Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:259

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
200.182.856_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; uitleg huwelijkse voorwaarden; haviltex; afwikkeling van het beperkte verrekenbeding bij echtscheiding; melk- en bietenquotum

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2017/48
RFR 2017/58
PFR-Updates.nl 2017-0026
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 26 januari 2017

Zaaknummer: 200.182.856/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/285211/FARK14-5627_2

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te

[woonplaats 1] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W. de Jongh,

tegen

[verweerster] ,

wonende te

[woonplaats 2] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.A.M. Olde Loohuis.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 december 2015, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man als gevolg van de beperkte verrekening ter zake van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw geen bedrag is verschuldigd, dan wel met inachtneming van hetgeen in zijn beroepschrift is gesteld een zodanig bedrag vast te stellen als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 9 februari 2016, heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 september 2016.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. De Jongh;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Olde Loohuis.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de vrouw van 16 september 2016;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de man overgelegde pleitaantekeningen.

3 De beoordeling.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2007 te [plaats] - na het maken van huwelijkse voorwaarden op [datum] 2007 - gehuwd.

3.1.2.

De huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in:

“(…)

Gemeenschap van inboedel

Artikel 1

Tussen de echtgenoten bestaat een gemeenschap van inboedel. De echtgenoten sluiten elke

andere gemeenschap van goederen uit.

(…).”

“Beperkte verrekening bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Artikel 13

  1. Bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding of bij scheiding van tafel en bed zal tussen de echtgenoten worden afgerekend zoals in de hierna volgende leden is bepaald.

  2. De echtgenoten zijn verplicht om de vermeerdering van beider vermogens die heeft plaatsgevonden tijdens het huwelijk (of tot het tijdstip van scheiding van tafel en bed) te delen. De vermeerdering of vermindering van het vermogen van een echtgenoot wordt vastgesteld door van de waarde van het eindvermogen de

waarde van het stamvermogen af te trekken.

3. a. Het eindvermogen bestaat uit de goederen en schulden die een echtgenoot heeft op het tijdstip dat het verzoekschrift tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingediend met uitzondering van de kleding en sieraden als bedoeld in artikel 5 en de goederen en schulden die ook indien tussen de echtgenoten de wettelijke gemeenschap van goederen had bestaan, bij de verdeling daarvan niet in aanmerking zouden worden genomen. Ieder van de echtgenoten kan tot beschrijving van zijn vermogen overgaan en vorderen dat het vermogen van de andere echtgenoot wordt beschreven. Aan een dergelijke vordering zal door de andere echtgenoot zo spoedig mogelijk gevolg moeten worden gegeven. Indien een echtgenoot met de beschrijving in gebreke blijft kan de beschrijving door de andere echtgenoot plaatsvinden, mits de echtgenoot wiens vermogen beschreven wordt daartoe behoorlijk is opgeroepen.

b. De goederen worden gewaardeerd naar het tijdstip genoemd in lid 3 a. De waardering vindt plaats door de echtgenoten in onderling overleg en bij gebreke daarvan op de wijze bepaald in artikel 679 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

c. De schulden worden gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer.

4. Het stamvermogen wordt gevormd door:

  1. de goederen die een echtgenoot bij het begin van het huwelijk bezat, verminderd met de toen bestaande schulden, en

  2. de goederen die een echtgenoot tijdens het huwelijk door erfopvolging, making of gift heeft verkregen, verminderd met de op die verkrijging drukkende schulden en lasten. Indien het stamvermogen negatief zou uitkomen, wordt het voor de toepassing van dit verrekenbeding op nihil gesteld. Van het stamvermogen zijn uitgezonderd de kleding en sieraden als bedoeld in artikel 5 en de goederen en schulden die ook indien tussen de echtgenoten de wettelijke gemeenschap van goederen had bestaan, bij de verdeling daarvan niet in aanmerking zouden worden genomen.

5. De aanvangswaarde van de tot het stamvermogen behorende goederen wordt als volgt bewezen:

  1. wat de aangebrachte goederen betreft, door de staat van aanbrengsten of met andere middelen;

  2. wat alle andere goederen betreft, met alle middelen.

Schulden en lasten die in mindering op het stamvermogen komen kunnen door de echtgenoot tot wiens

vermogen zij niet behoren met alle middelen worden bewezen.

6. Wanneer goederen tijdens de werking van dit beding worden verkregen tegen een prestatie die geheel uit het stamvermogen afkomstig is, worden die goederen in hun geheel in de plaats van die prestatie tot het stamvermogen gerekend. Worden goederen verkregen tegen een prestatie die slechts voor een deel uit het stamvermogen afkomstig dan worden die goederen voor een deel, overeenkomend met het deel van de prestatie die uit het stamvermogen afkomstig is in verhouding tot de gehele prestatie, in plaats van die prestatie tot het stamvermogen gerekend. De echtgenoot die stelt dat een prestatie als in dit artikel bedoeld uit zijn stamvermogen afkomstig is moet het bewijs daarvan leveren.

7. Er vindt geen verrekening op grond van dit artikel plaats wanneer op het tijdstip waarop het verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingediend een echtgenoot in staat van faillissement of surseance van betaling verkeert of in staat van faillissement verkeerd heeft waarbij het faillissement niet in een akkoord is geëindigd dan wel bij toepassing van de schuldsaneringsregeling op een echtgenoot.

(…)”

3.1.3.

Aan de akte huwelijkse voorwaarden is een door partijen ondertekende “lijst van aanbrengsten behorende bij de huwelijkse voorwaarden (…)” gehecht waarin als aanbrengsten door de man worden vermeld:

“zijn aandeel in de voor zijn rekening en voor rekening van zijn ouders (…) uitgeoefende maatschap (…) waaronder begrepen de bank- en girosaldi, voorraden, kascontanten, schulden en lasten, zoals het een en ander tot uitdrukking komt in de boekhouding.”

Voorts is aan de akte huwelijkse voorwaarden een door beide partijen ondertekend stuk getiteld “Overnameberekeningen Familie [appellant] (vrije waarde). Maatschapsbalans” gehecht.

Op deze maatschapsbalans staan op de fiscale balans “productierechten” vermeld met een (boek)waarde van € 163.445, -.

3.1.4.

De man exploiteerde vanaf 1 januari 1996 tot en met 31 december 2006 samen met zijn ouders in maatschapsverband het agrarische bedrijf.

Deze maatschap is op 1 januari 2007 geëindigd, waarna de man het bedrijf zelfstandig heeft voortgezet. De ouders van de man hebben het agrarische bedrijf aan de man overgedragen op 6 juli 2007.

Vanaf 1 januari 2012 heeft tussen de man en de vrouw (en vanaf 1 januari 2013 tussen de man, de vrouw en een derde) een vennootschap onder firma bestaan, welke op 31 december 2013 is ontbonden. Sindsdien exploiteert de man alleen het agrarische bedrijf.

3.2.1.

Op 17 oktober 2014 heeft de man een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant.

3.2.2.

Bij beschikking van 14 augustus 2015 heeft de rechtbank Oost-Brabant onder meer de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 7 oktober 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij de bestreden beschikking van 17 september 2015 heeft de rechtbank Oost-Brabant, voor zover thans van belang, bepaald dat de man een bedrag van € 369.782,- aan de vrouw dient te voldoen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van die beschikking tot aan de dag der algehele voldoening.

3.4.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De man heeft zes grieven gericht tegen de bestreden beschikking die alle betrekking hebben op de afwikkeling van het beperkte verrekenbeding bij echtscheiding, zoals dat is opgenomen in artikel 13 van de huwelijkse voorwaarden.

3.6.

Het hof zal de grieven hierna bespreken, waarbij het hof eerst achtereenvolgens de grieven 1 en 5 zal bespreken. Bij deze grieven staat de vraag centraal of bij het bepalen van de omvang van het stamvermogen en het eindvermogen van de man de waarde van het melkquotum en het bietenquotum mee dienen te tellen, en – indien dit het geval is – tegen welke waarde.

De rechtbank heeft beslist – kort gezegd – dat uitleg van de huwelijkse voorwaarden tot de conclusie leidt dat bij het bepalen van de omvang van het stamvermogen (en het eindvermogen) van de man geen rekening dient te worden gehouden met het melk- en bietenquotum.

3.7.

Met grief 1 keert de man zich tegen dit oordeel. Bij het maken van de huwelijkse voorwaarden hebben partijen de bedoeling gehad om de werkelijke waarde te verdelen; die werkelijke waarden moeten dan ook worden gehanteerd. Het melkquotum en het bietenquotum vertegenwoordigen een marktwaarde. Dat in de maatschapsakte en de akte van bedrijfsoverdracht aan de quota geen waarde wordt toegekend en aan de aangekochte quota slechts een boekwaarde, heeft te maken met de gebruiken in de landbouw bij voortzetting van de onderneming en dit betekent niet dat de vrouw daaraan rechten kan ontlenen. Ten aanzien van de tekst van artikel 13 van de huwelijkse voorwaarden stelt de man dat het stamvermogen weliswaar primair blijkt uit de staat van aanbrengsten maar dat – op grond van het bepaalde in artikel 13 lid 5 sub a van de huwelijkse voorwaarden – daarnaast bewijs met alle middelen is toegestaan. In dat kader voert de man aan dat:

  • -

    sprake is van een landbouwbedrijf met een melkveehouderijtak en een akkerbouwtak, waarbij het melkquotum noodzakelijk is om de melkveehouderij uit te kunnen oefenen. In 2007 bedroeg het melkquotum 673.215 kg (bijlage 4 bij beroepschrift). De omvang van dit melkquotum is ook niet betwist door de vrouw.

  • -

    het melkquotum en het bietenquotum een marktwaarde vertegenwoordigen (het melkquotum tot 1 mei 2015, op welke datum het melkquotum is afgeschaft) en deze quota zijn te kwalificeren als productierechten en daarmee als vermogensrechten in de zin van art. 3:6 BW en goederen in de zin van art. 3:1 BW.

  • -

    uit bijlage 15 bij verweerschrift man op zelfstandige verzoeken van de vrouw in eerste aanleg (taxatierapport agrarisch productierecht van [taxateur] , hierna: taxatierapport [taxateur] ) blijkt dat de waarde van het melkquotum op 1 juli 2007 € 505.000,- bedroeg en op 17 oktober 2014 € 130.000,-. De waarde van het bietenquotum bedroeg in 2007 € 38.000,-.

  • -

    het feit dat noch het melkquotum noch het bietenquotum op de aanbrengstaat is vermeld en ook niet in de maatschapsbalans voorkomt, is niet van belang. Uit de maatschapsakte (bijlage 18 bij verweerschrift man op zelfstandige verzoeken van de vrouw in eerste aanleg) blijkt dat productierechten bij voortzetting van het bedrijf overgaan op de voortzetter zonder dat daarvoor enige vergoeding boven het evenredig deel van de bedrijfswaarde verschuldigd is. Voorts blijkt daaruit dat tegen betaling van vergoeding verworven productierechten voor de boekwaarde in de verdeling worden betrokken. Het is enkel op grond van deze bepaling dat de productierechten in het kader van de overdracht van de ouders van de man aan de man niet op waarde zijn gesteld, zoals ook blijkt uit de akte van bedrijfsoverdracht, p. 11 (bijlage 19 bij verweerschrift man op zelfstandige verzoeken van de vrouw in eerste aanleg). Dit alles betreft echter een interne aangelegenheid binnen de voormalige maatschap, waarbij een en ander werd geregeld conform de gebruiken in de landbouw ten aanzien van bedrijfsovername. Er bestaat echter bij de vaststelling van het stamvermogen in het kader van de huwelijkse voorwaarden van partijen geen aanleiding om aan te haken bij de gebruiken in de landbouw terzake de bedrijfsovername. De man heeft met zijn ouders een zakelijke overeenkomst gesloten, op grond waarvan het melkquotum om niet aan de man is geleverd. Nu bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden het oogmerk was het vermogen afkomstig van de man gescheiden te houden van het vermogen dat tijdens het huwelijk zou worden opgebouwd dient de werkelijke waarde van het melk- en bietenquotum bij de vaststelling van het stamvermogen van de man te worden betrokken.

Op grond van al het voorgaande stelt de man primair dat de aanvangswaarde van het stamvermogen dient te worden verhoogd met een bedrag van € 505.000,- voor wat betreft het melkquotum en een bedrag van € 38.000,- voor wat betreft het bietenquotum. Het eindvermogen dient vervolgens te worden verhoogd met € 130.000,- voor wat betreft het melkquotum. Subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat voor wat betreft de aanvangswaarde van de quota het bedrag moet worden gehanteerd dat op de fiscale balans is vermeld te weten het bedrag van € 163.445,-.

3.8.

De vrouw voert verweer. Partijen hebben aan de huwelijkse voorwaarden een staat van aanbrengsten met als bijlage een maatschapsbalans overgelegd. Een staat van aanbrengsten dient als bewijs voor het bepalen van het stamvermogen teneinde discussie over het stamvermogen te voorkomen in geval van echtscheiding. De huidige interpretatie van de man zou betekenen dat de staat van aanbrengsten naar zijn mening geen betekenis meer heeft. Dit is in strijd met de bedoeling van de staat van aanbrengsten. De staat van aanbrengsten is dermate duidelijk dat niet meer wordt toegekomen aan bewijs met andere middelen. Het melk- en bietenquotum is op geen van de stukken vermeld, zodat deze quota ook niet bij de bepaling van het stamvermogen dienen te worden betrokken. In de staat van aanbrengsten staat het aandeel van de man in de onderneming vermeld. De waardering van de onderneming komt tot uitdrukking in de aan de huwelijkse voorwaarden toegevoegde (overname)balans. Partijen hadden hierbij voor verschillende overzichten kunnen kiezen of er separaat een kunnen opstellen. Door juist deze opstelling onderdeel uit te laten maken van de huwelijkse voorwaarden geldt die opstelling tussen partijen. Hierbij is irrelevant dat de balans eerder is gebruikt voor de bedrijfsovername. Partijen hebben geconstateerd dat deze waardering recht doet aan de waarde zoals aangebracht door de man.

Op het moment dat partijen de huwelijkse voorwaarden maakten was er reeds discussie over het melkquotum en was reeds duidelijk dat dit in de toekomst zou worden afgeschaft. Als partijen bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden er voor hadden gekozen om het volledige quotum tot het stamvermogen te rekenen dan had vastgestaan dat door de toekomstige waardevermindering van het melkquotum het stamvermogen sterk in waarde zou dalen. Het beperkte verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden zou dan feitelijk geen werking meer hebben.

Verder betwist de vrouw dat partijen bij het maken van de huwelijkse voorwaarden beoogden dat een eventuele echtscheiding geen bedreiging met zich mocht brengen voor de continuïteit van de onderneming.

Mocht aan het melkquotum een waarde worden toegekend, dan stelt de vrouw zich op het standpunt dat rekening gehouden moet worden met belastinglatentie. De door de man veronderstelde waarde is hoger dan de fiscaal in aanmerking te nemen waarde.

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

3.9.1.

De betekenis van de (omstreden) bepalingen in de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen (vgl. HR 12 januari 2001, NJ 2001, 199). Hierbij gaat het ook, maar niet uitsluitend, om de formuleringen die partijen hebben gebezigd. Bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden komt mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft meegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen daarin volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben. Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

3.9.2.

Het hof constateert allereerst dat, naar partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben verklaard, met de notaris niet nader is gesproken over wat precies onder aanvangswaarde in artikel 13 lid 5 van de huwelijkse voorwaarden moet worden verstaan. Voorts heeft de man verklaard dat de notaris ten overstaan van wie de huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt zijn praktijk heeft neergelegd en dat niet veel notities bewaard zullen zijn gebleven. De vrouw heeft dit bevestigd. Dit betekent dat bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden, bij gebreke van gegevens daaromtrent, geen aanwijzing kan worden ontleend aan enige mededeling van de notaris omtrent inhoud en strekking van artikel 13 van de huwelijkse voorwaarden. Het komt derhalve aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben kunnen en mogen afleiden.

Vast staat dat aan de akte huwelijkse voorwaarden de maatschapsbalans is gehecht die later is gebruikt bij de overname door de man van het bedrijf van zijn ouders. Vast staat ook dat daarin de productierechten zijn vermeld. Dit brengt naar het oordeel van het hof met zich dat partijen er redelijkerwijze van uit dienden te gaan dat het melk- (en bieten)quotum als productierechten bij de bepaling van het stamvermogen van de man in aanmerking dienen te worden genomen. Deze uitleg, (dat met het melk- en bietenquotum rekening dient te worden gehouden), vindt ook steun in het tweede lid van artikel 13. Dat artikellid stelt namelijk voorop dat de echtgenoten verplicht zijn om de vermeerdering van beider vermogens die heeft plaatsgevonden tijdens het huwelijk te delen. In zoverre slaagt de grief.

Het hof passeert het door de vrouw – in het kader van de betwisting van de stelling van de man dat het melk- en bietenquotum bij de bepaling van het stamvermogen in aanmerking moeten worden genomen – gevoerde betoog dat in 2003 al vast stond dat het melkquotum zou worden afgeschaft en dat daardoor het melkquotum bewust buiten de staat van aanbrengsten is gebleven. De man heeft hier immers terecht tegenover gesteld dat ingevolge de verordening EG nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 quotering in elk geval nog zeven jaren na 1 april 2008 zou voortduren en tot aan de afschaffing op 1 mei 2015 handel heeft plaatsgevonden in melkquota. Bovendien heeft de man uitdrukkelijk ontkend dat de quota bewust buiten de staat van aanbrengsten zijn gebleven. De vrouw heeft tegenover deze uitdrukkelijke stellingname door de man niet nader onderbouwd dat partijen, vanwege toekomstige afschaffing van het melkquotum, bewust hebben afgezien van het toekennen van waarde aan het melkquotum, zodat het hof hieraan voorbij gaat.

Vervolgens moet vastgesteld worden tegen welke waarde het melkquotum en het bietenquotum bij de bepaling van het stamvermogen en het eindvermogen van de man in aanmerking genomen moeten worden. Ook hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In de lijst van aanbrengsten staat vermeld dat tot de aanbrengsten van de man behoren:

“zijn aandeel in de voor zijn rekening en voor rekening van zijn ouders (…) uitgeoefende maatschap (…) waaronder begrepen de bank- en girosaldi, voorraden, kascontanten, schulden en lasten, zoals het een en ander tot uitdrukking komt in de boekhouding.”

Uit de boekhouding blijkt dat de productierechten ten tijde van het opstellen van de huwelijkse voorwaarden (zie de aangehechte maatschapsbalans) een waarde van € 163.445,00 vertegenwoordigden (zie ook bijlage bij productie 15 bij verweerschrift van de zijde van de vrouw in eerste aanleg). Naar het oordeel van het hof dienden partijen dan ook redelijkerwijze aan de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden in combinatie met de aangehechte lijst van aanbrengsten en de aangehechte maatschapsbalans de betekenis toe te kennen dat bij de bepaling van het stamvermogen rekening dient te worden gehouden met een bedrag van € 163.445,00 voor wat betreft het melk- (en bieten)quotum.

3.9.3.

De man heeft nog betoogd dat ingevolge artikel 13 lid 5 onder a van de huwelijkse voorwaarden het bewijs van de aanvangswaarde van het stamvermogen wat betreft de aangebrachte goederen niet alleen door de staat van aanbrengsten kan worden bewezen maar ook met andere middelen. Dit bewijs “met andere middelen” leidt er volgens de man toe dat van de marktwaarde van het melkquotum en van het bietenquotum moet worden uitgegaan. Dit betoog gaat echter langs de kern van de zaak heen. Het gaat er immers niet om vast te stellen dat de quota als onderdeel van het stamvermogen een marktwaarde hadden, maar het gaat er om vast te stellen van welke aanvangswaarde van het stamvermogen moet worden uitgegaan. In dit verband is beslissend wat partijen over en weer redelijkerwijze en met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid uit de akte huwelijkse voorwaarden mochten afleiden. Naar het oordeel van het hof bieden de huwelijkse voorwaarden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat partijen redelijkerwijze aan de bepalingen van de huwelijkse voorwaarden de betekenis moesten toekennen dat de quota tegen de marktwaarde in de beperkte verrekening moesten worden betrokken. De man heeft ook onvoldoende gesteld dat tot de conclusie kan leiden dat partijen de bedoeling hebben gehad dat de quota tegen de marktwaarde in de verrekening dienen te worden betrokken. Aan de bewijsaanbiedingen van de man gaat het hof als niet ter zake dienend voorbij.

3.10.1.

Grief 5 betreft een voorwaardelijke grief voor het geval het hof

“niet op grond van het voorgaande aan zou nemen dat taalkundige interpretatie van het beding en met name de feitelijke aanwezigheid van het melkquotum en het in het beding gemelde vrije bewijs ertoe leidt dat het melkquotum en het bietenquotum in het stamvermogen behoren te worden betrokken stelt de man dat de rechtbank ten onrechte bij haar interpretatie aan de toepassing van de redelijkheid en de billijkheid is voorbijgegaan.”

Ter toelichting voert de man aan dat het verrekenbeding een verbintenisrechtelijke afspraak tussen partijen betreft die onderworpen is aan artikel 6:248 lid 1 BW. Daar is bepaald dat een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. De man stelt zich voorwaardelijk op het standpunt dat, wanneer het hof zou oordelen dat de staat van aanbrengsten bepalend is, de waarde van het melkquotum en het bietenquotum abusievelijk niet op de staat van aanbrengsten is vermeld. Zowel het melkquotum als het bietenquotum, vertegenwoordigden op 6 juli 2007, de dag voorafgaande aan het huwelijk, evident een waarde. De man is daarom van mening dat het redelijk en billijk is dat het melkquotum onder het stamvermogen valt.

3.10.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Het gaat om de uitleg van de huwelijkse voorwaarden waarbij het aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de huwelijkse voorwaarden mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De vrouw is van mening dat de lezing van de man waarbij hij zich voorwaardelijk op het standpunt stelt dat de waarde van het melkquotum en bietenquotum abusievelijk niet zijn vermeld op de staat van aanbrengsten geen hout snijdt. Partijen hebben zich laten bijstaan door deskundigen zodat ervan uit moet worden gegaan dat de staat van aanbrengsten leidend is voor de bepaling van het stamvermogen. Het beroep van de man op de redelijkheid en billijkheid kan ook niet slagen.

3.10.3.

Het hof overweegt als volgt.

De grief faalt. In essentie betoogt de man dat, voor zover het hof de man niet volgt in zijn betoog ten aanzien van de uitleg van de huwelijkse voorwaarden, het melkquotum en het bietenquotum op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid – tegen de marktwaarde – bij de berekening van het stamvermogen moeten worden betrokken.

Zoals hiervoor reeds bij grief 1 is overwogen gaat het om uitleg van de akte van huwelijkse voorwaarden, waarbij het hof tot het oordeel komt dat partijen over en weer – en met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid – redelijkerwijze aan de huwelijkse voorwaarden en de daarbij gevoegde staat van aanbrengsten en maatschapsbalans de betekenis moesten toekennen dat de productierechten tegen de in de boekhouding vermelde waarde in de berekening van het stamvermogen worden betrokken. Voor aanvulling zoals door de man bepleit is dan geen plaats.

3.11.

Met de grieven 2 en 3 stelt de man aan de orde dat de rechtbank bij het bepalen van de passiva van het stamvermogen ten onrechte rekening heeft gehouden met een bedrijfsfinanciering van € 696.000,-, met een bedrag van € 649.025,- dat de man als overnamesom aan zijn ouders verschuldigd zou zijn en met een familielening van € 50.000,-. In de opstelling van het stamvermogen dient rekening te worden gehouden met een totaalbedrag van € 1.305.500,- aan bedrijfsfinanciering, overnamesom ouders en familielening en niet met het door de rechtbank voor deze posten in aanmerking genomen totaalbedrag van € 1.395.025,-.

De vrouw kan instemmen met het door de man voorgestelde (totale) bedrag van

€ 1.305.500,-, en derhalve met een correctie van € 89.525,- met betrekking tot de passiva van het stamvermogen.

Nu de vrouw instemt met de door de man bepleite correctie zal het hof bij de opstelling van het vermogen met deze correctie aan de passiefzijde rekening houden.

De grieven 2 en 3 slagen mitsdien.

3.12.1.

Het gedeeltelijk slagen van grief 1 en het slagen van grief 2 en 3 leidt tot de volgende opstelling van het vermogen (waarbij het hof de opstelling van de rechtbank tot uitgangspunt neemt):

Activa Passiva

Melkquotum/bietenquotum € 163.445,00 Eigen vermogen man € 702.908,00

Toeslagrechten € 10.000,00 Financiering € 1.305.500,00

Cultuurgrond € 1.175.000,00 Aflossingsverplichtingen € 41.532,00

Bedrijfsgebouwen € 235.000,00 Kortlopende schulden € 17.530,00

Woonhuis € 180.000,00 Rekening-courant € 1.432,00

Machines en werktuigen € 67.751,00

Fok-en productievee € 83.343,00

Financiële vaste activa € 47.692,00

Voorraden inclusief vleesvee € 27.188,00

Vorderingen € 64.360,00

Liquide middelen € 15.123,00

Totaal2.068.902,00* Totaal2.068.902,00

*de rechtbank is abusievelijk uitgegaan van een totaal van € 2.068.823,00

3.12.2.

Het stamvermogen bedraagt aldus € 702.908,00. De rechtbank heeft in de rov. 2.1.33 t/m 2.1.35 van de bestreden beschikking het (door de rechtbank) vastgestelde stamvermogen vermeerderd met een bedrag van € 13.385,00 vanwege door de man tijdens het huwelijk ontvangen schenkingen. Nu hiertegen geen grieven zijn gericht, zal het hof deze correctie eveneens toepassen. Dit betekent dat het stamvermogen van de man (€ 702.908,00 +

€ 13.385,00 =) € 716.293,00 bedraagt.

3.13.1.

In rov. 3.9.2 hiervóór is ten aanzien van het melk- en bietenquotum geconcludeerd dat deze tegen de uit de boekhouding blijkende waarde bij de bepaling van het stamvermogen in aanmerking dienen te worden genomen. Hetzelfde dient naar het oordeel van het hof te gelden bij de bepaling van het eindvermogen. Partijen hebben daartoe immers geen andere argumenten aangevoerd. Nu uit de boekhouding blijkt dat op 31 december 2013 de waarde van de productierechten € 84.721,00 bedroeg (productie 6 bij verweerschrift vrouw in eerste aanleg) zal het hof met dit bedrag rekening houden.

3.13.2.

Dit leidt tot de volgende opstelling van het vermogen (waarbij het hof de opstelling van de rechtbank tot uitgangspunt neemt):

Activa Passiva

Melkquotum/bietenquotum € 84.721,00 Eigen vermogen man € 1.287.538,00

Cultuurgrond € 1.940.000,00 Eigen vermogen vrouw (neg) € -/- 2.980,00

Bedrijfsgebouwen € 310.000,00 Eigen vermogen Martijn € 3.212,00

Woonhuis € 190.000,00 Bedrijfsfinanciering

Machines en werktuigen € 49.322,00 ABN AMRO € 1.212.500,00

Fok-en productievee € 149.359,00 Familielening € 214.000,00

Financiële vaste activa € 65.542,00 Aflossingsverplichtingen € 94.000,00

Voorraden inclusief vleesvee € 57.962,00 Kortlopende schulden € 50.933,00

Vorderingen € 80.359,00 Rekening-courant € 68.062,00

Totaal2.927.265,00 Totaal € 2.927.265,00

3.13.3.

Het eindvermogen van de man bedraagt aldus € 1.287.538,00.

3.14.

Ingevolge artikel 13 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden dienen partijen bij echtscheiding de vermeerdering van beider vermogens die heeft plaatsgevonden met elkaar te delen. De vermeerdering of vermindering van het vermogen wordt vastgesteld door van de waarde van het eindvermogen de waarde van het stamvermogen af te trekken.

Uitgaande van een stamvermogen van € 716.293,00 en een eindvermogen van

€ 1.287.538,00 bedraagt de vermogensvermeerdering € 571.245,00.

De man dient de helft van dit bedrag, dus € 285.622,50, aan de vrouw te voldoen.

3.15.

Grief 4 heeft naast de grieven 1, 2 en 3 geen zelfstandige betekenis. De grief slaagt voor zover de grieven 1, 2 en 3 slagen. Voor het overige faalt deze grief. Het hof verwijst naar de voorafgaande rechtsoverwegingen.

3.16.1.

Met grief 6 keert de man zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de man in het kader van te verrekenen vermogen een bedrag van € 369.782,- aan de vrouw dient te voldoen. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan. De toewijzing van voormeld bedrag gaat de financieringscapaciteit van het bedrijf van de man te boven. Gelet hierop doet de man beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, zulks op voet van artikel 6:248 lid 2 BW, te weten dat tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

3.16.2.

De vrouw betwist dat de leencapaciteit van het bedrijf van de man het uitgangspunt zou moeten zijn voor de uitkoopsom. Partijen hebben afgesproken de vermogensvermeerdering bij helfte te verdelen. Hierbij hebben partijen juist in de huwelijkse voorwaarden opgenomen dat de vordering direct opeisbaar en hebben ze geen specifieke bepaling ten aanzien van de continuïteit van het bedrijf opgenomen. De vrouw meent dan ook dat de huwelijkse voorwaarden moeten worden gevolgd.

3.16.3.

Het hof overweegt als volgt.

In art. 13 leden 1 en 2 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat de man en de vrouw verplicht zijn om de vermeerdering van beider vermogens met elkaar te delen. De man heeft onvoldoende aangevoerd dat tot de conclusie kan leiden dat toepassing van deze als gevolg van de overeenkomst geldende regel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De enkele stelling van de man dat hij het aan de vrouw te betalen bedrag niet gefinancierd krijgt en dat aldus de continuïteit van de onderneming in gevaar komt is daartoe onvoldoende. De man heeft weliswaar ook verwezen naar artikel 14 van de huwelijkse voorwaarden waarin is bepaald dat de uitkering waartoe de ene echtgenoot jegens de andere echtgenoot gehouden is geschiedt in geld en dat de vordering direct opeisbaar is tenzij partijen een andere regeling overeenkomen of daartoe krachtens de eisen van redelijkheid en billijkheid gehouden zijn, maar de man heeft onvoldoende aanknopingspunten verschaft op grond waarvan kan worden beoordeeld tot welke conclusie c.q. betalingsregeling dit zou dienen te leiden.

Grief 6 faalt mitsdien.

3.17.

Grief 7 heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis en behoeft dan ook geen afzonderlijke bespreking.

3.18.

Omdat partijen gewezen echtgenoten zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.19.

Beslist dient te worden als volgt.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2015, voor zover deze aan het oordeel van het hof is onderworpen, doch uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de man een bedrag van € 369.782,00 aan de vrouw dient te voldoen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van die beschikking tot aan de dag der algehele voldoening;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man een bedrag van € 285.622,50 aan de vrouw dient te voldoen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven , O.G.H. Milar en

G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2017.