Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:26

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
200.166.051_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:9910
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2487
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

koopovereenkomst sportpaard, vervolg op tussenarrest (ECLI:NL:GHSHE:2016:2487), bewijswaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.166.051/01

arrest van 10 januari 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. L.N. Hermans te Sittard,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.W.J. Schoonbrood te Heerlen,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 2 juni 2015 en 21 juni 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer 3121240/CV EXPL 14-6432 gewezen vonnis van 19 november 2014.

8 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 21 juni 2016;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor en comparitie van partijen van 12 september 2016;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor, tegenverhoor en vervolg van de comparitie van 21 december 2016.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

9.1

Kort samengevat gaat het in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] heeft op 19 december 2012 het paard Tarantelle de Soleil (hierna: “het paard”) aan [appellante] verkocht en juridisch geleverd. Op grond van die overeenkomst diende het paard een gezond sportpaard te zijn. In mei 2013 is kreupelheid bij het paard vastgesteld. In september 2013 heeft de ingeschakelde dierenarts [dierenarts 1] vastgesteld dat het paard straalbeen klasse 3 heeft. [appellante] heeft de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Volgens haar voldeed het paard niet aan de overeenkomst. Verder heeft [geïntimeerde] volgens [appellante] informatie over het paard verzwegen of onjuiste informatie over het paard verstrekt en dienen de gevolgen van de overeenkomst teniet te worden gedaan door ontbinding of vernietiging van de overeenkomst. Zij vordert ook schadevergoeding.

9.2

Het hof heeft [appellante] in het tussenarrest toegelaten te bewijzen (kort gezegd):

  • -

    dat [geïntimeerde] haar ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst heeft geadviseerd van een aankoopkeuring af te zien;

  • -

    dat hij haar toen een gezondheidsverklaring betreffende het paard heeft getoond;

  • -

    dat het paard toen behept was met een zodanig gebrek dat het niet de eigenschappen bezat die [appellante] op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten;

  • -

    dat [geïntimeerde] toen wist dat het paard geen gezond sportpaard was;

  • -

    dat [geïntimeerde] het paard vóór en/of na het sluiten van de koopovereenkomst spierverslappers/pijnstillers heeft toegediend.

9.3

[appellante] heeft de volgende getuigen laten horen:

- mevrouw [moeder van appellante] , haar moeder;

- mevrouw [getuige 1] ;

- mevrouw [dierenarts 1] , de door [appellante] in 2013 ingeschakelde dierenarts;

- de heer [getuige 2] ;

- zichzelf.

9.4

[geïntimeerde] heeft in de tegenverhoren de volgende getuigen laten horen:

- de heer [dierenarts 2] , dierenarts;

- mevrouw [echtgenote van dierenarts 2] , zijn echtgenote;

- zichzelf.

Advisering van aankoopkeuring af te zien? Tonen van gezondheidsverklaring?

9.5

Wat betreft de vraag of bewezen is dat [geïntimeerde] [appellante] heeft geadviseerd van een aankoopkeuring af te zien en of hij haar een - zoals het hof de visie van [appellante] begrijpt: valse - gezondheidsverklaring heeft getoond, overweegt het hof het volgende. Uit de getuigenverklaringen van beide kanten komt naar voren dat [appellante] , haar moeder, [dierenarts 2] en ook zijn echtgenote aanwezig waren toen in december 2012 over de koop werd gesproken. Volgens de moeder van [appellante] heeft [geïntimeerde] toen een keuringsrapport (daarmee wordt kennelijk hetzelfde bedoeld als met de gezondheidsverklaring) getoond en heeft hij [appellante] toen laten weten dat keuring niet nodig was. Ook [appellante] heeft in die lijn verklaard. [dierenarts 2] en zijn echtgenote hebben echter verklaard dat er géén gezondheidsverklaring is getoond. Volgens hen heeft [geïntimeerde] [appellante] ook niet geadviseerd om van een keuring af te zien. Aangezien de verklaringen van [dierenarts 2] en zijn echtgenote tegenover die van [appellante] en haar moeder staan en aan de verklaring van [appellante] bovendien beperkte bewijskracht toekomt op grond van artikel 164 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is het bewijs op deze punten niet geleverd.

Een gebrek ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst? Wist [geïntimeerde] van een gebrek?

9.6

Wat betreft de vraag of bewezen is dat het paard ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst een gebrek had en dat [geïntimeerde] dit wist, geldt het volgende. Volgens de moeder van [appellante] heeft zij enkele weken nadat het paard naar manege Katsbek was gegaan, van [appellante] gehoord dat het paard niet goed liep. Uit de stukken komt naar voren dat het paard in april 2013 naar die manege is gegaan (het hof verwijst naar de dagvaarding in eerste aanleg onder 2 in samenhang met bijlage 7 van [appellante] ). [appellante] heeft verklaard dat er voor het sluiten van de koopovereenkomst signalen waren dat het paard niet 100% was, maar dat zij die signalen toen nog niet zo heeft opgevat. Volgens haar heeft [geïntimeerde] haar een keer of drie laten weten dat zij het paard een aantal dagen moest laten staan in verband met de belasting van zijn been, heeft [geïntimeerde] ook gezegd dat het paard een spuitje in het been heeft gehad ‘om het gewrichtje te smeren’ en maakte het paard soms wat korte passen. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat haar paarden in de periode van november 2011 tot rond april of mei 2012 bij [geïntimeerde] op stal hebben gestaan, dat zij in die periode heeft gezien dat het paard met één van zijn achterbenen trok, dat zij heeft gezien dat het paard pijn had zodra het ging lopen, dat het paard wegrende als je wilde opstappen en dat zij [geïntimeerde] hierover heeft verteld, maar dat hij het probleem niet erkende. Verder heeft zij verklaard dat dierenarts [dierenarts 2] in die periode het paard heeft bezocht en toen heeft benoemd dat dit bezoek te maken had met een oude blessure, zij dacht een peesblessure.

9.7

Het hof merkt op dat de verklaring van de moeder van [appellante] niet gaat niet over wat zij zelf heeft gezien, maar wat zij van [appellante] heeft gehoord. Belangrijker nog: uit die verklaring blijkt dat er enkele weken na april 2013 klachten waren, maar dat betekent niet dat het paard al bij het sluiten van de koopovereenkomst (in december 2012) behept was met een gebrek. De verklaring van [appellante] over wat [geïntimeerde] tegen haar zou hebben gezegd, wordt door [geïntimeerde] weersproken. Als het zo is dat het paard in 2012 soms wat korte passen maakte (andere getuigen hebben daarover niets gezegd), betekent dat nog niet dat het paard in december 2012 een gebrek had en geen gezond sportpaard was. De verklaring van getuige [getuige 1] over de problemen die zij bij het paard heeft geconstateerd, wordt niet door andere verklaringen ondersteund. Haar verklaring wordt bovendien ontkracht door de verklaring van de dierenarts [dierenarts 2] (die wel dezelfde achternaam heeft als partij [geïntimeerde] , maar die verklaard heeft geen familie van partij [geïntimeerde] te zijn). Hem is voorgehouden wat [getuige 1] over hem heeft verklaard en volgens hem is dat onjuist. Verder valt op dat [appellante] , die het paard in 2012 al maanden bereed voor zij het kocht, niets heeft verklaard omtrent het door [getuige 1] genoemde trekken met het been van het paard, problemen bij het opstappen of omtrent zichtbare pijn bij het paard in de periode voor het sluiten van de koop.

9.8

Het hof hecht veel waarde aan wat de beide dierenartsen hebben verklaard, omdat het hier draait om de gezondheid van het paard en dit een onderwerp is dat onder hun deskundigheid valt. [appellante] heeft dierenarts [dierenarts 1] als getuige naar voren gebracht, maar de verklaring van deze dierenarts biedt geen steun voor de stellingen die [appellante] moet bewijzen. Dierenarts [dierenarts 1] heeft verklaard dat zij het paard voor het eerst in juni 2013 heeft gezien en dat zij op grond van haar bevindingen niet kan zeggen of het paard in december 2012 gezond was. Zij weet niet of het paard in december 2012 een aandoening had die aan deelnemen aan paardensport in de weg zou kunnen staan. Zij heeft in september 2013 aan de hand van röntgenfoto’s straalbeen klasse 3 bij het paard geconstateerd (zie ook haar behandelverslag, bijlage 5 bij dagvaarding eerste aanleg). Volgens haar verklaring is dat een minder gunstige vorm van het bot, dus minder gunstig voor de functie als sportpaard en is de kans dat een paard met straalbeen klasse 3 kreupel wordt, groter dan bij een paard met een lagere straalbeen klasse. Zij heeft echter ook verklaard dat het niet zo is dat een paard met die straalbeen klasse niet als sportpaard kan fungeren. Dierenarts [dierenarts 2] heeft verklaard dat hij in 2010 onderzoek aan het paard heeft verricht vanwege een blessure en dat uit een controle-echo van 3 juni 2010 bleek dat het paard daarvan volledig was genezen. De ontsteking in de peesschede kon in dit geval volgens hem niet tot een chronische blessuren lijden, omdat het paard daarvan hersteld was. Volgens zijn verklaring is er geen verband tussen de blessure uit 2010 en de straalbeen klasse 3 (die in september 2013 is geconstateerd). Uit de verklaringen van beide dierenartsen leidt het hof af dat het paard waarschijnlijk in december 2012 ook al straalbeen klasse 3 had. Deze vorm van het bot van het paard betekent blijkens de verklaring van dierenarts [dierenarts 1] echter niet dat het paard toen dus geen gezond sportpaard was.

9.9

Het hof heeft de verklaringen met elkaar vergeleken en tegen elkaar afgewogen en oordeelt dat niet is bewezen dat het paard bij het sluiten van de koopovereenkomst een gebrek had. Er is ook niet bewezen dat [geïntimeerde] toen op de hoogte was van een gebrek van het paard.

9.10

Volledigheidshalve overweegt het hof nog uitdrukkelijk dat het feit dat het paard in 2010 een ontsteking aan zijn peesschede heeft gehad, niet betekent dat het paard in december 2012 een gebrek had. Volgens dierenarts [dierenarts 2] is het paard immers in 2010 al volledig van die ontsteking hersteld. Er is geen aanwijzing voor het tegendeel. Onder overweging 9.15 zal het hof ingaan op de vraag of het feit dat [geïntimeerde] bij het sluiten van de koop geen melding heeft gemaakt van die ontsteking uit 2010 tot vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling moet leiden.

Toedienen van spierverslappers of pijnstillers rond de koopovereenkomst?

9.11

Zoals al is vermeld, heeft [appellante] verklaard dat [geïntimeerde] tegen haar heeft gezegd dat het paard een injectie in het been heeft gehad ‘om het gewrichtje te smeren’, maar heeft [geïntimeerde] dat weersproken. Er is geen steun voor dit onderdeel van de verklaring van partijgetuige [appellante] .

9.12

Getuige [getuige 2] heeft op enig moment een schriftelijke verklaring opgesteld waarin de suggestie is te lezen dat [geïntimeerde] verdovende middelen aan het paard zou hebben toegediend. Volgens [appellante] zou het gaan om het toedienen van een spierverslapper door deze door het voer te doen. De getuigenverklaring van [getuige 2] levert daar echter geen enkel bewijs voor op. Ander bewijs voor het toedienen van verdovende middelen, spierverslappers of pijnstillers is er evenmin.

9.13

Ook op het punt van het toedienen van spierverslappers of pijnstillers aan het paard is het bewijs dus niet geleverd.

Gevolgen voor de vorderingen van [appellante]

9.14

De vordering tot ontbinding is gebaseerd op de stelling dat het paard niet aan de koopovereenkomst voldeed. [appellante] heeft echter niet bewezen dat het paard bij het sluiten van de koop en de levering (in december 2012) een gebrek had waardoor het geen gezond sportpaard was of niet probleemloos aan wedstrijden kon meedoen. Er is dus geen grond voor ontbinding.

9.15

Een grond voor vernietiging wegens dwaling is er ook niet. Aangezien niet is komen vast te staan dat het paard geen gezond sportpaard was, doet de situatie waarin beide partijen uitgaan van dezelfde onjuiste veronderstelling over de gezondheid van het paard zich hier niet voor (artikel 6:228 lid 1 onder c BW, overweging 6.5.5 tussenarrest). Zoals in het tussenarrest is overwogen zou het feit dat [geïntimeerde] [appellante] niet heeft ingelicht over het in 2010 gebleken letsel van het paard tot een geslaagd beroep op dwaling kunnen leiden als (onder meer) vast zou komen te staan dat [geïntimeerde] [appellante] over dit letsel had moeten inlichten. Daarvan is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het genoemde letsel uit 2010 was een peesontsteking waarover dierenarts [dierenarts 2] op 30 mei 2014 al een schriftelijke verklaring heeft opgesteld (bijlage 3 bij conclusie van antwoord). Daarin is al vermeld dat het resultaat van de controlescan van 3 juni 2010 was: ‘volledig OK’. Dit resultaat van de scan is op geen enkel moment door [appellante] gemotiveerd weersproken. Dierenarts [dierenarts 2] heeft als getuige bovendien verklaard dat het scanbeeld bij de controle-echo perfect was, dat het paard volledig was genezen van de ontsteking aan de peesblessure en dat het paard na dit herstel dezelfde prognose had als elk ander paard dat geen ontsteking heeft gehad. Daartegen wenste [appellante] kennelijk niets meer in te brengen. Zij heeft immers afgezien van het nemen van memorie na getuigenverhoor. Gelet op het volledige herstel van de peesblessure is er geen sprake van een blessure waaromtrent [geïntimeerde] [appellante] had moeten inlichten. Ook het geval van dwaling waarbij de verkoper de koper had moeten inlichten is hier dus niet aan de orde (artikel 6:228 lid 1 sub b BW, overweging 6.5.6 tussenarrest).

9.16

Voor zover [appellante] ook onrechtmatig handelen door het verzwijgen van informatie of het verstrekken van onjuiste informatie aan de gevorderde schadevergoeding ten grondslag heeft willen leggen, leidt dat niet tot toewijzing van haar vorderingen. Er is immers niet bewezen dat [geïntimeerde] onjuiste informatie heeft verstrekt of iets heeft verzwegen dat hij had moeten vermelden.

9.17

Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [appellante] moeten worden afgewezen. De grieven falen, met uitzondering van de grief tegen het oordeel van de kantonrechter dat op [appellante] een verzwaarde onderzoeksplicht rustte. Dit is onder 6.5.7. van het tussenarrest besproken. Dat de tegen dat onderdeel van het vonnis van de kantonrechter gerichte grief slaagt, leidt niet tot vernietiging van het vonnis. Er is namelijk geen grond voor ontbinding of vernietiging van de koopovereenkomst en ook niet voor het toekennen van schadevergoeding aan [appellante] .

9.18

Het vonnis met de daarin opgenomen proceskostenveroordeling zal dus worden bekrachtigd. [appellante] is de overwegend in het ongelijk gestelde partij en zij zal daarom ook de proceskosten van het hoger beroep moeten dragen.

10 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waartegen [appellante] hoger beroep heeft ingesteld;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 311,00 aan griffierecht, op € 1.896,00 aan salaris advocaat, (€ 250 + € 300 + € 250 + € 34 + € 37 + € 38 = ) € 909,00 aan getuigentaxe en voor wat betreft de nakosten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.A. Wabeke en J.F.M. Pols en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 januari 2017.

griffier rolraadsheer