Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2763

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
15/01217
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6581, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rioolheffing. Onderscheid in de verordening tussen gebruikers van woningen en niet-woningen levert geen schending van het discriminatieverbod op. Artikel 228a van de Gemeentewet biedt aan gemeenten de ruimte om de rioolheffing met een zekere ruwheid vorm te geven. Het staat een gemeente vrij om, zoals de gemeente Oosterhout hier heeft gedaan, gebruikers van onroerende zaken in de rioolheffing te betrekken naar een vast bedrag per perceel bij een hoeveelheid afgevoerd water van maximaal 500 m3. Daarmee blijft de gemeente binnen de haar door de wetgever verleende vrijheid, en maakt zij evenmin inbreuk op het verbod van discriminatie uit artikel 1 van de Grondwet (zie Hoge Raad 4 november 2016, nr. 15/03647, ECLI:NL:HR:2016:2495, BNB 2017/26).

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 228a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1928
V-N 2017/49.21.3
Belastingblad 2017/368
Viditax (FutD), 17-08-2017
FutD 2017-2097
NTFR 2017/2262 met annotatie van
NLF 2017/2059 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01217

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats 1] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 7 oktober 2015, nummer AWB 15/6357 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna vermelde aanslag rioolheffing.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag rioolheffing (gebruikersdeel) van € 684 opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Heffingsambtenaar is gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende geen griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende geen griffierecht geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 10 maart 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de Heffingsambtenaar, de heren [A] en [B] . Belanghebbende noch zijn gemachtigde is verschenen, waarvan belanghebbendes gemachtigde voor de zitting het Hof kennis heeft gegeven.

Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de zaken 15/01216, 15/01217 en 15/01341 tot en met 15/01344.

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak [adres] 12 te [plaats 2] . De onroerende zaak betreft een winkel.

2.2.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 28 februari 2014 een aanslag rioolheffing (gebruikersdeel) opgelegd van € 684.

2.3.

Belanghebbende is niet gehoord in bezwaar.

2.4.

De Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing Oosterhout 2014 (hierna: de Verordening) luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 1 Begripsomschrijving

Deze verordening verstaat onder:

(…)

d. woning: een perceel dient in hoofdzaak tot woning als de waarde, die volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het perceel is vastgesteld, in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning of volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

(…)

Artikel 5 Maatstaf van heffing

1. Per perceel wordt een vast bedrag aan belasting geheven.

2. Onverminderd het bepaalde in lid 1, wordt de belasting voor percelen die niet tot woning dienen verhoogd voor het aantal kubieke meters water dat vanaf 501 kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.

(…)

Artikel 6 Belastingtarieven

1. De belasting als bedoeld in artikel 5, lid 1, bedraagt per perceel, per jaar:

a. voor een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient € 192,00

b. voor een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient € 684,00

2. Het tarief van de belasting als bedoeld in artikel 5, lid 2, bedraagt voor een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient, bij een hoeveelheid afgevoerd water van 501 m3 tot 50.000 m3, per m3 boven de eerste 500 m3 € 0,87”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel?

II. Heeft de Rechtbank de schending van de hoorplicht mogen passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)?

Belanghebbende is van mening dat de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Rioolheffing

4.1.

Op het aanslagbiljet staat vermeld dat het belastingobject een woonruimte betreft. Partijen gaan er echter vanuit dat de aanslag is opgelegd naar een tarief voor een niet-woning. Gelet op het bedrag van de aanslag en de in de Verordening vermelde tarieven, volgt het Hof dit eensluidende standpunt van partijen.

4.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het onderscheid in de Verordening tussen woningen en niet-woningen een niet-gerechtvaardigde discriminatie vormt, omdat wat betreft de op het riool afgevoerde afvalstroom vanuit het bedrijf van belanghebbende, geen sprake is van enig verschil met afvalstromen van reguliere huishoudens. Om die reden meent belanghebbende dat de Verordening onverbindend is en dat de aanslag moet worden vernietigd.

4.3.

De Heffingsambtenaar stelt dat de gemeente een beleidsvrijheid heeft om te kiezen hoe zij de belastingheffing wil omslaan over de belastingplichtigen en vrij is om daar een tariefstructuur voor vast te stellen.

4.4.

Tot en met 2012 betaalden bedrijven rioolheffing op basis van het aantal medewerkers. Met ingang van 2013 is gekozen voor een andere systematiek en betalen bedrijven op basis van geloosde kubieke meters afvalwater, waarbij een vast bedrag geldt tot en met 500 m3. In het coalitieakkoord 2014-2018 heeft de gemeente besloten om de totale kosten van de riolering in de verhouding 70/30 te verdelen over woningen en niet-woningen. Dit heeft voor de aanslag 2014 geen gevolgen.

4.5.

Het Hof stelt voorop dat artikel 228a van de Gemeentewet aan gemeenten de ruimte biedt om de rioolheffing met een zekere ruwheid vorm te geven. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, is aan de gemeenten namelijk een grote vrijheid verleend bij die vormgeving. Die vrijheid betreft het bepalen van de belastingplichtige, de heffingsgrondslag, als ook de heffingsmaatstaf. Zo hoeft de heffingsmaatstaf bij een heffing als de onderhavige niet gerelateerd te zijn aan de hoeveelheid afvalwater die vanuit de percelen wordt geloosd of aan de omvang van de daardoor in individuele gevallen opgeroepen kosten (vgl. Hoge Raad 15 mei 2009, nr. 07/13148, ECLI:NL:HR:2009:BD5477, BNB 2009/208). Evenmin behoeft de gemeente onderscheid te maken naar de waarde van de onroerende zaak. Het staat een gemeente eveneens vrij om, zoals de gemeente Oosterhout hier heeft gedaan, gebruikers van onroerende zaken in de onderhavige rioolheffing te betrekken naar een vast bedrag per perceel bij een hoeveelheid afgevoerd water van maximaal 500 m3. Daarmee blijft de gemeente binnen de haar door de wetgever verleende vrijheid, en maakt zij evenmin inbreuk op het verbod van discriminatie uit artikel 1 van de Grondwet (zie Hoge Raad 4 november 2016, nr. 15/03647, ECLI:NL:HR:2016:2495, BNB 2017/26).

4.6.

Belanghebbende stelt in wezen dat de gemeente de hiervóór bedoelde beleidsvrijheid heeft overschreden. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat de gemeente de hiervóór bedoelde beleidsvrijheid heeft overschreden door een onderscheid te maken tussen woningen en niet-woningen. Het enkele feit dat in belanghebbendes geval de omvang van de hoeveelheid afvalwater vergelijkbaar is met de hoeveelheid afvalwater van een woning, is daartoe onvoldoende. Het gaat om de vraag of de gemeente met het gemaakte onderscheid tussen woningen en niet-woningen voormelde beleidsvrijheid heeft overschreden. Tot een verdere differentiatie binnen de groep ‘niet-woningen’ is de gemeente niet gehouden.

4.7.

Gelet op het voorgaande faalt de eerste stelling.

Schending hoorplicht

4.8.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat weliswaar sprake is van schending van de hoorplicht, maar dat aan deze schending met toepassing van artikel 6:22 van de Awb voorbij kan worden gegaan. Belanghebbende bestrijdt dit oordeel en stelt daartoe dat hij wel degelijk is geschaad in het niet horen in de bezwaarfase.

4.9.

Het Hof stelt voorop dat – zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting – belanghebbende heeft ingestemd met finale geschilbeslechting door de Rechtbank wat betreft de aanslag rioolheffing. Nu belanghebbende ter zitting van de Rechtbank een beroep op terugwijzing naar de Heffingsambtenaar uitdrukkelijk heeft prijsgegeven, kan belanghebbende daar in hoger beroep niet meer op terugkomen.

4.10.

Dan komt de vraag op of de Rechtbank aan de schending van de hoorplicht andere gevolgen had moeten verbinden, bijvoorbeeld in de vorm van een toekenning van een proceskostenvergoeding. Het Hof wijst er op dat de WOZ-beschikking en de aanslag rioolheffing op één aanslagbiljet zijn opgenomen. Gelet op het arrest Hoge Raad 12 april 2013, nr. 12/02674, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, BNB 2013/122, is voor de toepassing van artikel 7:15 van de Awb, sprake van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten. Een logisch gevolg daarvan is, dat er dan ook sprake is van één beroep. Aangezien in de uitspraak van de Rechtbank met kenmerk AWB 15/1724, inzake de WOZ-beschikking, reeds vergoeding van proceskosten is toegekend voor het instellen van beroep en het verschijnen ter zitting, bestaat er geen reden meer om ter zake van de aanslag rioolheffing nog een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Slotsom

4.11.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 15 juni 2017 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P. Fortuin en M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.