Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2794

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
03-07-2017
Zaaknummer
200.186.111_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2572
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:2793
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurrecht bedrijfsruimte en erfrecht. Uitleg huurprijsverlaging uit 1983 van niet-geïndexeerde huurprijs overeengekomen tussen erflater en twee van de vijf zonen/ latere erfgenamen. Zijn de andere drie erfgenamen na het overlijden van erflater aan die afspraak gebonden? Definitieve afspraak of gedraging in de familiesfeer?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvHB 2017/23, UDH:TvHB/14657 met annotatie van Th.S.M. Fraai
JERF Actueel 2017/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.186.111/01

arrest van 20 juni 2017

in de zaak van

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als de vennootschap,

advocaat: mr. M.M.A.A. van Oosterhout te Tilburg,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

verder te noemen geïntimeerden,

advocaat: mr. A. Smeekes te Tilburg,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 april 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg onder zaaknummer 2584270 CV EXPL 13-10287 gewezen vonnissen van 5 maart 2014, 12 november 2014, 20 mei 2015 en 6 januari 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 5 april 2016 waarbij een comparitie na aanbrengen is gelast;

- de processen-verbaal van de comparities van 12 en 18 mei 2016; deze comparities vonden gelijktijdig plaats met de comparities na aanbrengen in de zaak onder zaaknummer 200.186.318/01 tussen [mede-erfgenaam van geintimeerden 1] en [mede-erfgenaam van geintimeerden 2] , de mede-erfgenamen van geïntimeerden, en geïntimeerden;

  • -

    de memorie van grieven met negen grieven en één productie;

  • -

    de memorie van antwoord tevens incidenteel appel met vier grieven;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel tevens akte overlegging productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6. De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende door de kantonrechter in het vonnis van 12 november 2014 vastgestelde feiten. Deze zijn in hoger beroep niet bestreden.

- De heer [erflater] (hierna te noemen [erflater] ) is op 28 februari 2005 overleden. Geïntimeerden en [mede-erfgenaam van geintimeerden 1] en [mede-erfgenaam van geintimeerden 2] zijn de erfgenamen. Tot de nalatenschap van [erflater] behoort onder meer het bedrijfspand met woning en binnenplaats gelegen te [vestigingsplaats] aan de [bedrijfspand] (hierna de onroerende zaak). De nalatenschap is tot op heden niet afgewikkeld (hof: en is nog steeds niet afgewikkeld).

- [erflater] had een onderaannemingsbedrijf en een transportonderneming. In 1979 heeft hij deze eenmanszaak omgezet in een besloten vennootschap, [de vennootschap] Na het overlijden van [erflater] zijn [mede-erfgenaam van geintimeerden 1] en [mede-erfgenaam van geintimeerden 2] eigenaar geworden van de besloten vennootschap [de vennootschap] Deze onderneming huurt een gedeelte van de onroerende zaak aan de [bedrijfspand] . Accountantskantoor [Accountantskantoor] te [vestigingsplaats] heeft voor [erflater] en zijn onderneming(en) de administratie gevoerd.

- De heer [assistent-accountant] is in de periode van 1 september 1976 tot en met 31 oktober 2001 werkzaam geweest als assistent-accountant bij [Accountantskantoor] .

[assistent-accountant] heeft onder meer verklaard (productie 1 bij de dagvaarding):

“(…) Toen in 1979 de heer [erflater] zijn eenmanszaak omzette in een besloten vennootschap, werd door Accountantskantoor [Accountantskantoor] , bij haar directeur de heer [directeur van Accountantskantoor] , een huurovereenkomst opgesteld van f. 20.000,- per jaar. Al snel werd echter duidelijk dat deze huur een te grote last was voor de B.V., temeer omdat de bedrijfsresultaten toch al slecht waren. Bovendien kreeg [echtgenote van de erflater] in 1981 een herseninfarct. De heer [erflater] vond het toen zijn taak om zijn vrouw te gaan verzorgen. Het zal duidelijk zijn, dat de heer [erflater] geen tijd meer had om in de zaak te werken.

Gevolg: veel te hoge loonkosten, waar geen opbrengsten tegenover stonden. Genoodzaakt door te hoge bedrijfskosten is toen in onderling overleg en met toestemming van de heer [erflater] de huur verlaagd naar f. 5.000,- per jaar. In de daarop volgende jaren werd in de jaarrekening hiervan melding gemaakt (…).”

- [Accountantskantoor] heeft in de brief van 14 november 1985 (productie 2 bij de dagvaarding) aan de directie van [de vennootschap] onder meer bericht:

Met de verhuurder is in 1983 overeengekomen de huur tijdelijk te verlagen van f. 20.000,-- naar f 5.000,--.”

- De vennootschap heeft over de periode 2005 tot en met 2011 een bedrag van € 2.269,- (f. 5.000,-) per jaar alsmede over de periode 2012 tot en met 2013 een bedrag van € 1.500,- aan huur betaald. Bij brief van 15 oktober 2013 aan de vennootschap heeft de gemachtigde van geïntimeerden aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag van € 66.553,80 aan achterstallige huur.

6.2.

Het geding

6.2.1.

Geïntimeerden, toen eisers, hebben in de inleidende dagvaarding gesteld dat de huurprijsverlaging van 1983 een tijdelijke verlaging betrof en dat er vanaf het moment van overlijden van hun vader geen grond meer bestaat voor de verlaging. Zij vorderen de achterstallige huur, bij inleidende dagvaarding begroot op € 63.912,97.

De vennootschap heeft de tijdelijkheid betwist (door het tijdsverloop van 31 jaar sinds 1983 zou daar geen sprake meer van zijn), zich beroepen op verjaring ten aanzien van de periode vanaf 2005 tot en met november 2008 en op verrekening met een bedrag van € 46.390,-, een rekening-courantvordering van de vennootschap op [erflater] .

6.2.2.

Bij tussenvonnis van 12 november 2014 heeft de kantonrechter geïntimeerde opgedragen om begeleidende brieven bij de jaarrekeningen over te leggen. Grief 1 in principaal appel heeft hierop betrekking.

Uit de door geïntimeerden nadien overgelegde stukken blijkt dat de zinsnede ‘Met de verhuurders is in 1981 overeengekomen, de huur tijdelijk te verlagen van fl. 20.000,- naar fl. 5.000,-‘ vanaf 1997 niet meer voorkomt. De vennootschap heeft zich naar aanleiding daarvan mede op het standpunt gesteld dat sprake was een definitief worden van de verlaging op grond van een daartoe gemaakte afspraak, en heeft bewijs daarvan aangeboden.

6.2.3.

In het tussenvonnis van 20 mei 2015 heeft de kantonrechter de vennootschap tot bewijslevering van die stelling toegelaten en haar alvast veroordeeld om aan geïntimeerden € 1.822,68 te betalen. Daartoe werd overwogen:

Tevens zal de kantonrechter [de vennootschap] alvast veroordelen tot betaling van achterstallige huur. Want slaagt [de vennootschap] in haar bewijsopdracht, dan nog staat vast dat zij over 2012 en 2013 in plaats van het alsdan door haar verschuldigde bedrag van € 4.537,80 (2 x ƒ 5.000,- = ƒ 10.000,-) slechts € 1.500,- heeft betaald. Daarmee resteert een door [de vennootschap] te betalen bedrag aan achterstallige huur van € 3.037,80 aan de 5 erfgenamen van vader. Drievijfde van dat bedrag, zijnde € 1.822,68, komt toe aan [geïntimeerden]. Dat bedrag kan in ieder geval worden toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente wordt afgewezen, nu onduidelijk is waarop eisers deze vordering hebben gebaseerd. [De vennootschap] heeft zich nog beroepen op verrekening van een bedrag van € 46.390,-. Die door [de vennootschap] gestelde, maar door [geïntimeerden] betwiste, verrekenpost kan echter niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld, terwijl [de vennootschap] geen vordering in reconventie heeft ingesteld. Daarom passeert de kantonrechter het beroep van [de vennootschap] op verrekening, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:136 van het Burgerlijk Wetboek.

Grief 2 in principaal appel heeft betrekking op de bewijsopdracht, grief 3 in principaal appel op de afwijzing van het beroep op verrekening en grief 1 in incidenteel appel op de toewijzing van 3/5 deel.

6.2.4.

In het eindvonnis van 6 januari 2016 heeft de kantonrechter de vennootschap niet geslaagd geoordeeld in haar bewijsopdracht, haar beroep op verjaring gehonoreerd en de vennootschap veroordeeld tot betaling van € 35.815,54 en de proceskosten.

De grieven 4 tot en met 9 in principaal appel en de grieven 2 en 3 in incidenteel appel hebben daarop betrekking. Grief 4 in incidenteel appel betreft de afgewezen buitengerechtelijke kosten.

6.2.5.

In hoger beroep vordert de vennootschap - kort gezegd - het vonnis te vernietigen, de vorderingen van geïntimeerden af te wijzen en veroordeling van geïntimeerden terug te betalen hetgeen werd voldaan uit hoofde van het bestreden vonnis, met hun veroordeling in de proceskosten.

Geïntimeerden vorderen het tussenvonnis van 20 mei 2015 en het eindvonnis van 6 januari 2016 te vernietigen en hun oorspronkelijke vorderingen volledig toe te wijzen, met veroordeling van de vennootschap in de proceskosten.

6.2.6.

In de memorie van grieven onder 4 stellen appellanten het geschil in volle omvang te willen voorleggen aan de appelrechter. Zij miskennen daarmee dat de rechtsstrijd in hoger beroep wordt ontsloten en begrensd door de grieven (het hof is niet gebleken van kwesties van openbare orde die ambtshalve dienen te worden onderzocht); de enkele mededeling het geschil in volle omvang te willen voorleggen houdt geen voldoende gepreciseerde klacht in.

6.3.

Het tussenvonnis van 5 maart 2014 is een comparitievonnis. Daartegen zijn geen grieven gericht. Het hoger beroep van de vennootschap is in zoverre niet-ontvankelijk.

6.4.

Grief 1 in principaal appel

6.4.1.

In deze grief wordt opgekomen tegen de beslissing in het tussenvonnis van 20 mei 2015 in aansluiting op (de overwegingen en de beslissing in) het tussenvonnis van 12 november 2014.

6.4.2.

Blijkens de toelichting op de grief had de kantonrechter, nadat hij geïntimeerden had gevraagd ‘om alle begeleidende brieven [bij de jaarstukken] vanaf 1983 tot en met heden’, wat zij hadden aangeboden, in het geding te brengen, en na de constatering dat zij dat niet hadden gedaan, hun vordering dienen af te wijzen.

De grief faalt in zoverre omdat dit gevolg niet behoefde te worden getrokken uit de verklaringen van geïntimeerden en in verband met de overgelegde stukken. Ook naar het oordeel van het hof dient deze gevolgtrekking niet te worden gemaakt. Uit het debat tussen partijen kan niet worden afgeleid dat geïntimeerden het standpunt hebben ingenomen dat de tekst van de begeleidende brieven beslissend zou zijn voor de beslechting van het geschil.

6.4.3.

Ook uit het feit dat in de begeleidende brieven vanaf 1997 niet meer werd gerept over tijdelijkheid kan niet aanstonds de gevolgtrekking worden getrokken dat de (verlaagde) huurprijs daarmee definitief is geworden. Er laten zich ook andere redenen denken op grond waarvan de betreffende passage niet meer werd opgenomen. Een afspraak tussen [erflater] en de vennootschap over een definitieve verlaging van de huurprijs kan uit dit weglaten niet zonder meer worden afgeleid.

6.4.4.

Dat de kantonrechter zich op de comparitie heeft laten ontvallen dat als alle begeleidende brieven de tijdelijkheid tot uitdrukking zouden hebben gebracht hij daaruit de conclusie zou trekken dat met het overlijden van [erflater] de tijdelijkheid zou vervallen, leidt evenmin tot het gevolg dat de vordering van geïntimeerden terstond moet worden afgewezen. De situatie die de kantonrechter voor ogen had deed zich immers niet voor, nog daargelaten dat een dergelijke uitlating geen bindende eindbeslissing inhoudt waarop de rechter niet zou mogen terugkomen.

6.4.5.

Grief 1 in principaal appel faalt. Het tussenvonnis van 12 november 2014 zal worden bekrachtigd.

6.5.

De grieven 2 en 3 in principaal appel en de grieven 1 en 2 in incidenteel appel

6.5.1.

In deze grieven wordt mede opgekomen tegen het tussenvonnis van 20 mei 2015.

6.5.2.

Het hof stelt vast dat dit tussenvonnis moet worden aangemerkt als een deelvonnis nu in het dictum een einde is gemaakt aan enig deel van het gevorderde. Toegewezen is immers het bedrag van € 1.822,68. In zoverre stond alleen hoger beroep open gedurende drie maanden na dat vonnis. Die termijn is ongebruikt verstreken.

Grief 3 in principaal appel faalt voor zover de kantonrechter het beroep op verrekening met het verschuldigde bedrag van € 1.822,68 heeft afgewezen.

De grieven 1 en 2 in incidenteel appel keren zich tegen de afwijzing van hetgeen meer dan € 1.822,68 werd gevorderd. Die afwijzing vond eerst plaats in het eindvonnis. Het hoger beroep is in zoverre ontvankelijk. Bij deze grieven hebben geïntimeerden geen belang gelet op hetgeen wordt overwogen in rechtsoverweging 6.8.

6.5.3.

Voor zover in de toelichting op grief 2 in principaal appel wordt betoogd dat de kantonrechter de vordering aanstonds had moeten afwijzen, faalt dat betoog op de hiervoor in rov. 6.4 uiteengezette gronden.

6.5.4.

Voor zover in de toelichting op grief 2 in principaal appel wordt betoogd dat de kantonrechter in rechtsoverweging 2.4 van dat vonnis de stellingen van de vennootschap heeft aangemerkt als een bevrijdend verweer waarvan zij de bewijslast draagt faalt zij evenzeer. Geïntimeerden hadden immers gesteld dat sprake was van een tijdelijk verlaagde huurprijs, aan welke tijdelijkheid een einde kwam met het overlijden van [erflater] . De vennootschap heeft deze stelling niet weersproken (maar alleen gesteld dat na 31 jaar huur niet meer kan worden gesproken van tijdelijkheid). De vennootschap heeft zich vervolgens beroepen op een nadere afspraak tussen haar en [erflater] in of omstreeks 1997 gemaakt. Derhalve is geen sprake van een betwisting (nee, er is geen sprake (geweest) van tijdelijkheid, want (…)), maar van een zelfstandig verweer (ja, er was sprake van tijdelijkheid, maar die is vanwege een nadere afspraak komen te vervallen).

6.5.5.

Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter het beroep op verrekening terecht afgewezen op grond van artikel 6:136 BW, gelet op de betwisting van de posten waaruit het rekening-courantsaldo is opgebouwd. Ook het beroep van geïntimeerden op verjaring (38 mva) maakt dat het verrekenverweer niet op eenvoudige wijze valt vast te stellen. Grief 3 in principaal appel faalt ook in zoverre. Ten aanzien van dit beroep op verjaring merkt het hof - ten overvloede - op dat [erflater] meer dan 12 jaar geleden (2005) is overleden.

6.6.

De bewijswaardering

6.6.1.

In grief 4 doet de vennootschap ter bestrijding van de bewijswaardering door de kantonrechter, een beroep op de verklaringen van de heer [assistent-accountant] , indertijd administrateur van de vennootschap. Deze verklaring vormt de kern van het bijgebrachte bewijs.

In zijn schriftelijke verklaring, productie 3 bij akte van 17 december 2014 staat:

Ondergetekenden, [mede-erfgenaam van geintimeerden 1] - [mede-erfgenaam van geintimeerden 2] en [assistent-accountant] , laatstgenoemde administratief begeleider, verklaren hierbij dat in 1997 een gesprek heeft plaatsgevonden met de heer [erflater] Sr.

De heer [erflater] Was eigenaar van het pand [bedrijfspand] te [vestigingsplaats] . Door hem werd het pand verhuurd aan [de vennootschap] Voor een huurprijs die in 1981 op een lager niveau werd gezet, omdat de prijs geen haalbare kaart was gezien de bedrijfsresultaten van de B.V.

Deze huurverlaging zou tijdelijk zijn en werd zo ook omschreven in de jaarrekening.

Gezien echter de minder goede bedrijfsresultaten van de B.V. Zou de tijdelijke huurverlaging geen wijziging meer kunnen ondergaan. Door deze situatie werd dan ook besloten in bovengenoemd gesprek om de omschrijving “tijdelijk” in de jaarrekening achterwege te laten. Als gevolg hiervan zou de huurprijs definitief f. 5000,- gaan bedragen.

De heer [assistent-accountant] verklaart op het getuigenverhoor onder meer:

U houdt mij productie 3 bij de akte van 17 december 2014 voor. Ik blijf bij de inhoud van deze verklaring ook nu ik onder ede sta en liegen strafbaar is. Ik weet niet meer precies wanneer deze verklaring is opgesteld maar dat is al een tijdje geleden geweest. De verklaring is zeker 2 jaar geleden opgesteld door mij op verzoek van de heren [mede-erfgenamen] . Zij hebben mij dat gevraagd omdat er problemen waren met de tegenpartij over de huur. De afspraak is in 1997 met [erflater] ergens rond deze tijd gemaakt. De bespreking is geweest naar aanleiding van de jaarrekening 1996 in de [bedrijfspand] . Ieder jaar vonden dit soort besprekingen plaats. Onder het genot van een kopje koffie hebben wij aan de keukentafel dat wil zeggen de heren [mede-erfgenamen] , ikzelf en [erflater] over de jaarrekening 1996 gesproken. Ik heb op enig moment de opmerking gemaakt of de tijdelijke huurverlaging niet weggelaten kon worden want de oorspronkelijk huur van 20.000 gulden leek toch niet meer haalbaar. [erflater] is daarmee vervolgens akkoord gegaan en daarmee is de huur met ingang van 1997 definitief vastgesteld op 5.000 gulden per jaar. Bij mijn weten is de opmerking over de tijdelijke huurverlaging daarna bij de vermelding van de jaar stukken ook niet meer opgenomen. Ik kan geen antwoord geven op de vraag waarom deze af spraak in 1997 niet meteen op papier is gezet.

6.6.2.

Naar het oordeel van het hof leveren deze verklaringen, die worden bevestigd door de partijgetuigen [mede-erfgenaam van geintimeerden 1] en [mede-erfgenaam van geintimeerden 2] , niet het bewijs van de gemaakte afspraak dat de huurprijs definitief zou worden verlaagd.

Uit de getuigenverklaring van de heer [assistent-accountant] valt slechts op te maken dat de tijdelijke verlaging van de betalingsverplichting van f. 20.000,- tot f. 5.000,- niet meer in de jaarstukken zou worden opgenomen, maar dat daarmee sprake was van een definitieve afspraak - in die zin dat het gaat om een verbintenisrechtelijke afspraak waaraan ieder gebonden is en waarop in rechte een beroep kan worden gedaan - is een conclusie van de heer [assistent-accountant] . Voor die conclusie heeft het hof onvoldoende aanwijzing gevonden.

De verlaging werd ingegeven door de feitelijke situatie, in het bijzonder de slechte financiële toestand van de vennootschap en de op te maken jaarstukken, en daarbij is niet is bepaald wat de huurprijs zou zijn bij verbetering van die toestand of bij het overlijden van [erflater] . Voor de handelwijze met betrekking tot de vermelding in de jaarstukken bestond geen zakelijke, bedrijfseconomisch grond, althans daarvan blijkt niet. De huurprijs in het economisch verkeer was immers in 1981 f. 20.000,-. Tussen partijen is niet in geschil dat de oorspronkelijke huurprijs van f. 20.000,- in 1981 was afgestemd op een makelaarstaxatie. [erflater] ging kennelijk akkoord met betaling van een heel lage huur ten behoeve van zijn zonen en het bedrijf. Gesteld noch gebleken is van enige op geld waardeerbare tegenprestatie. Integendeel, blijkens de verklaring van [assistent-accountant] (prod. 1 bij inl. dagv.) werd de huur ook nog eens verrekend met het rekening-courantsaldo.

Het hof neemt daarom aan dat het hier gaat om een (keukentafel-)afspraak tussen familieleden over de betalingsverplichting, waarbij allen belang hadden in verband met de continuering van het bedrijf. [erflater] heeft daaraan - bij gebreke van een zakelijke, bedrijfseconomisch grond kennelijk op grond van privé-overwegingen - willen bijdragen door niet vast te houden aan betaling van de marktconforme huurprijs. De verlaging van de betalingsverplichting f. 5.000,- per jaar moet aldus worden aangemerkt als een handelwijze binnen de familie en niet als een definitieve verbintenisrechtelijke - dus partijen bindende - afspraak, een afspraak die ook derden, zoals geïntimeerden, bindt. Dat acht het hof niet bewezen want daarvoor bestaan onvoldoende aanwijzingen.

Een aanwijzing voor het aannemen van enkel een betalingsafspraak, niet van een contractuele wijziging van verplichtingen, wordt mede gevonden in de omstandigheid dat de vennootschap en [erflater] de gestelde gewijzigde prijsafspraak niet schriftelijk zijn overeengekomen of zo mogelijk hebben aangegeven op het huurcontract, om daarmee de toereikende zakelijke onderbouwing van hun afspraken te geven. (Volgens de verklaring van [assistent-accountant] (prod. 1 bij inl. dagv.) is een huurovereenkomst opgesteld, maar de vennootschap betwist dit).

Een wederzijdse bedoeling om de huurprijs van f. 5.000,- nog in lengte van jaren te laten gelden, zelfs na de dood van [erflater] , kan het hof niet vaststellen. In dit verband wijst het hof erop dat er evenmin sprake is van een indexering, althans of zodanige afspraak bestaat kan niet worden nagegaan omdat volgens de vennootschap de huurovereenkomst niet op schrift is gesteld.

In zoverre is niet voldaan aan de bewijsopdracht.

6.6.3.

Naar het oordeel van het hof falen de grieven 4-9 in principaal appel. Geïntimeerden kunnen zich voor de periode na het overlijden van [erflater] jegens de vennootschap beroepen op de oorspronkelijke huurprijs van f. 20.000,- per jaar.

6.7.

Grief 3 in incidenteel appel

6.7.1.

In deze grief beklagen geïntimeerden zich erover dat de kantonrechter het beroep van de vennootschap op de verjaring heeft gehonoreerd over de periode van 28 februari 2005 (overlijden [erflater] ) tot en met november 2008 (de inleidende dagvaarding dateert van 20 november 2013). Geïntimeerden beroepen zich op stuiting.

6.7.2.

Geïntimeerden bieden aan correspondentie in geding te brengen en bieden getuigenbewijs aan. Nu ingevolge artikel 3:317 BW een stuiting schriftelijk moet geschieden ziet het hof geen aanleiding voor een getuigenverhoor. Het hof zal geïntimeerden niet in de gelegenheid stellen aanvullend schriftelijk bewijs in geding te brengen. Zij hebben daarvoor voldoende gelegenheid gehad.

6.7.3.

Geïntimeerden beroepen zich op brieven van [geïntimeerde 2] , geïntimeerde sub 2, van 19 september 2006 tot en met 19 februari 2007 (brief aan de comparitierechter van 21 maart 2014). Wat er ook van deze brieven zij, zij stuiten de verjaring voor maximaal 5 jaar, derhalve tot 19 februari 2012. Niet is gebleken van een vernieuwde stuiting zodat deze brieven geen effect kunnen sorteren ten aanzien van de periode vóór 1 december 2008.

Weliswaar stellen geïntimeerden in de brief aan de comparitierechter dat hun advocaat tevens heeft gestuit bij brieven van 21 februari 2008 (bedoeld zal zijn 2012), 26 november 2012 en 8 januari 2013, maar die brieven zijn niet in geding gebracht, zodat het hof niet kan vaststellen dat sprake is van een stuiting in de zin van de wet. Dat lijkt bovendien niet het geval want in die brieven wordt aanspraak gemaakt op de huur over 2012.

6.7.4.

Wel kan het hof in aanmerking nemen de brief van 15 oktober 2013 bij inleidende dagvaarding (punt 8 van die dagvaarding). Die brief kwalificeert als stuiting, zodat toewijsbaar is de huur ná 15 oktober 2008. De kantonrechter heeft de vordering vanaf 1 december 2008 toegewezen. Het hof kan anderhalve maand extra toewijzen derhalve 1½ maal € 756,30 is € 1.134,45.

Grief 3 in incidenteel appel slaagt in zoverre.

6.8.

In rov. 2.7 van het eindvonnis heeft de kantonrechter de achterstallige huur tot en met 2013 berekend op € 37.638,22 waarop voornoemd bedrag van € 1.822,68 in mindering is gebracht (rov. 2.8). De kantonrechter maakt hier een kennelijke rekenfout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dit bedrag van € 1.822,68 is immers 3/5 van € 3.037,80 (rov. 2.6 vonnis 20 mei 2015). Op het bedrag van € 37.638,22 (dat de volle huurachterstand betreft, rov. 2.7 van het eindvonnis) moet dan € 3.037,80 in mindering worden gebracht, zodat resteert € 34.600,42. Dit bedrag is niet verschuldigd aan (de drie) geïntimeerden, maar aan de nalatenschap.

Uit de gedingstukken heeft het hof niet expliciet kunnen lezen dat geïntimeerden procederen namens de nalatenschap. In de aanhef van de processtukken wordt daar geen melding van gemaakt. Eerst in grief 1 in incidenteel appel (punt 87) maken zij daar gewag van.

Nu partijen zich weinig hebben aangetrokken van de juridische verhoudingen en eigenlijk alleen hun privé (erfrechtelijke) belangen dienen zal het hof vooruitlopen op de verdeling en volstaan met toewijzing aan geïntimeerden van 3/5de deel van € 34.600,80, zijnde € 20.760,25. Daarbovenop komt 3/5 van voornoemd bedrag van € 1.134,45, is € 680,67.

Toegewezen wordt € 21.440,92. Het hof gaat ervan uit dat 2/5 deel van de hoofdsom door de vennootschap aan haar bestuurders wordt uitgekeerd. Volledigheidshalve wordt toegevoegd dat de aanspraak van geïntimeerden op betaling van € 1.822,68 niet wordt aangetast.

6.9.

Grief 4 in incidenteel appel betreft de afgewezen buitengerechtelijke kosten. De vordering is toewijsbaar op grond van het Besluit incassokosten nu de vordering voortvloeit uit een huurovereenkomst. Toewijsbaar is aldus € 1.089,41 (€ 875,- over de eerste € 10.000,- vermeerderd met 1% over het restant).

6.10.

De vennootschap dient als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten te worden verwezen (comparities 1 punt; memorie 1 punt; tariefgroep 3).

7 De uitspraak

Het hof:

in principaal en incidenteel appel

verklaart de vennootschap niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van 12 november 2014;

bekrachtigt de vonnissen van 12 november 2014 en 20 mei 2015, voor zover daartegen hoger beroep kan worden ingesteld;

vernietigt het vonnis van 6 januari 2016 maar alleen voor zover daarin € 35.815,54 is toegewezen en de vordering ter zake van de buitengerechtelijke kosten werd afgewezen;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

veroordeelt de vennootschap om aan geïntimeerden te betalen een bedrag van € 21.440,92 zijnde 3/5 deel van de achterstallige huur;

veroordeelt de vennootschap om aan geïntimeerden te betalen een bedrag van € 1.089,41 ter zake van buitengerechtelijke kosten.

veroordeelt de vennootschap in de proceskosten van het hoger beroep in principaal en incidenteel appel, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van geïntimeerden op € 718,- aan griffierecht en op € 2.316,- aan salaris advocaat,

en

voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en

bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M.G.W.M. Stienissen en J.W. van Rijkom en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 juni 2017.

griffier rolraadsheer