Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:255

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
20-003888-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:10063, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1072, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van moord; bewezenverklaring van doodslag en een poging tot doodslag. Evenals de rechtbank, verwerpt het hof het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweerexces. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat het slachtoffer van het onder 1 ten laste gelegde heeft geprobeerd de verdachte te wurgen en dat op dat moment sprake was van een noodweersituatie. Anderen hebben het latere slachtoffer van verdachte afgetrokken. De noodweersituatie was geëindigd. Het handelen van de verdachte erna wordt door het hof aangemerkt als een tegenaanval.

Bespreking van de positie van nabestaanden c.q. erfgenamen als benadeelde partij. Toekenning van een vergoeding ter zake van shockschade aan diverse benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0027
PS-Updates.nl 2017-0119
JERF 2017/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003888-14

Uitspraak : 26 januari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

24 november 2014 in de strafzaak met parketnummer 03-700374-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

thans verblijvende in P.I. Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het onder 1. primair ten laste gelegde en hem ter zake van het onder 1. subsidiair en onder 2. primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van het voorarrest. Tevens is gevorderd dat het in beslag genomen mes zal worden onttrokken aan het verkeer en dat op de vorderingen van de benadeelde partijen (nagenoeg) overeenkomstig het vonnis van de rechtbank zal worden beslist, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van de gehele tenlastelegging wordt vrijgesproken. Subsidiair is bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat aan hem een beroep toekomt op noodweer, meer subsidiair noodweerexces dan wel - ter zake van feit 1 - uiterst subsidiair putatief noodweer(exces). Voorts is een strafmaatverweer gevoerd.

Wat betreft de beslissing ten aanzien van het in beslag genomen mes heeft de raadsvrouwe zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen is primair bepleit dat deze niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Subsidiair is ter zake van deze vorderingen voor diverse schadeposten verweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 9 juni 2013 in de gemeente Heerlen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal in het lichaam van die [slachtoffer 1] gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 9 juni 2013 in gemeente Heerlen opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer 1] gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2. primair:
hij op of omstreeks 9 juni 2013 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. subsidiair:
hij op of omstreeks 9 juni 2013 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van feit 1. primair

Evenals de advocaat-generaal en de verdediging, acht het hof niet bewezen dat bij verdachte sprake is geweest van handelen “na kalm beraad en rustig overleg” (voorbedachte raad). De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder1. primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. subsidiair en

2. primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 9 juni 2013 in gemeente Heerlen opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met een mes in het lichaam van die [slachtoffer 1] gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.
hij op 9 juni 2013 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn oordeel op onderstaande bewijsmiddelen en (bewijs)overwegingen, in onderling verband en samenhang bezien.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het bewijs 1

Op basis van de wettige bewijsmiddelen in het dossier, zoals die ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verklaringen getuigen

Op 8 juni 2013 werd in het appartement gelegen aan het [adres] te Heerlen een feestje gehouden ter ere van de verjaardag van [slachtoffer 1] , slachtoffer van het onder 1 ten laste gelegde.

Na middernacht, inmiddels 9 juni 2013, waren in genoemd appartement nog de volgende personen aanwezig: [slachtoffer 1] , zijn partner [moeder van verdachte] , de zoon van [moeder van verdachte] , te weten verdachte, de pleegzoon van [moeder van verdachte] , genaamd [pleegzoon] , een zoon van [slachtoffer 1] , genaamd [slachtoffer 2] (slachtoffer van het onder 2 ten laste gelegde), een dochter van [slachtoffer 1] , genaamd [dochter 1] , en haar vriend [vriend van dochter 1] . Verdachte had op dat moment al veel bier gedronken. Er ontstond een ruzie tussen verdachte en [pleegzoon] , naar aanleiding waarvan [pleegzoon] in emotionele toestand het appartement verliet.2

[moeder van verdachte] belde omstreeks 1.34 uur met het noodnummer 112, omdat zij zich zorgen maakte over [pleegzoon] .3 [slachtoffer 2] en [vriend van dochter 1] hadden het appartement verlaten om [pleegzoon] te gaan zoeken. [moeder van verdachte] was boos op verdachte en heeft hem gezegd dat hij weg moest gaan. Verdachte heeft dit gedaan. Even later belde de verdachte weer aan bij het appartement [adres] , met de boodschap dat hij zijn sleutels kwijt was. [moeder van verdachte] heeft verdachte opnieuw weggestuurd.4

Kort daarop kwamen [slachtoffer 2] en [vriend van dochter 1] terug, samen met [pleegzoon] . Nadat zij de auto op het parkeerterrein aan de achterkant van het appartementencomplex hadden geparkeerd, kwam verdachte naar hen toegerend en gaf hij [pleegzoon] een klap op de neus.5 Vervolgens sloeg hij met zijn vuist de ruit van een busje in, dat in de buurt geparkeerd stond.6 [dochter 1] kwam buiten en begon tegen verdachte te schreeuwen. Even later kwam ook [slachtoffer 1] naar beneden. Tegen [slachtoffer 1] werd gezegd dat verdachte [dochter 1] zou hebben geslagen.7 Daarop zei [slachtoffer 1] “dan heeft die een probleem”. [slachtoffer 1] was boos.8

Vanuit de galerij werd geklopt op de voordeur van het appartement [adres] te Heerlen. [moeder van verdachte] , die nog in het appartement was, zag dat verdachte voor de deur stond met bloed aan zijn hand.9 Verdachte is binnen op een stoel gaan zitten. [slachtoffer 1] is naar verdachte gegaan en is met hem in gevecht gegaan.10 Omstreeks 2.06 uur belde [moeder van verdachte] opnieuw naar het noodnummer 112 en riep: “Kunt u naar het [adres] komen, hier is grote ruzie bezig, alsjeblieft nu”.11 [slachtoffer 1] en verdachte lagen op de grond, waarbij [slachtoffer 1] een armklem om de keel van verdachte had gezet.12 Anderen hebben [slachtoffer 1] van verdachte afgetrokken. Verdachte kwam los, rende de keuken in en pakte daar een groot mes met een zwart handvat.13 Met het mes liep hij in de richting van de woonkamerdeur (opmerking hof: de woonkamerdeur naar de gang van het appartement). [moeder van verdachte] probeerde verdachte tegen te houden.

Verdachte hakte met het mes diverse glazen ruitjes van de woonkamerdeur kapot.14 Verdachte, [moeder van verdachte] en [dochter 1] bevonden zich op dat moment nog in de woonkamer. De rest (opmerking hof: [vriend van dochter 1] , [slachtoffer 2] , [pleegzoon] en [slachtoffer 1] ) was in de gang.15 [slachtoffer 2] , die zich aan de andere kant van de deur in de gang bevond, probeerde de deur dicht te houden. Toen verdachte met het mes door een ruitje stak, heeft hij de deur losgelaten en is de galerij (opmerking hof: de gemeenschappelijke gang) opgerend.16 [pleegzoon] en [vriend van dochter 1] waren al naar de galerij gerend,17 [slachtoffer 1] kwam daar als laatste aan.18 [moeder van verdachte] had kort daarvoor geprobeerd verdachte tegen te houden door aan zijn trui te trekken, maar hij reageerde daar niet op. Hij was volgens [moeder van verdachte] net een pitbull en rende achter de anderen aan.19

[vriend van dochter 1] stond op de galerij. Hij zag dat [slachtoffer 1] vanuit de woning gezien links achteruit wegdraaide. Verdachte kwam naar buiten en kwam op de galerij tegenover [slachtoffer 1] te staan. Zij konden elkaar in het gezicht kijken. Verdachte maakte een zwaaiende beweging met het mes en raakte [slachtoffer 1] in de linkerzijkant. Het was een mes van zeker 30 centimeter lang. Het mes verdween helemaal in [slachtoffer 1] .20 Na het steken rende verdachte de woning weer in. [slachtoffer 1] rende ook naar binnen.21

Toen [moeder van verdachte] in de gang kwam, zag zij [slachtoffer 1] op de grond liggen. Verdachte stond over [slachtoffer 1] heen gebukt en was hem aan het steken met het mes. De verdachte stak [slachtoffer 1] ter hoogte van de buik. De punt van het mes prikte in de buik, maar kwam er niet doorheen.22

[vriend van dochter 1] riep tegen [slachtoffer 2] dat zijn vader gestoken was. Bij de voordeur zag [vriend van dochter 1] dat [slachtoffer 1] net achter de voordeur in de gang van de woning lag.23

Terwijl [slachtoffer 2] wegrende, hoorde hij [vriend van dochter 1] roepen: “Hij heeft [slachtoffer 1] neergestoken”. [slachtoffer 2] is toen teruggerend en zag zijn vader vanuit de voordeur gezien links in de hal liggen. Verder zag hij daar verdachte, [moeder van verdachte] en [vriend van dochter 1] . [slachtoffer 2] zag dat verdachte op zijn knieën op de grond zat, met het mes in de rechterhand. Hij is naar verdachte toegegaan, heeft een knie in zijn rug gezet en heeft hem met de vuist tegen het hoofd geslagen. Hij wilde verdachte plat tegen de grond duwen, maar dat lukte niet. Hij wilde dat verdachte het mes zou laten vallen.24 Verdachte maakte met het mes steekbewegingen naar [slachtoffer 2] .25 [slachtoffer 2] werd door verdachte gestoken in zijn linker(boven)arm.26 [slachtoffer 2] probeerde het mes van verdachte af te pakken. Ze vochten. Verdachte had het mes zo stevig vast, dat het [slachtoffer 2] niet lukte het af te pakken.27

Nadat hij was gestoken, is [slachtoffer 2] via de woonkamer naar het balkon gerend.28 Op het balkon stond [dochter 1] , terwijl zij aan het bellen was met het noodnummer 112. Zij zag dat [slachtoffer 2] het balkon oprende en dat zijn kleding onder het bloed zat. [slachtoffer 2] klom over de railing.29 Hij heeft zich via het balkon af laten zakken naar een plat dak.30

[vriend van dochter 1] is weer naar de galerij gerend. Hij zag dat verdachte de woning uitkwam en in zijn rechterhand het mes vasthield. Er zat bloed aan het mes. Verdachte liep naar de tussendeur en ging weg. [vriend van dochter 1] ging de woning weer binnen. [slachtoffer 1] lag in een plas bloed.31 [moeder van verdachte] was [slachtoffer 1] aan het reanimeren.32

Bevindingen politie en ander onderzoek

De verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] kregen op 9 juni 2013 omstreeks 2.00 uur de melding te gaan naar het [adres] in Heerlen, waar een grote ruzie gaande zou zijn. Onderweg naar de aangegeven locatie hoorden zij van de meldkamer dat er een persoon zou zijn neergestoken. Toen zij ter plaatse kwamen zagen zij een persoon op een plat dak staan, die een bloedende wond had aan zijn linkerarm. Het bleek te gaan om [slachtoffer 2] , die vertelde dat zijn broer [verdachte] hem had gestoken met een mes en dat die broer ook zijn vader had neergestoken. Die zou in de woning op de grond liggen.33

De verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] kregen 9 juni 2013 omstreeks 2.10 uur de melding om te rijden naar het [adres] te Heerlen. Toen zij ter plaatse arriveerden en uit hun opvallende dienstvoertuig stapten, kwamen [vriend van dochter 1] en [pleegzoon] op hun afgerend. Zij hoorden dat [vriend van dochter 1] riep: “er ligt iemand in de woning en die is neergestoken.” Ook hoorden zij iemand anders schreeuwen. De verbalisanten gingen af op het geschreeuw en zagen toen [slachtoffer 2] , die op een dak stond te schreeuwen. Aan de linkerzijde van zijn lichaam had hij bloed. De verbalisanten renden vervolgens achter [vriend van dochter 1] het appartementencomplex [adres] binnen. Aangekomen op de centrale gang van de woning aan het [adres] (opmerking hof: hiervoor aangeduid als galerij) zagen zij vóór de toegangsdeur van perceel [adres] bloed op de vloer liggen. De voordeur van perceel [adres] stond open en in de opening lag een man op de grond. Bij deze persoon lag een grote plas bloed. De persoon was lijkbleek en gaf geen teken van leven. In de woning waren twee vrouwelijke personen aanwezig, naar later bleek [moeder van verdachte] en [dochter 1] . Verbalisant [verbalisant] liep naar het balkon en zag dat [slachtoffer 2] op een plat dak stond. [slachtoffer 2] stond daar waggelend en gaf aan dat hij pijn had aan zijn linker arm en bij zijn hartstreek. [moeder van verdachte] vertelde de verbalisanten dat de neergestoken man in de gang [slachtoffer 1] was. De verbalisanten zagen dat in de woning veel glas en bloed lag. Een grote vaas in de gang, waar het slachtoffer lag, was vernield. Ook lag er glas van de deur van de woonkamer naar de gang op de grond.34

Verbalisant [verbalisant] kreeg op 9 juni 2013 omstreeks 2.10 uur eveneens de melding om te rijden naar het [adres] te Heerlen. De melding hield in dat daar een steekpartij had plaatsgevonden en dat de dader was weggerend. De dader zou zijn gekleed in een witte trui met draken aan de voorzijde.

Toen de verbalisant in een opvallend dienstvoertuig in de richting van de aangegeven locatie reed, zag hij op een ventweg een man lopen. De man droeg een wit shirt met draken aan de voorzijde. Hij had bebloede handen en hield een groot vleesmes vast. Toen de verbalisant uitstapte en tegen de man schreeuwde “politie, laat vallen dat mes en ga op de grond liggen” reageerde de man daar niet op. De man zei van alles, maar dat klonk als wartaal en huilen. Omdat de verbalisant bang was dat de man zou doorlopen en hem met zijn mes iets wilde aandoen, heeft hij zijn dienstwapen getrokken en op de man gericht. De man reageerde nu wel op zijn instructies.35 Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant] de man, te weten verdachte, aangehouden.36 Het mes is in beslag genomen.37 Bij onderzoek aan het mes is vastgesteld dat het gaat om een vleesmes met een totale lengte van ongeveer 35 centimeter, met zwart kunststoffen heft. Het gehele mes was bebloed.38 Het lemmet van het mes heeft een lengte van 20 centimeter.39

In en om het appartement aan het [adres] te Heerlen is door forensische onderzoekers van de politie sporenonderzoek verricht, onder meer naar het bloedsporenbeeld. In de algemene gang vóór de woning (opmerking hof: hiervoor aangeduid als de galerij) werd een groot aantal bloedspoorpatronen gezien.40 Zo werden bloeddruppels waargenomen die deel uitmaken van een patroon van enkele (nagenoeg) rechtstandig terechtgekomen bloeddruppels (onder meer sporen PD5-04, PD5-06, PD5-07)41; er werd een bloedvlek gezien die vermoedelijk is ontstaan doordat er in één keer een grotere hoeveelheid bloed op de vloer terecht is gekomen (spoor PD5-08)42; ook werden bloeddruppels waargenomen die deel uitmaken van een patroon van afgeworpen bloeddruppels die afkomstig zijn van een bebloed voorwerp of lichaamsdeel in beweging (onder meer spoor PD5-01)43. Een deel van deze sporen is veroorzaakt door een beweging, komende uit de richting van de deur naar de open galerij (spoor PD5-03) dan wel vanuit de richting van de pui met deur naar de open galerij (spoor PD5-11)44.

Bij DNA-onderzoek is een match gevonden tussen een bemonstering van het bloedspoor PD5-08 (AAEX1945NL#01) en het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer 1] .45

In het ziekenhuis dossier van verdachte is te lezen dat het alcoholgehalte in zijn bloed 2,0 promille bedroeg.46

Bevindingen aangaande stoffelijk overschot [slachtoffer 1]

Op 9 juni 2013 werden door de gemeentelijke lijkschouwer op het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] diverse steekwonden in het lichaam waargenomen. Op 12 juni 2013 is door de patholoog-anatoom sectie verricht. Zijn voorlopige conclusie was dat het intreden van de dood van [slachtoffer 1] zonder meer wordt verklaard door fors bloedverlies dan wel verbloeding (en de gevolgen hiervan op het hart) door steekletsel.47 Deze conclusie heeft hij bevestigd in zijn rapport d.d. 24 juni 2013. Genoemd rapport48 houdt onder meer in dat bij sectie op het lichaam een man wordt waargenomen met tekenen van fors bloedverlies dan wel verbloeding. Verspreid over het lichaam waren meerdere letsels, door inwerking bij leven van uitwendig mechanisch scherprandig geweld, zowel perforerend (steekletsel) als eerder snijdend (oppervlakkige krassen) van aard, als een combinatie van beide, zoals door

steken en snijden met bijvoorbeeld één of meerdere messen. Links aan de borstkas was een scherprandig huiddefect zichtbaar, met aansluitend een steekkanaal van ongeveer 17,5 centimeter, dat verliep door de huid, onderhuidsweefsel, spierweefsel, de borstkaswand met schade aan een rib, de linkerlong en de lichaamsslagader tot in de rechterborstholte. In de linkerborstholte was 1190 milliliter bloed aanwezig, in de rechterborstholte 180 milliliter bloed. Door het steekletsel links aan de borstkas is schade ontstaan aan ondermeer de linkerlong en de lichaamsslagader, hetgeen het forse bloedverlies (ondermeer in de borstholten) verklaart. Fors bloedverlies dan wel verbloeding (en de gevolgen hiervan op het hart) door steekletsel kan het overlijden zondermeer verklaren.49

Bevindingen aangaande letsel [slachtoffer 2]

Op 10 juni 2013 werd op verzoek van de politie door de forensisch arts het letsel onderzocht van [slachtoffer 2] .50 De arts heeft waargenomen dat zich aan de buitenzijde linker bovenarm een streepvormige huidverwonding bevindt van circa 3 centimeter, aan de binnenzijde linker bovenarm een streepvormige huidverwonding van circa 2 centimeter en aan de buitenzijde linker thorax eveneens een streepvormige huidverwonding. Op een thoraxfoto (röntgenfoto van de borstkas), gemaakt op 9 juni 2013, was een kleine klaplong zichtbaar in combinatie met een longkneuzing. De drie letsels zijn in één lijn te trekken en zijn zeer waarschijnlijk passend bij een steekverwonding waarbij een scherp voorwerp (zoals bijvoorbeeld een mes) vanaf de buitenzijde van de arm, geheel de arm penetreert en vervolgens nog een steekverwonding veroorzaakt in de thorax.51

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep primair bepleit dat hij dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is aangevoerd dat de verdachte nimmer opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] , ook niet in voorwaardelijke zin. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is eveneens betoogd dat het opzet ontbreekt, te weten dat verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] , noch op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte heeft niet opzettelijk geprobeerd om de vitale lichaamsdelen van [slachtoffer 2] te raken.

Voorts is verweer gevoerd ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de diverse getuigen, in het bijzonder de verklaringen van [vriend van dochter 1] en [slachtoffer 2] . Volgens de raadsvrouwe hebben zij gelogen over de aanleiding van de onderhavige feiten - het vermeende slaan van [dochter 1] - en over het door hen en [slachtoffer 1] op de verdachte toegepaste geweld. Dat vormt aanleiding om ook de rest van hun verklaringen in twijfel te trekken en kritisch te beoordelen. Het maakt hun verklaringen onbetrouwbaar.

Voorts is volgens de raadsvrouwe bij de getuigen sprake van “collaborative storytelling”. De getuigen hebben nog voordat zij door de politie werden aangehouden met elkaar gecommuniceerd. De politie heeft de getuigen niet direct gescheiden.

Het hof overweegt als volgt.

(Voorwaardelijk) opzet

Feit 1

De wettige bewijsmiddelen, zoals hierboven weergegeven, houden in dat de verdachte met een vleesmes met een lemmet van 20 centimeter heeft ingestoken op het bovenlichaam van [slachtoffer 1] , waarbij het lemmet van het mes (nagenoeg) volledig in het bovenlichaam van het slachtoffer is verdwenen en onder meer door een rib van de borstkas is heengegaan. Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte met kracht heeft gestoken.

In het bovenlichaam bevinden zich vitale organen en aders. Uit het rapport van de patholoog-anatoom blijkt dat bij het steken onder meer de linkerlong en de lichaamsslagader van het slachtoffer zijn geraakt, hetgeen fors bloedverlies tot gevolg heeft gehad ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het handelen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm moet worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, te weten de dood van [slachtoffer 1] , dat er is sprake is geweest van opzet.

Het verweer wordt verworpen.

Feit 2

De wettige bewijsmiddelen, zoals hierboven weergegeven, houden in dat de verdachte met een vleesmes met een lemmet van 20 centimeter ook heeft ingestoken op het bovenlichaam van [slachtoffer 2] op het moment dat [slachtoffer 2] probeerde verdachte van zijn vader af te trekken. In het daarop volgende gevecht met [slachtoffer 2] heeft de verdachte met het mes steekbewegingen gemaakt richting [slachtoffer 2] , waarbij het mes in de linker bovenarm en de borstkas van het slachtoffer terecht is gekomen. De forensisch arts schrijft dat de letsels aan de linker bovenarm, borstkas en long in één lijn zijn en passen bij een steekverwonding waarbij een scherp voorwerp, zoals een mes, vanaf de buitenzijde van de arm, geheel de arm penetreert en vervolgens nog een steekverwonding veroorzaakt in de borstkas. Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte met kracht heeft gestoken.

Door met kracht met een groot vleesmes stekende bewegingen te maken in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer 2] , die in gevecht was met de verdachte en zich dus vlakbij bevond, bestond de aanmerkelijke kans dat vitale lichaamsdelen zouden worden geraakt waardoor het slachtoffer zou kunnen overlijden.

Het kan niet anders dan dat verdachte zich daarvan bewust moet zijn geweest en door zo te handelen heeft hij naar het oordeel van het hof willens en wetens deze aanmerkelijke kans aanvaard. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte derhalve in voorwaardelijke zin opzet gehad op de dood van [slachtoffer 2] .

Het verweer wordt verworpen.

Betrouwbaarheid getuigenverklaringen

Het hof acht de verklaringen van de getuigen [moeder van verdachte] , [pleegzoon] , [slachtoffer 2] , [dochter 1] en [vriend van dochter 1] , zoals die op 9 juni 2013 bij de politie zijn afgelegd, betrouwbaar. Deze verklaringen zijn kort na het ten laste gelegde afgelegd en stemmen in hoofdlijnen overeen. Weliswaar zijn de getuigen na het voorval nog enige tijd samen in de woning geweest en hebben daar met elkaar gesproken voordat zij door de politie als verdachte werden aangehouden en gescheiden. Echter, dit enkele feit brengt nog niet met zich dat er vanuit gegaan dient te worden dat de getuigen hun verklaringen dientengevolge op elkaar hebben afgestemd. Met de rechtbank acht het hof het, gelet op de bijzonder emotionele gebeurtenissen die zich zojuist in de woning hadden afgespeeld, niet aannemelijk dat de getuigen in de korte tijd dat zij nog samen in die woning waren afspraken hebben gemaakt over de inhoud van hun verklaringen. Voor het hof is voorts niet aannemelijk geworden dat sprake zou zijn van “collaborative storytelling” en dat genoemde verklaringen om die reden van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Wat betreft het standpunt van de verdediging, inhoudende dat in het bijzonder de verklaringen van [vriend van dochter 1] en [slachtoffer 2] niet betrouwbaar zijn omdat zij hebben gelogen over het vermeende slaan van [dochter 1] en het op de verdachte in de woning toegepaste geweld, overweegt het hof als volgt. Voor het hof staat niet vast dat [vriend van dochter 1] en [slachtoffer 2] hebben gelogen over het vermeende slaan van [dochter 1] door verdachte. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [dochter 1] zei dat verdachte haar had geslagen (dossierpagina 299); [vriend van dochter 1] heeft verklaard dat [dochter 1] verdachte tegenkwam en dat er iets moet zijn gebeurd, maar dat hij niet precies weet wat (dossierpagina 313). Géén van beiden heeft op 9 juni 2013 verklaard gezien te hebben dat verdachte [dochter 1] heeft geslagen.

Wat betreft het standpunt van de verdediging dat [vriend van dochter 1] en [slachtoffer 2] hebben gelogen over klappen en/of schoppen die zij verdachte zelf hebben gegeven in de woonkamer, wordt overwogen dat ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting voor het hof niet aannemelijk is geworden dat door deze personen in de woonkamer tegen verdachte geweld is gebruikt. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij in de woonkamer door [vriend van dochter 1] en [slachtoffer 2] is geslagen en/of geschopt, maar dit wordt niet ondersteund door ander bewijs, behoudens de verklaring die [moeder van verdachte] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Aan deze verklaring van [moeder van verdachte] hecht het hof evenwel geen geloof. Deze verklaring wijkt in aanzienlijke mate af van de verklaring die [moeder van verdachte] direct na het gebeuren op 9 juni 2013 bij de politie heeft afgelegd, welke verklaring wordt ondersteund door ander bewijs, waaronder de verklaringen van de andere getuigen, de bevindingen van de politie en de bevindingen omtrent het letsel. De verklaring van [moeder van verdachte] d.d. 28 augustus 2014 bij de rechter-commissaris vindt daarentegen geen steun in ander bewijsmateriaal. [moeder van verdachte] heeft ook geen aannemelijke verklaring gegeven voor de omstandigheid dat zij ruim een jaar later een wezenlijk andere verklaring heeft afgelegd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het er op lijkt dat [moeder van verdachte] met haar verklaring bij de rechter-commissaris heeft geprobeerd een voor verdachte, haar zoon, zo gunstig mogelijk beeld te schetsen.

Bij zijn oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [vriend van dochter 1] en [slachtoffer 2] betrekt het hof voorts de omstandigheid dat die verklaringen niet op zichzelf staan, maar worden ondersteund door ander bewijs, waaronder de verklaringen van de andere getuigen van 9 juni 2013, de bevindingen van de politie, de bevindingen omtrent het letsel en de resultaten van het forensisch technische onderzoek, zoals hierboven bij het bewijs is weergegeven.

Ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting is op enig moment aan de orde gekomen dat [vriend van dochter 1] niet zou hebben kunnen zien dat verdachte met het mes instak op [slachtoffer 1] . Het hof acht de verklaring van [vriend van dochter 1] over het door verdachte insteken op [slachtoffer 1] echter betrouwbaar en geloofwaardig, mede gelet op het steunbewijs. Immers, [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij, terwijl hij van de woning wegrende, [vriend van dochter 1] hoorde roepen: “Hij heeft [slachtoffer 1] neergestoken”. Dit duidt erop dat [vriend van dochter 1] daadwerkelijk heeft gezien dat verdachte instak op [slachtoffer 1] . Voorts wordt de verklaring van [vriend van dochter 1] ondersteund door het onderzoek naar het letsel en het forensisch technische bewijs, in het bijzonder de bloedsporen, in de navolgende zin.

[vriend van dochter 1] heeft verklaard dat hij op de galerij stond, dat hij zag dat [slachtoffer 1] uit de woning kwam, dat vervolgens verdachte kwam en dat verdachte een zwaaiende beweging met het mes maakte en [slachtoffer 1] raakte in de linkerzijkant, waarbij het mes helemaal verdween in [slachtoffer 1] . De patholoog-anatoom heeft bij sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] inderdaad links aan de borstkas een scherprandig huiddefect waargenomen met aansluitend een steekkanaal van ongeveer 17,5 centimeter. Het mes had een lemmet van 20 centimeter. Voorts hebben forensische onderzoekers van de politie in de algemene gang c.q. galerij vóór de woning een groot aantal bloedspoorpatronen gezien, waaronder een bloedvlek die vermoedelijk is ontstaan doordat er in één keer een grotere hoeveelheid bloed op de vloer terecht is gekomen (spoor PD5-08). Bij DNA-onderzoek is een match gevonden tussen een bemonstering van dit bloedspoor en het DNA-profiel van [slachtoffer 1] .

Op verzoek van de verdediging is in hoger beroep door ing. R. Eikelenboom van Independent Forensic Services (IFS) een “Bloedspoorpatroon-, biologische sporen- en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] ” verricht. Eén van de conclusies van dit onderzoek luidt dat gelet op het bloedsporenbeeld het zeer veel waarschijnlijker is dat [slachtoffer 1] de dodelijke steekwond heeft opgelopen in de gemeenschappelijke hal en niet in de hal van de woning. Deze conclusie onderschrijft de verklaring van [vriend van dochter 1] en niet de verklaring van verdachte.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen. Het hof gebruikt dan ook de verklaringen van [moeder van verdachte] , [pleegzoon] , [dochter 1] , [slachtoffer 2] en [vriend van dochter 1] d.d. 9 juni 2013 voor het bewijs, op de wijze zoals hierboven is weergegeven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep subsidiair betoogd dat hij ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij zich mocht en moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf (noodweer). Meer subsidiair, voor de situatie dat het hof van oordeel is dat de verdachte bij de verdediging de grenzen van proportionaliteit heeft overschreden, is ter zake van beide feiten een beroep gedaan op noodweerexces. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is uiterst subsidiair bepleit dat de verdachte heeft gehandeld vanuit de gerechtvaardigde overtuiging dat hij nog steeds en opnieuw werd aangevallen, waartegen hij zich wel moest verdedigen (putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces).

Feit 1

Noodweer

De raadsvrouwe heeft subsidiair aangevoerd dat het overlijden van [slachtoffer 1] het onomkeerbare gevolg is van de doodsangst die de verdachte heeft doorstaan en dat hij gehandeld heeft uit noodweer. Door de verdediging is daartoe de volgende gang van zaken geschetst.

Doordat werd geroepen dat de verdachte [dochter 1] zou hebben geslagen, waren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ‘over de rooie’. Bovengekomen in het appartement [adres] te Heerlen, nam [slachtoffer 2] tegenover de verdachte een zeer agressieve houding aan. [slachtoffer 1] viel de verdachte aan en trok hem in de woonkamer van de stoel. [slachtoffer 1] dook vervolgens boven op de verdachte en hield hem in een wurggreep. Ook sloeg hij op hem in. Daarnaast takelden [slachtoffer 2] en [vriend van dochter 1] de verdachte toe. [slachtoffer 2] gaf hem klappen en [vriend van dochter 1] heeft hem tegen het hoofd getrapt, waardoor hij achterover viel. De verdachte was weerloos. Door de verwurging kreeg hij geen lucht meer en hij zag flitsen door de klappen die hij kreeg. Hij dacht dat hij er op dat moment aan zou gaan. Anderen trokken [slachtoffer 1] van hem af, de verdachte kwam overeind en vluchtte de keuken in. Hij ging niet via de deur van de woonkamer naar de hal, omdat [slachtoffer 2] voor die deur stond. De verdachte was in fysiek opzicht niet opgewassen tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die een stuk groter zijn dan hij.

In de keuken pakte de verdachte het eerste het beste dat hij tegenkwam: een mes. Op dat moment duurde de aanval tegen de verdachte nog steeds voort en vreesde hij voortdurend geweld. Bovendien was er sprake van een aanranding van het lijf omdat zijn bewegingsvrijheid werd beperkt. Het pakken van het mes was onder die omstandigheden gerechtvaardigd. De verdachte had op dat moment maar één doel en dat was wegkomen uit de woning. De enige uitweg werd evenwel versperd, doordat de deur werd dichtgehouden. In paniek heeft de verdachte de glazen ruitjes van de deur naar de gang ingeslagen, teneinde bij de klink te kunnen en de deur te kunnen openen. Eenmaal in de gang werd de verdachte opnieuw aangevallen door [slachtoffer 1] . Vervolgens werd er geduwd en getrokken tussen de verdachte en [slachtoffer 1] . De verdachte moest zich voortdurend weren tegen [slachtoffer 1] , die hij niet van zich afkreeg. Het moet bij dat verweren zijn geweest dat de dodelijke steekverwonding zal zijn toegebracht. De verdachte meent zich te herinneren dat dit handgemeen met [slachtoffer 1] in de gang van de woning heeft plaatsgevonden en niet op de gemeenschappelijke hal (opmerking hof: de galerij) vóór de woning.

Indien evenwel zou blijken dat de dodelijke steekverwonding is toebracht op de gemeenschappelijke hal, is dat niet doorslaggevend voor de beoordeling van de verweren van de verdediging, aldus de raadsvrouwe. Hierbij betrekt zij de inhoud van het rapport van IFS d.d. 7 juli 2016, opgemaakt door ing. R. Eikelenboom. Dit rapport houdt ten aanzien van het daarin onderscheiden stadium II, het toebrengen van de dodelijke steekverwonding aan het slachtoffer, in dat de resultaten van het onderzoek als volgt zijn: de hypothese dat de dodelijke steekwond werd toegebracht terwijl het slachtoffer de verdachte aanviel is ongeveer even waarschijnlijk als de hypothese dat de wond is toegebracht terwijl de verdachte het slachtoffer aanviel. De raadsvrouwe verzoekt het hof op die grond vast te stellen dat niet met enige mate van zekerheid kan worden vastgesteld of de verdachte de dodelijke steekwond in de aanval of in de verdediging heeft toegebracht.

De gedragingen van de verdachte waren noodzakelijk voor zijn verdediging, waarbij aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. Bij de beoordeling hiervan dient de persoon van de verdachte te worden betrokken, aldus de raadsvrouwe, in die zin dat van sommige personen minder kan worden verwacht dan van anderen. Uit de rapportage psychologisch onderzoek d.d. 18 september 2013, opgemaakt door P.E. Geurkink, forensisch psycholoog, blijkt immers dat de verdachte functioneert op een zwakbegaafd tot laaggemiddeld niveau, dat hij intellectueel beperkt is, in complexe situaties sneller het overzicht verliest en dan kan overgaan tot impulsief gedrag waarvan hij de consequenties niet overziet.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden voor de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op de grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als verdediging, maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien. Wanneer de aanranding is geëindigd, is een beroep op noodweer niet meer mogelijk.

Voor het hof is ter terechtzitting in hoger beroep voldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer 1] de verdachte in de woonkamer van het appartement [adres] van een stoel heeft getrokken en hem zodanig heeft vast gepakt dat sprake is geweest van een verwurging. Op dat moment was voor verdachte sprake van een noodweersituatie. Anderen hebben [slachtoffer 1] van de verdachte afgetrokken, hetgeen de verdediging bij pleidooi ook zelf aan de orde heeft gesteld. Verdachte kon op dat moment ontkomen aan de belaging en is naar de keuken gevlucht. Daar heeft hij een groot vleesmes gepakt.

Het hof is van oordeel dat gelet op de gedragingen van [slachtoffer 1] het enkele pakken van een mes door de verdachte met de bedoeling om door het tonen van dit mes [slachtoffer 1] verder van zich af te houden, nog wel zou kunnen worden aangemerkt als een (geoorloofde) verdedigingshandeling. Echter, de daarop volgende gedragingen van verdachte kunnen, anders dan door de raadsvrouwe bepleit, niet langer als verdedigend worden beschouwd.

Uit de feiten en omstandigheden, zoals het hof die hierboven bij het bewijs heeft vastgesteld, leidt het hof af dat verdachte zich niet heeft beperkt tot het tonen van het mes, maar dat hij juist degene is geweest die op dat moment de aanval heeft gekozen. Nadat anderen [slachtoffer 1] van verdachte hadden afgetrokken, was hij ontkomen aan diens greep. Voor zover op dat moment nog steeds sprake was van een dreigende uitoefening van geweld door [slachtoffer 1] , had de verdachte naar het oordeel van het hof kunnen en ook moeten volstaan met het dreigend tonen van het mes. Immers, reeds bij het zien van het mes en/of het horen roepen van de woorden “hij heeft een mes” is zijn belager samen met [slachtoffer 2] , [vriend van dochter 1] en [pleegzoon] naar de gang gerend en werd de woonkamerdeur dichtgetrokken. De verdachte bleef in de woonkamer achter met [moeder van verdachte] en [dochter 1] . Niet gesteld of gebleken is dat van deze twee vrouwen op dat moment enige dreiging in de richting van de verdachte uitging.

Door [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] werd vanuit de gang de deur van de woonkamer dicht gehouden. Het hof leidt uit de feitelijke gang van zaken af dat zij dit niet deden om de verdachte wederechtelijk van zijn vrijheid te beroven, zoals door de raadsvrouwe is gesteld, maar omdat zij zichzelf en de anderen op de gang wilden beschermen tegen een dreigende aanval door de verdachte, die op dat moment zichtbaar voor hen een groot vleesmes vasthield. Verdachte sloeg vervolgens met de punt van het mes meerdere glazen ruiten in de woonkamerdeur stuk. Door dit handelen van de verdachte werd de deur losgelaten. [moeder van verdachte] heeft nog geprobeerd de verdachte tegen te houden, maar dat lukte haar niet. Hij was net een pitbull en rende achter de anderen aan, zo verklaart zij bij de politie, hetgeen wijst op het aanvallende karakter van het handelen van verdachte op dat moment. [pleegzoon] , [vriend van dochter 1] en [slachtoffer 2] ontvluchtten de woning. [vriend van dochter 1] , die zich op de galerij bevond, beschrijft dat hij zag dat [slachtoffer 1] vervolgens trachtte de voordeur dicht te houden, dat verdachte die opentrok, dat hij op de galerij tegenover [slachtoffer 1] kwam te staan en daar op hem instak. Deze waarnemingen door [vriend van dochter 1] worden, zoals hierboven bij de bijzondere overwegingen omtrent het bewijs reeds beschreven, naar het oordeel van het hof ondersteund door het onderzoek naar het letsel van [slachtoffer 1] , het forensisch technische bewijs, in het bijzonder de bloedsporen, en de conclusie uit het rapport van IFS d.d. 7 juli 2016 omtrent de plaats van het toebrengen van de dodelijke steekverwonding, zoals hiervoor bij de bijzondere overwegingen omtrent het bewijs weergegeven.

De lezing van de verdachte, inhoudende dat hij op de gang in de woning van achteren werd aangevallen door [slachtoffer 1] en dat verdachte alleen maar wilde vluchten, vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het dossier en past niet bij de feitelijke gang van zaken zoals die hierboven door het hof is vastgesteld. Bij dit oordeel betrekt het hof in het bijzonder de omstandigheid dat uit de verklaring van [vriend van dochter 1] , daarin ondersteund door onder meer de inhoud van het rapport van IFS d.d. 7 juli 2016, blijkt dat de dodelijke steekwond is toegebracht op de gang buiten de woning en dat de verdachte daarna niet is weggevlucht, maar de woning weer is ingegaan. Daar heeft hij - zo blijkt onder meer uit de verklaring van [moeder van verdachte] - nog meerdere keren in de buik van [slachtoffer 1] geprikt. Deze gedragingen van de verdachte kunnen geenszins als vlucht worden aangemerkt, maar wijzen op het aanvallende karakter van de handelingen van verdachte.

Dat het rapport van IFS d.d. 7 juli 2016 inhoudt dat de hypothese dat de dodelijke steekwond is toegebracht toen verdachte het slachtoffer aanviel ongeveer even waarschijnlijk is als de hypothese dat die wond is toegebracht toen het slachtoffer de verdachte aanviel, zoals de raadsvrouwe heeft bedrukt, doet aan het bovenstaande niet af. Naar het oordeel van het hof was immers op dat moment verdachte degene die de aanval had ingezet.

Het bovenstaande komt er op neer dat naar het oordeel van het hof de daadwerkelijk begonnen wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1] was geëindigd en dat er, nadat verdachte een mes had gepakt, niet langer sprake is geweest van handelen ter verdediging, dus van een noodweersituatie.

Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Noodweerexces

Voor de situatie dat het hof meent dat niet voldaan is aan de proportionaliteitseis, stelt de verdediging meer subsidiair dat de overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging - te weten doodsangst - die door de aanranding is veroorzaakt.

Het hof overweegt als volgt.

Nu naar het oordeel van het hof niet langer sprake was van een noodweersituatie, maar van handelen van verdachte dat als aanvallend moet worden gekwalificeerd jegens het latere, op dat moment juist voor verdachte vluchtende slachtoffer, kan ook het beroep op noodweerexces niet slagen. De stelling dat verdachtes handelen na het pakken van het mes was ingegeven door doodsangst is immers niet verenigbaar met zijn handelen nadien, met name zijn keuze om na het toebrengen van de dodelijke steekverwonding buiten de woning wederom terug te keren in die woning.

Het beroep op noodweerexces wordt eveneens verworpen.

Putatief noodweer(exces)

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de verdediging uiterst subsidiair nog aangevoerd dat de verdachte doodsbang was voor een voortzetting van de aanval door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De deur naar de gang werd dichtgehouden en eenmaal in de gang werd hij opnieuw geslagen. De verdachte heeft op dat moment minimaal gemeend dat er dreigend gevaar voor zijn leven was. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de persoon van de verdachte, maar ook met andere factoren, waaronder de omstandigheid dat hij in fysiek opzicht geen partij was voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , aldus de raadsvrouwe.

Het hof overweegt als volgt.

Om dezelfde reden waarom het beroep op noodweer(exces) is verworpen, wordt ook het beroep op putatief noodweer(exces) verworpen. Daarbij overweegt het hof dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte in de gang nog door [slachtoffer 1] is geslagen.

Feit 2

Noodweer

De verdediging stelt zich subsidiair op het standpunt dat de verdachte in de gang van het appartement [adres] te Heerlen werd geslagen door [slachtoffer 2] en werd getrapt door [vriend van dochter 1] . Er waren meerdere schoenafdrukken zichtbaar op het hoofd en het lichaam van de verdachte.

In de hals waren sporen, passend bij een wurgpoging waar te nemen. In dit verband heeft de raadsvrouwe gewezen op de verwondingen van de verdachte, zoals die zijn vastgesteld door de GGD-arts. De GGD-arts schrijft op dossierpagina 943 dat er sprake is van fors uitgeoefend geweld tijdens een handgemeen.

De verdachte heeft verklaard dat hij, terwijl hij in de gang werd getrapt, het mes is verloren. Hij was doodsbang dat één van zijn belagers het mes te pakken zou krijgen en wist het mes opnieuw te bemachtigen. [slachtoffer 2] hield hem vast in een stevige nekklem. De verdachte sloeg om zich heen met het mes in zijn handen, dit teneinde los te komen. Daarbij moet hij [slachtoffer 2] met het mes hebben geraakt. Uiteindelijk wist de verdachte los te komen en kon hij doen wat hij van het begin af aan al wilde, namelijk de woning verlaten. Er is geenszins sprake geweest van een tegenaanval door de verdachte, maar van een poging tot vluchten.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft het hof reeds overwogen dat er, nadat de verdachte een mes had gepakt, niet langer sprake was van een noodweersituatie. Op dat moment heeft de verdachte de tegenaanval gekozen. Het handelen van de verdachte dat daarop is gevolgd kan, zo heeft het hof hierboven tevens geoordeeld, niet worden aangemerkt als een vluchtpoging.

Uit de feiten en omstandigheden, zoals die door het hof zijn vastgesteld, blijkt dat de verdachte nadat hij had ingestoken op [slachtoffer 1] in de gemeenschappelijke gang, de woning weer is ingegaan. [slachtoffer 1] was in de gang van de woning net na de voordeur gevallen. Verdachte heeft daar opnieuw met het mes gestoken in het lichaam van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 2] , die hoorde dat zijn vader was gestoken, is teruggerend naar de woning. Daar heeft hij in de gang tegen de verdachte geweld uitgeoefend, opdat verdachte het mes zou laten vallen. Het hof sluit niet uit dat ook [vriend van dochter 1] in de gang van de woning geweld tegen de verdachte heeft uitgeoefend. Het door [slachtoffer 2] en (mogelijk) door [vriend van dochter 1] tegen de verdachte in de gang van de woning uitgeoefende geweld dient naar het oordeel van het hof te worden aangemerkt als handelen in een noodweersituatie. Hun handelen was geboden voor de noodzakelijke verdediging van het lijf van [slachtoffer 1] , aangezien de verdachte nog steeds stekende bewegingen maakte met het mes. Nu [slachtoffer 2] en (mogelijk) [vriend van dochter 1] hebben gehandeld uit noodweer, komt aan de verdachte - die zich volgens zijn verklaring met het mes wilde verweren en daarbij het lichaam van [slachtoffer 2] heeft geraakt - geen beroep op noodweer toe. Immers kan het handelen van [slachtoffer 2] en [vriend van dochter 1] niet worden aangemerkt als een wederrechtelijke aanranding.

Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Noodweerexces

Nu van een noodweersituatie geen sprake was of was geweest, kan ook het meer subsidiair gevoerde beroep op noodweerexces (overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging) niet slagen.

Enigszins verminderd toerekeningsvatbaar

Ter terechtzitting in hoger beroep is de inhoud aan de orde gekomen van de rapportage psychologisch onderzoek d.d. 18 september 2013, opgemaakt door P.E. Geurkink, forensisch psycholoog. De forensisch psycholoog schrijft dat de verdachte intellectuele beperkingen kent en (rand) zwakbegaafd is, waardoor hij sociaal beperkt is en onmachtig in het leven staat. Hij kan minder dan de gemiddeld intelligente mens meekomen in de sociale interactie en verliest in complexe situaties het overzicht, wat tot spanningen leidt.

Hij kan dan vanuit zijn beperkingen niet tot adequate oplossingen komen. Naar het oordeel van de psycholoog heeft de beperkte pathologie van de verdachte bij het ten laste gelegde evenwel maar een beperkte rol gespeeld. Hij is in staat ook andere keuzes te maken in situaties zoals ten tijde van het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te zien voor het ten laste gelegde.

Anders dan de rechtbank, verenigt het hof zich met de conclusie van de forensisch psycholoog en neemt het de conclusie dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd over. Nu het slechts gaat om een beperkte vermindering, betreft het geen omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Wel zal het hof dit aspect betrekken bij zijn oordeel omtrent de op te leggen straf.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor onder 1 en 2 bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aan hem, gelet op de omstandigheden van het geval en zijn persoonlijke omstandigheden, een gevangenisstraf van maximaal 6 jaar zal worden opgelegd. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de verdachte zelf het nodige letsel heeft opgelopen doordat hij is geslagen, getrapt en gewurgd en dat ook hij in de nacht van 8 op 9 juni 2013 een dierbare heeft verloren. Voorts heeft de raadsvrouwe er op gewezen dat de verdachte tijdens een schorsing van de voorlopige hechtenis te kampen heeft gehad met ernstige bedreigingen. Ook is aandacht gevraagd voor de inhoud van het penitentiair dossier van de verdachte, waaruit volgt dat hij een voorbeeldige gedetineerde is. De verdachte doet zijn uiterste best om in positieve zin iets van zijn leven te maken, onder meer door het volgen van een opleiding. De verdachte heeft inmiddels een zoontje, dat hij graag zelf met zijn vriendin wil opvoeden.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de nacht van 8 op 9 juni 2013 met een groot vleesmes ingestoken op het bovenlichaam van [slachtoffer 1] , waardoor deze is komen te overlijden. Vervolgens heeft hij [slachtoffer 2] met datzelfde mes in ernstige mate verwond. Diverse familieleden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn getuige geweest van de gewelddadige gebeurtenissen die nacht.

Het voorval is voor alle betrokkenen bijzonder schokkend geweest en heeft nog steeds een grote impact, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring van [dochter 2] ter terechtzitting in hoger beroep. Verdachte heeft door zijn handelen een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht dat diep heeft ingegrepen in het leven van de nabestaanden van [slachtoffer 1] . Er is aan hen onherstelbaar leed en verdriet berokkend.

Het handelen van verdachte heeft voorts diep ingegrepen in het leven van [slachtoffer 2] , zoals ook is verwoord in de voorlopige schadestaat die namens hem als benadeelde partij is ingebracht. Er is op grove wijze inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Het onder 2 bewezen verklaarde heeft blijvende gevolgen voor zijn lichamelijke, maar met name ook voor zijn geestelijke welzijn.

Door te handelen zoals onder 1 en 2 bewezen verklaard, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag en een poging daartoe. Het opzettelijk een ander mens van het leven (proberen te) beroven behoort tot de zwaarste categorie van strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. Door dergelijke misdrijven wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt en het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg. Daarnaast leidt een dergelijk feit tot vaak hevige en langdurige gevoelens van angst en onveiligheid bij getuigen en slachtoffers, waarvan ook in de onderhavige strafzaak is gebleken.

Wat betreft de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, betrekt het hof voorts bij zijn oordeel dat de verdachte de onderhavige feiten heeft begaan onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol. Overigens hadden ook de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op de bewuste avond veel alcohol gedronken. Alcohol heeft in deze strafzaak een zeer negatief ontremmend effect gehad. Niet alleen [slachtoffer 2] , maar ook de verdachte moest op 9 juni 2013 in het ziekenhuis worden opgenomen omdat op hem fors geweld is toegepast. Voordat de verdachte overging tot de aanval, was hij immers het slachtoffer van een verwurging.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof allereerst gelet op de inhoud van het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 oktober 2016. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een geweldsdelict.

Voorts heeft het hof bij de straftoemeting acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 22 november 2013, opgemaakt door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker, en van de hierboven reeds aangehaalde rapportage van forensisch psycholoog P.E. Geurkink. Zoals reeds vermeld verenigt het hof zich met de conclusie van de forensisch psycholoog en neemt het de conclusie dat de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd over.

Bij de straftoemeting heeft het hof ten slotte acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Op zichzelf zou de ernst van de bewezen verklaarde feiten nopen tot de oplegging van een langere straf dan die door de rechtbank is opgelegd. Doorgaans wordt als uitgangspunt voor de straftoemeting bij een voltooide doodslag een gevangenisstraf voor de duur van tenminste 8 jaar genoemd. Nu het in deze strafzaak gaat om een voltooide doodslag én een poging daartoe acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar geïndiceerd.

Evenwel, indachtig de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en de omstandigheid dat hij zelf in de nacht van 8 op 9 juni 2013 eerst het slachtoffer is geweest van een verwurging door zijn stiefvader, komt het hof tot de oplegging van een lagere straf. Alles overziend acht het hof het passend en geboden om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 12 jaren. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal op deze straf in mindering worden gebracht.

Hetgeen omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte voorts nog naar voren is gebracht legt tegenover de ernst van de feiten onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

Vordering van de benadeelde partijen

In eerste aanleg hebben zich acht benadeelde partijen gevoegd: [dochter 2] (hierna: [dochter 2] ), [dochter 3] (hierna: [dochter 3] ), [dochter 1] (hierna: [dochter 1] ), [dochter 4] (hierna: [dochter 4] ), [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), [zoon] (hierna: [zoon] ), [vriend van dochter 1] (hierna: [vriend van dochter 1] ) en [pleegzoon] (hierna: [pleegzoon] ).

De vorderingen zijn in eerste aanleg deels toegewezen. Alle benadeelde partijen hebben op het wensenformulier aangegeven hun in eerste aanleg ingediende vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdachte is van mening niet aansprakelijk te zijn voor de schade aangezien hij zich op het standpunt stelt dat hij moet worden vrijgesproken dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor het geval het hof anders mocht oordelen, heeft verdachte de schadeposten deels betwist dan wel zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen te complex zijn om in dit strafgeding te worden beoordeeld.

Het hof overweegt met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt.

Voorop gesteld wordt dat binnen de vorderingen van de benadeelde partijen vier posities moeten worden onderscheiden op grond waarvan zij schadevergoeding kunnen vorderen, namelijk:

  1. ls erfgenaam van [slachtoffer 1] ( [dochter 2] );

  2. als degene ten laste van wie de kosten van lijkbezorging zijn gekomen ( [dochter 2] , [dochter 3] , [dochter 1] , [dochter 4] , [slachtoffer 2] , [vriend van dochter 1] , [zoon] , en [pleegzoon] );

  3. als direct slachtoffer van het strafbare feit sub 1 ( [slachtoffer 2] , [dochter 1] , [vriend van dochter 1] en [pleegzoon] ten aanzien van hun vorderingen vanwege shockschade en [dochter 2] , [dochter 3] , [dochter 4] en [zoon] ten aanzien van het gevorderde smartengeld ex artikel 6:106 lid 1 sub a BW);

  4. als direct slachtoffer vanwege het strafbare feit 2 ( [slachtoffer 2] en als verplaatste schade de door [dochter 2] , [dochter 3] , [dochter 4] , [vriend van dochter 1] en [zoon] gevorderde reiskosten ziekenhuisbezoek [slachtoffer 2] ).

Wat betreft positie a en b geldt dat de wet slechts beperkte mogelijkheden biedt voor de nabestaanden/erfgenamen van een persoon die ten gevolge van een strafbaar feit is overleden om zich als benadeelde partij in het strafgeding te voegen. Het kan dan slechts gaan om vorderingen die de overledene bij leven als gevolg van het strafbare feit op de verdachte had en die de erfgenaam onder algemene titel heeft verkregen.

Daarnaast kunnen gederfde kosten van levensonderhoud worden vergoed alsmede de kosten van lijkbezorging aan degene die deze kosten heeft gemaakt (artikel 51f lid 2 Sv juncto artikel 6:108 BW). Voor zover de benadeelde partijen andere dan de hiervoor vermelde schade vorderen, geldt dat zij daarin niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Ten aanzien van positie c gaat het om zelfstandige vorderingen van de benadeelde partijen, namelijk om schade waarvan zij stellen dat die aan hen rechtstreeks door het bewezen verklaarde onder 1 is toegebracht. [dochter 1] , [slachtoffer 2] , [vriend van dochter 1] en [pleegzoon] vorderen zogenaamde shockschade en de andere benadeelde partijen voeren als grondslag voor hun vordering tot vergoeding van smartengeld aan dat verdachte het oogmerk had hun immateriële schade toe te brengen (art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a, BW). Dit betekent dat zij in beginsel ontvankelijk zijn in deze vorderingen.

Daarnaast vordert [slachtoffer 2] de door hemzelf ten gevolge van het bewezen verklaarde feit 2 geleden schade (d). Daarin is hij ontvankelijk. [dochter 2] , [dochter 3] , [dochter 4] , [zoon] en [vriend van dochter 1] vorderen de reiskosten ziekenhuisbezoek [slachtoffer 2] , welke kosten als verplaatste schade in de zin van artikel 6:107 BW kunnen worden gevorderd. Derhalve zijn zij in deze vordering ontvankelijk.

Omwille van de duidelijkheid en overzichtelijkheid zal het hof hierna de ontvankelijkheid en de toewijsbaarheid van de vorderingen per benadeelde partij afzonderlijk beoordelen.

De vordering van [dochter 2]

is ontvankelijk in de gevorderde reiskosten naar het uitvaartcentrum en naar de winkel grafmonumenten alsmede in de kosten aanschaf bloemen kist, kosten gezang kerk, grafsteenkosten en grafleges aangezien deze kosten behoren tot de kosten van de lijkbezorging. Ook in de vorderingen inzake reiskosten advocaat en rechtbank is zij ontvankelijk, zij het dat het hof deze kosten aanmerkt als proceskosten. De reiskosten naar notaris, politiebureau en psycholoog met dochter, de telefoonkosten, de kosten aanschaf kleding begrafenis en griffiekosten kunnen niet tot de kosten van lijkbezorging worden gerekend en in die vorderingen is zij niet-ontvankelijk. [dochter 2] is daarentegen wel ontvankelijk in de vordering inzake de schoonmaakkosten woning. Naar het oordeel van het hof volgt uit de bewijsmiddelen dat dit kosten zijn, die een rechtstreeks gevolg zijn van hetgeen onder 1 primair is bewezen verklaard. Daaruit blijkt namelijk dat er veel bloedsporen in de woning - en de gemeenschappelijke gang - zijn aangetroffen. Het hof begrijpt dat [dochter 2] als erfgename onder algemene titel vergoeding van die kosten vordert (zie HR 12 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945).

Deze schoonmaakkosten ad € 1.210,00 zijn toewijsbaar. Het is alleszins aannemelijk dat gelet op de vele bloedsporen in de woning een professioneel bedrijf moest worden ingeschakeld voor het opruimen c.q. reinigen van de woning en de kosten zijn ook onderbouwd (zie de factuur, overgelegd als bijlage 6 bij de voorlopige schadestaat).

De reiskosten naar uitvaartcentrum ad € 6,00, reiskosten winkel grafmonumenten ad

€ 57,60, bloemen kist ad € 50,00, kosten gezang kerk ad € 50,00, grafsteenkosten ad

€ 11.258,88 en grafleges ad € 194,30 zijn toewijsbaar. Het totaal van deze kosten is

€ 12.826,78. De ten aanzien van dit bedrag gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar. De reiskosten naar advocaat ad € 36,00 en rechtbank ad € 43,20, in totaal

€ 79,20, zijn als proceskosten toewijsbaar. Voor al deze posten geldt dat deze niet dan wel onvoldoende door verdachte zijn betwist.

Wat betreft het door de verdediging gedane beroep op matiging van de reiskosten is het hof van oordeel dat dit verweer gelet op artikel 6:109 BW onvoldoende is onderbouwd. Dit geldt eveneens ten aanzien van de door de andere benadeelde partijen gevorderde reiskosten.

De wettelijke rente over de materiële schade zal worden toegewezen vanaf de datum waarop de vordering werd ingediend, te weten de datum van de voorlopige schadestaat, zijnde

1 november 2014, aangezien onduidelijk is wanneer de diverse materiële posten daadwerkelijk door de benadeelde partij zijn geleden c.q. betaald.

De vordering smartengeld ad € 5.000,00 wordt afgewezen. Anders dan [dochter 2] (en de andere nabestaanden) stelt (stellen) kan naar het oordeel van het hof uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat verdachte het oogmerk had de nabestaanden immateriële schade toe te brengen. Derhalve biedt artikel 6:106 BW geen grondslag voor toewijzing van deze schade. Voor zover [dochter 2] (en de andere nabestaanden) tevens bedoeld heeft (hebben) affectieschade te vorderen, is deze vordering evenmin toewijsbaar. Hoezeer ook het hof begrijpt dat het overlijden van hun vader, stiefvader en schoonvader ten gevolge van het bewezen verklaarde sub 1 bij alle nabestaanden heeft geleid tot veel pijn en verdriet, op grond van de huidige Nederlandse wetgeving komt affectieschade niet voor vergoeding in aanmerking.

De door [dochter 2] gevorderde reiskosten ziekenhuisbezoek [slachtoffer 2] ad € 25,92 zijn toewijsbaar. Het gaat hier om zogenaamde verplaatste schade in de zin van artikel 6:107 BW. Indien [slachtoffer 2] deze kosten zou hebben gemaakt, bij voorbeeld doordat hij deze kosten aan [dochter 2] zou hebben vergoed, dan zou hij deze van de verdachte hebben kunnen vorderen. Derhalve kan [dochter 2] deze op grond van artikel 6:107 BW vorderen. Nu deze kosten niet, althans onvoldoende gemotiveerd zijn betwist, zijn deze toewijsbaar.

Dit alles leidt ertoe dat verdachte zal worden veroordeeld tot betaling aan [dochter 2] van een bedrag van € 12.852,70 inzake schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014, en tot betaling van een bedrag van € 79,20 voor proceskosten, dat de smartengeldvordering wordt afgewezen en dat [dochter 2] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is.

De vordering van [dochter 3]

Ook [dochter 3] is op grond van artikel 51f lid 2 Sv ontvankelijk in de vorderingen betreffende reiskosten uitvaartcentrum, reiskosten winkel grafmonumenten, reiskosten advocaat (als proceskosten), kosten aanschaf bloemen kist, kosten gezang kerk evenals in de zelfstandige vordering inzake smartengeld ad € 5.000,00. In de reiskosten notaris, telefoonkosten en kosten kleding begrafenis en griffiekosten is zij niet-ontvankelijk.

Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist zijn de reiskosten uitvaartcentrum ad

€ 6,00, reiskosten winkel grafmonumenten ad € 28,80, aanschaf bloemen en kosten gezang kerk ad € 50,00 toewijsbaar. Ook toewijsbaar zijn de reiskosten ziekenhuisbezoek [slachtoffer 2] ad

€ 25,92. Het hof verwijst naar hetgeen daarover bij de vordering van [dochter 2] is overwogen. Derhalve is in totaal toewijsbaar een bedrag van € 110,72, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum van indiening van de vordering, te weten 1 november 2014. Ook de reiskosten advocaat ad € 7,20 worden toegewezen, zij het dat deze als proceskosten worden aangemerkt. Voor al deze posten geldt dat deze niet dan wel onvoldoende door verdachte zijn betwist. De vordering inzake smartengeld wordt afgewezen.

Het hof verwijst ook hier naar hetgeen hiervoor bij deze vordering van [dochter 2] is overwogen. Voor het overige is zij in haar vorderingen niet-ontvankelijk.

De vordering van [dochter 1]

Voor zover de vordering van [dochter 1] voortvloeit uit haar positie als erfgenaam c.q. nabestaande geldt hetzelfde als hiervoor bij de vorderingen van [dochter 2] en [dochter 3] is overwogen. [dochter 1] kan derhalve worden ontvangen in haar vordering betreffende de reiskosten naar uitvaartcentrum, naar winkel grafmonumenten en de reiskosten advocaat als ook in haar vordering betreffende overige kosten voor zover deze ziet op aanschaf bloemen kist en kosten gezang kerk. [dochter 1] is niet-ontvankelijk in de vordering reiskosten naar notaris en politiebureau, de vordering inzake telefoonkosten, de vordering inzake beschadigde kleding en de vordering overige kosten inzake aanschaf kleding begrafenis en griffiekosten. Dit zijn immers geen kosten van lijkbezorging. [dochter 1] is ontvankelijk in haar zelfstandige vordering (positie b) betreffende de medische kosten, de reiskosten psycholoog en smartengeld. Het gaat hier immers om door haar zelf geleden schade voortvloeiende uit haar confrontatie met de gevolgen van het onder 1 bewezen verklaarde feit.

Wat betreft de toewijsbaarheid van de kosten verband houdende met de lijkbezorging geldt hetzelfde als hiervoor bij [dochter 2] en [dochter 3] is overwogen. Derhalve zijn de reiskosten naar uitvaartcentrum ad € 6,00, reiskosten winkel grafmonumenten ad € 28,80 en de reiskosten advocaat ad € 14,40 toewijsbaar, met dien verstande dat laatstgenoemde kosten als proceskosten dienen te worden aangemerkt. Ook de kosten aanschaf bloemen kist ad

€ 50,00 en kosten gezang kerk ad € 50,00 worden toegewezen. Al deze kosten zijn niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist.

Wat betreft de zelfstandige vordering van [dochter 1] , die, kort gezegd, is gebaseerd op shockschade geldt dat is voldaan aan de vereisten die op grond van vaste jurisprudentie daaraan worden gesteld. (HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240 en HR 9 oktober 2009, NJ 2010, 3870), te weten geestelijk letsel, voortvloeiende uit een hevige emotionele schok veroorzaakt door directe confrontatie met het misdrijf en leidend tot een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, bij iemand die in een nauwe affectieve relatie tot het slachtoffer staat. Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat [dochter 1] in de woning aanwezig was ten tijde van het onder 1 bewezen verklaarde feit en dat zij daar met de gevolgen daarvan (het levenloze lichaam van haar vader in de gang en de vele bloedsporen) direct is geconfronteerd. Uit het overlegde Verslag Psychologisch Onderzoek d.d. 4 november 2013 blijkt dat bij haar sprake is van PTSS. Daarom zijn de kosten psycholoog ad € 2.662,00 en de reiskosten psycholoog ad € 201,60 toewijsbaar. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding immateriële schade ad € 30.000,00 is het hof op dezelfde gronden als de rechtbank, welke gronden het hof overneemt, van oordeel dat de shockschade tot op heden kan worden begroot op € 5.000,00.

De behandeling van het meer gevorderde levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is [dochter 1] voor dit deel van deze vordering niet-ontvankelijk.

Dit betekent dat verdachte wordt veroordeeld tot betaling aan [dochter 1] van een bedrag inzake schadevergoeding van € 7.998,40, te vermeerderen met de wettelijke rente - wat betreft de materiële schade vanaf de datum van indiening van de vordering, te weten 1 november 2014, en wat betreft de immateriële schade vanaf 9 juni 2013 - en tot een bedrag van € 14,40 voor proceskosten en dat [dochter 1] voor het overige in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De vordering van [dochter 4]

Gelet op het feit dat deze vordering identiek is aan de vordering van [dochter 3] volstaat het hof met verwijzing naar hetgeen hiervoor bij de vordering van [dochter 3] is overwogen. Dit betekent dat verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag inzake schadevergoeding van € 110,72, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014, en tot een bedrag van € 7,20 voor proceskosten, dat de vordering smartengeld wordt afgewezen en dat [dochter 4] voor het overige in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De vordering van [slachtoffer 2]

Ad b

Ook voor [slachtoffer 2] geldt dat hij als nabestaande niet kan worden ontvangen in de vordering inzake reiskosten notaris, aanschaf kleding begrafenis en telefoonkosten. Dit betreffen geen kosten lijkbezorging. Wat de toewijsbaarheid betreft, geldt ook hier dat als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist de reiskosten uitvaartcentrum ad € 6,00, de reiskosten winkel grafmonument ad € 14,40, de parkeerkosten ad € 2,50, de kosten aanschaf bloemen kist ad € 50,00 en de kosten gezang kerk ad € 50,00 zullen worden toegewezen (in totaal dus € 122,90). Ook de reiskosten advocaat ad € 28,80 zullen worden toegewezen, zij het als proceskosten.

Ad c en d

Wat betreft de zelfstandige schade van [slachtoffer 2] geldt dat hij deze vordert zowel omdat hij met de gevolgen van het onder 1 bewezen verklaarde is geconfronteerd als vanwege zijn letsel/schade ten gevolge van het onder 2 bewezen verklaarde. [slachtoffer 2] is in beide vorderingen ontvankelijk.

Ook ten aanzien van [slachtoffer 2] volgt uit de bewijsmiddelen dat is voldaan aan de hiervoor vermelde vereisten voor shockschade (positie b). Het hof verwijst naar hetgeen dienaangaande bij [dochter 1] is overwogen. Ook [slachtoffer 2] heeft een Verslag Psychologisch onderzoek d.d. 24 november 2013 overgelegd en op grond daarvan staat vast dat bij [slachtoffer 2] sprake is van PTSS. Dit betekent dat als niet dan wel onvoldoende betwist ten aanzien van de medische kosten de kosten van de psycholoog ad € 2.662,00 als ook de reiskosten psycholoog ad € 117,60 toewijsbaar zijn. De behandeling van de gevorderde toekomstige schade ad € 2.000,00 levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op en om die reden wordt [slachtoffer 2] in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van het smartengeld is het hof om dezelfde reden als de rechtbank van oordeel dat tot op heden de immateriële schade wat de shockschade betreft moet worden begroot op € 5.000,00 en op € 2.500,00 voor de immateriële schade vanwege het bewezen verklaarde sub 2. Voor zover meer is gevorderd dan € 7.500,00 is het hof van oordeel dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en in zoverre is [slachtoffer 2] in deze vordering niet-ontvankelijk.

Ook de medische en reiskosten, voortvloeiend uit het bewezen verklaarde sub 2, komen voor toewijzing in aanmerking. Het hof ziet met de advocaat-generaal geen reden om de gevorderde vergoeding voor aanschaf paracetamol/ibuprofen te matigen. Derhalve zijn de volgende kosten toewijsbaar:

- ziekenhuisdaggeldvergoeding € 104,00

- verlies eigen risico ziektekosten 2013 € 350,00

- aanschaf paracetamol/ibuprofen € 50,00

- reiskosten ziekenhuis € 14,40

- reiskosten huisarts € 0,96

- reiskosten apotheek € 1,44

- reiskosten naar Adelante € 2,40

- reiskosten politiebureau € 13,44

In totaal: € 536,64.

Voor al deze posten geldt dat deze niet dan wel onvoldoende door verdachte zijn betwist.

Daarnaast vordert [slachtoffer 2] nog de kosten van de kleding die hij die dag droeg en die - naar het hof begrijpt - ten gevolge van het bewezen verklaarde sub 2 is beschadigd. Het hof ziet evenwel met de rechtbank reden om deze vordering te matigen tot € 200,00. De door [slachtoffer 2] gevorderde vergoeding van de zaken die zijn gesneuveld door zijn woedeaanvallen als gevolg van PTSS wijst het hof af. Deze schade staat ook naar het oordeel van het hof in te verwijderd verband met het bewezen verklaarde.

Voorts vordert [slachtoffer 2] schade wegens verlies verdienvermogen, verlies zelfwerkzaamheid, kosten voor huishoudelijke hulp en kosten zonder nut. Het hof is ook ten aanzien van deze kosten van oordeel dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en zal [slachtoffer 2] daarom in deze vorderingen niet-ontvankelijk verklaren.

Op grond van het bovenstaande zal verdachte worden veroordeeld tot betaling aan [slachtoffer 2] van een bedrag van € 11.139,14, te vermeerderen met de wettelijke rente - wat betreft de materiële schade vanaf de datum van indiening van de vordering, te weten 1 november 2014, en wat betreft de immateriële schade vanaf 9 juni 2013 - en een bedrag van € 28,80 inzake proceskosten en wordt vordering van [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

De vordering van [zoon]

Ook ten aanzien van de vordering van [zoon] geldt dat hij niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de reiskosten notaris, telefoonkosten, aanschaf kleding begrafenis en griffiekosten.

Dit betekent dat wordt toegewezen een bedrag van € 120,40 inzake kosten lijkbezorging, namelijk reiskosten uitvaartcentrum € 6,00 en winkel grafmonumenten € 14,40 en kosten aanschaf bloemen kist € 50,00 en kosten gezang kerk € 50,00. Ook de gevorderde reiskosten ziekenhuisbezoek ad € 25,92 zijn toewijsbaar en daarmee komt het toegewezen bedrag uit op € 146,32. De daarover gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen met ingang 1 november 2014, te weten de datum van indiening van de vordering. Daarnaast wordt de vordering reiskosten advocaat ten bedrage van € 7,20 toegewezen, zij dat deze worden aangemerkt als proceskosten. Voor al deze posten geldt dat deze niet dan wel onvoldoende door verdachte zijn betwist. De vordering tot vergoeding van smartengeld wordt afgewezen om de reden dat de gestelde grondslag niet uit de bewijsmiddelen blijkt.

De vordering van [vriend van dochter 1]

Bij het wensenformulier van [vriend van dochter 1] is een brief van zijn advocaat van 21 april 2015 gevoegd. Daarin schrijft zij dat [vriend van dochter 1] op 9 januari 2015 is overleden en dat zijn wettelijk erfgenamen hebben laten weten deze zaak voort te willen zetten. Het strafgeding voorziet evenwel niet in de mogelijkheid dat ingeval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenamen zich in het geding voegen en de procespositie van de benadeelde partij overnemen. Dit betekent dat nu [vriend van dochter 1] zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafgeding had gevoegd, het hof in dit hoger beroep op grond van artikel 361, vierde lid, Sv dient te beslissen op zijn vordering (HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:917).

Ad b

De kring van gerechtigden tot het instellen van een vordering op grond van artikel 51f lid 2 Sv juncto artikel 6:108, lid 2, BW is niet beperkt tot nabestaanden, doch strekt zich uit tot een ieder ten laste van wie de kosten van lijkbezorging zijn gekomen. In zoverre is [vriend van dochter 1] ontvankelijk in zijn vordering. De kosten die vervolgens door [vriend van dochter 1] worden gevorderd, zijnde reiskosten politiebureau, telefoonkosten, beschadigde kleding, aanschaf kleding begrafenis en aanschaf nieuwe telefoon, kunnen niet worden aangemerkt als kosten van lijkbezorging en derhalve is hij niet-ontvankelijk in deze vorderingen.

Ad c

[vriend van dochter 1] is wel ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van shockschade. Aangezien uit de bewijsmiddelen volgt dat hij aanwezig was in de woning en direct is geconfronteerd met de gevolgen van het onder 1 bewezen verklaarde feit en uit het door hem overgelegde Verslag Psychologisch Onderzoek d.d. 4 november 2013 blijkt dat ook bij hem sprake is van PTSS, terwijl niet is betwist dat sprake is van een voldoende nauwe affectieve relatie met het slachtoffer, is voldaan aan de vereisten die de jurisprudentie aan de toewijsbaarheid van dergelijke vorderingen stelt. Dit betekent dat de vordering inzake kosten psycholoog ad

€ 2.662,00 en de reiskosten psycholoog ad € 201,60 toewijsbaar zijn. Wat betreft de vordering smartengeld ad € 30.000,00 is het hof op dezelfde gronden als hiervoor bij [dochter 1] overwogen van oordeel dat deze tot op heden moet worden begroot op € 5.000,00. Ten aanzien van het meer gevorderde bedrag aan smartengeld wordt [vriend van dochter 1] niet-ontvankelijk verklaard omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De door [vriend van dochter 1] gevorderde reiskosten ziekenhuisbezoek [slachtoffer 2] ad € 14,40 zijn toewijsbaar.

Voor bovengenoemde posten geldt dat deze niet dan wel onvoldoende door verdachte zijn betwist.

Dit betekent dat verdachte wordt veroordeeld om aan [vriend van dochter 1] ten titel van schadevergoeding te betalen een bedrag van € 7.878,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Wat betreft de materiële schade wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van indiening van de vordering, te weten 1 november 2014, en wat betreft de immateriële schade vanaf 9 juni 2013. Voor het overige is [vriend van dochter 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk.

De vordering van [pleegzoon]

Ad a

is ontvankelijk in zijn vordering voor zover deze betrekking heeft op de kosten van de lijkbezorging. Hij is dus ontvankelijk in de vordering inzake reiskosten uitvaartcentrum, reiskosten advocaat en eigen bijdrage begrafeniskosten, maar niet in de reiskosten politiebureau, telefoonkosten, kosten nieuwe kleding en aanschaf kleding begrafenis. Deze laatste posten betreffen immers geen kosten lijkbezorging.

De reiskosten uitvaartcentrum ad € 2,40 en reiskosten advocaat ad € 8,64 zijn toewijsbaar, zij het dat deze laatste als proceskosten worden aangemerkt. Deze kosten zijn door verdachte niet dan wel onvoldoende betwist. De gevorderde eigen bijdrage begrafeniskosten ad € 100,00 is in het geheel niet onderbouwd en wordt om die reden afgewezen.

Ad b

Ook [pleegzoon] vordert de door hem geleden shockschade. Het hof is van oordeel dat hij als stiefzoon - en huisgenoot - daarin kan worden ontvangen. Voorts is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat ook ten aanzien van [pleegzoon] is voldaan aan de vereisten die volgens vaste jurisprudentie worden gesteld aan de toewijsbaarheid van shockschade. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat ook [pleegzoon] deels in de woning aanwezig was ten tijde van het bewezen verklaarde sub 1. Weliswaar volgt uit diezelfde bewijsmiddelen dat hij het steken door verdachte niet heeft waargenomen - hij was toen ‘gevlucht’ naar de broer van verdachte die in hetzelfde appartementencomplex woonde - maar uit de bewijsmiddelen valt af te leiden dat [pleegzoon] kort daarna is geconfronteerd met het levenloze lichaam van zijn stiefvader in de gang van de woning. Uit de overgelegde e-mail van 29 september 2014 van de behandelend psycholoog van [pleegzoon] volgt dat bij [pleegzoon] sprake is van PTSS. De door [pleegzoon] gevorderde reiskosten naar huisarts ad € 0,48 en naar psycholoog ad € 33,60 zijn toewijsbaar. Wat betreft de vordering smartengeld is het hof om dezelfde redenen als hiervoor bij [dochter 1] , [slachtoffer 2] en [vriend van dochter 1] overwogen van oordeel dat deze vordering tot op heden moet worden begroot op € 5.000,00. Voor het meer gevorderde geldt dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit geldt ook voor de behandeling van het gevorderde verlies aan arbeidsvermogen/studievertraging en de kosten zonder nut. [pleegzoon] zal in deze vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.

Dit betekent dat verdachte wordt veroordeeld om aan [pleegzoon] ten titel van schadevergoeding te betalen een bedrag van € 5.036,48, te vermeerderen met wettelijke rente - wat betreft de materiële schade vanaf de datum van indiening van de vordering, te weten 1 november 2014, en wat betreft de immateriële schade vanaf 9 juni 2013 - en tot een bedrag van € 8,64 voor proceskosten. De vordering eigen bijdrage begrafeniskosten wordt afgewezen en in de overige vorderingen wordt [pleegzoon] niet-ontvankelijk verklaard.

De pro memorie posten

Er worden door alle benadeelde partijen voorts een aantal posten pro memorie gevorderd. Met uitzondering van de wettelijke rente voor zover betrekking hebbend op de toegewezen bedragen aan schadevergoeding zal ook het hof de benadeelde partijen in deze posten niet-ontvankelijk verklaren.

Schadevergoedingsmaatregel

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte verzocht bij een eventuele toepassing van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht het aantal dagen vervangende hechtenis te matigen, nu de verdachte niet in staat zal zijn de vorderingen te voldoen. Er zal geen sprake zijn van betalingsonwil, maar betalingsonmacht, aldus de raadsvrouwe.

In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om het in het kader van de schadevergoedingsmaatregel op te leggen aantal dagen vervangende hechtenis te matigen, behoudens voor zover het aantal dagen vervangende hechtenis de in artikel 24c van het Wetboek van Strafrecht genoemde grens van één jaar te boven gaat. De betalingsonmacht van verdachte is in het geheel niet met stukken omtrent zijn financiële positie onderbouwd, terwijl niet reeds op voorhand is uit te sluiten dat hij in de toekomst inkomen kan verwerven.

Het hof zal derhalve ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de wijze als hierna is vermeld.

Beslag

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten het mes met behulp waarvan het onder 1 en 2 bewezen verklaarde is begaan, zal worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. subsidiair en

2. primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [dochter 2] ( [dochter 2] )

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [dochter 2] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 12.852,70 (twaalfduizend achthonderdtweeënvijftig euro en zeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

79,20 (negenenzeventig euro en twintig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [dochter 2] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 12.852,70 (twaalfduizend achthonderdtweeënvijftig euro en zeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [dochter 3] ( [dochter 3] )

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [dochter 3] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 110,72 (honderdtien euro en tweeënzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

7,20 (zeven euro en twintig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [dochter 3] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 110,72 (honderdtien euro en tweeënzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [dochter 1] ( [dochter 1] )

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [dochter 1] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.998,40 (zevenduizend negenhonderdachtennegentig euro en veertig cent) bestaande uit € 2.998,40 (tweeduizend negenhonderdachtennegentig euro en veertig cent) materiële schade en

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

14,40 (veertien euro en veertig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [dochter 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.998,40 (zevenduizend negenhonderdachtennegentig euro en veertig cent) bestaande uit € 2.998,40 (tweeduizend negenhonderdachtennegentig euro en veertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 67 (zevenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [dochter 4] ( [dochter 4] )

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [dochter 4] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 110,72 (honderdtien euro en tweeënzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

7,20 (zeven euro en twintig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [dochter 4] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 110,72 (honderdtien euro en tweeënzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] )

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 11.139,14 (elfduizend honderdnegenendertig euro en veertien cent) bestaande uit € 3.639,14 (drieduizend zeshonderdnegenendertig euro en veertien cent) materiële schade en

€ 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 801,00 (achthonderdéén euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

28,80 (achtentwintig euro en tachtig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 11.139,14 (elfduizend honderdnegenendertig euro en veertien cent) bestaande uit € 3.639,14 (drieduizend zeshonderdnegenendertig euro en veertien cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 81 (eenentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [zoon] ( [zoon] )

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [zoon] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 146,32 (honderdzesenveertig euro en tweeëndertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

7,20 (zeven euro en twintig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [zoon] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 146,32 (honderdzesenveertig euro en tweeëndertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [pleegzoon] ( [pleegzoon] )

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [pleegzoon] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.036,48 (vijfduizend zesendertig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 36,48 (zesendertig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 100,00 (honderd euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

8,64 (acht euro en vierenzestig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [pleegzoon] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.036,48 (vijfduizend zesendertig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 36,48 (zesendertig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 54 (vierenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [vriend van dochter 1] ( [vriend van dochter 1] )

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [vriend van dochter 1] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.878,00 (zevenduizend achthonderdachtenzeventig euro) bestaande uit € 2.878,00 (tweeduizend achthonderdachtenzeventig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [vriend van dochter 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.878,00 (zevenduizend achthonderdachtenzeventig euro) bestaande uit € 2.878,00 (tweeduizend achthonderdachtenzeventig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 67 (zevenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een mes (2213566).

Aldus gewezen door

mr. E.A.A.M. Pfeil, voorzitter,

mr. S.C. van Duijn en mr. H.A.W. Vermeulen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 26 januari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de hierna opgenomen voetnoten wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het eindproces-verbaal van de Politie Eenheid Limburg, districtrecherche Parkstad, BVH-nummer 2013060658, gesloten op 17 oktober 2013 en op ambtseed opgemaakt door [verbalisant] , brigadier van politie, met bijlagen, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften, doorgenummerde dossierpagina’s 1-1004.

2 Verklaring [pleegzoon] , dossierpagina’s 322-324; verklaring [dochter 1] , dossierpagina’s 332-334; verklaring [moeder van verdachte] , dossierpagina’s 343-345.

3 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 92.

4 Verklaring [moeder van verdachte] , dossierpagina’s 346-347; verklaring [dochter 1] , dossierpagina’s 334-335.

5 Verklaring [pleegzoon] , dossierpagina’s 324-325; verklaring [slachtoffer 2] , dossierpagina 299; verklaring [vriend van dochter 1] , dossierpagina 312.

6 Verklaring [slachtoffer 2] , dossierpagina 299; verklaring [vriend van dochter 1] , dossierpagina 312.

7 Verklaring [slachtoffer 2] , dossierpagina 299; verklaring [vriend van dochter 1] , dossierpagina 313.

8 Verklaring [pleegzoon] , dossierpagina 325.

9 Verklaring [moeder van verdachte] , dossierpagina 347.

10 Verklaring [slachtoffer 2] , dossierpagina’s 299-300; verklaring [dochter 1] , dossierpagina 336.

11 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 93.

12 Verklaring [pleegzoon] , dossierpagina 325.

13 Verklaring [moeder van verdachte] , dossierpagina 348; verklaring [dochter 1] , dossierpagina’s 336-337.

14 Verklaring [moeder van verdachte] , dossierpagina’s 348-349; verklaring [dochter 1] , dossierpagina’s 336-338.

15 Verklaring [dochter 1] , dossierpagina 338.

16 Verklaring [slachtoffer 2] , dossierpagina 300.

17 Verklaring [pleegzoon] , dossierpagina 326.

18 Verklaring [vriend van dochter 1] , dossierpagina 313.

19 Verklaring [moeder van verdachte] , dossierpagina 349.

20 Verklaring [vriend van dochter 1] , dossierpagina 314.

21 Verklaring [vriend van dochter 1] , dossierpagina 315.

22 Verklaring [moeder van verdachte] , dossierpagina 349.

23 Verklaring [vriend van dochter 1] , dossierpagina 315.

24 Verklaring [slachtoffer 2] , dossierpagina 300.

25 Verklaring [vriend van dochter 1] , dossierpagina 315.

26 Verklaring [vriend van dochter 1] , dossierpagina 315; verklaring [slachtoffer 2] , dossierpagina 300.

27 Verklaring [vriend van dochter 1] , dossierpagina 315.

28 Verklaring [slachtoffer 2] , dossierpagina 300.

29 Verklaring [dochter 1] , dossierpagina’s 338-339.

30 Verklaring [slachtoffer 2] , dossierpagina 300.

31 Verklaring [vriend van dochter 1] , dossierpagina’s 315-316.

32 Verklaring [vriend van dochter 1] , dossierpagina 316; verklaring [moeder van verdachte] , dossierpagina 349.

33 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 98.

34 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 100-101.

35 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 254.

36 Proces-verbaal van aanhouding, dossierpagina 252.

37 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 255.

38 Proces-verbaal sporenonderzoek, dossierpagina 666.

39 Los proces-verbaal “aanvullend correctie proces-verbaal” van Politie Eenheid Limburg d.d. 23 mei 2014, proces-verbaalnummer PL2400-2013060658-142, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant] , BOA domein generieke opsporing.

40 Proces-verbaal sporenonderzoek, dossierpagina’s 582-609.

41 Dossierpagina 584.

42 Dossierpagina 584.

43 Dossierpagina 583.

44 Dossierpagina 584.

45 Los document, Herzien rapport van het NFI “Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident met dodelijke afloop in Heerlen op 9 juni 2013”, op 19 mei 2016 opgemaakt door NFI-deskundige dr. S. van Soest, pagina’s 1-3.

46 Letselbeschrijving forensische geneeskundige GGD Zuid-Limburg, dossierpagina 942.

47 Proces-verbaal van onnatuurlijke dood, dossierpagina’s 90-91.

48 NFI-rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood”, dossierpagina’s 860-875.

49 NFI-rapport, dossierpagina’s 863 en 865.

50 Proces-verbaal Letsel [slachtoffer 2] , dossierpagina 944.

51 Letselbeschrijving forensisch arts GGD Zuid-Limburg, dossierpagina’s 951-952.