Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2852

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
15/01234, 15/01235, 15/01236 en 15/01237
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6494, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen IB/PVV en Zorgverzekeringswet (ZvW) opgelegd over de jaren 2008 en 2009 in verband met werkzaamheden in de hennepteelt. Voor 2008 heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan met als gevolg omkering en verzwaring van de bewijslast. Het Hof heeft vervolgens getoetst of de Inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV/ZvW 2008 al dan niet willekeurig heeft vastgesteld en komt tot de conclusie dat deze navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 te hoog zijn vastgesteld. Met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV/ZvW 2009 komt het Hof, anders dan de rechtbank, tot het oordeel dat omkering van de bewijslast niet mogelijk is omdat belanghebbende, zonder dat hij tot het doen van de aangiften IB/PVV/Zvw was uitgenodigd, de aangiften heeft ingediend. Op grond van de normale bewijsregels heeft de inspecteur, aldus het Hof, slechts een deel van de aangebrachte correcties aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1952
V-N 2017/49.21.7
Viditax (FutD), 16-08-2017
FutD 2017-2058
NTFR 2017/2092
NLF 2017/2054 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 15/01234, 15/01235, 15/01236 en 15/01237

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende]

wonende te [plaats 1] ,

hierna: belanghebbende, en

het incidenteel hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 september 2015, nummers AWB 14/5386, 14/5644, 14/5645 en 14/5646 in het geding tussen

belanghebbende en de Inspecteur,

met betrekking tot de hierna vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn over het jaar 2008 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Aan belanghebbende zijn tevens over het jaar 2009 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en Zvw opgelegd. Ook is daarbij heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.994 en heeft hij de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd. De navorderingsaanslagen ZvW 2008 en IB/PVV/ZvW 2009 en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente heeft de Inspecteur gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 en 2009 betreft en heeft de uitspraken op bezwaar die op deze navorderingsaanslagen zien, vernietigd. De navorderingsaanslag IB/PVV 2008 heeft zij voorts verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.494 en de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.801. Voor het overige is het beroep ongegrond verklaard en is de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 734 en is gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.

1.5.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van

€ 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft omtrent het incidenteel hoger beroep zijn zienswijze ingebracht.

1.7.

De zitting heeft plaatsgehad op 24 maart 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Belanghebbende heeft daar een afschrift van een proces-verbaal van getuigenverhoor van [A] , gedateerd 8 maart 2017, overgelegd. De Inspecteur had hiertegen geen bezwaar.

1.8.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn advocaat [B] , alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [C] , mevrouw [D] en de heer [E] .

1.9.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Op 28 februari 2009 is belanghebbende uitgenodigd om aangifte IB/PVV/ZvW voor het jaar 2008 te doen. Deze aangifte is door belanghebbende, na herinnering en aanmaning, niet ingediend. Met dagtekening 29 juni 2011 is de aanslag IB/PVV 2008 ambtshalve vastgesteld en berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.807 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.86). Ook is een verzuimboete van € 226 opgelegd. Tegen deze aanslag is geen bezwaar gemaakt.

2.2.

Voor het jaar 2009 is geen uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV/ZvW uitgereikt. Op 27 maart 2013 heeft belanghebbende desondanks een aangifte IB/PVV/ZvW 2009 ingediend. Met betrekking tot de IB/PVV is deze aangifte berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.889. Met dagtekening 10 mei 2013 is de definitieve aanslag IB/PVV 2009 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.96) overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld.

2.3.

Op 3 mei 2012 is een groot strafrechtelijk onderzoek gestart naar onder andere hennepteelt. Op 21 november 2012 is door de Inspecteur aan de Officier van Justitie een verzoek om verstrekking gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek (artikel 55 Algemene Wet Rijksbelastingen (hierna: AWR)) gericht. Deze heeft dit verzoek gehonoreerd. Bij het onderzoek bleek ook betrokkenheid van belanghebbende. In dat onderzoek is door [A] (hierna: [A] ) onder meer verklaard dat belanghebbende vanaf de beginfase als elektricien betrokken is geweest bij het bouwen van hennephokken. In het proces-verbaal van verdenking (artikel 27 Sv) van 9 juli 2012 is op bladzijde 3 met betrekking tot [A] het volgende vermeld:

“Door de verdachte [A] werden in de maanden mei en juni verklaringen afgelegd welke tevens belastend waren voor verdachte [A] zelf.

Verdachte [A] verklaarde over zijn eigen betrokkenheid bij meerdere hennepkwekerijen over de periode 2003 tot heden in de rol van bedrijfsleider, opbouwer en knipper van een criminele organisatie. Tevens verklaarde hij over het op grote schaal witwassen van de opbrengsten vanuit die hennepkwekerijen. Voorts bleek uit zijn verklaringen dat er ook sprake was van rips, geweld en het gebruik van vuurwapens.”

2.3.1.

Uit de tot het dossier behorende processen-verbaal van verhoor van [A] blijkt dat hij onder meer als volgt heeft verklaard:

Proces-verbaal van verhoor van 24 mei 2012, omstreeks 09.10 uur:

“Vanaf 2006 heeft [F] nog steeds hokken voor ons aangesloten, maar wel in mindere mate. Om en nabij 2007 ben ik zaken gaan doen met [G] . Vanaf dat moment is [belanghebbende] onze vaste elektricien geworden. Dit betreft de periode 2007-2009. In 2009 is [G] in Antwerpen door de politie gepakt en sindsdien heeft [belanghebbende] geen werkzaamheden meer voor ons verricht. (…)

De betalingen aan [belanghebbende] ging altijd op per uur. [belanghebbende] heeft ook meegewerkt aan de beveiliging van de panden. Tevens deed hij soms ook de planten water geven, planten knippen, stekken zetten. [belanghebbende] heeft leuk verdiend. [belanghebbende] werkte ongeveer 40 tot 60 uur per week. Ook hij draaide meters terug. Tevens werkte hij ook voor stekkenboeren. Ik denk dat [belanghebbende] per week wel 2000 a 3000 euro verdiend heeft. Vanaf 2009 is [belanghebbende] gaan werken voor zijn oude werkgever, [bedrijf 1] (…) Deze zaak was van een zekere [H] en [J] . Ik denk dat op het genoemd adres nog steeds hennep gerelateerde spullen kunnen worden aangetroffen.”

Proces-verbaal van verhoor van 12 juni 2012, omstreeks 08.45 uur:

Dan krijg je de kring [G] zoals die momenteel bestaat. (…) [belanghebbende] heeft tot 2010 gewerkt als elektricien.”

Proces-verbaal van verhoor van 20 juni 2012, omstreeks 09.10 uur:

Ik zal per adres zoveel mogelijk aangeven wat de details zijn en de opbouw en dergelijke. (…)

Dan gaan we naar de [adres 1] 207 te [plaats 2] . (…)

De electricien was [F] en [belanghebbende] had regelmatig de meter terug gedraaid en wat strorinkjes verholpen. (…) In het jaar 2000 werd gestart. (…) En in februari 2012 is het hok geript en daarna afgebroken. (…)

Dan is het volgende adres [adres 2] te [plaats 3] . (…) De werkers ca opbouwers waren (…) [belanghebbende] voor de elektra (…). In mijn gedachte is daar drie en een half jaar gedraaid. En dan tot 18 april 2012. (…)

Proces-verbaal van verhoor van 22 juni 2012, omstreeks 09.26 uur:

“De [adres 3] nummer 9 te [plaats 2] . In 2008, 2009 en 2010 hebben wij een aantal malen hennep verkocht op dit adres. (…)

[adres 4] te [plaats 2] . (…) Maar op dat adres kochten wij regelmatig stekken in. Dat was in de periode 2009, schuine streep 2010. (…)

De [adres 5] 28 te [plaats 4] . (…) Op dit adres in 2009 opnieuw een hennepkwekerij gebouwd.

De [adres 6] te [plaats 5] . Dat betreft een bedrijfspand waar in 2008 is gevestigd een rijschool (…). Ook [belanghebbende] en [H] hebben ook ingebouwd. (…) [belanghebbende] en [H] hebben circa 10.000,- euro verdient, samen dan.

2.3.2.

Uit de tot het dossier behorende processen-verbaal van verhoor van belanghebbende blijkt dat hij onder meer als volgt heeft verklaard:

Proces-verbaal van verhoor van 10 december 2012, omstreeks 12.45 uur:

“ [belanghebbende] : Wiethokken hè. Er zijn zat mensen die me gevraagd hebben of ik wilde helpen met het bouwen van wiethokken.

V: En dat heb je ook gedaan?

[belanghebbende] : Ja, sinds ik in [plaats 1] woon heb ik dat niet meer gedaan. Wel wat meters terugdraaien maar meer niet.

V: Als ik het goed begrijp heb je wel een s meegeholpen met het opbouwen van wiethokken?

[belanghebbende] : Ja en ik kreeg daar € 25 per uur voor. Ik pakte alles aan wat mij een beetje aanstond. Naast mijn gewone werk.(…)

V: Hoeveel hokken heb je gebouwd

[belanghebbende] : Tussen de 10 en 20. Maar niet meer dan 20.

V: In welke periode is dat geweest?

[belanghebbende] : Dat is in de periode 2006 tot 2008 zijn geweest maar dat weet ik niet meer precies.”

Proces-verbaal van verhoor van 20 december 2012, omstreeks 11.24 uur:

“Ik plaatste filters, hing lampen op, trok kabels maar dat kan iedereen. (…)

Er werd dat een locatie, dag, datum en tijd afgesproken en dan werd ik opgehaald. Dat was altijd in een geblindeerd busje. (…) Ik heb 10 á 15 hokjes gebouwd”

Proces-verbaal van verhoor van 7 februari 2013, omstreeks 10.52 uur:

“V: Welke inkomsten heb je genoten in 2008?

[belanghebbende] : Ik zat toen nog steeds bij [K] . Ik heb daar alleen maar zwart gewerkt bij [bedrijf 1] . Ik werkte daar wel onregelmatig. De ene week twee dagen de andere week 4 dagen.

V: Je hebt ook via Randstad gewerkt?

[belanghebbende] : Ja ik werkte toen bij [bedrijf 2] en haalde daar mijn vrachtwagenrijbewijs. Ik moest daar 1,5 jaar blijven werken om het rijbewijs terug te betalen. Ik werkte daar 70 uur in de week. Het verdiende wel goed. (…)

V: Je bouwt wel hokken, maar je doet de elektriciteit niet?

[belanghebbende] : Nee te veel risico, er zijn genoeg mensen er aan overleden. (…) Ik maakte de schakelborden wel, legde de draden naar de lampen. Heet het hok aanmaken. Maar het aansluiten ervan deed ik niet. Maar het panklaar maken deed ik wel.

V: Wat is dan de werkzaamheden die je niet doet?

[belanghebbende] : Dat is verschillend, soms bouwde ik het hele hok, van niets tot werkend.

2.4.

Op 27 november 2012 is de woning van belanghebbende doorzocht. Daarbij zijn onder meer geld, geïsoleerd gereedschap en materiaal voor de aanleg van elektrische installaties aangetroffen. Daarbij zijn ook blanco en gebruikte zegels, zegeldraad en zegeltangen aangetroffen.

2.5.

Op 7 januari 2012 heeft een onderzoek plaatsgevonden bij [bedrijf 3] BV. Namens deze vennootschap heeft haar directeur verklaard dat hij naar aanleiding van een hem getoonde foto belanghebbende herkent die op naam van voornoemde Growshop in de onderhavige jaren diverse inkopen heeft gedaan. De directeur heeft vervolgens verkoopgegevens uit het kassasysteem over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 ter beschikking gesteld. Deze gegevens behoren tot het dossier.

2.6.

Met dagtekening 13 mei 2013 is een rapport vaststelling materiële belastingschuld opgesteld en uitgereikt aan belanghebbende. Dit rapport heeft betrekking op de jaren 2008 tot en met 2012. Dit rapport is de grondslag geweest voor de onderhavige navorderingsaanslagen. In onderdeel 2.1 van het controlerapport is het volgende vermeld:

“De heer [belanghebbende] heeft in meerdere verhoren verklaard reeds drie jaar (dus vanaf 2010) in [plaats 1] te wonen op het hierboven genoemde adres. Bekend is dat belastingplichtige vanuit [plaats 2] heeft gewerkt. Door te verklaren dat hij reeds drie jaar in [plaats 1] verblijft wordt een (fysieke) afstand gecreëerd tussen de criminele activiteiten en de verblijfplaats van belastingplichtige. Echter, zijn partner heeft verklaard dat de heer [belanghebbende] pas in december 2011 bij haar in [plaats 1] is komen wonen. Ook de inschrijving in de Gemeente [plaats 1] heeft op 23 november 2011 plaatsgevonden, zie de status in BvR.”

De navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2008 is als volgt opgebouwd:

IB/PVV 2008

Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (aangegeven)

€ 25.806

[bedrijf 1] / stekkenleveranciers

€ 900

Hennephokken 'Knippels'

€ 65.000

Terugdraaien meters

€ 2.250

Inkoopkosten zegels, stempels e.d.

€ -180

Inkomsten inkopen [bedrijf 3]

€ 2.218

Resultaat overige werkzaamheden

€ 70.188

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 95.994

De Inspecteur is bij het onderdeel Hennephokken “Knippels” uitgegaan van werkweken van 40-60 uur en een weekinkomen van gemiddeld € 2.500. Tevens is aangenomen dat belanghebbende de helft van een bedrag van € 10.000 heeft ontvangen.

2.6.1.

De navorderingsaanslag IB/PVV 2008 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 121.800. Bij gelijktijdige beschikking heeft de Inspecteur € 6.999 heffingsrente in rekening gebracht. De navorderingsaanslag Zvw 2008 is opgelegd naar een (maximum) bijdrage-inkomen van € 31.231. Daarbij is € 41 aan heffingsrente in rekening gebracht.

2.6.2.

De navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2009 is als volgt opgebouwd:

IB/PVV 2009

Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (aangegeven)

€ 8.889

Hennephokken’'Knippels/ [A] '

€ 43.750

Terugdraaien meters

€ 2.250

Inkoopkosten zegels, stempels e.d.

€ 0

Inkomsten inkopen [bedrijf 3]

€ 7.912

Resultaat overige werkzaamheden

€ 53.912

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 62.801

De Inspecteur is bij het onderdeel Hennephokken “Knippels/ [A] ” uitgegaan van 35 werkweken van gemiddeld 50 uur en een vergoeding van € 25 per uur.

2.6.3.

De navorderingsaanslag IB/PVV 2009 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.690. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 2.658 heffingsrente in rekening gebracht. De navorderingsaanslag ZvW 2009 is opgelegd naar een (maximum) bijdrage-inkomen van € 32.369. Daarbij is € 114 aan heffingsrente in rekening gebracht.

2.7.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen en de bij beschikkingen in rekening gebrachte heffingsrente. Op 24 april 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende, zijn gemachtigde en de Inspecteur. Belanghebbende heeft desgevraagd verklaard dat hij in 2008 en gedeeltelijk in 2009 vrachtwagenchauffeur is geweest en dat hij met die werkzaamheden in 2009 is gestopt. Ook heeft hij verklaard dat hij gevraagd is om werkzaamheden te verrichten, zoals de bouw van hennephokken en elektriciteitsmeters heeft teruggedraaid. Voor deze werkzaamheden heeft hij geld ontvangen.

2.8.

Omdat geen reactie is gekomen op de vraag of een (nader) hoorgesprek gewenst was heeft de Inspecteur op 23 juli 2014 de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan waarbij de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 is verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.994 omdat het genoten loon van € 25.806 twee maal is belast. De heffingsrente die bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 in rekening is gebracht is daarbij dienovereenkomstig verminderd. De overige navorderingsaanslagen en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente zijn gehandhaafd. Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank.

2.9.

De Rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 (verder) dient te worden verminderd naar een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.494 omdat het bij de navorderingsaanslag vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning niet op een redelijke schatting van de Inspecteur berust. De navorderingsaanslag IB/PVV 2009 heeft de Rechtbank verminderd naar € 62.801 omdat het genoten loon van € 8.889 ten onrechte twee maal is belast.

2.10.

In hoger beroep heeft belanghebbende een door hem met de hand geschreven berekening overgelegd. Deze luidt als volgt:

“Ik heb tussen 2008-2011

22 hokken

18 x 1 dag

4 x 2 dagen

Ik heb tussen 2010-2011

23 meters teruggedraaid

18 hokken x 1 dag x 8 uur = 144 uur

4 hokken x 2 dagen x 8 uur = 64 uur

Totaal uren 208 uur

x 25 euro

€ 5200,=

23 meters terugdraaien a € 150,= p/st

23 x

€ 150,=

€ 3450,=”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de onderwerpelijke navorderingsaanslag IB/PVV 2008, na vermindering bij uitspraak op bezwaar, en de navorderingsaanslag IB/PVV 2009, na vermindering door de Rechtbank, en de navorderingsaanslagen ZvW 2008 en 2009 tot de juist bedragen zijn vastgesteld. Tevens is in geschil of de heffingsrente daarbij tot de juiste bedragen in rekening is gebracht.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze (verminderde) navorderingsaanslagen alsmede de heffingsrente tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. De Inspecteur is, blijkens zijn incidenteel hoger beroep, van mening dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 ten onrechte door de Rechtbank (verder) is verminderd.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken van de Inspecteur, alsmede vermindering van de in geschil zijnde navorderingsaanslagen met inachtneming van hetgeen door hem naar voren is gebracht, met veroordeling van de Inspecteur in de kosten van dit geding.

3.5.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze ziet op de (vermindering van de) navorderingsaanslag IB/PVV 2008 en tot bevestiging van zijn uitspraak op bezwaar met betrekking tot deze navorderingsaanslag en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank voor het overige.

4 Gronden

Vooraf

4.1.

Belanghebbende heeft in zijn hoger beroepschrift aangeboden al zijn stellingen nader te bewijzen, speciaal middels getuigen. Het Hof stelt vast dat belanghebbende ter zitting geen nader bewijsaanbod heeft gedaan.

4.2.

Anders dan waar de Rechtbank in de onderdelen 4.13 tot en met 4.15 van haar uitspraak is uitgegaan is ten aanzien van de onderhavige navorderingsaanslag IB/PVV 2008 geen verzuimboete van € 226 opgelegd. Deze verzuimboete is bij beschikking ten tijde van het vaststellen van de primitieve aanslag voor dit jaar 2008 opgelegd, maar is in dit geding geen onderwerp van geschil.

Ten aanzien van het geschil

Mbt de navorderingsaanslagen over 2008

4.3.

Vooropgesteld dient te worden dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende voor het jaar 2008 niet de vereiste aangifte IB/PVV/ZvW heeft gedaan. Belanghebbende stelt echter dat zulks niet kan leiden tot omkering (en verzwaring) van de bewijslast, zoals bedoeld in artikel 27e, lid 1, van de AWR. Dit artikellid, dat op grond van het bepaalde in artikel 27h, lid 2, van de AWR van overeenkomstige toepassing is in hoger beroep, luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Indien de vereiste aangifte niet is gedaan (…) verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.”

4.4.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2008 geen aangifte IB/PVV/ZvW gedaan alhoewel hij daartoe wel was uitgenodigd en zonder dat hij voor het indienen van de aangifte uitstel heeft gekregen. Dit heeft tot gevolg dat daardoor de vereiste aangifte niet is gedaan en daaruit volgt op grond van voormelde bepaling omkering en verzwaring van de bewijslast. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan omkering van de bewijslast in onderhavig geval desondanks niet zou kunnen worden toegepast.

4.5.

Dit betekent dat belanghebbende moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend dient aan te tonen, dat de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur onjuist zijn.

4.6.

De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de Inspecteur gehouden is bij het vaststellen van de navorderingsaanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door een inspecteur (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). In dat kader rust op een inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. HR 27 januari 2006, nr. 39872, ECLI:NL:HR:2006:AV0401). Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, wanneer hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

4.7.

In zijn incidenteel hoger beroep stelt de Inspecteur dat zijn schatting voor het jaar 2008 niet onredelijk is en wijst er tevens op dat bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen over dat jaar sommige door hem gecorrigeerde inkomsten te laag zijn vastgesteld.

4.8.

Belanghebbende is van mening dat, mede gelet op zijn in onderdeel 2.10 opgenomen berekening, de navorderingsaanslagen IB/PVV/ZvW 2008 - ook nadat de Rechtbank deze heeft verminderd - tot te hoge en derhalve tot onredelijke bedragen zijn vastgesteld.

4.9.

Met betrekking tot de vraag of de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslagen al dan niet naar willekeur heeft vastgesteld heeft het volgende te gelden.

4.9.1.

Op grond van belanghebbendes verklaring dat hij in 2008, de ene week twee dagen en de andere week vier dagen, “zwart” heeft gewerkt bij Growshop [bedrijf 1] heeft de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen 2008 voor die werkzaamheden € 900 in aanmerking genomen. Terecht voert de Inspecteur aan dat hij een rekenfout heeft gemaakt. Uitgaande van een gemiddeld uurtarief van € 15 en een gemiddelde werkweek van drie dagen, gedurende de periode 1 januari 2008 tot 1 juni 2008 - omdat vanaf dat moment Growshop [bedrijf 1] op last van de gemeente [plaats 2] is gesloten en belanghebbende in de tweede helft van 2008 via het uitzendbureau Randstad een chauffeursopleiding volgde - is de uitkomst van die rekensom (20 weken x 3 dagen x 8 uur x € 15=) € 7.200. Deze uitkomst acht het Hof niet willekeurig.

4.9.2.

Ten aanzien van het terugdraaien van elektriciteitsmeters heeft belanghebbende in december 2012 verklaard dat hij één keer per maand - soms twee keer per maand - gedurende drie of vier jaren deze werkzaamheden heeft verricht, terwijl hij hiervoor € 100 en € 150 ontving. In zijn in onderdeel 2.10 opgenomen berekening stelt belanghebbende dat hij slechts in de periode tussen 2010 en 2011 dergelijke elektriciteitsmeters heeft teruggedraaid. Het Hof is van oordeel dat het niet onredelijk is om aan te nemen, mede gelet op belanghebbendes tegenstrijdige verklaringen daaromtrent en de verklaring van [A] dat belanghebbende in de periode 2007-2009 de vaste elektricien is geworden, dat belanghebbende ook in 2008 elektriciteitsmeters heeft teruggedraaid en dat hij daarvoor beloond is geweest. Alhoewel de Inspecteur ten aanzien van deze werkzaamheden € 2.250 bij het opleggen van de navorderingsaanslagen in aanmerking heeft genomen acht het Hof, zoals de Inspecteur in zijn incidenteel hoger beroep ook heeft bepleit, het niet willekeurig om daarvoor (12 maanden x 1,5 klanten per maand x € 150=) € 2.700 aan belanghebbende toe te rekenen.

4.9.3.

Op 7 januari 2012 heeft een onderzoek plaatsgevonden bij [bedrijf 3] BV. Namens deze vennootschap heeft haar directeur verklaard dat hij naar aanleiding van een hem getoonde foto belanghebbende herkent die op naam van voornoemde Growshop, na de sluiting in juni 2008, in onderhavig jaar diverse inkopen heeft gedaan. Blijkens de verkoopgegevens uit het kassasysteem in 2008 bedragen deze inkopen in totaal € 1.109. Dit betroffen met name aan elektriciteit gerelateerde goederen. Gelet op het feit dat belanghebbende zelf heeft erkend voor de hennepteelt elektriciteitswerkzaamheden te hebben verricht en het Hof een vergoeding van € 2.218 niet onredelijk voor komt, heeft de Inspecteur niet willekeurig gehandeld door voor deze werkzaamheden bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen dit bedrag in aanmerking te nemen. Redelijk is wel om daarop de inkoopkosten in mindering te brengen zodat per saldo € 1.109 kan worden belast.

4.9.4.

Belanghebbende heeft ten overstaan van politie-agenten verklaard dat hij inkomsten heeft verkregen met het bouwen van hennephokken. Uit zijn in onderdeel 2.10 opgenomen berekening blijkt dat hij stelt in de periode 2008-2011 met hennephokken € 5.200 verdiend te hebben. Uit de gedetailleerde verklaring van [A] echter blijkt dat belanghebbende samen met [H] aan het hennephok aan de [adres 6] in [plaats 5] € 10.000 heeft verdiend. Door van deze verklaring uit te gaan en aan belanghebbende € 5.000 toe te rekenen heeft de Inspecteur niet willekeurig gehandeld.

4.9.5.

Aannemelijk is dat belanghebbende meer dan voornoemde € 5.000 met het opbouwen van hennephokken heeft verdiend. De door de Inspecteur voorgestane berekening acht het Hof echter onredelijk. De berekening van de Inspecteur (26 weken x € 2.500= € 65.000) is gebaseerd op de in onderdeel 2.3.1 opgenomen verklaring van [A] . Deze verklaring geeft geen inzicht met betrekking tot welk jaar belanghebbende 40-60 uur per week opbouwwerkzaamheden zou hebben verricht. Daarnaast is het weekinkomen van € 2.000 - € 3.000 blijkens zijn verklaring gebaseerd op een vermoeden. Aangezien voormelde gegevens met betrekking tot de lengte van de werkweek en het weekinkomen niet door andere bronnen worden ondersteund en niet in geschil is dat belanghebbende het tweede halfjaar 2008 ook als chauffeur – in opleiding – werkzaam was, is het Hof van oordeel dat de uitkomst van de berekening van de Inspecteur, alsmede die van de Rechtbank, willekeurig is. Met name de lengte van de werkweek, naast een volledige werkweek als chauffeur - die volgens belanghebbende 70 uren zou hebben omvat - van gemiddeld 50 uur acht het Hof onredelijk hoog. Een werkweek van 20 uur voor de opbouwwerkzaamheden naast zijn volledige baan als chauffeur acht het Hof echter wel redelijk. Met de Rechtbank acht het Hof daarnaast een uurvergoeding van € 25 redelijk. De met het opbouwen van hennephokken gemoeide vergoeding dient derhalve te worden bepaald op: 26 weken x 20 uur x € 25 = € 13.000. Omdat de Inspecteur (onderdeel 4.9.4) voor deze werkzaamheden reeds € 5.000 in aanmerking heeft genomen, is het onredelijk om voornoemd bedrag niet op de berekende € 13.000 in mindering te brengen. Per saldo is aan het opbouwen van hennephokken € 8.000 toe te rekenen.

4.9.6.

Het in aanmerking genomen bedrag van - € 180 in verband met inkoopkosten acht het Hof niet onredelijk.

4.10.

Aangezien belanghebbende niet het verzwaarde tegenbewijs heeft geleverd dat voornoemde schattingen te hoog zijn, leidt het vorengaande tot de conclusie dat belanghebbende met zijn werkzaamheden € 23.829 (€ 7.200 + € 2.700 + € 1.109 + € 5.000 + € 8.000 - € 180) heeft verkregen. De door de Inspecteur verminderde navorderingsaanslag IB/PVV 2008 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.994 dient derhalve te worden verminderd naar een bedrag van € 49.635 (€ 25.806 loon + verzwegen inkomsten in relatie tot hennepteelt ter grootte van € 23.829 dat als resultaat uit overige werkzaamheden bij belanghebbende belastbaar is). De navorderingsaanslag ZvW behoeft geen vermindering omdat deze is opgelegd naar het (lagere) maximum bijdrage-inkomen. De conclusie is dat in zoverre het hoger beroep van belanghebbende gegrond en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur ongegrond is.

Mbt navorderingsaanslagen over 2009

4.11.

Vaststaat dat belanghebbende met betrekking tot de IB/PVV/ZvW 2009 niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte. Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat omkering (en verzwaring) van de bewijslast voor 2009 wegens het niet doen van de vereiste aangifte niet mogelijk is, ook al heeft belanghebbende, zonder daartoe te zijn uitgenodigd, wel aangifte IB/PVV/ZvW 2009 gedaan. Van het niet doen van de vereiste aangifte in de hiervoor bedoelde zin kan namelijk alleen sprake zijn, indien de inspecteur de betrokkene heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte (vgl. HR 14 april 2017, nr. 16/05276, ECLI:NL:HR:2017:675, HR 25 oktober 2013, nr. 12/00287, ECLI:NL:HR:2013:971, BNB 2013/252 en HR 23 december 2003, nr. 00158/03, ECLI:NL:HR:2003:AL6161, BNB 2004/180). Aangezien ook informatiebeschikkingen ontbreken kan van omkering en verzwaring van de bewijslast met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV/ZvW 2009 op grond van het bepaalde in in artikel 27e, lid 1, van de AWR, in verbinding met artikel 27h, lid 2, van de AWR geen sprake zijn.

4.12.

Nu omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde is, dient beoordeeld te worden of de Inspecteur aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die tot de conclusie kunnen leiden dat, en in hoeverre, belanghebbende ook met betrekking tot het jaar 2009 inkomsten in verband met de hennepteelt heeft genoten die hij niet in zijn aangifte IB/PVV/ZvW 2009 heeft begrepen.

4.13.

Onder verwijzing naar hetgeen in onderdeel 4.9.2 is vermeld heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2009 met het terugdraaien van elektriciteitsmeters 12 x 1,5 klanten per maand x € 125 = € 2.250 heeft verdiend.

4.14.

Uit een onderzoek bij [bedrijf 3] BV is gebleken dat belanghebbende in 2009 bij [bedrijf 3] BV voor € 3.956 aan elektriciteit gerelateerde goederen heeft ingekocht. Onder verwijzing naar hetgeen in onderdeel 4.9.3 is vermeld heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende daarmee per saldo € 3.956 heeft verdiend.

4.15.

Ten aanzien van zijn overige werkzaamheden met betrekking tot de hennepteelt staat vast dat belanghebbende, blijkens zijn in onderdeel 2.10 opgenomen berekening, hieraan heeft verdiend. Onduidelijk is hoe hoog deze inkomsten zijn geweest. Belanghebbende heeft namelijk ter zitting van het Hof verklaard enerzijds niet in staat te zijn aan te geven welk deel van de € 5.200 in onderhavig jaar zou zijn verdiend en anderzijds dat het bedrag van € 5.200 bij benadering juist zou kunnen zijn.

4.16.

Uit de in onderdeel 2.3.1 opgenomen verklaringen van [A] is af te leiden dat op vijf adressen in 2009 hennep is gekweekt. Deze verklaringen acht het Hof, vanwege zijn gedetailleerdheid, geloofwaardig. Op basis van belanghebbendes eigen berekeningen (onderdeel 2.10) kan daarmee hoogstens 5 hokken x 2 dagen x 8 uur = 80 uur x € 25 = € 2.000 verdiend zijn. Gelet op de in onderdeel 4.15 vermelde onzuiverheid van belanghebbendes eigen berekeningen en zijn van die berekeningen afwijkende verklaringen (zie onderdeel 2.3.2.) is het Hof van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende met zijn aan de hennepteelt gerelateerde werkzaamheden in 2009 € 2.000 heeft verdiend. Dat in onderhavig jaar deze inkomsten € 43.750 zouden hebben bedragen heeft de Inspecteur, na weerspreking door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt. De door de Inspecteur daartoe gebruikte verklaringen van [A] kunnen zijn stellingen onvoldoende onderbouwen. Verwezen wordt in dit verband naar hetgeen hierover in onderdeel 4.9.5 is overwogen met betrekking tot diens verklaringen inzake de lengte van de werkweek en het weekinkomen van belanghebbende.

4.17.

Uit het vorengaande volgt dat belanghebbende in 2009 met zijn werkzaamheden in relatie tot de hennepteelt € 8.206 (€ 2.250 + € 3.956 + € 2.000) inkomsten heeft verkregen. Deze verdiensten zijn belast omdat ze zijn aan te merken als een resultaat uit overige werkzaamheden. De door de Rechtbank verminderde navorderingsaanslag IB/PVV 2009 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.801 dient derhalve (verder) te worden verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.095 (€ 8.889 loon + verzwegen inkomsten in relatie tot hennepteelt € 8.206). De navorderingsaanslag ZvW dient dienovereenkomstig naar een bijdrage inkomen van hetzelfde bedrag te worden verminderd. De conclusie is dat in zoverre het hoger beroep van belanghebbende gegrond is.

Slotsom

4.18.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond en het incidenteel hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.19.

Aangezien de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, is het Hof van oordeel dat redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het ter zake van het hoger beroep betaalde griffierecht wordt vergoed. Het Hof gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht van € 123 vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.20.

Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.21.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming in verband met kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, als volgt vast: 3 (punten wegens proceshandelingen) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.485.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur ongegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskostenvergoeding,

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, behoudens die ziet op de navorderingsaanslag ZvW 2008,

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.635,

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.095,

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag ZvW 2009 naar een bijdrage inkomen van € 17.095,

  • -

    vermindert de heffingsrentebeschikkingen dienovereenkomstig,

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 123 vergoedt en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.485.

Aldus gedaan op 23 juni 2017 door A.J. Kromhout, voorzitter, PJ.J. Vonk en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.