Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2780

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
200.203.341_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:5880
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding, beslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.203.341/01

arrest van 20 juni 2017

in de zaak van

Kramenverhuur [Kramenverhuur] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. N. Mauer te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. L.A.M. van den Eeden te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 oktober 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 30 september 2016, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/311122 / KG ZA 16-449)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

  • -

    de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel;

  • -

    het pleidooi, waarbij [appellante] pleitnotities heeft overgelegd;

  • -

    de bij H12 formulier van 26 april 2017 door mr. Van den Eeden toegezonden productie, die bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

In de memorie van antwoord in incidenteel appel is [appellante] ingegaan op het verweer in het principaal appel van [geïntimeerde] tegen de stellingen van [appellante] in de memorie van grieven. [geïntimeerde] heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat het voorgaande in strijd is met regel dat iedere partij in hoger beroep slechts één conclusie is toegestaan (twee-conclusieregel als bedoeld in artikel 347 Rv). [appellante] heeft daarop bij het pleidooi aangegeven haar reactie op het verweer zoals hiervoor bedoeld mondeling te willen herhalen. Nu [geïntimeerde] bij pleidooi heeft verklaard dat zij kennis heeft genomen van de gehele memorie van antwoord in incidenteel appel bestaat aan een mondelinge herhaling aan de zijde van [geïntimeerde] geen behoefte, zo heeft [geïntimeerde] bij pleidooi te kennen gegeven. Gelet op het voorgaande worden daarom alle stellingen in de memorie van antwoord in incidenteel appel geacht bij het pleidooi naar voren te zijn gebracht zodat het hof hiervan kennis heeft genomen.

Het hof heeft na pleidooi een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellante] is een vennootschap onder firma die wordt gevormd door de drie vennoten: de heer [vennoot 1] , mevrouw [vennoot 2] en mevrouw [vennoot 3] .

  2. [appellante] houdt zich bezig met het opbouwen en verhuren van marktkramen op diverse weekmarkten in [plaats] .

  3. [appellante] heeft voor het plaatsen van de marktkramen toestemming van de gemeente Eindhoven (hierna: de gemeente). Aanvankelijk werd die toestemming verleend in de vorm van een vergunning, maar sinds december 2008 is dat in de vorm van een overeenkomst (hierna: de private overeenkomst).

  4. [appellante] is op 8 maart 2016 met [geïntimeerde] het volgende overeengekomen:

KOOPOVEREENKOMST

DEZE KOOPOVEREENKOMST WORDT AANGEGAAN OP

DINSDAG 8 MAART 2016,

HIJ WORDT AANGEGAAN TUSSEN 2 PARTIJEN NL

PARTIJ 1 [geïntimeerde] HIERNA TE NOEMEN KOPER

PARTIJ 2 FIRMA [appellante] HIERNA TE NOEMEN VERKOPER

BEIDEN PARTIJEN ZIJN BEVOEGD OVEREENKOMST AF TE SLUITEN

OVEREENKOMST ;

ER WORDT OVEREENGEKOMEN DAT DE KOPER VAN VERKOPER KOOPT EEN HOEVEELHEID MARKTKRAMEN MET TOEBEHOREN ALS VOLGT:

880 BUITENREKKEN

280 MIDDELSCHRAGEN

540 PLANKEN VAN 4 METER

800 LATTEN VAN 4 METER

30 PLANKEN VAN 2 METER

30 LATTEN VAN 2 METER

50 KLADJES SCHRAGEN

AANHANGER MET KENTEKEN [kenteken 1]

[kenteken 2]

[kenteken 3]

[kenteken 4]

[kenteken 5]

[kenteken 6]

Voorts zijn partijen op 8 maart 2016 overeengekomen:

OVEREENKOMST

BIJ DE KOOPOVEREENKOMST IS OVEREEN GEKOMEN DAT ER

EEN BEDRAG VAN € 15.000,00 PER BANK WORDT VOLDAAN

OP 8 MAART 2016 VOOR OVERNAME VAN HET MATERIAAL

ZODRA DE VERGUNNINGEN VOOR DE WEEKMARKTEN

DINSDAG [weekmarkt 1]

WOENSDAG WINKELCENTRUM [weekmarkt 2]

[weekmarkt 3]

VRIJDAG [weekmarkt 4]

ZATERDAG [weekmarkt 5]

ZIJN OVERGESCHREVEN OP DHR. [betrokkene] OF DHR

[geïntimeerde] ZAL EEN RESTEREND BEDRAG BETAALD WORDEN

PER 1 APRIL AS ZAL DHR [betrokkene] DE KRAMEN

PLAATSEN EN TEVENS DE VERGOEDING HIERVAN

DECLAREREN. (…)”.

Hierna samen te noemen: de overeenkomst.

[geïntimeerde] heeft aan [appellante] het in de overeenkomst genoemde bedrag van € 15.000,- betaald. Daarnaast heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 35.000,- in contanten aan [appellante] betaald. [appellante] heeft de in de overeenkomst genoemde materialen (hierna: de materialen) aan [geïntimeerde] afgegeven.

[appellante] heeft de gemeente verzocht de private overeenkomst over te schrijven op naam van [betrokkene] . Bij brief van 1 april 2016 heeft de gemeente aangegeven geen toestemming te geven voor de overschrijving omdat zij het van belang vindt dat ten minste twee contractspartijen die werkzaamheden (blijven) uitvoeren.

Bij brief van 6 juli 2016 schrijft de gemeente aan [appellante] dat zij geen aanleiding ziet om terug te komen op het in de brief van 1 april 2016 ingenomen standpunt en dat overschrijving van de private overeenkomst door [appellante] aan [betrokkene] en eventueel aan hem zakelijk gelieerde derde(n) niet aan de orde is.

In zijn e-mail van 7 juli 2016 schrijft [geïntimeerde] aan [appellante] :

Na diverse gesprekken betreffende overschrijving weekmarkten, heeft U zelf de datum van 4 juli jl als uiterste datum opgegeven

Daar ik tot op heden niets van U heb mogen vernemen ga ik ervan uit dat U afziet van overschrijving.

Ik zie dit dan ook als beëindiging van onze afspraken doordat U deze niet nakomt.

Ik neem aan dat U op korte termijn niet aan Uw afspraken kunt voldoen.

Ik ben genoodzaakt om op zoek te gaan naar een andere oplossing betreffende mijn aangekochte huurkramen.

Dit is ook mondeling in bijzijn van dhr [betrokkene] en Mevrouw [mevrouw] afgesproken

.

Veel succes met de verdere gang van zaken, mocht U het met dit schrijven niet eens zijn graag binnen 24 uur reactie anders neem ik aan dat U akkoord gaat en Uw bedrijf zelf voortzet.

i. Op 28 juli 2016 heeft [appellante] ten laste van [geïntimeerde] conservatoir beslag tot afgifte doen leggen op de materialen.

3.1.2.

Met grief I in het principaal appel voert [appellante] aan dat de voorzieningenrechter het document op grond waarvan de gemeente [appellante] toestaat om de marktkramen te zetten, heeft gekwalificeerd als een vergunning. Het hof heeft hiervoor in rov. 3.1.1 de feiten opnieuw weergegeven en daarbij voor wat betreft dit document de term private overeenkomst gehanteerd. [appellante] heeft dan ook geen belang meer bij deze grief. Met grief I in incidenteel appel voert [geïntimeerde] aan dat de volgorde van de overeenkomst door de kantonrechter verkeerd is weergegeven. [geïntimeerde] heeft gelet op de weergave van de feiten in rov. 3.1.1 geen belang bij zijn grief.

3.2.1.

In eerste aanleg heeft [appellante] (in conventie) gevorderd:

  1. [geïntimeerde] te veroordelen tot afgifte aan [appellante] van de in de koopovereenkomst van 8 maart 2016 gespecificeerde materialen binnen 24 uur na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag of gedeelte daarvan;

  2. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het beslag;

  3. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten;

  4. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over de beslagkosten, de proceskosten en de nakosten indien deze niet binnen 7 dagen na betekening van het vonnis aan [appellante] zijn voldaan.

3.2.2.

Aan deze vorderingen heeft [appellante] het volgende ten grondslag gelegd.

De overeenkomst is aangegaan onder een opschortende voorwaarde, namelijk dat de vergunning (lees: private overeenkomst) voor de weekmarkten zou worden overgeschreven. [appellante] heeft de gemeente gevraagd de private overeenkomst over te dragen aan [geïntimeerde] , maar daaraan heeft de gemeente niet willen meewerken. [appellante] stelt zich primair op het standpunt dat als gevolg van de weigering van de gemeente de opschortende voorwaarde is ingetreden en dient [geïntimeerde] de materialen aan [appellante] terug te geven. Subsidiair stelt [appellante] dat de e-mail van [geïntimeerde] van 7 juli 2016 moet worden gekwalificeerd als een buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst. Omdat [geïntimeerde] het materiaal niet vrijwillig wil teruggeven is het opleggen van een dwangsom noodzakelijk. [geïntimeerde] heeft (een deel van) de materialen te koop aangeboden zodat de noodzaak van de beslaglegging is gebleken en [geïntimeerde] de kosten hiervan dient te dragen.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] (in reconventie) gevorderd:

I. Het door [appellante] gelegde conservatoire beslag op het materiaal op te heffen en [appellante] op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag of dagdeel te veroordelen tot afgifte van het materiaal aan [geïntimeerde] ;

II. [appellante] te verbieden de door de gemeente aan haar verleende vergunning tot het houden van weekmarkten over te (laten) dragen op straffe van een dwangsom van € 100.000,-;

III. [appellante] te veroordelen om aan [geïntimeerde] bij wijze van voorschot te betalen een bedrag van € 50.000,-;

IV. Een zodanige voorziening te treffen als door de voorzieningenrechter in goede justitie geraden voorkomt;

met veroordeling van [appellante] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.4.

Aan deze vorderingen heeft [geïntimeerde] het volgende ten grondslag gelegd.

Het staat nog niet vast dat de gemeente de private overeenkomst niet aan [geïntimeerde] of [betrokkene] wil overdragen. [appellante] heeft zich hiervoor ook onvoldoende ingespannen. Indien [appellante] de private overeenkomst aan een derde overdraagt wordt [geïntimeerde] voor een voldongen feit en een onomkeerbare situatie geplaatst.

Door het handelen van [appellante] heeft [geïntimeerde] schade geleden en lijdt hij thans nog steeds schade. [appellante] heeft de huurpenningen over juni 2016 geïnd en gehouden en vanaf dat moment het plaatsen van marktkramen weer zelf gedaan. [geïntimeerde] begroot de schade die hij hierdoor lijdt op € 2.000,- per week. Daarbij komt dat [geïntimeerde] de door hem nieuw aangekochte zeilen door het beslag op de materialen niet kan gebruiken en hierdoor beschimmeld en van onwaarde zijn geraakt. [geïntimeerde] raamt de schade op € 30.000,-. [geïntimeerde] wil in het kader van deze procedure een voorschot op de door hem geleden en te lijden schade ontvangen van € 50.000,- .

3.2.5.

[appellante] heeft verweer gevoerd.

3.3.

De voorzieningenrechter heeft in het beroepen vonnis de vorderingen in conventie van [appellante] afgewezen. In reconventie heeft de voorzieningenrechter [appellante] verboden om de private overeenkomst met de gemeente aan een derde – anders dan [geïntimeerde] of [betrokkene] – over te dragen en/of te laten dragen op straffe van een dwangsom van

€ 25.000,-. Het gevorderde voorschot op de door [geïntimeerde] gestelde schade en de opheffing van het beslag heeft de voorzieningenrechter afgewezen.

3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep dertien grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen en [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling aan [appellante] van al hetgeen [appellante] op basis van het vonnis van 30 september 2016 aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, daaronder begrepen de wettelijke rente en nakosten.

Op het pleidooi heeft [appellante] de vordering tot terugbetaling aan [appellante] van al hetgeen [appellante] op basis van het vonnis van 30 september 2016 aan [geïntimeerde] heeft voldaan ingetrokken, zodat daarop niet door het hof zal worden beslist.

3.5.

[geïntimeerde] heeft in incidenteel appel vier grieven aangevoerd. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis – zo begrijpt het hof - voor wat betreft de afgewezen vorderingen in reconventie en tot het alsnog toewijzen van die vorderingen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties, daaronder begrepen de wettelijke rente en nakosten.

3.6.

Voorop wordt gesteld dat in hoger beroep het hof ambtshalve de spoedeisendheid van het belang van partijen bij de door hun in kort geding gevorderde maatregelen dient te toetsen. Hierbij is niet beslissend of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is.

Gebleken is dat [appellante] al dan niet met gebruikmaking van de in beslag genomen materialen haar activiteiten heeft voortgezet en marktkramen opzet ten behoeve van de wekelijkse markten in Eindhoven. Ook [geïntimeerde] heeft zijn werkzaamheden – het opzetten van kramen – voortgezet. Daarmee is het spoedeisend belang bij de vorderingen van partijen in deze procedure niet langer aanwezig, althans door partijen niet voldoende onderbouwd. Reeds op grond van het voorgaande dienen thans in hoger beroep de door partijen gevorderde maatregelen te worden afgewezen. .Dit brengt mee dat het vonnis dient te worden vernietigd ten aanzien van hetgeen in reconventie is toegewezen (7.5. tot en met 7.8.) en dat het voor het overige dient te worden bekrachtigd.

3.6.1.

Indien en voor zover zou moeten worden aangenomen dat partijen wel een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen en ter beoordeling van de proceskosten in eerste aanleg, overweegt het hof inhoudelijk als volgt.

3.7.1.

Met de grieven II, III en IV in principaal appel voert [appellante] in de kern aan dat de gemeente niet bereid is de private overeenkomst aan [geïntimeerde] en/of [betrokkene] over te dragen en dat de vorderingen van [geïntimeerde] onder II (het verbod de private overeenkomst aan een derde over te dragen, zie rov 3.2.3) alsnog dient te worden afgewezen.

3.7.2.

In hoger beroep heeft [appellante] als productie 6 een e-mail van [afdelingshoofd van de gemeente] , afdelingshoofd Kwaliteit, Beheer, Markten en Handhaving van de gemeente van 24 oktober 2016 overgelegd waarin onder meer staat: “De gemeente stemt niet in met overdracht van de overeenkomst aan de heer [geïntimeerde] . (…) Voorts is als productie 6 een e-mail van [afdelingshoofd van de gemeente] voornoemd van 25 oktober 2016 overgelegd waarin zij wederom verklaart dat de gemeente niet instemt met overdracht van de overeenkomst aan gedaagde.

Hieruit en uit de in eerste aanleg overlegde correspondentie met de gemeente volgt dat de gemeente niet bereid is de private overeenkomst aan [geïntimeerde] of [betrokkene] over te dragen. Daarmee is het belang van [geïntimeerde] bij zijn vordering te verbieden dat [appellante] de private overeenkomst met de gemeente aan een derde over te dragen en/of over te laten dragen komen te vervallen. De overeenkomst kan op dit punt niet langer worden nagekomen. De grieven van [appellante] slagen in zoverre en het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover deze vorderingen van [geïntimeerde] (het verbod en de dwangsom; 7.5. tot en met 7.8.) in reconventie zijn toegewezen, vernietigen en alsnog afwijzen.

3.8.1.

Met de grieven V tot en met XII in principaal appel voert [appellante] aan dat de voorzieningenrechter haar vorderingen in conventie ten onrechte heeft afgewezen.

3.8.2.

Partijen hebben op 8 maart 2016 een overeenkomst gesloten zoals hiervoor in rov. 3.1.1 onder d weergegeven. Over de uitleg van deze overeenkomst, meer in het bijzonder de koopsom – volgens [appellante] bedroeg deze € 150.000,- hetgeen door [geïntimeerde] wordt betwist – en de vraag wie de materialen die door [appellante] in beslag zijn genomen toekomen, verschillen partijen van mening.

Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] de in de overeenkomst genoemde materialen aan [geïntimeerde] heeft geleverd, dat [geïntimeerde] de eveneens in de overeenkomst genoemde € 15.000,- aan [appellante] heeft betaald en dat [geïntimeerde] daarnaast € 35.000,- in contanten aan [appellante] heeft betaald. Ook is niet in geschil dat de gemeente tot op heden niet is overgaan tot het overdragen van de private overeenkomst met [appellante] aan [geïntimeerde] en/of [betrokkene] .

Zoals het hof hiervoor in rov. 3.7.2 reeds heeft geoordeeld is inmiddels gebleken dat de gemeente hiertoe ook niet zal overgaan.

3.8.3.

Nu een deel van de overeenkomst niet meer kan worden nagekomen (het overdragen van de private overeenkomst) is het de vraag of de overeenkomst ten aanzien van de overdracht van de materialen in stand dient te blijven.

Evenals de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat de overeenkomst tussen partijen een opschortende voorwaarde bevat en dat, nu de gemeente niet over wil gaan tot het overdragen van de private overeenkomst aan [geïntimeerde] en/of [betrokkene] , [geïntimeerde] de materialen aan [appellante] dient terug te geven. De tekst van de overeenkomst biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Niet valt uit te sluiten dat de verkoop van de materialen los moet worden gezien van de overdracht van de private overeenkomst, zoals door [geïntimeerde] is betoogd.

Ter zitting in hoger beroep heeft het hof getracht meer duidelijkheid te krijgen over de voor de uitleg van de overeenkomst van belang zijnde verklaringen en gedragingen van partijen, maar is daarin niet geslaagd. Integendeel: de standpunten van partijen over hetgeen partijen tegenover elkaar hebben verklaard en hun gedragingen bleken nog verder uiteen te liggen dan in eerste aanleg.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] is het aan [appellante] , zoals deze ook ter zitting in hoger beroep heeft erkend, te bewijzen dat sprake is van een opschortende voorwaarde die niet in vervulling is gegaan zodat er geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. Het kort geding leent zich echter niet voor nadere bewijslevering. Gelet op het voorgaande is evenmin voorshands aannemelijk geworden dat [appellante] de materialen onverschuldigd aan [geïntimeerde] heeft gegeven.

De grieven V tot en met VIII en XII in principaal appel falen.

3.8.4.

Dat [geïntimeerde] de overeenkomst buitengerechtelijke heeft ontbonden in zijn e-mail van 7 juli 2016, zoals door [appellante] wordt gesteld, is door [geïntimeerde] betwist. Wat ook zij van de vraag of [geïntimeerde] de overeenkomst ten aanzien van de private overeenkomst heeft willen ontbinden, kan naar het voorlopig oordeel van het hof uit de bewoordingen van genoemde mail niet worden opgemaakt dat [geïntimeerde] de overeenkomst ten aanzien van de materialen heeft willen ontbinden. [geïntimeerde] schrijft immers dat hij een andere oplossing zal moeten vinden voor de door hem aangekochte materialen. Een ongedaanmakingsverplichting, die strekt tot teruggave van de materialen door [geïntimeerde] aan [appellante] , is voorshands niet aannemelijk geworden.

De grieven IX tot en met XI in principaal appel falen.

3.8.5.

Grief XII in principaal appel faalt eveneens. Uit de overeenkomst van 8 maart 2016 blijkt dat € 15.000,- is betaald voor overname van het materiaal. Meer of andere betalingen voor het materiaal zijn niet aannemelijk geworden. Bovendien heeft [appellante] niet aangegeven welke gevolgen zij verbindt aan haar stelling dat niet het volledig overeengekomen bedrag is betaald.

3.9.1.

Grief XIII in principaal appel ziet op de afwijzing van de gevorderde beslagkosten en de veroordeling in de proceskosten.

3.9.2.

Evenals de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] recht heeft op afgifte van de materialen. Dit zal in de inmiddels aanhangig gemaakte bodemprocedure moeten worden beslist. Voor toewijzing van de gevorderde beslagkosten bestaat dan ook geen grond.

3.10.

[appellante] heeft op het pleidooi in hoger beroep nieuwe stellingen aangevoerd en de overeenkomst vernietigd op grond van dwaling. [appellante] heeft ten aanzien van het beroep op dwaling slechts aangevoerd dat hiervan sprake is indien de overeenkomst zo moet worden geïnterpreteerd zoals [geïntimeerde] stelt. In het kader van dit kort geding kan niet worden vastgesteld of laatstgenoemde stelling van [geïntimeerde] juist is. Dat vennoot mevrouw [appellante] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet bevoegd zou zijn, is niet nader door [appellante] onderbouwd. Het hof is voorshands van oordeel dat [appellante] deze nieuwe stellingen, gelet op de betwisting door [geïntimeerde] , onvoldoende heeft onderbouwd zodat hieraan voorbij wordt gegaan.

3.11.

Nu de vorderingen van [appellante] ook inhoudelijk in hoger beroep worden afgewezen, zal het vonnis in conventie worden bekrachtigd en ziet het hof geen aanleiding om de proceskostenveroordeling van [appellante] in conventie te vernietigen.

3.12.

Met grief II in incidenteel appel voert [geïntimeerde] aan dat het beslag op de materialen dient te worden opgeheven. Gelet op hetgeen het hof hiervoor over de uitleg van de overeenkomst heeft overwogen, heeft [geïntimeerde] niet aannemelijk gemaakt dat het beslag onrechtmatig is. In de bodemprocedure dient onderzoek te worden gedaan naar de feiten en dient geoordeeld te worden over de uitleg van de overeenkomst. Hoe de rechter in de bodemzaak zal beslissen is thans onzeker. Dat [appellante] geen aanspraak zou kunnen maken op afgifte van de materialen is daarmee in dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden. De grief faalt.

3.13.

Gelet op het voorgaande dient ook grief III in incidenteel appel – gericht tegen de afwijzing van het gevorderde voorschot op de door [geïntimeerde] gestelde schade - te falen. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen is terughoudendheid op zijn plaats met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom. Voorshands is onvoldoende aannemelijk geworden dat het door [appellante] gelegde beslag ondeugdelijk is. Daarmee is eveneens onvoldoende aannemelijk geworden dat [appellante] schadeplichtig is jegens [geïntimeerde] voor het niet kunnen beschikken over de materialen.

3.14.

Met grief IV komt [geïntimeerde] op tegen de compensatie van de proceskosten in reconventie. De grief faalt. Het hof heeft in dit hoger beroep het door [geïntimeerde] gevorderde verbod tot overdracht van de private overeenkomst alsnog afgewezen. Het hof ziet hierin aanleiding om [geïntimeerde] alsnog in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie te veroordelen. Grief XIII in principaal appel slaagt in zoverre. Het vonnis in reconventie onder 7.9. zal daarom in zover worden vernietigd.

3.15.

Het hof ziet, nu partijen over en weer op punten in het principaal appel in het ongelijk zijn gesteld, aanleiding om de kosten van het principaal appel te compenseren en [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep in incidenteel appel, aangezien [geïntimeerde] in het incidenteel appel geheel in het ongelijk is gesteld.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de veroordelingen in reconventie onder 7.5. tot en met 7.8. en voor zover de voorzieningenrechter in 7.9. de proceskosten in reconventie heeft gecompenseerd tussen partijen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen in reconventie onder II, zoals hierboven omschreven onder 3.2.3., van [geïntimeerde] alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg in reconventie en begroot die kosten op

€ 1.104,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

compenseert de proceskosten in principaal appel in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in incidenteel appel, en begroot die kosten op € 1.341,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, E.A.M. van Oorschot en J.M.H. Evers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 juni 2017.

griffier rolraadsheer