Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2770

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
20-001125-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van het feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, meermalen gepleegd. Frauderen in het kader van een subsidieprogramma van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Schakelbewijs op basis van onder andere overeenkomstige modus operandi. Vordering benadeelde partij: samenloop met bestuursrechtelijk traject waarbij subsidiebeschikkingen zijn ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001125-16

Uitspraak : 20 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 1 april 2016 in de strafzaak met parketnummer 03-995011-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank het primair ten laste gelegde (kort gezegd: het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, meermalen gepleegd) bewezen verklaard en de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en verwezen in de proceskosten.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding.

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring, kwalificatie en strafoplegging dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

de besloten vennootschap [bedrijf verdachte] , in elk geval een rechtspersoon, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 mei 2012 tot en met 12 maart 2013 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken van een of meer vals(e) of vervalst(e) Verklaring(en) aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, waaronder respectievelijk/te weten:

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 1] , met contactpersoon [contactpersoon 1] (D-012, p. 244) en/of

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 2] , met contactpersoon [contactpersoon 2] (D-028, p. 604) en/of

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 3] , met contactpersoon [contactpersoon 3] (D-023, p. 478) en/of

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 4] , met contactpersoon [contactpersoon 4] (D-013, p. 288) en/of

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 5] , met contactpersoon [contactpersoon 5] (D-032, p. 706), (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, en bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin dat de rechtspersoon en/of zijn mededader(s) (telkens) bovengenoemd(e) Verklaring(en) heeft/hebben ingediend bij Agentschap NL (thans genaamd Rijksdienst voor Ondernemend Nederland), bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat op bovengenoemd(e) Verklaring(en) (telkens) (een) (gescande en/of gekopieerde en/of valse) handtekening(en) was/waren geplaatst, die moest(en) doorgaan voor de handtekening(en) van de aanvrager(s)/ontvanger(s) en/of in/met bovengenoemd(e) Verklaring(en) (telkens) werd voorgewend dat de aanvrager(s)/ontvanger(s) verklaart/verklaren dat de uitgevoerde mobiliteitsscan of het implementatieproject naar behoren is uitgevoerd door de mobiliteitsonderneming, tot welk feit hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven;


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


de besloten vennootschap [bedrijf verdachte] , in elk geval een rechtspersoon, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 mei 2012 tot en met 12 maart 2013 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (personeel/medewerkers van) Agentschap NL (thans genaamd Rijksdienst voor Ondernemend Nederland), (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van (een) subsidiebedrag(en) van (telkens) EUR 1.500,- (tot een totaalbedrag van circa EUR 42.000,-), in elk geval van enig goed/geldbedrag, immers heeft/hebben de rechtspersoon en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, ten aanzien van Agentschap NL een of meer Verklaring(en) aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher ingediend en/of doen indienen, waaronder respectievelijk:

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 1] , met contactpersoon [contactpersoon 1] (D-012, p. 244) en/of

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 2] , met contactpersoon [contactpersoon 2] (D-028, p. 604) en/of

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 3] , met contactpersoon [contactpersoon 3] (D-023, p. 478) en/of

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 4] , met contactpersoon [contactpersoon 4] (D-013, p. 288) en/of

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 5] , met contactpersoon [contactpersoon 5] (D-032, p. 706), waarop (telkens) (een) (gescande en/of gekopieerde en/of valse) handtekening(en) was/waren geplaatst, die moest(en) doorgaan voor de handtekening(en) van de aanvrager(s)/ontvanger(s) en/of waarin/waarmee (telkens) werd voorgewend dat de aanvrager(s)/ontvanger(s) verklaart/verklaren dat de uitgevoerde mobiliteitsscan of het implementatieproject naar behoren is uitgevoerd door de mobiliteitsonderneming, waardoor (personeel/medewerkers van) Agentschap NL, telkens werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n), tot welk feit hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

de besloten vennootschap [bedrijf verdachte] , in de periode van 30 mei 2012 tot en met 12 maart 2013 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse Verklaringen aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, te weten:

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 1] , met contactpersoon [contactpersoon 1] en

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 2] , met contactpersoon [contactpersoon 2] en

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 3] , met contactpersoon [contactpersoon 3] en

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 4] , met contactpersoon [contactpersoon 4] en

- Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher, voor de onderneming [bedrijf 5] , met contactpersoon [contactpersoon 5] ,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat geschrift telkens echt en onvervalst en bestaande dat gebruikmaken telkens hierin dat de rechtspersoon bovengenoemde verklaringen heeft ingediend bij Agentschap NL (thans genaamd Rijksdienst voor Ondernemend Nederland),

bestaande die valsheid hierin dat op bovengenoemde verklaringen telkens een gescande of gekopieerde handtekening was geplaatst, die moest doorgaan voor de handtekening van de aanvrager/ontvanger en met bovengenoemde verklaringen telkens werd voorgewend dat de aanvrager/ontvanger verklaart dat de uitgevoerde mobiliteitsscan naar behoren is uitgevoerd door de mobiliteitsonderneming,

aan welke verboden gedraging hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat het door de verdachte ingeschakelde bedrijf [naam acquisitiebedrijf] mogelijk de tevredenheidsverklaringen valselijk heeft opgemaakt. [naam acquisitiebedrijf] was door de verdachte ingeschakeld voor het telefonisch (laten) regelen van afspraken met potentiële opdrachtgevers. Indien een afspraak tot stand kwam en een nieuwe opdrachtgever was geacquireerd, stuurde de verdachte digitaal stukken met betrekking tot het subsidieprogramma van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (met welke uitvoering Agentschap NL, een onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken, was belast) aan [naam acquisitiebedrijf] toe. Bij die stukken bevond zich ook de aanvraag voor de voucher, in te dienen door de opdrachtgever. Indien de stukken in het kader van de afhandeling van de subsidieaanvraag (waaronder de zogeheten tevredenheidsverklaring) niet van de opdrachtgever retour kwamen, zou [naam acquisitiebedrijf] zorgen dat deze (alsnog) getekend aan de verdachte werden toegestuurd, aldus de verdediging. De verdachte heeft die stukken van (door [naam acquisitiebedrijf] aangedragen) opdrachtgevers vervolgens digitaal ontvangen en vervolgens zonder enige controle zelf ingediend bij het agentschap.

Gelet op deze gang van zaken is het volgens de verdediging mogelijk dat [naam acquisitiebedrijf] de gekopieerde of ingescande handtekeningen op de tevredenheidsverklaringen heeft geplaatst. De ten laste gelegde handelingen zijn in ieder geval niet door de verdachte verricht, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het door de verdediging opgeworpen alternatieve scenario, kort gezegd inhoudende dat medewerkers van het door de verdachte ingeschakelde bedrijf [naam acquisitiebedrijf] de tevredenheidsverklaringen valselijk hebben opgemaakt, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. De verdediging heeft deze stelling op geen enkele manier nader onderbouwd. De verdediging heeft eerst ter terechtzitting in hoger beroep de stelling betrokken dat [naam acquisitiebedrijf] zich eveneens bezig hield met de afhandeling van de mobiliteitsscans, terwijl in eerste aanleg slechts is verklaard over de acquisitie- en callcenterfunctie van dat bedrijf. Anders dan de raadsman bij pleidooi heeft betoogd, vindt zijn stelling geen steun in de overgelegde brief d.d. 20 januari 2012 van [naam acquisitiebedrijf] aan de verdachte. Daaruit komt juist naar voren dat slechts sprake is geweest van het maken van bezoekafspraken met potentiële cliënten. Mitsdien faalt het verweer.

Met betrekking tot het vijfde ten laste gelegde dossier inzake [bedrijf 5] overweegt het hof als volgt.

Het ‘Vaststellingformulier Subsidieprogramma Mobiliteitsvouchers’, gedateerd 10 september 2012, ingevuld en ondertekend door de verdachte, heeft betrekking op de subsidieaanvraag ten behoeve van [bedrijf 5] (dossierpagina 703 e.v.). De ontvanger van de voucher is [contactpersoon 5] , directeur van [bedrijf 5] . Hij heeft de verdachte gemachtigd tot het doen van de subsidieaanvraag (dossierpagina 702). De handtekening die de directeur onder de machtiging heeft gezet is volkomen identiek aan de handtekening die te zien is op de ‘Verklaring aanvrager/ontvanger van een kleine of grote mobiliteitsvoucher’ (de tevredenheidsverklaring).

In de dossiers van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] zijn de contactpersonen gehoord. Zij hebben ieder verklaard dat zij de subsidieaanvraag c.q. de machtiging daartoe hebben ingevuld en/of ondertekend, maar geen handtekening hebben gezet onder de tevredenheidsverklaring. In het geval van [bedrijf 5] is contactpersoon [contactpersoon 5] niet als getuige gehoord. Het hof is evenwel van oordeel dat de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de subsidieaanvraag en tevredenheidsverklaring in het dossier van [bedrijf 5] op essentiële punten overeenkomsten vertoont met de feitelijke gang van zaken in de dossiers van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] . Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de modus operandi – zoals hiervoor weergegeven – vrijwel identiek is en het een feit van algemene bekendheid is dat het vrijwel onmogelijk is om twee exact dezelfde handtekeningen te plaatsen. Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dan dat het de verdachte is geweest die onder de tevredenheidsverklaring van [bedrijf 5] een gekopieerde of ingescande handtekening heeft geplaatst.

Het hof acht derhalve, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte (als enige persoon werkzaam binnen de onderneming) is geweest die telkens opzettelijk de valselijk opgemaakte tevredenheidsverklaringen namens [bedrijf verdachte] B.V. heeft ingediend. In zijn hoedanigheid van enig aandeelhouder en bestuurder heeft hij aan die verboden gedragingen feitelijk leiding gegeven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het frauderen met zogenaamde ‘tevredenheidsverklaringen’ in het kader van een subsidieprogramma van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Het subsidieprogramma was als volgt vormgegeven. Bedrijven konden een mobiliteitsvoucher aanvragen. Na toekenning van de voucher konden deze bedrijven door een door het ministerie aangewezen adviseur een scan laten uitvoeren teneinde hun mobiliteitsbeleid te optimaliseren. [bedrijf verdachte] B.V. was een van deze adviseurs en heeft in de meerderheid van de gevallen de mobiliteitsscan ook daadwerkelijk verricht. Na de uitgevoerde scan kon de voucher door de adviseur worden gedeclareerd, waarna Agentschap NL (dat het subsidieprogramma uitvoerde) rechtstreeks een bedrag aan de adviseur betaalde. Eén van de voorwaarden voor uitbetaling was dat een bedrijf na ontvangst van de scan een tevredenheidsverklaring ondertekende en die aan de adviseur verstrekte.

In de bewezenverklaarde gevallen werd de tevredenheidsverklaring evenwel niet door de opdrachtgever van een handtekening voorzien, maar door de verdachte. Daarbij maakte hij gebruik van gekopieerde of ingescande handtekeningen van de opdrachtgevers. Op die manier werd voorgewend dat de opdrachtgever tevreden was over het advieswerk. Deze valselijk opgemaakte tevredenheidsverklaringen zijn door de verdachte ingediend bij het genoemde agentschap. Op basis van die verklaringen heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu vervolgens telkens ten onrechte een bedrag van € 1.500,00 uitgekeerd.

Door deze handelswijze heeft de verdachte het vertrouwen dat in het algemeen in geschriften met een bewijsbestemming moet kunnen worden gesteld, geschonden. Hij heeft zich onrechtmatig verrijkt ten koste van publieke middelen. Daarnaast kan dergelijke subsidiefraude ertoe leiden dat subsidieverstrekking aan maatschappelijk nuttige projecten wordt verminderd. Voorts leidt dergelijk gedrag er veelal toe dat meer kostenverhogende controlemomenten in subsidieprogramma’s worden ingebouwd.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Daarbij komt dat de verdachte, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, de kwalijkheid van zijn gedrag nog steeds niet inziet.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 maart 2017, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezen verklaarde niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Al hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht, legt tegenover de ernst van het feit onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

De benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 37.750,00 wegens onterecht verleende subsidies. De benadeelde partij is door de rechtbank bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Voorts is zij verwezen in de proceskosten aan de zijde van de verdachte.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Door middel van een wensenformulier d.d. 25 november 2016 heeft zij te kennen gegeven haar vordering wegens gedeeltelijke voldoening te verlagen tot een bedrag van € 35.000,00. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van de benadeelde partij de vordering verder verlaagd en wel tot een bedrag van € 33.500,00.

Het gevorderde heeft betrekking op onterecht verleende subsidiebedragen in 31 dossiers waarnaar strafrechtelijk onderzoek is verricht. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de subsidiebeschikkingen die aan [bedrijf verdachte] B.V. zijn verleend, zijn ingetrokken. Tegen die intrekkingen is beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is ongegrond verklaard. Na het onherroepelijk worden van de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 januari 2015 onder nummers AWB 13/3789, AWB 14/1235 en AWB 14/3790 zijn de intrekkingsbeschikkingen rechtens onaantastbaar geworden. Derhalve heeft de benadeelde partij reeds op die grondslag een bestuursrechtelijke titel tot verhaal van de gestelde schade. Bovendien is gebleken dat tussen partijen een terugbetalingsregeling overeen is gekomen en dat daaraan uitvoering wordt gegeven.

Hoewel het voorgaande er niet aan in de weg staat dat de benadeelde partij zich voegt in het strafproces teneinde een civielrechtelijke titel te verkrijgen jegens de verdachte als bestuurder van [bedrijf verdachte] B.V., is het hof van oordeel dat een behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Het Openbaar Ministerie heeft er immers voor gekozen slechts 5 van de 31 zaken waarnaar onderzoek is gedaan ten laste te leggen. Zoals hiervoor is overwogen heeft het hof die 5 dossiers opgenomen in de bewezenverklaring. Op voorhand is niet eenvoudig vast te stellen welk deel van de vordering – die betrekking heeft op het totaalbedrag aan onterecht verleende subsidies in alle 31 zaken – ziet op genoemde 5 dossiers en hoe de reeds terugbetaalde bedragen zich daartoe verhouden.

Bij die stand van zaken kan de benadeelde partij thans niet in haar vordering worden ontvangen. Zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts ziet het hof geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. Mitsdien zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;

bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verklaart de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

compenseert de proceskosten aldus dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door:

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. drs. P. Fortuin en mr. J. Platschorre, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 20 juni 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.