Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2743

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
200.212.557_01 en 200.212.760_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3692
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:1467
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

810a RV

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen) 810a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 15 juni 2017

Zaaknummers : 200.212.557/01 ( [appellant in zaaknummer 200.212.557_01] ) en 200.212.760/01 ( [appellante in zaaknummer 200.212.760_01] )

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/309466 / FA RK 16-3173

in de zaken in hoger beroep van:

[appellant in zaaknummer 200.212.557_01] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in de zaak met nummer 200.212.557/01,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Erkens,

en

[appellante in zaaknummer 200.212.760_01] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in de zaak met nummer 200.212.760/01,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.F.P. Scheele,

de moeder en de vader hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden in beide zaken worden aangemerkt:

- Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen: de GI,

- [pleegvader] en [pleegmoeder] ,

wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de pleegvader respectievelijk de pleegmoeder, tezamen de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg voor beide zaken naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 december 2016, bekend onder bovengenoemd zaaknummer. De rechtbank heeft bij deze – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking het ouderlijk gezag van de ouders over de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige 1] beëindigd. Daarbij heeft de rechtbank de GI benoemd tot voogd over [minderjarige 1] .

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met nummer 200.212.557/01 ( [appellant in zaaknummer 200.212.557_01] )

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 maart 2017, heeft de vader verzocht om voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de raad niet-ontvankelijk te verklaren of het verzoek af te wijzen.

In de zaak met nummer 200.212.760/01 ( [appellante in zaaknummer 200.212.760_01] )

2.2.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 maart 2017, heeft de moeder verzocht om voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad af te wijzen.

2.3.

Bij het hof is voorts het volgende stuk binnengekomen:

- een journaalbericht van 12 april 2017 met bijlagen van de zijde van de moeder, ingekomen

ter griffie op 13 april 2017.

2.4.

Na de mondelinge behandeling is op 1 juni 2017 ingekomen een brief van de GI van 31 mei 2017, met een bijlage. Nu het hof geen toestemming heeft gegeven na de mondelinge behandeling nog stukken in te zenden, slaat het hof op die brief met bijlage geen acht.

In beide zaken

2.5.

Gelet op de onderlinge samenhang van beide zaken heeft het hof beide zaken gevoegd, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en daarin gelijktijdig zal worden beslist.

2.6.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 mei 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- mr. Erkens namens de vader;

- de moeder, bijgestaan door mr. Scheele;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] (de voogd van [minderjarige 1] ).

De vader en de pleegouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.7.

Tijdens de mondelinge behandeling is van de zijde van zowel de vader als de moeder alsnog een subsidiair verzoek gedaan tot het gelasten van een deskundigenonderzoek op de voet van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Van de zijde van zowel de vader als de moeder zijn schriftelijke pleitaantekeningen in het geding gebracht.

3 De beoordeling in beide zaken

3.1.

Uit de (verbroken) affectieve relatie tussen de ouders is te ’ [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007 geboren [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ). De moeder was van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . Op grond van een daartoe op verzoek van de ouders geplaatste aantekening in het gezagsregister is de vader sinds 19 november 2015 belast geweest met het medegezag over [minderjarige 1] .

3.2.

Uit de relatie tussen de ouders is tevens geboren, op [geboortedatum] 2003 te ’ [geboorteplaats] , [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ). Uit een latere (eveneens verbroken) relatie van de moeder met een andere man is geboren op [geboortedatum] 2012 te ’ [geboorteplaats] [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ).

3.3.

Bij beschikkingen van de rechtbank ’s-Hertogenbosch (thans: Oost-Brabant) van 27 maart 2012 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI.

De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] is voor het laatst verlengd bij beschikking van 7 april 2016 en wel voor de duur van een jaar, tot 13 april 2017.

[minderjarige 2] en [minderjarige 3] staan nog steeds onder toezicht van de GI.

3.4.

Op 27 maart 2012 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , die op dat moment bij de moeder woonden, uithuisgeplaatst krachtens een daartoe bij beschikking van de rechtbank van die datum verleende machtiging. [minderjarige 3] is op een later moment in 2012 op basis van een machtiging uithuisgeplaatst. Na een tweetal pleegzorgplaatsingen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op basis van een daartoe verleende machtiging in juni 2013 uithuisgeplaatst bij de vader. Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 16 april 2014 machtiging verleend tot plaatsing van [minderjarige 1] in een verblijf pleegouder 24-uurs en tot plaatsing van [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin.

[minderjarige 1] verblijft sinds omstreeks 16 april 2014 bij de huidige pleegouders, een perspectief biedend pleeggezin.

[minderjarige 2] verblijft sinds 20 oktober 2016 weer bij de moeder nadat de rechtbank bij beschikking van 6 oktober 2016 de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] met ingang van eerstgenoemde datum had beëindigd.

[minderjarige 3] is nog uithuisgeplaatst.

3.5.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank op verzoek van de raad het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige 1] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. De vader noch de moeder kan zich met die beslissing verenigen.

3.6.

De vader voert in het beroepschrift, zoals door zijn advocaat aangevuld ter zitting, kort samengevat het volgende aan. Het besluit van de raad tot het doen van een verzoek om een gezagsbeëindigende maatregel voldoet niet aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals een zorgvuldige voorbereiding, een evenredige belangenafweging en een deugdelijke motivering. Zo is de thuisplaatsing van [minderjarige 2] , die plaatsvond nadat het raadsonderzoek al volledig was afgerond, niet in het onderzoek van de raad betrokken. Ondanks een verzoek van de advocaat van de vader daartoe, heeft geen nieuw onderzoek plaatsgevonden naar aanleiding van de nieuwe, positieve ontwikkelingen rond [minderjarige 2] . Ook de groei van de moeder is door de raad niet onderkend, is niet nader onderzocht en is niet, althans niet kenbaar, meegenomen in de afweging en de besluitvorming. Voorts is de situatie van de vader onvoldoende onderzocht. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelden zich goed in de periode dat zij bij de vader woonden. De positieve ontwikkelingen bij de moeder, de goede band en de ruime omgangsregeling van [minderjarige 1] met de ouders, de acceptatie van de plaatsing en de wens van [minderjarige 1] zelf dienen te worden meegewogen. De vader betoogt dat hij en de moeder wel degelijk in staat zijn om het ouderlijk gezag uit te oefenen. Niet gesteld kan worden dat zonder meer sprake is van een situatie waarin de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding voor [minderjarige 1] kunnen dragen. Er zijn juist aanwijzingen dat de ouders wel over voldoende draagkracht beschikken om de zorg voor [minderjarige 1] weer op zich te nemen. Ook verwijst de vader naar het recht en het belang van [minderjarige 1] om door haar eigen ouders te worden opgevoed. Ter zitting heeft de advocaat van de vader betoogd dat de vader samen met de moeder het gezamenlijk gezag wenst te behouden, maar dat de dagelijkse zorg voor [minderjarige 1] bij de moeder dient te liggen. De vader verlangt niet dat [minderjarige 1] weer bij hem komt wonen.

Tot slot heeft de advocaat van de vader ter zitting het hof (subsidiair) verzocht een onderzoek ex artikel 810a lid 2 Rv te gelasten.

3.7.

De moeder voert in haar beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat het volgende aan. De moeder betwist allereerst dat het besluit van de raad voldoet aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals een zorgvuldige voorbereiding, een evenredige belangenafweging en een deugdelijke motivering. Zo heeft de raad nagelaten om de thuisplaatsing van [minderjarige 2] in zijn onderzoek en besluit mee te wegen. Voorts heeft de raad geen eigen onafhankelijk onderzoek gedaan, maar zijn besluit enkel gebaseerd op gedateerde informatie van de GI en gesprekken met betrokkenen. Ook speelt ten onrechte de groei die de moeder heeft doorgemaakt geen rol in het rapport van de raad. [minderjarige 2] zou niet bij haar zijn teruggeplaatst, als zij niet voor [minderjarige 2] zou kunnen zorgen. Het feit dat zij met [minderjarige 2] nog ondersteuning nodig heeft, doet daaraan niet af. Zij is in staat te herkennen wanneer [minderjarige 2] hulp nodig heeft en komt daar dan ook voor uit. De moeder zegt (in de toekomst) met de problematiek van [minderjarige 1] te kunnen omgaan. Zij verwijst naar de resultaten uit het onderzoek door Keinder Diagnostisch Centrum te [vestigingsplaats] dat erg positief over haar zou zijn en ook over de wijze waarop zij met de problematiek van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] omgaat. De moeder zegt in staat te zijn om ook hulpvragen van [minderjarige 1] te herkennen en daar zo nodig hulp voor in te schakelen.

De conclusie dat de aanvaardbare termijn ten aanzien van [minderjarige 1] is verstreken is onjuist, aldus de moeder. [minderjarige 2] woont al weer geruime tijd bij haar en dat gaat goed. Uitsluitend de overweging dat [minderjarige 1] kwetsbaar zou zijn, rechtvaardigt niet dat haar vroegtijdig de kans wordt ontnomen om, net als [minderjarige 2] , weer met haar moeder herenigd te worden. Zij heeft het recht door haar eigen ouders te worden opgevoed. Zij verzoekt niet om directe thuisplaatsing van [minderjarige 1] , maar zij wil wel aan de mogelijkheid van thuisplaatsing werken. Het feit dat [minderjarige 1] in het pleeggezin de mogelijkheid heeft gekregen zich te ontwikkelen, maakt niet dat de moeder niet meer voor haar kan zorgen. [minderjarige 1] uit ook steeds vaker de wens naar huis te willen. Er is een ruime omgangsregeling. [minderjarige 1] brengt een heel weekend per drie weken samen met de moeder en [minderjarige 2] door en zij heeft ter gelegenheid van de carnavalsvakantie 2017 tien dagen met hen doorgebracht. [minderjarige 1] ziet dat [minderjarige 2] thuis woont; [minderjarige 1] wil dit ook.

Ter zitting heeft de moeder het hof (subsidiair) verzocht om een onderzoek ex artikel 810a lid 2 Rv te gelasten. De moeder voert aan dat er tot nu toe geen diagnostisch onderzoek is gedaan naar haar mogelijkheden tot verzorging en opvoeding van – specifiek – [minderjarige 1] en dat ook de mogelijkheden van [minderjarige 1] zelf in dit kader nooit goed zijn onderzocht.

3.8.

De raad voerde ter zitting – kort samengevat – het volgende aan. Als [minderjarige 2] ten tijde van het onderzoek van de raad reeds bij de moeder thuis zou zijn geplaatst, dan had de raad deze ontwikkeling uiteraard in het onderzoek betrokken. Dit zou echter niet hebben geleid tot een ander standpunt van de raad met betrekking tot [minderjarige 1] . [minderjarige 1] woont al geruime tijd in het huidige pleeggezin. Hier heeft zij, ondanks haar trauma’s uit het verleden waarin zij getuige is geweest van huiselijk geweld en ondanks een moeizame start, een positieve ontwikkeling doorgemaakt.

Zij krijgt in het pleeggezin wat zij nodig heeft. Ondanks haar trauma’s is het haar gelukt daar zichzelf te zijn, met name door de grote pedagogische kwaliteiten van de pleegmoeder. Het is voor [minderjarige 1] goed om te weten waar haar perspectief ligt. [minderjarige 1] heeft het recht om bij haar ouders op te groeien, maar onderzoeken hebben laten zien dat dit niet mogelijk is. [minderjarige 1] heeft ook het recht om te worden opgevoed in een situatie waarin de kans groot is dat zij zich positief ontwikkelt. Deze kans doet zich bij deze pleegouders voor. Voorts is de aanvaardbare termijn overschreden. [minderjarige 1] is bijna tien jaar oud en inmiddels veilig gehecht in het pleeggezin. De raad handhaaft zijn verzoek om ten aanzien van [minderjarige 1] een gezagsbeëindigende maatregel te treffen. De raad refereert zich aan het oordeel van het hof voor zover dat ziet op het verzoek van de ouders ex artikel 810a lid 2 Rv.

3.9.

De GI voerde ter zitting – kort samengevat – het volgende aan. Het klimaat waarin [minderjarige 1] wordt opgevoed wordt sinds 2007 onderzocht. In de periode dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader woonden, verliep de samenwerking met de vader en de hulpverlening uiterst moeizaam. Het bijtincident met de honden heeft in 2014 geleid tot beëindiging van de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader. Op verzoek van de rechtbank is de moeder toen onderzocht via een zogenaamd O&O-traject. De uitkomst daarvan in 2014 was dat de kinderen niet naar de moeder terug konden. Vervolgens is de vader onderzocht. In januari 2015 is besloten dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet terug naar de vader konden. Het is de vraag of een nieuw onderzoek nieuwe informatie zal gaan opleveren.

Het door Keinder Diagnostisch Centrum te [vestigingsplaats] afgenomen onderzoek was gericht op de verhouding tussen de moeder en [minderjarige 2] en het zag vooral op datgene wat [minderjarige 2] nodig heeft. [minderjarige 2] is door omstandigheden in het pleeggezin bij de moeder thuisgeplaatst. De moeder werkt hard en doet het – op wat ondergeschikte punten na – goed met [minderjarige 2] .

[minderjarige 1] wordt bij Herlaarhof behandeld voor haar trauma’s. Er heeft een traumabehandeling plaatsgevonden aan de hand van de methodiek ‘levensverhaal’. Thans wordt [minderjarige 1] behandeld met EMDR. Het gaat goed met [minderjarige 1] in het pleeggezin. Dat komt mede door de inspanningen en de kwaliteiten van de pleegmoeder. [minderjarige 1] wil terug naar huis, maar de situatie waarin [minderjarige 1] thans verkeert moet gekoesterd worden, aldus de GI.

Desgevraagd verklaarde de GI dat [minderjarige 1] een sterk meisje is dat, als het hoort van een in te zetten onderzoek, aan een onderzoek zal meewerken. De periode van onzekerheid is belastend voor haar, maar daaraan is zij inmiddels gewend. De GI verwacht dat de pleegmoeder de draagkracht heeft om [minderjarige 1] bij het onderzoek en de mogelijke gevolgen daarvan te begeleiden c.q. te ondersteunen. De GI zelf zet vraagtekens bij het houden van een nieuw onderzoek. Er hebben reeds vele onderzoeken plaatsgevonden.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

Het hof is van oordeel dat de verzoeken van de moeder en de vader ex artikel 810a lid 2 Rv toegewezen dienen te worden. Het acht een onderzoek door een onafhankelijke deskundige aangewezen en overweegt dat de verzoeken van de ouders daartoe voldoende concreet zijn en mede tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Mede in aanmerking genomen de verklaring van de GI ter zitting, is het hof voorts van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het belang van [minderjarige 1] zich tegen een onderzoek verzet.

Het hof acht aannemelijk dat het uit te voeren onderzoek, wat de uitkomst daarvan ook zal zijn, duidelijkheid kan verschaffen over de capaciteiten van de moeder en haar mogelijkheden en onmogelijkheden om de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] eventueel weer op zich te nemen.

3.10.2.

Het hof is voornemens het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna te noemen: het NIFP) opdracht te geven een deskundige voor te dragen. Voorts heeft het hof het voornemen aan de deskundige de hierna vermelde onderzoeksvragen voor te leggen. De deskundige zal worden verzocht onderzoek te verrichten en hierover aan het hof te rapporteren en te adviseren.

Het hof merkt hierbij op dat het de mogelijkheden en onmogelijkheden van een eventuele thuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder wenst te laten onderzoeken, dit teneinde in de onderhavige zaak een verantwoorde beslissing op het verzoek tot gezagsbeëindiging te kunnen nemen. Het hof ziet geen aanleiding het NIFP te verzoeken ook de vader rechtstreeks in het onderzoek te betrekken, met name omdat namens de vader ter zitting in hoger beroep uitdrukkelijk is verklaard dat de dagelijkse zorg voor [minderjarige 1] niet bij hem, maar bij de moeder dient te liggen.

3.10.3.

De onderzoeksvragen luiden (derhalve) als volgt:

  • -

    hoe kan de ontwikkeling en het huidige functioneren van [minderjarige 1] worden beschreven aan de hand van de volgende gebieden: cognitieve ontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling en gehechtheidsontwikkeling?

  • -

    indien er sprake is van een verstoorde ontwikkeling op één of meer ontwikkelingsgebieden, wat kan hiervan de oorzaak zijn en in hoeverre vraagt [minderjarige 1] als gevolg daarvan meer dan gemiddelde pedagogische vaardigheden van haar opvoeder(s)?

  • -

    wat zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden en beperkingen van de moeder in relatie tot de opvoedingsbehoeften van [minderjarige 1] ?

  • -

    wordt naar verwachting aan (de ontwikkeling van) [minderjarige 1] schade toegebracht als gevolg van een eventuele thuisplaatsing bij de moeder? Zo ja, waaruit bestaat die schade naar verwachting en hoe sterk is die verwachting? Hierbij dient de schade op zowel de korte als de lange termijn aan de orde te komen;

  • -

    wat zijn de (contra)indicaties voor een thuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder, bezien vanuit het perspectief van [minderjarige 1] ? In hoeverre speelt daarbij een rol het gegeven dat de moeder thans weer de dagelijkse zorg en opvoeding van [minderjarige 2] heeft?

- geeft het onderzoek van de moeder (contra-)indicaties om ingeval van een eventuele

thuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder, aan de vader enige rol in de verzorging en

opvoeding van [minderjarige 1] toe te kennen?

- in hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde

zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar die wel van belang zijn met betrekking

tot de ontwikkeling en opvoeding van [minderjarige 1] en/of bij eventueel te nemen

beslissingen?

3.10.4.

De kosten van de deskundige zullen te zijner tijd ten laste van het Rijk worden gebracht, een en ander als bepaald in artikel 810a lid 3 Rv.

3.10.5.

Het hof zal het NIFP vragen om uiterlijk 13 juli 2017 een deskundige voor te dragen die bereid is de onderzoeksopdracht te aanvaarden en de kosten van het onderzoek te begroten. Voorts zal het hof het NIFP verzoeken eventuele nadere of andere vragen te formuleren, indien dit in de ogen van het NIFP dan wel de voorgestelde deskundige (meer) aangewezen is voor het onderzoek dat het hof voor ogen staat. Indien meer of andere informatie nodig is dan uit deze beschikking blijkt, kan het NIFP het hof schriftelijk om nadere gegevens (uit het dossier) vragen alvorens een deskundige voor te stellen en nadere of andere vragen te formuleren.

3.10.6.

Het hof zal het bericht van het NIFP aan partijen doen toekomen. Partijen kunnen daarop binnen veertien dagen laten weten of bezwaar bestaat tegen de benoeming van de door het NIFP voorgedragen deskundige, of de door het hof voorgestelde vragen in hun visie nog aanvulling behoeven en wat hun zienswijze is ten aanzien van de eventuele aanvullende vragen van het NIFP. Indien het NIFP eerst nadere gegevens (uit het dossier) nodig heeft, kunnen partijen kenbaar maken of en, zo ja, welke bezwaren zij hebben tegen het verstrekken van die gegevens.

3.10.7.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in de zaken met de nummers 200.212.557/01 en 200.212.760/01:

verzoekt

het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie,

locatie Zuid-Nederland (het NIFP),

Postbus [postbus] , [postcode] [kantoorplaats] ,

telefoonnummer [netnummer + telefoonnummer] ,

e-mail: [e-mailadres] ,

om te bemiddelen bij de benoeming van een onafhankelijke deskundige voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de hiervoor in rechtsoverweging 3.10.3. vermelde vragen;

verzoekt het NIFP het hof te berichten zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.10.5. en wel uiterlijk op 13 juli 2017;

stelt partijen in de gelegenheid om te reageren op de voorlopig geformuleerde vragen van het hof en op de informatie van het NIFP als bedoeld in rechtsoverweging 3.10.6. en wel uiterlijk op 27 juli 2017 (bij het uitblijven van een reactie binnen deze termijn wordt ervan uitgegaan dat partijen geen bezwaren hebben);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en A.J.F. Manders en is op 15 juni 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.