Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2847

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
16/03724 en 16/03725
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4819, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Niet-tijdige betaling griffierecht niet verschoonbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1946
V-N 2017/49.21.1
Viditax (FutD), 16-08-2017
FutD 2017-2075
NTFR 2017/2097
NLF 2017/1977 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03724 en 16/03725

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] S.A.,

gevestigd te [plaats 1] (Spanje),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 juli 2016, nummers BRE 14/3415 en BRE 14/3416, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Namens belanghebbende zijn bij brief van 12 januari 2011 en daarbij gevoegde aangiften vennootschapsbelasting (2007) en dividendbelasting (2008), voor de navolgende jaren de volgende verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting ingediend:

- jaar 2007 tot een bedrag van € 61.131,95 (Hofkenmerk 16/03724);

- jaar 2008 tot een bedrag van € 73.791 (Hofkenmerk 16/03725).

1.2.

De Inspecteur heeft de voormelde verzoeken bij de in één geschrift vervatte beschikkingen van 1 oktober 2013 afgewezen.

1.3.

De Inspecteur heeft de daartegen gerichte bezwaren bij uitspraken ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende éénmaal griffierecht geheven ten bedrage van € 328.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van het Hof een nota griffierecht ten bedrage van € 503 aan belanghebbende gezonden. Deze nota is buiten de daartoe gestelde betalingstermijn voldaan. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij

1.7.

De Inspecteur heeft vóór de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en belanghebbende.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 13 april 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord mevrouw [A] en mevrouw [B] , als gemachtigden van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] en [D] , mevrouw [E] en mevrouw [F] . De onderhavige zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaken met de hofkenmerken 16/03726 tot en met 16/03731.

1.9.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt het Hof de volgende feiten vast:

2.1.

Het hogerberoepschrift is ingediend door belanghebbende zelf. De nota griffierecht is op 13 december 2016 per gewone post verzonden naar het in het hogerberoepschrift vermelde postadres van belanghebbende, met de vermelding dat het verschuldigde griffierecht van € 503 uiterlijk op 10 januari 2017 dient te zijn bijgeschreven op de in de brief vermelde bankrekening.

2.2.

De herinnering tot het betalen van griffierecht is op 18 januari 2017 per aangetekende post verzonden naar het in het hogerberoepschrift vermelde postadres van belanghebbende. Daarin is vermeld dat het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van die herinnering dient te worden voldaan.

2.3.

Belanghebbende heeft op 3 maart 2017 het verschuldigde griffierecht ten bedrage van € 503 voldaan.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Meer in bijzonder is in geschil of sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden waardoor redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest met het niet tijdig betalen van het verschuldigde griffierecht.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Op grond van artikel 8:41, lid 1, van de Awb, in samenhang met het bepaalde in de artikelen 8:108, lid 1 en 8:109, lid 1, onderdeel c, van de Awb, wordt, indien door een ander dan een natuurlijk persoon hoger beroep is ingesteld, door de griffier van het Hof een griffierecht geheven van € 503 (bedrag 2016).

4.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:41, lid 4 tot en met lid 6, van de Awb, in samenhang met artikel 8:108, lid 1, van de Awb, wijst de griffier de indiener van het hogerberoepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van het Hof, dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

In artikel 8, lid 1, van de Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2014 (hierna: Procesregeling) is bepaald dat de indiener van het hogerberoepschrift binnen twee weken na ontvangst van het beroepschrift wordt uitgenodigd om het verschuldigde griffierecht te voldoen. Ingevolge artikel 10 van de Procesregeling wordt, voor zover hier van belang, het hoger beroep slechts niet-ontvankelijk verklaard indien de uitnodiging om het griffierecht alsnog te betalen bij aangetekende brief is verzonden, in die uitnodiging wordt gewezen op de mogelijkheid dat bij het niet of niet tijdig betalen het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard en binnen de gegeven termijn geen betaling heeft plaatsgevonden.

4.3.

Het hogerberoepschrift is ingediend door belanghebbende. De nota griffierecht is per gewone post verzonden naar het door belanghebbende opgegeven postadres (zie 2.1). Toen betaling uitbleef is met dagtekening 18 januari 2017 de herinnering tot het betalen van griffierecht per aangetekende post verzonden naar het in het hogerberoepschrift vermelde adres van belanghebbende (zie 2.2). Daarin is vermeld dat het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van die herinnering dient te worden voldaan. Het griffierecht is niet uiterlijk op 15 februari 2017 voldaan, maar pas op 3 maart 2017.

4.4.

Belanghebbende is de opvatting toegedaan dat zij redelijkerwijs niet in verzuim is geweest met de niet tijdige betaling van griffierecht en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Belanghebbende heeft zelf het hoger beroep ingediend en het Hof verzocht om alle correspondentie aangaande het onderhavige hoger beroep naar [G] in [plaats 2] te sturen. [G] heeft na ontvangst van de nota griffierecht, respectievelijk de herinnering tot het betalen van griffierecht, haar collega’s van [H] Spanje verzocht om contact op te nemen met belanghebbende. Medewerkers van [H] Spanje hebben diverse keren geprobeerd om telefonisch in contact te komen met hun enige vaste contactpersoon bij belanghebbende, de heer [K] (hierna: [K] ), asset manager van [belanghebbende] S.A. (hierna: [belanghebbende] ). [K] was degene die de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting deed en de administratie daarvan bijhield. De CFO van [belanghebbende] heeft [H] Spanje op 14 februari 2017 op de hoogte gesteld van het overlijden van [K] op 3 januari 2017. [K] is begin december 2016 gediagnostiseerd met de ziekte

lever-/darmkanker en later die maand voor behandeling in het ziekenhuis opgenomen. Na een ziekbed van twee weken is hij overleden aan de gevolgen van zijn ziekte. Door voornoemde omstandigheden zijn de telefonische oproepen van [H] Spanje niet beantwoord en was belanghebbende niet bekend met de uiterste betaaldatum voor het betalen van het griffierecht.

4.5.

Het Hof begrijpt dat de ziekte en het onverwachte overlijden van [K] een schok was voor zijn naaste collega’s en dat de gang van zaken bij belanghebbende daardoor was verstoord. Het Hof is echter van oordeel dat zulks niet leidt tot de gevolgtrekking dat belanghebbende ter zake van de te late betaling van het griffierecht redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. De herinnering tot het betalen van griffierecht is op 18 januari 2017, ofwel ruim twee weken na het overlijden van [K] , verstuurd en vermeldt een betalingstermijn van vier weken. Van een situatie van tegen het einde van de beroepstermijn opgetreden ziekte, zoals in de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie (Hoge Raad 18 november 2016, nr. 16/02080, ECLI:NL:HR:2016:2599, BNB 2017/9, Hoge Raad 30 oktober 1996, nr. 31553, ECLI:NL:HR:1996:AA1720, BNB 1996/412, en Hoge Raad 22 oktober 2004, nr. 39927, ECLI:NL:HR:2004:AR4387, BNB 2005/30), is dan ook geen sprake. Naar het oordeel van het Hof is de periode tussen het overlijden van [K] en de uiterste betaaldatum (15 februari 2017) zodanig lang dat van belanghebbende mocht worden verlangd dat in die periode – ook in de situatie waarin belanghebbende verkeerde – handelingen werden verricht die nodig waren voor een tijdige nakoming van de onderhavige betalingsverplichting, bijvoorbeeld het (tijdig) zorg dragen voor een nieuwe contactpersoon voor externe relaties. Het Hof is dan ook van oordeel dat het niet tijdig betalen van het verschuldigde griffierecht niet verschoonbaar is.

Slotsom

4.6.

De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan op 23 juni 2017 door P.C. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.