Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2547

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-06-2017
Datum publicatie
13-06-2017
Zaaknummer
200.193.720_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijdrage jongmeerderjarige

Meerderjarige kan beroep doen op bepaling uit het echtscheidingsconvenant van haar ouders, waarin is bepaald dat ouders naar rato van hun draagkracht zullen bijdragen in de situatie dat de meerderjarige na het bereiken van de 21-jarige leeftijd nog studeert en zij niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2017/69
Prg. 2017/232
FJR 2018/13.13
PFR-Updates.nl 2017-0180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.193.720/01

zaaknummer rechtbank : C/03/213256 / FA RK 15-3754

beschikking van de meervoudige kamer van 8 juni 2017

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat voorheen mr. E. Elenbaas, thans mr. H.T. Kernkamp te Rotterdam,

tegen

[verweerster 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

en

[verweerster 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweersters in hoger beroep,

hierna te noemen: [verweerster 1] respectievelijk de moeder,

advocaat mr. D.J.M. Kuppens te Weert.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 april 2016, zoals hersteld bij beschikking van die rechtbank van 29 juni 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vader is op 13 juni 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 april 2016.

2.2.

[verweerster 1] en de moeder hebben op 19 augustus 2016 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 14 maart 2016;

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 30 juni 2016 met bijlagen, ingekomen op

1 juli 2016;

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 9 augustus 2016 met bijlagen, ingekomen

op 9 augustus 2016;

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 4 april 2017, ingekomen op 4 april 2017;

- een journaalbericht van de zijde van [verweerster 1] en de moeder van 12 april 2017 met

bijlagen, ingekomen op 12 april 2017.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 25 april 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Uit het huwelijk van de vader en de moeder is op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] [verweerster 1] geboren.

3.3.

Bij beschikking van 15 januari 1997 heeft de rechtbank Dordrecht tussen de vader en de moeder de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 4 februari 1997 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [verweerster 1] – overeenkomstig het door de vader en de moeder op 26 november 1996 gesloten echtscheidingsconvenant – bepaald op een bedrag van ƒ 500,- per maand.

3.4.

Artikel 1 sub e van voormeld echtscheidingsconvenant luidt als volgt:

“Wanneer [verweerster 1] ouder is dan 18 jaar en nog behoefte heeft aan alimentatie in de zin van de wet, loopt de alimentatieverplichting van de man door tot aan de 21-jarige leeftijd van [verweerster 1] , met uitzondering van de situatie dat zij is gehuwd of samenwoont als ware zij gehuwd. Wanneer [verweerster 1] na het bereiken van de 21-jarige leeftijd een opleiding/studie volgt en alsdan niet, althans niet geheel zelf in haar kosten van levensonderhoud en/of studie kan voorzien, verplichten partijen zich ten opzichte van elkaar inzage te geven in de hoogte van ieders inkomen en vervolgens naar evenredigheid bij te dragen in de kosten van levensonderhoud c.q. studie van [verweerster 1] ”.

3.5.

Bij beschikking van 28 april 2010 heeft de rechtbank Roermond de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 15 januari 1997 gewijzigd, in die zin dat de vader met ingang van 1 oktober 2009 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [verweerster 1] een bedrag van € 480,- per maand dient te voldoen.

3.6.

Op [geboortedatum] 2015 is [verweerster 1] 21 jaar geworden. Aansluitend aan een mbo-opleiding is zij in september 2014 gestart met een vierjarige vervolgopleiding op hbo-niveau die zij tot op heden volgt.

4 De omvang van het geschil

4.1.

De vader is op [geboortedatum] 2015, de datum waarop [verweerster 1] de 21-jarige leeftijd bereikte, gestopt met het voldoen van een maandelijkse bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie.

4.2.

[verweerster 1] en de moeder hebben de rechtbank verzocht te bepalen dat de vader het echtscheidingsconvenant d.d. 26 november 1996 dient na te komen en een bedrag van € 648,81 per maand dient te voldoen aan [verweerster 1] in verband met de kosten van haar levensonderhoud en/of studie, dan wel een ander bedrag dat de rechtbank juist acht, met ingang van [geboortedatum] 2015, dan wel 9 maart 2015, dan wel de datum van de indiening van het verzoekschrift, dan wel een andere datum die de rechtbank juist acht.

4.3.1.

In rechtsoverweging 5.1. van de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat de moeder (anders dan [verweerster 1] ) niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek.

4.3.2.

In het dictum van de bestreden beschikking heeft de rechtbank vastgesteld dat de vader gehouden is tot (door)betaling van een onderhoudsbijdrage voor [verweerster 1] .

4.3.3.

De rechtbank heeft in het dictum van de bestreden beschikking voorts iedere verdere beslissing aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld om financiële bescheiden over te leggen ten behoeve van (de vaststelling van) de onderhoudsbijdrage voor [verweerster 1] .

4.4.

De grieven van de vader richten zich tegen de conclusie van de rechtbank dat hij op grond van artikel 1 sub e van het echtscheidingsconvenant d.d. 26 november 1996 gehouden is tot (door)betaling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [verweerster 1] .

4.4.1.

De vader verzoekt, verkort weergegeven, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [verweerster 1] en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek, dan wel het verzoek af te wijzen, met veroordeling van [verweerster 1] en de moeder in de kosten van het geding.

4.5.

[verweerster 1] en de moeder verzoeken in het verweerschrift in hoger beroep de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel het verzoek af te wijzen, met veroordeling van de vader in de kosten van dit geding.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Het hof stelt voorop dat het hoger beroep van de vader zich enkel richt tegen de overweging van de rechtbank dat voldaan is aan artikel 1 sub e van het echtscheidings-convenant en dat de vader dientengevolge gehouden is tot (door)betaling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [verweerster 1] .

5.2.

De vader voert in het beroepschrift zoals aangevuld ter zitting, samengevat, het volgende aan.

Het echtscheidingsconvenant dient te worden uitgelegd aan de hand van het Haviltex-criterium, waarbij redelijkheid en billijkheid een rol dienen te spelen. Artikel 1 sub e van het echtscheidingsconvenant is ongelukkig geformuleerd; het is onduidelijk wat daarin is bedoeld. Alle aspecten waardoor de vader tot de doorbetaling van een onderhoudsbijdrage gehouden zou zijn, hadden in het artikel moeten worden opgenomen. Bij de uitleg van artikel 1 sub e van het echtscheidingsconvenant dient aansluiting te worden gezocht bij het bepaalde in artikel 1:392 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vader stelt zich op het standpunt dat de strekking van artikel 1 sub e van het echtscheidingsconvenant niet verder reikt dan het bepaalde in artikel 1:392 lid 2 BW en dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het niet de strekking van artikel 1:392 lid 2 BW is om ouders te verplichten hun meerderjarige kinderen door het verstrekken van een uitkering in staat te stellen tot het volgen of voltooien van een opleiding.

De vader voert verder aan dat de gemeenschappelijke advocaat van de moeder en hem het echtscheidingsconvenant heeft opgesteld, waarbij zij uit een model heeft geput. De vader en de moeder hebben zelf geen concrete tekstvoorstellen gedaan. Ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant hebben de vader en de moeder niet nadrukkelijk gesproken over de inhoud van artikel 1 sub e; er is derhalve sprake van een standaardbepaling. Daarnaast is door de vader en de moeder niet specifiek aandacht besteed aan een na het 21ste levensjaar van [verweerster 1] te betalen bijdrage, daar zij op dat moment nog maar twee jaar oud was. Het was niet voorzienbaar welk pad [verweerster 1] zou gaan volgen en hoe de financiële situatie van de ouders er in de toekomst uit zou zien. De vader stelt dat hij en de moeder nimmer de bedoeling hebben gehad reeds op dat moment een verplichting in het leven te roepen ten aanzien van het levensonderhoud van [verweerster 1] na haar 21ste levensjaar.

In de optiek van de vader kan enkel een onderhoudsplicht jegens [verweerster 1] worden aangenomen ingeval van behoeftigheid, waarbij als uitgangspunt dient te worden genomen dat een student van ten minste 21 jaar niet behoeftig is. Van [verweerster 1] mag worden verwacht dat zij door (meer) arbeid voorziet in haar eigen levensonderhoud. De vader merkt op dat [verweerster 1] een tweede opleiding volgt en dat hij hierin niet is gekend. Daarbij komt dat het besluit van [verweerster 1] om een hbo-opleiding te gaan volgen op een keuze en niet op een noodzaak berust; zij heeft reeds een mbo-opleiding op niveau 4 afgerond. [verweerster 1] had ook nog andere opties dan het volgen van een voltijdstudie. Zij had ook een deeltijdstudie of een duale studie kunnen gaan volgen. De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat de vader op grond van artikel 1 sub e in het echtscheidingsconvenant gehouden is tot (door)betaling van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [verweerster 1] .

5.3.

De moeder en [verweerster 1] voeren in het verweerschrift zoals aangevuld ter zitting, samengevat, het volgende aan.

[verweerster 1] en de moeder betwisten dat sprake is van een standaardbepaling in het echtscheidingsconvenant; een standaardbepaling is dat ouders voor hun kinderen een bijdrage betalen tot hun 21ste verjaardag. De moeder en de vader hebben echter gesproken over de inhoud van het echtscheidingsconvenant en de situatie van [verweerster 1] op het moment dat zij nog zou studeren na haar 21ste levensjaar. Zij vonden het belangrijk dat [verweerster 1] een goede toekomst zou hebben en onbezorgd zou kunnen studeren. De vader en de moeder wilden daarmee voorkomen dat [verweerster 1] –zoals in het verleden bij de vader het geval was– op latere leeftijd nog een avondstudie zou moeten volgen. Om deze reden zijn partijen een niet standaard regeling overeengekomen. Dat door hetzelfde advocatenkantoor in een zaak tussen andere partijen eveneens een dergelijke afspraak is vastgelegd, doet niet ter zake. De gezamenlijke advocaat heeft de moeder en de vader destijds correct en volledig voorgelicht en het voorstel gedaan om één en ander op te nemen in het echtscheidingsconvenant.

[verweerster 1] doet een beroep op een derdenbeding in het echtscheidingsconvenant, waardoor de door de vader aangehaalde uitspraken omtrent behoeftigheid niet analoog kunnen worden toegepast. [verweerster 1] heeft tijdens haar studie, zowel tijdens haar mbo-opleiding als thans tijdens haar hbo-opleiding, diverse bijbanen gehad. Met deze werkzaamheden kon en kan zij echter niet volledig in haar eigen behoefte voorzien. [verweerster 1] was voorts niet in staat om veel meer te werken dan zij heeft gedaan, aangezien zij ook nog de ziekte van Pfeiffer heeft (gehad).

De hbo-studie “International Business and Management Studies” is een brede studie waarmee in de toekomst de kansen van [verweerster 1] op de arbeidsmarkt worden vergroot. Aan de mbo-studenten werd geadviseerd om verder te studeren, nu in 2014/2015 de economische crisis nog steeds gaande was en het niet makkelijk was om als afgestudeerd mbo-er een baan te vinden. Na overleg met beide ouders heeft [verweerster 1] besloten om een vervolgstudie te doen. Dat de vader niet is gekend in haar besluit om verder te studeren is onjuist. [verweerster 1] verwijst naar de door haar overgelegde telefoongegevens waaruit volgt dat zij reeds in juni 2014 met de vader contact heeft opgenomen.

Nu [verweerster 1] na haar 21ste levensjaar nog studeerde, is aan de voorwaarde zoals opgenomen in artikel 1 sub e van het echtscheidingsconvenant voldaan.

5.4.

Het hof oordeelt als volgt.

5.4.1.

Het hof overweegt dat er na het bereiken door een kind van de leeftijd van 21 jaar niet langer zonder meer een wettelijke onderhoudsverplichting van de ouders jegens dat kind bestaat. Op grond van artikel 1:392 lid 1 BW kan een verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud van ouders aan hun kinderen van 21 jaar en ouder door de rechter worden aangenomen, maar uitsluitend – zo volgt uit lid 2 – in het geval sprake is van behoeftigheid aan de zijde van deze kinderen.

Daarnaast kan er evenwel ook een verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud, waartoe ook de studiekosten behoren, bestaan als dit door de betrokkenen is overeengekomen. Partijen verschillen van mening over de vraag of artikel 1 sub e van het echtscheidingsconvenant aldus moet worden uitgelegd dat de vader in de huidige omstandigheden ook na het 21ste levensjaar van [verweerster 1] op grond van de genoemde bepaling in het convenant gehouden is tot betaling van een maandelijkse onderhoudsbijdrage aan [verweerster 1] .

5.4.2.

Vast staat dat het echtscheidingsconvenant d.d. 26 november 1996 door de gezamenlijke advocaat van de vader en de moeder is opgesteld. De vader heeft ter zitting van het hof gesteld dat deze advocaat een standaard model echtscheidingsconvenant hanteerde, dat hij enkel kennis heeft genomen van het (standaard) concept en dat de daarin opgenomen bepalingen, waaronder het desbetreffende artikel 1 sub e, destijds niet uitvoerig door de advocaat met hem en de moeder zijn besproken. De moeder heeft deze stellingen van de vader evenwel gemotiveerd betwist. De moeder heeft daartegen aangevoerd dat zij en de vader hebben gesproken over de inhoud van het echtscheidingsconvenant en de situatie van [verweerster 1] op het moment dat zij nog zou studeren na haar 21ste levensjaar. De moeder heeft gesteld dat zij en de vader het destijds belangrijk vonden dat [verweerster 1] een goede toekomst zou hebben en dat zij onbezorgd zou kunnen studeren en dat de ouders met artikel 1 sub e van het echtscheidingsconvenant wilden voorkomen dat [verweerster 1] evenals de vader op latere leeftijd een avondstudie zou moeten volgen. De vader heeft deze stellingen niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken.

5.4.3.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de bewoordingen van artikel 1 sub e van het convenant en uit voormelde feiten en omstandigheden ten tijde van het sluiten van het convenant genoegzaam volgt dat de ouders bij het aangaan van het convenant hebben beoogd de verplichting op zich te nemen om onder de in de desbetreffende bepaling genoemde condities naar evenredigheid van ieders inkomen een bijdrage te betalen in de kosten van levensonderhoud en/of studie van [verweerster 1] na haar 21-jarige leeftijd. Het hof is derhalve van oordeel dat de ouders op grond van deze bepaling gehouden zijn tot betaling van een maandelijkse bijdrage aan [verweerster 1] na haar 21ste levensjaar in zoverre als [verweerster 1] , gelet op alle omstandigheden, waaronder het feit dat zij een HBO dagstudie volgt, redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht in haar eigen kosten van levensonderhoud en studie te voorzien. Het hof verwerpt dan ook het standpunt van de vader dat in het onderhavig geval de aanspraken van [verweerster 1] getoetst dienen te worden aan het bepaalde in artikel 1:392 lid 2. Het gaat hier, gelet op de tekst van het convenant, om de door de ouders voorziene situatie dat de meerderjarige nog studeert, en haar eigen verdiencapaciteit moet dan ook in dat licht worden beoordeeld. Nu de rechtbank echter zonder meer heeft vastgesteld dat de vader aan [verweerster 1] een bijdrage dient te -blijven- betalen, is die beslissing voorbarig. De rechtbank dient immers eerst nog vast te stellen of en in hoeverre er bij [verweerster 1] naast eigen inkomsten behoefte is aan een aanvullende bijdrage en daarna, zo nodig, de draagkracht van ieder van de ouders te beoordelen.

6 De slotsom

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

6.2.

Partijen hebben over en weer verzocht elkaar in de proceskosten in hoger beroep te veroordelen. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep echter compenseren, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 april 2016, zoals hersteld bij beschikking van die rechtbank van 29 juni 2016;

verklaart voor recht dat de ouders van [verweerster 1] voornoemd na het 21e levensjaar van [verweerster 1] en zolang [verweerster 1] haar huidige hbo-opleiding ‘International Business and Management Studies’ volgt, naar verhouding van hun draagkracht gehouden zijn tot het leveren van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [verweerster 1] , in zoverre als [verweerster 1] zelf redelijkerwijs niet in staat is, in die kosten te voorzien;

verwijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, om verder te worden afgedaan;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, P.M.M. Mostermans en A.M.M. Hompus, bijgestaan door mr. E. Mimpen als griffier, en is op 8 juni 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.