Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2540

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
20-003194-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6599
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak (poging tot) bedreiging vanwege het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet dat de bedreiging de bedreigde via politie en/of justitie zou bereiken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003194-15

Uitspraak : 7 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 12 oktober 2015 in de strafzaak met parketnummer

02-705007-14 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Hoger beroep

Verdachte is bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde, te weten medeplegen van moord op [slachtoffer 1] respectievelijk medeplichtigheid aan het medeplegen van moord op [slachtoffer 1]. Bij dat vonnis is verdachte ter zake van de onder 2 primair tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer 2] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. De vordering die [betrokkene 1] als benadeelde partij heeft ingediend ter zake van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde is in hoger beroep dan ook niet meer aan de orde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 2 primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Geëist is voorts dat de inbeslaggenomen Audi Q7 met kenteken [kenteken 1] aan verdachte zal worden teruggegeven.

Namens verdachte is primair betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Subsidiair is op meerdere gronden vrijspraak bepleit. Ook is verzocht om de inbeslaggenomen Audi Q7 met kenteken [kenteken 1] aan verdachte terug te geven.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

2.

hij op of omstreeks 05 november 2013, althans op of omstreeks 18 maart 2014, althans op of omstreeks 6 januari 2015, althans in de periode van 5 november 2013 tot 7 januari 2015 te Dordrecht, althans te Middelburg, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk [getuige 1] dreigend (telefonisch en in de Turkse taal) de woorden toegevoegd :"Die eerloze hoer is duizend maal meer schuldig dan [slachtoffer 1]. Die hoer werd door de politie meegenomen, als dat niet was gebeurd had ik haar thuis in stukken gehakt, in haar mond gepoept en de lul van een vreemde in haar reet geknald" en/of "Niemand moet denken dat [slachtoffer 1] moest gaan en zij is gebleven. Als Allah het wil, kom ik haar over duizend jaar tegen, al heeft ze 30 kinderen gehad", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreiging(en) die [slachtoffer 2] kennis heeft genomen;

subsidiair, althans indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 05 november 2013 te Dordrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] te bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, [getuige 1] dreigend (telefonisch en in de Turkse taal) de woorden heeft toegevoegd :"Die eerloze hoer is duizend maal meer schuldig dan [slachtoffer 1]. Die hoer werd door de politie meegenomen, als dat niet was gebeurd had ik haar thuis in stukken gehakt, in haar mond gepoept en de lul van een vreemde in haar reet geknald" en/of "Niemand moet denken dat [slachtoffer 1] moest gaan en zij is gebleven. Als Allah het wil, kom ik haar over duizend jaar tegen, al heeft ze 30 kinderen gehad", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat [slachtoffer 2] door toedoen van de officier van justitie op de hoogte is geraakt van de tenlastegelegde uitingen. Het delict is daarmee feitelijk voltooid door de handeling van de officier van justitie. Voor het waarborgen van de veiligheid van [slachtoffer 2] was bovendien niet nodig om de letterlijke tekst van de door de verdachte geuite bewoordingen aan haar mee te delen, te meer nu zij die letterlijke tekst niet kende voordat de officier van justitie haar die meedeelde. Volgens de raadsman is het handelen van het openbaar ministerie in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, hetgeen dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het de taak is van justitie om een persoon die wordt bedreigd, zeker onder de gegeven omstandigheden, daarvan op de hoogte te stellen. Dat het delict daarmee is voltooid, staat aan die taak van het openbaar ministerie niet in de weg. Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is geen sprake, aldus de advocaat-generaal.

Het hof overweegt als volgt.

In het onderhavige geval is tenlastegelegd dat verdachte zijn nicht [slachtoffer 2] heeft bedreigd in een vertrouwelijk telefoongesprek met [getuige 1], een bekende van de [familie X]. Dat telefoongesprek werd afgeluisterd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek waarbij [slachtoffer 1], de vriend van [slachtoffer 2] om het leven was gebracht. Uit het onderzoek rees het vermoeden dat [slachtoffer 1] om het leven is gebracht omdat [slachtoffer 2] een relatie met hem had. Verdachte had in dat strafrechtelijk onderzoek te gelden als één van de hoofdverdachten. Tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris is [slachtoffer 2] van de door de verdachte gedane uitlatingen door de aanwezige officier van justitie op de hoogte gesteld.

In het licht van de omstandigheid dat er aanwijzingen waren van eergerelateerd geweld en gelet op het uitermate bedreigende karakter van de door verdachte geuite bewoordingen, kon de officier van justitie deze bewoordingen aanmerken als een reële, ernstige bedreiging van [slachtoffer 2]. Het stond hem vrij om [slachtoffer 2] op de hoogte te stellen van die uitlatingen en haar te doordringen van de ernst van de situatie, zodat zij wist dat haar veiligheid in gevaar kon zijn. Van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde is geen sprake. De omstandigheid dat het delict, de bedreiging van [slachtoffer 2], door die mededeling van de officier van justitie feitelijk werd voltooid is onvoldoende voor de gevolgtrekking dat die beginselen zijn geschonden. Niet relevant is dat de officier van justitie de letterlijke door de verdachte geuite bewoordingen aan [slachtoffer 2] heeft medegedeeld en niet heeft volstaan met het enkele mededelen van de strekking ervan.

Vrijspraak ter zake van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft gesteld dat het bedreigende karakter van de geuite bewoordingen reeds volgt uit de aard van die bewoordingen. Volgens de advocaat-generaal is voor een bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde voldoende dat de geuite bewoordingen in het algemeen in redelijkheid de vrees kunnen opwekken dat de bedreiging zal worden waargemaakt en is niet vereist dat een slachtoffer die bewoordingen zelf ook bedreigend vond. Bovendien heeft [slachtoffer 2] verklaard dat volledige veiligheid voor haar niet meer bestaat. Aan het bedreigende karakter van de door verdachte gedane uitlatingen doet niet af dat [slachtoffer 2] daarnaast heeft verklaard dat in de periode waarin de uitlatingen zijn gedaan veel dingen zijn gezegd uit emotie.

Voor een bewezenverklaring van de bedreiging is tevens vereist dat verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad dat de bedreigde op de hoogte zou raken van de bedreiging.

Uit het betreffende telefoongesprek en uit enkele voorafgaande telefoongesprekken blijkt dat verdachte zich ervan bewust was dat zijn telefoon door de politie werd afgeluisterd. Verdachte was er eveneens van op de hoogte dat de politie ten aanzien van [slachtoffer 2] beschermingsmaatregelen had getroffen. Door de bedreiging toch door de telefoon te uiten heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bedreigde door politie of justitie op de hoogte zou raken van de bedreiging.

De raadsman heeft betoogd:

i. dat de door de verdachte gebruikte bewoordingen dusdanig grof zijn, dat deze niet serieus kunnen worden genomen en daarom niet zijn aan te merken als een bedreiging die in redelijkheid de vrees voor aantasting van het lichaam doen ontstaan als bedoeld in artikel 285 Sr en bovendien [slachtoffer 2] heeft verklaard zich in het geheel niet bedreigd te voelen door de bewoordingen die de verdachte jegens haar heeft geuit.

ii. dat verdachte geen opzet had op de bedreiging. Ook wist en wilde verdachte niet dat de uitlatingen ter kennis zouden komen van [slachtoffer 2]. In dat verband is betoogd dat, op het moment dat hij de uitlatingen deed en emotioneel was, verdachte zich er niet van bewust was dat hij werd afgeluisterd en dat zijn uitlatingen [slachtoffer 2] zouden bereiken.

In het geval het hof meent dat verdachte zich tijdens het uitspreken van de tenlastegelegde bewoordingen wel bewust was van de omstandigheid dat hij werd afgeluisterd, had

verdachte ook in dat geval geen (voorwaardelijk) opzet dat zijn uitlatingen [slachtoffer 2] zouden bereiken. De kans dat dit zou gebeuren was bovendien niet aanmerkelijk. De raadsman heeft dan ook verzocht om verdachte vrij te spreken.

Het hof overweegt als volgt.

Ad i.

Volgens vaste rechtspraak is voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Niet is vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat er daadwerkelijk vrees is opgewekt. De bedreigde moet daadwerkelijk op de hoogte zijn geraakt van de bedreiging.

De door verdachte jegens [slachtoffer 2] geuite bewoordingen hebben een zeer bedreigend karakter. Het hof betrekt daarbij dat verdachte die bewoordingen heeft geuit in de omstandigheden van de eergerelateerde, gewelddadige dood van [slachtoffer 1], met wie [slachtoffer 2] heimelijk een relatie onderhield, terwijl ze al eerder voor haar familie was gevlucht en in een “blijf van mijn lijf huis’’ had verbleven omdat ze tegen haar zin moest trouwen met haar neef [getuige 2].

Gelet op het voorgaande kon bij [slachtoffer 2] door de door verdachte geuite bewoordingen in redelijkheid de vrees ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. De grofheid van de bewoordingen waarin de bedreiging is geuit doen niet af aan de ernst, integendeel: de bewoordingen geven uitdrukking aan de woede van de verdachte. De ernst blijkt ook uit het feit dat verdachte tijdens het telefoongesprek zijn bedreiging met de dood, in andere bewoordingen, heeft herhaald. Dat [slachtoffer 2] tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris van 2 december 2014, nadat ze voor het eerst kennis nam van deze bewoordingen, heeft verklaard niet onder de indruk te zijn van de uitlatingen van de verdachte doet daaraan niet af. Voor een veroordeling voor bedreiging is immers niet vereist dat bij [slachtoffer 2] daadwerkelijk die vrees is ontstaan.

In zoverre kan het vrijspraakverweer niet slagen.

Ad ii

Ten aanzien van verweer dat het vereiste opzet bij de verdachte ontbrak dat de bedreigde op de hoogte zou geraken van de bedreiging, overweegt het hof het volgende. Gebleken is dat verdachte de uitlatingen heeft gedaan in een, gelet op de inhoud, vertrouwelijk telefoongesprek met [getuige 1], een bekende van de [familie X]. Hieruit kan dan ook niet worden afgeleid dat verdachtes opzet erop was gericht dat [slachtoffer 2] op de hoogte zou geraken van de inhoud van het telefoongesprek.

Voor een bewezenverklaring kan voorwaardelijk opzet bij verdachte voldoende zijn. Het hof ziet zich daarmee vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitlatingen [slachtoffer 2] zouden bereiken.

In dat verband wordt voorop gesteld dat volgens vaste rechtspraak de beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.1

Naar het oordeel van het hof is sprake van een aanmerkelijke kans dat de door de verdachte geuite bewoordingen door politie en/of justitie ter kennis zouden worden gebracht van [slachtoffer 2] en zij daardoor op de hoogte zou geraken van de bedreiging. De bedreiging was zeer ernstig en, gelet op het bestaan van aanwijzingen voor eergerelateerd geweld, zonder meer serieus te noemen. Het ligt onder die omstandigheden in de lijn der verwachting dat door politie en/of justitie de bedreiging ter kennis zou worden gebracht van [slachtoffer 2] teneinde haar van de ernst van de situatie op de hoogte te stellen.

De volgende vraag is of verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] van de bedreiging op de hoogte zou geraken.

Het onderzoek bevat aanwijzingen dat verdachte zich ervan bewust was dat telefoongesprekken waaraan hij deelnam werden afgeluisterd. Het hof kan echter niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte ten tijde van het telefoongesprek dat hij op 5 november 2013 voerde met [getuige 1] zich er eveneens van bewust is geweest dat dit gesprek zou worden afgeluisterd. Gelet op de inhoud van het telefoongesprek zijn er juist aanwijzingen dat verdachte ervan uitging dat het gesprek een vertrouwelijk karakter had en zijn uitlatingen uitsluitend ter kennis kwamen van [getuige 1].

Gelet hierop acht het hof dan ook niet bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] op de hoogte zou geraken van de bedreiging, noch dat verdachte die kans ten tijde van het telefoongesprek bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Uit het voorgaande volgt dat het hof niet bewezen acht dat verdachtes opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, er op was gericht dat [slachtoffer 2] op de hoogte zou geraken van de als bedreigend aan te merken uitlatingen van verdachte.

Verdachte wordt om die reden vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde.

Voor wat betreft het onder 2 subsidiair ten laste gelegde – poging tot bedreiging – verwijst het hof naar hetgeen hiervoor is overwogen. Gelet hierop kan evenmin bewezen worden dat bij verdachte het voornemen bestond om [slachtoffer 2] te bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

Het inbeslaggenomen voorwerp

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven Audi Q7 met kenteken [kenteken 1] heeft de

verdachte thans als bewaarder onder zich. Als rechthebbende van deze auto is redelijkerwijs aan te merken [onderneming Y], zodat de auto aan de [onderneming Y] dient te worden teruggegeven.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, [onderneming Y], van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een Audi Q7 met kenteken [kenteken 1].

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. N.J.M. Ruyters en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 7 juni 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049.