Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2718

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
200.176.262_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding op grond van toerekenbare tekortkoming in de nakoming van verplichtingen uit overeenkomst van opdracht tot bemiddeling. Beroep op verjaring slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3063
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.176.262/01

arrest van 13 juni 2017

in de zaak van

[appellante] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. J.P. de Man te Rosmalen,

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als ZLTO,

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 20 oktober 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch onder zaaknummer C/01/277985/HAZA 14-333 gewezen vonnis van 6 mei 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 20 oktober 2015 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- de akte uitlating verhinderdata tevens akte tot aanvulling der gronden en vermeerdering/wijziging van eis van de zijde van [appellante] van 6 oktober 2015;

- het proces-verbaal van comparitie van 9 december 2015;

  • -

    de memorie van grieven met drie producties;

  • -

    de memorie van antwoord met een productie;

  • -

    het pleidooi op 4 mei 2017, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de door [appellante] bij H12-formulier van 20 april 2017 toegezonden producties 1 tot en met 15, die [appellante] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht;

  • -

    de door ZLTO bij brief van 2 mei 2017 toegezonden producties 6 en 7, die ZLTO bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

ZLTO heeft in haar memorie van antwoord onder punt 3.5 opgemerkt dat de hiervoor genoemde akte van [appellante] van 6 oktober 2015, anders dan [appellante] stelt, niet in het geding is gebracht en dus geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier. Blijkens de roladministratie van het hof is deze akte echter wel genomen, zodat deze wel degelijk onderdeel uitmaakt van de processtukken in hoger beroep. Dit geldt niet voor de pleitopmerkingen van [appellante] van 24 november 2015, nu uit de roladministratie niet blijkt dat deze in het geding zijn gebracht.

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

6.1.1.

[appellante] is eigenares van ruim 11 ha. agrarische grond te [vestigingsplaats]

(hierna: het perceel). De heer [aandeelhouder 1 van appellante] en mevrouw [aandeelhouder 2 van appellante] (hierna: [aandeelhouder 1 van appellante] respectievelijk [aandeelhouder 2 van appellante] ) zijn de aandeelhouders van [appellante] .

6.1.2.

Het perceel is gelegen in het poldergebied tussen het dorp [dorp] en de Vinex-locatie [Vinex-locatie] tussen [plaats 1] en [plaats 2] . De gemeente heeft omstreeks 2007 een gedeelte van dit poldergebied aangewezen als gebied voor verdere uitbreiding van woningbouw. Het perceel ligt in het uitwerkingsplan [uitwerkingsplan] , meer specifiek in het gedeelte dat is aangeduid als “landschapsbeheer”. Volgens dit uitwerkingsplan zal woningbouw op het perceel niet worden toegestaan.

6.1.3.

[appellante] heeft in 2007 ZLTO, in de persoon van ing. [medewerker van ZLTO] (hierna: [medewerker van ZLTO] ), ingeschakeld om 8,3 ha. van haar perceel te verkopen.

6.1.4.

In 2008 zijn [appellante] en [medewerker van ZLTO] in gesprek gegaan met [makelaar] van [Makelaars en Rentmeesters] Makelaars en Rentmeesters B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: [Makelaars en Rentmeesters] ) over de aankoop van de grond door BPF Bouw Invest (hierna: BPF), de opdrachtgever van [Makelaars en Rentmeesters] . [medewerker van ZLTO] en [aandeelhouder 1 van appellante] hebben aan [Makelaars en Rentmeesters] meegedeeld dat zij alleen wilden onderhandelen als dat zonder voorbehoud van goedkeuring van de raad van bestuur en/of raad van commissarissen zou zijn.

6.1.5.

In een e-mailbericht van 2 april 2008 schrijft [Makelaars en Rentmeesters] onder meer het volgende aan [medewerker van ZLTO] : “Ik heb overleg gehad met mijn opdrachtgever BPF … De koper gaat akkoord met de verhoging van de nabetaling naar EUR 30,00/centiare in plaats van indexering op een nabetaling van EUR 25,00/centiare.

De koopprijs wordt dus nu EUR 25,00/centiare bij levering en EUR 30,00 bij bestemmingswijziging in woningbouw uiterlijk 15 juli 2033. …

De levering kan binnen drie maanden (voorstel uiterlijk 15 juli) na ondertekening van de koopovereenkomst plaatsvinden.

Ik moet erop wijzen dat de raad van bestuur van BPF … de koop volgende week maandag formeel nog moet goedkeuren. Ik zal zorgen dat je begin volgende week (na de goedkeuring van maandag) ter beoordeling een eerste concept koopovereenkomst krijg toegezonden. …”

6.1.6.

Op 2 juni 2008 heeft [Makelaars en Rentmeesters] gereageerd op de door [appellante] gestelde voorwaarden.

6.1.7.

Bij e-mailbericht van 13 juni 2008 aan [medewerker van ZLTO] vraagt [Makelaars en Rentmeesters] aan [medewerker van ZLTO] of hij kan aangeven of de zaak met [aandeelhouder 1 van appellante] (hof: [appellante] ) kan worden afgewikkeld.

6.1.8.

In antwoord op dat bericht schrijft [medewerker van ZLTO] bij e-mailbericht van 19 juni 2008 het volgende: “Met betrekking tot de zaak van [aandeelhouder 1 van appellante] , [adres] te [woonplaats] , heeft u een aankoopvoorstel gedaan afkomstig van BPF te [vestigingsplaats] . Dit voorstel heb ik vorige week met de familie [aandeelhouder 1 van appellante] besproken. We hebben in dezelfde week een reactie gekregen van de gemeente met het verzoek om bij de gemeente te komen praten. We willen het gesprek met de gemeente afwachten alvorens op uw voorstel te reageren. …”

6.1.9.

Hierop schrijft [Makelaars en Rentmeesters] bij e-mailbericht van 19 juni 2008 aan [medewerker van ZLTO] : “Ik vind het zeer onbehoorlijk en verre van chique om tijdens dit stadium van onderhandelen per e-mail mee te delen met de gemeente te gaan praten terwijl over de gestelde voorwaarden minimale verschillen bestaan. Wij gaan er dan ook absoluut niet mee akkoord dat deze lopende onderhandelingen op een dusdanige wijze worden afgebroken en verzoeken u uiterlijk morgen te reageren op het laatst gedane voorstel. …”

6.1.10.

Op 21 augustus 2008 heeft [medewerker van ZLTO] een bespreking gehad met [Makelaars en Rentmeesters] .

2.11.

Op 5 september 2008 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [medewerker van ZLTO] , [aandeelhouder 1 van appellante] , [aandeelhouder 2 van appellante] en [Makelaars en Rentmeesters] .

6.1.12.

Op 18 november 2008 heeft [Makelaars en Rentmeesters] aan [medewerker van ZLTO] doen weten dat de raad van commissarissen van BPF heeft besloten om gezien de huidige toestand op de financiële markten onder de eerder gestelde voorwaarden geen goedkeuring aan de aankoop te verlenen.

6.1.13.

Op enig moment is [appellante] in het bezit gekomen van de opdracht d.d. 12 februari 2008 van BPF aan [Makelaars en Rentmeesters] , waarin hem is opgedragen om voor BPF de verwervingsmogelijkheden in het plangebied [plangebied] Fase III na te gaan. Daarin is bepaald dat een overeenkomst slechts kan worden aangegaan met toestemming van de statutaire directie en de raad van commissarissen van BPF, zodat voor wat betreft het sluiten van de beoogde overeenkomst het voorbehoud goedkeuring statutaire directie en de raad van commissarissen geldt.

6.1.14.

In 2010 heeft [appellante] een procedure aangespannen tegen [Makelaars en Rentmeesters] , waarin zij vergoeding vorderde van de schade ontstaan door de gedragingen van [Makelaars en Rentmeesters] als gevolmachtigde van BPF. In deze procedure zijn [aandeelhouder 1 van appellante] , [aandeelhouder 2 van appellante] , [medewerker van ZLTO] en [Makelaars en Rentmeesters] op 7 oktober 2011 als getuigen gehoord. Bij vonnis van 5 september 2012 is de vordering van [appellante] jegens [Makelaars en Rentmeesters] afgewezen.

6.1.15.

Bij brief van 21 november 2013 heeft de raadsman van [appellante] ZLTO aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade.

6.2.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg veroordeling van ZLTO gevorderd tot vergoeding van de schade die [appellante] heeft geleden als gevolg van het niet doorgaan van de transactie met BPF, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van voldoening en met veroordeling van ZLTO in de proceskosten.

6.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellante] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [medewerker van ZLTO] tekort is geschoten in de nakoming van de aan hem verstrekte opdracht tot bemiddeling en niet heeft onderhandeld zoals een behoorlijk vakgenoot betaamd en dat ZLTO als de werkgever van [medewerker van ZLTO] hiervoor aansprakelijk is.

6.2.3.

ZLTO heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.3.1.

In het tussenvonnis van 27 augustus 2014 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

6.3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering van [appellante] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat er geen causaal verband bestaat tussen de door [appellante] gestelde tekortkoming van [medewerker van ZLTO] ten aanzien van de niet toereikende volmacht van [Makelaars en Rentmeesters] en de gevorderde schade en dat [appellante] haar stelling dat de koopovereenkomst niet tot stand is gekomen door niet voortvarend handelen van [medewerker van ZLTO] onvoldoende heeft onderbouwd.

6.4.

[appellante] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vordering. [appellante] heeft haar eis in hoger beroep vermeerderd in die zin dat zij thans ook vergoeding van de schade vordert die is ontstaan, omdat zij met andere partijen tot overeenstemming had kunnen komen over verkoop van delen van haar perceel, maar van deze mogelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken, omdat [medewerker van ZLTO] /ZLTO de onderhandelingsmogelijkheid bezet hield. Nu ZLTO hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt, zal het hof uitgaan van die gewijzigde eis.

6.5.

Bij het slagen van één of meer van de grieven komt het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep toe aan alle in eerste aanleg door ZLTO gevoerde, maar destijds buiten behandeling gelaten of verworpen, verweren die geen voor haar nadelige invloed hebben gehad op het dictum in eerste aanleg. ZLTO heeft in eerste aanleg onder meer een beroep gedaan op verjaring, aan de behandeling waarvan de rechtbank niet is toegekomen. Nu het beroep op verjaring het meest verstrekkende verweer van ZLTO is (herhaald in 1.6 memorie van antwoord), zal het hof dit beroep eerst behandelen voordat inhoudelijk zal worden ingegaan op de grieven.

6.6.

ZLTO heeft haar beroep op verjaring gegrond op artikel 3:310 lid 1 BW.

Op grond van die bepaling verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid. Het enkele vermoeden van bestaan van schade volstaat niet. De verjaringstermijn begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen tot vergoeding van de door hem geleden schade. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon (vgl. onder meer HR 14 november 2014, ECLI:HR:2014:3240).

6.7.

Nu ZLTO zich op verjaring beroept, dient zij de daarvoor benodigde feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting daarvan door [appellante] , te bewijzen.

ZLTO heeft gesteld dat [appellante] op 18 november 2008 bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon, zodat op die datum de verjaringstermijn is gaan lopen. Op die datum heeft [medewerker van ZLTO] van [Makelaars en Rentmeesters] de fax ontvangen waarin [Makelaars en Rentmeesters] heeft laten weten dat BPF Bouwinvest afzag van de aankoop van de grond omdat de raad van bestuur niet met de aankoop instemde en [medewerker van ZLTO] heeft [appellante] direct hiervan op de hoogte gesteld, aldus ZLTO (punt 4.3 conclusie van antwoord). [appellante] heeft deze stelling niet betwist, zodat moet worden aangenomen dat zij 18 november 2008, dus vóór 21 november 2008, zijnde de datum gelegen vijf jaar vóór de aansprakelijkstelling bij brief van 21 november 2013, ervan op de hoogte was dat BPF Bouwinvest afzag van de aankoop van de grond.

6.8.

[appellante] heeft ter gelegenheid van het pleidooi wel betwist dat de verjaringstermijn op 18 november 2008 is gaan lopen. Volgens haar zijn de tekortkomingen van [medewerker van ZLTO] in de nakoming van de overeenkomst van opdracht pas aan het licht gekomen tijdens de door haar gevoerde procedure tegen [Makelaars en Rentmeesters] in 2011.

6.9.1.

Het hof overweegt hierover het volgende. Vastgesteld zal moeten worden wanneer [appellante] met de feiten die ten grondslag liggen aan de aan [medewerker van ZLTO] (en daarmee aan ZLTO) verweten tekortkomingen en de daaruit voortvloeiende schade bekend is geraakt en daadwerkelijk in staat is geweest om een rechtsvordering in te stellen.

[appellante] heeft de aansprakelijkheid van ZLTO als toenmalige werkgever van [medewerker van ZLTO] in hoger beroep gebaseerd op een drietal tekortkomingen van [medewerker van ZLTO] in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. In de eerste plaats heeft [appellante] ZLTO verweten dat [medewerker van ZLTO] onvoldoende heeft geverifieerd of [Makelaars en Rentmeesters] een toereikende volmacht van BPF had om een koopovereenkomst met [appellante] te sluiten. [appellante] heeft in dit kader aangevoerd dat, nadat de koopovereenkomst met een eerdere aspirant-koper uiteindelijk niet is gesloten vanwege het ontbreken van de goedkeuring van de directie van de aspirant-koper, zij uitdrukkelijk met [medewerker van ZLTO] heeft afgeproken dat uitsluitend zou worden onderhandeld met een aspirant-koper of een vertegenwoordiger van een aspirant-koper met een toereikende volmacht zonder enig voorbehoud. [appellante] heeft voorts aangevoerd dat nadat zij alles met [Makelaars en Rentmeesters] had uitonderhandeld is gebleken dat [Makelaars en Rentmeesters] ook geen toereikende volmacht had, omdat de koopovereenkomst met BPF uiteindelijk niet tot stand is gekomen vanwege het ontbreken van de goedkeuring van de raad van commissarissen van BPF.

[appellante] heeft ZLTO daarnaast verweten dat [medewerker van ZLTO] niet voortvarend heeft gehandeld waardoor de koopovereenkomst niet tot stand is gekomen. [medewerker van ZLTO] heeft in dat kader aangevoerd dat de koop al in april 2013, althans in juni 2013 ‘zo goed als rond was’, maar dat, ondanks het herhaaldelijk aandringen van [Makelaars en Rentmeesters] op een spoedige afwikkeling, [medewerker van ZLTO] pas weer op 21 augustus 2013 contact heeft opgenomen met [Makelaars en Rentmeesters] en partijen pas op 5 september 2013 de overeenkomst op papier hebben gesteld. Toen had de financiële crisis inmiddels haar intrede gedaan, hetgeen voor de raad voor commissarissen aanleiding was om af te zien van het verlenen van goedkeuring voor de aankoop van de grond, aldus [appellante] .

[appellante] heeft ZLTO ten slotte verweten dat [medewerker van ZLTO] door zijn traagheid van handelen [appellante] ‘aan het lijntje heeft gehouden’ en de onderhandelingsmogelijkheid met andere partijen bezet hield.

6.9.2.

Vast staat dat [appellante] op 18 of 19 november 2008 bekend is geworden met het feit dat de koopovereenkomt tussen haar en BPF niet tot stand kon komen, omdat de raad van commissarissen van BPF gezien de inmiddels ontstane situatie op de financiële markten had afgezien van het verlenen van goedkeuring voor de aankoop. [appellante] heeft immers niet weersproken dat [medewerker van ZLTO] na ontvangst van het bericht van [Makelaars en Rentmeesters] hierover [appellante] direct hiervan op de hoogte heeft gesteld. De door [appellante] gestelde feiten impliceren naar het oordeel van het hof dat [appellante] op dat moment tevens bekend is geworden met de als gevolg daarvan (volgens haar) ontstane schade, bestaande uit het mislopen van de met [Makelaars en Rentmeesters] overeengekomen koopprijs en het niet meer kunnen verkrijgen van een vergelijkbare koopprijs vanwege de inmiddels ingetreden financiële crisis, en dat deze schade volgens haar werd veroorzaakt door gedragingen van [medewerker van ZLTO] , te weten het niet voldoende verifiëren van de volmacht van [Makelaars en Rentmeesters] en het niet voortvarend handelen. Immers, op 18 november 2008 is haar tevens duidelijk geworden dat [Makelaars en Rentmeesters] niet over de door [appellante] geëiste toereikende volmacht tot het sluiten van een overeenkomst beschikte en dat de reden voor het niet geven van de goedkeuring door de raad van commissarissen was gelegen in de inmiddels ingetreden financiële crisis. Dat er sprake was van een – volgens [appellante] – ontoereikende volmacht was hem overigens al uit het emailbericht van 2 april 2008 bekend.

De voortvarendheid waarmee [medewerker van ZLTO] had gehandeld was [appellante] uiteraard ook al vóór 18 november 2008 bekend. Dat [appellante] niet met andere partijen had onderhandeld evenzeer.

De omstandigheid dat [appellante] toentertijd niet bekend was met de opdracht van BPF aan [Makelaars en Rentmeesters] , noch bekend was met de verklaringen van [medewerker van ZLTO] ten tijde van zijn verhoor als getuige, doen hier niet aan af.

6.9.3.

Uit het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet anders worden afgeleid dan dat [appellante] op 18 november 2013 over voldoende informatie beschikte om daadwerkelijk een rechtsvordering tot schadvergoeding jegens ZLTO als toenmalige werkgever van [medewerker van ZLTO] in te stellen. Dat zij eerst heeft geprobeerd de door haar gestelde schade te verhalen op [Makelaars en Rentmeesters] , maakt dat niet anders. De procedure van [appellante] tegen [Makelaars en Rentmeesters] stuit immers niet de verjaring van haar vordering jegens [medewerker van ZLTO] (wat bovendien niet wordt gesteld).

Gelet hierop komt het hof tot het oordeel dat de verjaringstermijn is gaan lopen op 19 november 2008, zijnde de dag na die waarop [appellante] zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Hieruit volgt dat de voor de schadevordering van [appellante] jegens ZLTO geldende verjaringstermijn zonder stuiting is afgelopen op 19 november 2013. [appellante] heeft ZLTO bij brief van 21 november 2013, dus na afloop van de verjaringstermijn, aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. Niet is betwist dat ZLTO deze aansprakelijkheidstelling op 26 november 2013 heeft ontvangen. [appellante] heeft niet gesteld dat de verjaring eerder is gestuit (dat valt niet te lezen in de laatste alinea van bladzijde 5 van haar pleinota in hoger beroep), zodat het hof tot de conclusie komt dat de vordering is verjaard. De vordering van [appellante] dient dan ook op deze grond te worden afgewezen.

6.10.

Echter, ook indien de vordering niet zou zijn verjaard, zou deze niet voor toewijzing in aanmerking komen. Het hof overweegt hierover als volgt.

[appellante] heeft in hoger beroep gesteld dat als [medewerker van ZLTO] voldoende had geverifieerd of [Makelaars en Rentmeesters] een toereikende volmacht had om (zonder enig voorbehoud) namens BPF een koopovereenkomst te sluiten, aan het licht zou zijn gekomen dat [Makelaars en Rentmeesters] deze niet had en dat [appellante] dan niet in onderhandeling zou getreden met [Makelaars en Rentmeesters] en met een andere gegadigde een koopovereenkomst had kunnen sluiten. [appellante] heeft echter niet, althans onvoldoende onderbouwd dat er destijds daadwerkelijk andere serieuze gegadigden waren voor de koop van de door haar aangeboden grond en dat, als er al een gegadigde was, deze de grond van haar zou hebben gekocht tegen een vergelijkbare koopprijs als de prijs die zij met [Makelaars en Rentmeesters] was overeengekomen. [appellante] noemt als gegadigden weliswaar de heren [koper 1] en [koper 2] , maar tevens staat als door [appellante] onweersproken vast dat deze heren haar al in eerder stadium, voordat BPF als gegadigde in beeld kwam, een bod hadden gedaan en dat [appellante] dit bod heeft afgewezen, omdat zij het te laag vond.

Ten aanzien van het verwijt van [appellante] aan [medewerker van ZLTO] /ZLTO dat [medewerker van ZLTO] onvoldoende voortvarend heeft gehandeld waardoor de raad van commissarissen uiteindelijk niet instemde met de koop van de grond vanwege het intreden van de financiële crisis, overweegt het hof dat [appellante] niet, althans onvoldoende heeft gesteld of onderbouwd dat de raad van commisarissen in een eerder stadium wel zou hebben ingestemd met de aankoop van de grond. Dat had op zijn weg gelegen omdat de koopovereenkomsten waarop zij zich bij pleidooi in hoger beroep heeft beroepen alle zijn gesloten (ver) voor de zomer van 2008, behoudens nummer 2, maar dat betreft niet een vergelijkbaar geval. [appellante] heeft immers desgevraagd bij pleidooi bevestigd dat deze overeenkomst betrekking heeft op een perceel waarop volgens het desbetreffende uitwerkingsplan op termijn wél woningbouw is voorzien.

Ten aanzien van het verwijt van [appellante] aan [medewerker van ZLTO] /ZLTO dat [medewerker van ZLTO] [appellante] aan het lijntje hield en de onderhandelingsmogelijkheid met andere partijen bezet hield, heeft eveneens te gelden dat, zoals hiervoor al is overwogen, [appellante] niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd dat er destijds daadwerkelijk andere serieuze gegadigden waren voor de koop van de door haar aangeboden grond en dat, als er al een gegadigde was, deze de grond van haar zou hebben gekocht tegen een vergelijkbare koopprijs als de prijs die zij met [Makelaars en Rentmeesters] was overeengekomen.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof het voor de aansprakelijkheid van ZLTO vereiste causaal verband tussen de door [appellante] gestelde tekortkomingen van [medewerker van ZLTO] en de gestelde schade niet komen vast te staan.

6.11.

Het bestreden vonnis dient op grond van hetgeen hiervoor is overwogen te worden bekrachtigd. Het hof komt dus niet toe aan een afzonderlijke behandeling van de grieven.

6.12.

[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van dit hoger beroep. Het hof begroot deze aan de zijde van ZLTO tot op heden op € 711,00 voor griffierecht en € 2.682,00 voor salaris advocaat (3 punten (mva 1 en pleidooi 2) maal tarief II).

6.13.

De door ZLTO gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten en nakosten zullen worden toegewezen op de hierna aangegeven wijze.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van ZLTO op € 711,00 aan griffierecht en op € 2.682,00 aan salaris advocaat;

en

voor wat betreft de nakosten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,00, vermeerderd met de explootkosten, indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en

bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

en

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, H.A.E. Uniken Venema en R.J. Voorink en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 juni 2017.

griffier rolraadsheer