5.12.7.

Aan vordering C heeft [appellant] voorts ten grondslag gelegd dat [advocaat] excessief gedeclareerd heeft en veel te veel tijd geschreven heeft. Het hof verwerpt dat standpunt omdat [appellant] het standpunt in de toelichting op grief 6 onvoldoende onderbouwd heeft. Een voldoende onderbouwing is ook niet op voldoende duidelijke en inzichtelijke wijze naar voren gebracht in de door [appellant] in de toelichting op grief 6 genoemde productie 10 bij de conclusie van eis in reconventie.

5.12.8.

Aan vordering C heeft [appellant] in de toelichting op grief 6 voorts ten grondslag gelegd dat [advocaat] misbruik van omstandigheden heeft gemaakt door [appellant] onder druk de opdrachtbevestiging van 27 mei 2004 te laten ondertekenen. Deze stelling kan [appellant] reeds niet baten omdat [appellant] aan die stelling niet een vordering tot vernietiging van de overeenkomst van opdracht heeft gekoppeld. Een dergelijke vordering zou overigens niet toewijsbaar zijn geweest, omdat [appellant] het gestelde misbruik van omstandigheden onvoldoende heeft onderbouwd en uit het uitgebreide dossier blijkt dat het volledig de instemming van [appellant] had dat [advocaat] in de jaren vanaf 2004 op basis van de opdrachtbevestiging rechtsbijstand aan hem heeft verleend.

5.12.9.

Het bovenstaande voert tot de slotsom dat de vorderingen in reconventie sub A, B en C niet toewijsbaar zijn. Het hof verwerpt daarom grief 6.

Met betrekking tot grief 4: de proceskostenveroordeling in conventie en in reconventie.

5.13.1.

Grief 4 is gericht tegen de veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie en in reconventie.

5.13.2.

Het hof heeft in het bovenstaande geoordeeld dat de vordering van [de maatschap] in conventie terecht is toegewezen en dat de vorderingen van [appellant] in reconventie terecht zijn afgewezen. Daarom acht het hof het juist dat [appellant] in de kosten van de gedingen in conventie en in reconventie is veroordeeld. Het hof verwerpt daarom grief 4.

Conclusie en verdere afwikkeling

5.14.1.

Omdat geen van de grieven doel heeft getroffen, zal het hof het bestreden vonnis van 25 maart 2015 bekrachtigen.

5.14.2.

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad zoals door [de maatschap] gevorderd.

6 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/286673 en rolnummer HA ZA 14-615 tussen partijen gewezen vonnis van 25 maart 2015;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [de maatschap] op € 1.937,-- aan griffierecht en op € 2.632,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken proceskostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en Th.C.M. Hendriks-Jansen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 juni 2017.

griffier rolraadsheer