Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2722

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
200.172.505_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:4858
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 15 juni 2017

Zaaknummer: 200.172.505/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/276836 / FA RK 14-1720_3

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F.A. van den Heuvel,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.L.P. Heuts.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie [locatie] , hierna: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, vestiging [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

5 De tussenbeschikking van 26 november 2015

Bij die beschikking heeft het hof partijen verwezen naar Combinatie Jeugdzorg

[vestigingsnaam] (hierna: De Combinatie) voor ouderschapsreorganisatie met het verzoek aan De Combinatie om aan het hof verslag uit te brengen onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen.

Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het faxbericht met bijlagen van De Combinatie van 4 mei 2016;

  • -

    de V-formulieren met bijlagen van de advocaat van de moeder van 3 november 2015, 27 november 2015, 13 juni 2016 en 23 februari 2017;

  • -

    de V-formulieren met bijlagen van de advocaat van de vader van 26 januari 2016, 14 juni 2016, 27 februari 2017 en 8 mei 2017.

6.2.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 mei 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- partijen, bijgestaan door hun advocaten;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

7 De verdere beoordeling

7.1.

Bij beschikking van 9 februari 2017 zijn de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar onder toezicht zijn gesteld van de GI.

7.2.

In hoger beroep ligt alleen de kwestie van het ouderlijk gezag ter beoordeling voor.

De moeder wenst de ‘oude’ situatie te handhaven waarin zij de enige gezagsdrager van de kinderen was en de vader wenst, conform de door de moeder bestreden beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 maart 2015, met de moeder gezamenlijk te zijn belast met het gezag over de kinderen.

7.3.

In hoger beroep voert de moeder – kort samengevat – het volgende aan.

De kinderen dreigen klem of verloren te raken tussen de ouders vanwege de aanwezige kind eigen problematiek en het ontbreken van communicatie tussen de ouders; de ouders zijn niet in staat om invulling te geven aan het gezamenlijk gezag. Evenmin kan worden verwacht dat hierin binnen afzienbare termijn verandering zal komen nu reeds langere tijd is verstreken waarin zonder resultaat hulpverlening is ingezet. De vader heeft geweigerd zijn toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een legitimatiebewijs voor [minderjarige 2] . De ouders dienen eerst te werken aan hun communicatie en een constructief overleg alvorens zij kunnen worden belast met het gezamenlijk gezag. Daarbij is de vader niet op de hoogte van de complexe kind eigen problematiek en de specifieke medische zorg die de kinderen nodig hebben. Dit vergt voortdurende aanpassing en aandacht. Nu er haast geboden kan zijn bij medische beslissingen, verzoekt de moeder subsidiair de vader te belasten met het zogenaamd ‘uitgekleed gezag’ waarbij de beslissingsbevoegdheid bij de moeder blijft liggen.

7.4.

De vader voert in hoger beroep – kort samengevat – het volgende aan.

De ouders hebben regelmatig contact over de kinderen, zowel per mail als per telefoon. De ouders zijn in staat te overleggen over zaken waarin beslissingen moeten worden genomen. Communicatie is in het belang van de kinderen en de vader wenst die voort te zetten. Hij is bereid hierin te investeren. De vader ziet niet in dat de kinderen klem of verloren zouden dreigen te raken.

De vader wenst tezamen met de moeder een volwaardig ouderschap uit te oefenen over de kinderen; de vader vertrouwt de moeder volledig, maar zou graag meer betrokken willen worden in de opvoeding en ontwikkeling van de kinderen. De vader acht dit in het belang van de kinderen. Tot op heden was de vader vrijwel volledig afhankelijk van de moeder voor het verkrijgen van informatie over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Wat betreft de toestemming voor een legitimatiebewijs voor [minderjarige 2] , had de vader aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben, maar de moeder heeft hem het betreffende formulier niet doen toekomen. Uitgekleed gezag is niet nodig.

7.5.

De raad heeft bij de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep gepersisteerd bij het eerder uitgebrachte advies dat het inleidende verzoek van de vader om met de moeder belast te worden met het gezamenlijk gezag over de kinderen, dient te worden toegewezen. De raad acht gezamenlijk gezag ook aangewezen in het kader van de lopende ondertoezichtstelling, nu dat de gezinsvoogd de mogelijkheid geeft aan beide ouders aanwijzingen te geven.

7.6.

De GI heeft ter zitting van 9 mei 2017 verklaard dat er geen contra-indicaties zijn voor gezamenlijk gezag.

De beoordeling:

7.7.1.

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.

Indien de moeder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:

a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of;

b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

7.7.2.

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders. Volgens vaste rechtspraak brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Uitgangspunt is dat beide ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun kind. Slechts wanneer sprake is van ernstige contra-indicaties tegen gezamenlijk gezag kan eenhoofdig gezag worden gehandhaafd.

Naar het oordeel van het hof doet zich in het onderhavige geval niet een van bovengenoemde afwijzingsgronden voor om het verzoek van de vader af te wijzen.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

7.7.3.

Uit de stukken en de behandelingen ter zitting in hoger beroep is weliswaar gebleken dat de communicatie tussen partijen moeizaam verloopt en dat er sprake is van een ernstig wantrouwen van de moeder richting de vader, maar onvoldoende is gebleken van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen bij gezamenlijk gezag klem of verloren raken tussen de ouders of dat afwijzing van het verzoek van de vader om met de moeder te worden belast met het gezag over de kinderen anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Het hof acht het onvoldoende aannemelijk dat bij toekenning van het gezamenlijk gezag, partijen het niet eens zouden kunnen worden over belangrijke beslissingen over de kinderen, zoals schoolkeuzes, medische zaken en dergelijke. Zo is niet aannemelijk geworden dat partijen een geheel andere visie hebben over opvoedkundige zaken, onderwijs of medische aangelegenheden of dat de vader te nemen beslissingen in de weg zou staan.

De problemen die partijen met elkaar hebben zien vooral – zo niet uitsluitend – op de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. Er is sprake geweest van een langdurig traject begeleide omgang bij het Omgangshuis (onderdeel van De Combinatie). Uit het dossier is gebleken dat er – nadat de vader en de kinderen ruim twee jaar lang geen contact met elkaar hebben gehad – op 15 juli 2015 een eerste (begeleid) contact heeft plaatsgevonden. Na vier bezoeken is er al een positieve opbouw waarneembaar in het contact tussen de vader en de kinderen; de contacten zijn ontspannen verlopen en de vader heeft laten zien de kinderen voldoende ruimte te geven. Het hof is van oordeel, mede op grond van de verslagen van De Combinatie, dat de vader in ieder geval in staat is gebleken om gedurende de hervatting van de contacten op adequate wijze invulling te geven aan zijn ouderrol.

7.7.4.

De voornaamste bezwaren van de moeder tegen gezamenlijk gezag – zoals zij ter zitting van 9 mei 2017 nogmaals heeft toegelicht – zien op de problematische communicatie die wordt veroorzaakt door de vader en op zijn gebrek aan betrokkenheid. Deze bezwaren worden door het hof geenszins gedeeld en vinden bovendien geen enkele steun in de stukken. De Combinatie constateert in de rapportage van 17 november 2016 dat de vader zijn best heeft gedaan om tot omgang te komen op voorwaarden van de moeder en dat hij zich richting de hulpverlening redelijk en welwillend heeft opgesteld. De vader komt op De Combinatie over als een betrokken ouder, die rustig en netjes blijft en zich coöperatief probeert op te stellen. Het beeld dat de moeder van de vader heeft wordt door De Combinatie niet herkend. Verder constateert De Combinatie dat de vader mogelijk niet zo sociaal vaardig is als de moeder wenst, maar zeker niet in zo weinig vaardig is dat dit de communicatie met de moeder zou moeten belemmeren.

Het hof acht het dan ook niet aannemelijk dat de verstoorde verstandhouding en communicatie tussen de ouders het nemen van beslissingen over de kinderen op onaanvaardbare wijze zal belemmeren. Het is niet gebleken dat de vader overleg met de moeder heeft geweigerd en/of dat de vader – sinds hij met de moeder het gezag uitoefent – het nemen van beslissingen over de verzorging en opvoeding heeft belemmerd of zich daarmee te pas en te onpas heeft willen bemoeien ten koste van de rust voor de kinderen. De vader benadrukt ook dat hij de moeder volledig vertrouwt in de verzorging en opvoeding van de kinderen en de medische beslissingen die zij ten behoeve van de kinderen neemt, maar dat hij meer betrokken wil raken bij de ontwikkeling van de kinderen.

7.7.5.

Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat er onvoldoende contra-indicaties zijn voor de uitoefening door de ouders van het gezamenlijk gezag over de kinderen. Het hof zal dan ook de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover daarbij is bepaald dat het gezag over de kinderen aan de vader en de moeder gezamenlijk toekomt.

8 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarbij is bepaald dat het gezag over de kinderen voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk toekomt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M Mertens-Steeghs, H. van Winkel, C.N.M. Antens en is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017 in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.