Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:254

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
20-000112-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2011:121, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hof veroordeelt verdachte ter zake van opzetheling van een graafmachine tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000112-12

Uitspraak : 27 januari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 23 december 2011 in de strafzaak met parketnummer 04-850546-08 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens de appelakte, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1. en 8. is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, met dien verstande dat het gerechtshof, gelet op art. 423 lid 4 Sv, hierna tevens voor het andere door de eerste rechter bewezen verklaarde feit de straf zal bepalen .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte voor de onder 1., 3. en 8. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 192 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 92 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van
    2 jaren;

  • -

    zal beslissen op de in beslag genomen voorwerpen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] zal toewijzen tot een bedrag van € 10.757,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr.

De verdediging heeft:

  • -

    bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde;

  • -

    zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 8. ten laste gelegde;

  • -

    bepleit dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Op te leggen straf met betrekking tot het niet aan het oordeel van het hof onderworpen feit

Het hof zal, gelet op art. 423 lid 4 Sv, de hierna in de beslissing nader te noemen straf bepalen ten aanzien van het niet aan zijn oordeel onderworpen, door de eerste rechter onder 3. bewezen verklaarde feit.

Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het door de eerste rechter bewezen verklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 23 oktober 2007 tot en met 30 november 2007 in de gemeente Roermond en/of Nederweert, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, 4, in elk geval een of meer personenauto's (merk BMW met kenteken [kenteken] , merk BMW met kenteken [kenteken] , merk Volkswagen met kenteken [kenteken] en Merk Audi met kenteken [kenteken] ), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto('s) wist(en) althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

8.
hij in of omstreeks de periode van 16 november 2007 tot en met 15 december 2007 te Haelen, gemeente Leudal, in elk geval in Nederland, een graafmachine (merk Komatsu) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die graafmachine wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 1. ten laste gelegde medeplegen van opzetheling. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het voorhanden bewijs leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het onder 1. ten laste gelegde af dat hij op twee momenten een of meer personen heeft opgehaald nadat deze(n) een aantal van de ten laste gelegde gestolen voertuigen elders had(den) geparkeerd.

Gelet daarop is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van verdachte aan het onder 1. ten laste gelegde is naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken.

Nu het hof evenmin de overtuiging heeft bekomen dat verdachte zelf een of meer van de ten laste gelegde auto’s heeft bestuurd of anderszins voorhanden heeft gehad, zal hij worden vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde.

Bewijs ten aanzien van het onder 8. bewezen verklaarde

1. De aangifte van [betrokkene] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik ben mede-eigenaar van het grondverzetbedrijf [naam 1] (het hof begrijpt: [benadeelde] ).

Mijn bedrijf is momenteel bezig met grondverzetwerkzaamheden op het nieuw aan te leggen milieupark aan de Bevelandtstraat te Roggel.

Op vrijdag 16 november 2007, om 16.30 uur, werden de werkzaamheden voor die week beëindigd en werd de ondervermelde graafmachine afgesloten op het bouwterrein achtergelaten. De bouwhekken voor de ingang van het terrein werden toen dicht gemaakt.

Toen mijn werknemers op maandag 19 november 2007, omstreeks 07.00 uur weer op dit bouwterrein aankwamen, zagen zij dat de bouwhekken open stonden en dat onderstaande graafmachine ontvreemd was.

Bijzonderheden mbt het ontvreemde voertuig:

merk : Komatsu

kleur : geel

chassisnummer : [chassisnummer]

In het motorvoertuig aanwezige voorwerpen:

stickers/plaats: achterzijde bedrijfsnaam, op de zijkanten en op de giek staat het bedrijfslogo

Het weggenomen motorvoertuig is eigendom van [benadeelde] .1

2. De verklaring van [medeverdachte 1] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

O: John, jij gaf aan dat je betrokken bent bij de diefstal van een kraan te Roggel. Wij willen hier nu op terug komen.

A: [medeverdachte 2] belde mij ‘s avonds en wilde dat ik met hem meeging om te gaan “kijken”. Hij wist een bouwvoertuig te staan in Roggel. We zijn met zijn auto naar Roggel gereden.

V: Wanneer is dit geweest?

A: Ik denk dat dit november of december 2007 is geweest.

V: Hoe laat zijn jullie naar Roggel gereden?

A: Dit was omstreeks 22:00 uur. We zijn toen naar het industrieterrein in Roggel gereden. Dit industrieterrein lag op de weg als je van Heythuysen naar Roggel rijd. Op dit industrieterrein waren ze aan het bouwen en op deze bouwplaats, die overigens omheind was, stond één machine. Ik heb [medeverdachte 2] daar afgezet. Ik zag dat [medeverdachte 2] in de richting van dit bouwterrein liep. Ik heb op [medeverdachte 2] gewacht totdat [medeverdachte 2] met zijn zaklamp seinde en hierna heb ik hem daar opgehaald. Hierna zijn we terug naar huis gereden. [medeverdachte 2] vertelde mij dat hij die machine de volgende dag ging halen.

We hebben in de auto de afspraak gemaakt dat ik die volgende ochtend naar de parkeerplaats in Horn zou komen.

V: En toen?

A: Ik was op het afgesproken tijdstip bij de parkeerplaats in Horn. Vervolgens zijn wij naar Roggel gereden.

V: Hoe is deze machine gestolen?

A: [medeverdachte 2] had altijd een sleutel bij zich.

Ik heb gezien dat [medeverdachte 2] die kraan met de hogedrukspuit had afgespoten. Ongeveer een half uur later kwam ook [verdachte] (het hof: verdachte) naar het bedrijf.

Ik zag dat [verdachte] een fhone (het hof begrijpt: föhn) bij zich had. Ik heb ook nog gezien dat [verdachte] en [medeverdachte 2] de stickers van de kraan hebben afgehaald.

V: Waar stonden deze stickers?

A: Deze stonden op de kont, op de arm van de kraan en volgens mij ook op de zijkant.

V: Welke kleur had deze machine?

A: Geel.2

3. De verklaring van [medeverdachte 2] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

O: [medeverdachte 2] , we verdenken je ervan dat je betrokken bent bij de diefstal van een shovel van het merk Komatsu, waarvan de diefstal gepleegd werd tussen 16-11-2007 en 19-11-2007 te Roggel.

V: Wat kun je uit je eigen beleving verklaren wat in deze zaak is gebeurd?

A: Op een zondagmorgen ben ik daarheen gereden. [medeverdachte 1] was hierbij en ik heb hem afgezet. Die kraan werd gestolen door [medeverdachte 1] en naar het terrein in Haelen gereden. Daar heb ik deze kraan klaargemaakt.

A: We hebben het op zondag gedaan. Ik ben met hem daar naar toe gereden en heb hem daar afgezet. Het was in de ochtend.

V: Waar heb je hem precies afgezet?

A: Op het industrieterrein bij een bouwveld. De afspraak was dat hij naar Haelen zou komen. Het industrieterrein lag tussen Heythuysen en Roggel.

V: Hoe heeft [medeverdachte 1] dat voertuig gestart?

A: Ik heb hem een van mijn sleutels gegeven, die had ik op zak. Daar zal hij dat voertuig mee gestart hebben. Die hebben immers allemaal dezelfde sleutel.

V: Wat gebeurt er vervolgens in Haelen?

A: Ik heb daar de poort geopend en gewacht tot [medeverdachte 1] kwam. Ik zag toen dat er letters op dat ding, die Komatsu stonden. Ik heb [verdachte] (het hof: verdachte) gebeld om te vragen of hij kon helpen.

V: Wat bedoel je precies met letters?

A: Dat waren plakletters.

V: Hoe zijn die letters verwijderd?

A: Met een föhn.3

4. De verklaring van verdachte, afgelegd op 26 augustus 2008, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

[medeverdachte 2] heeft mij gebeld en gevraagd of ik hem een föhn kwam brengen. Ik heb hem een föhn gebracht.

V: Waar had hij deze föhn voor nodig?

A: Om de belettering van de machine te halen.

V: Waarom moest de belettering van de machine af?

A: Deze machine was van diefstal afkomstig.

V: Wat is er vervolgens gebeurd?

A: Ik heb hem geholpen bij het verwijderen van de belettering en het schoonmaken van de machine

V: Wat was het voor machine?

A: Dit was een Komatsu kraan.

A: Ik wist dat deze Komatsu van diefstal afkomstig was.4

5. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van
12 december 2011, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Het klopt dat ik in de periode van 16 november 2007 tot en met 15 december 2007 te Haelen betrokken ben geweest bij een graafmachine, merk Komatsu. Toen ik in Haelen aankwam is mij verteld dat de kraan gestolen was. Daarom moest ik de belettering er af halen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 8. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 16 november 2007 tot en met 15 december 2007 te Haelen, gemeente Leudal, een graafmachine (merk Komatsu) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die graafmachine wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 8. bewezen verklaarde levert op:

Opzetheling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

i.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat feiten als het bewezen verklaarde de diefstal van waardevolle goederen als het onderhavige bevorderen, terwijl daardoor aanzienlijke schade wordt veroorzaakt aan de eigenaars van de betreffende goederen dan wel aan de betrokken verzekeraars.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
    13 oktober 2016, waaruit blijkt dat hij meermalen door een strafrechter is veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet;

  • -

    de hem betreffende voorlichtingsrapporten van Reclassering Nederland d.d.
    17 september 2008, 21 oktober 2009 en 22 januari 2010;

  • -

    de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op het voorgaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd.

Alles afwegende neemt het hof een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden tot uitgangspunt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is, behoudens hetgeen hierna zal worden overwogen met betrekking tot de redelijke termijn, niet van feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken.

ii.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de redelijke termijn is overschreden, hetgeen tot strafvermindering zou moeten leiden.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

De termijn als bedoeld in art. 6 EVRM vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 15 juli 2008, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld.

Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 23 december 2011. Aldus is er sprake van een tijdsverloop van meer dan twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de afronding van de behandeling in eerste aanleg, terwijl het hof onvoldoende omstandigheden aanwezig acht die een zo langdurig tijdsverloop rechtvaardigen.

De verdachte heeft op 6 januari 2012 hoger beroep ingesteld. Het hof doet uitspraak meer dan 5 jaren na de datum waarop hoger beroep is ingesteld, terwijl het hof onvoldoende omstandigheden aanwezig acht die een zo langdurig tijdsverloop rechtvaardigen.

Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in casu in uitzonderlijke mate is overschreden, hetgeen moet leiden tot strafvermindering.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid en omvang van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Het hof ziet in de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn aanleiding een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden op te leggen.

Beslag

Anders dan de rechtbank zal het hof geen beslissing nemen op de in beslag genomen
EG-Erklärung met betrekking tot Caterpillar (beslagnr. BRZ64.H03.2001.04), aangezien verdachte bij gelegenheid van zijn verhoor bij de politie d.d. 16 juli 2008 van dit goed reeds afstand heeft gedaan.

Ten aanzien van de overige in de beslissing te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen kan vooralsnog geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt en daarvan zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 11.507,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg gedane vordering.

De vordering is betwist.

Het hof constateert dat het voegingsformulier is ingevuld door [betrokkene] . Bij het voegingsformulier bevindt zich niet een uittreksel uit het handelsregister op basis waarvan kan worden vastgesteld dat deze persoon bevoegd was de rechtspersoon te vertegenwoordigen. Bij het voegingsformulier is immers een uittreksel uit het handelsregister gevoegd met betrekking tot [bedrijf] Evenmin bevindt zich bij dit voegingsformulier een schriftelijke volmacht waaruit blijkt dat de persoon die het voegingsformulier heeft ingevuld en ondertekend, daartoe gemachtigd was. Hetzelfde geldt voor het wensenformulier waarin namens de benadeelde partij te kennen wordt gegeven dat zij haar vordering in hoger beroep handhaaft. Aldus kan niet worden vastgesteld dat de persoon die de vordering heeft ingediend, bevoegd was de benadeelde rechtspersoon [benadeelde] te vertegenwoordigen. De benadeelde partij kan echter niet op die grond niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering dan nadat haar door het openbaar ministerie dan wel door de rechter de gelegenheid is geboden dat verzuim te herstellen en die gelegenheid niet is benut. Nu de benadeelde partij niet die gelegenheid is geboden, zou de behandeling van de vordering nader onderzoek vergen. Dat zou evenwel een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is en die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Het hof zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding, door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde] als gevolg van het onder 8. bewezen verklaarde feit schade heeft geleden, die het hof begroot op een bedrag van € 11.507,00. In aanmerking genomen dat verdachte blijkens de gebezigde bewijsmiddelen korte tijd na de diefstal de graafmachine voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze van diefstal afkomstig was, en heeft geholpen met het verwijderen van de belettering van de graafmachine, is het hof van oordeel dat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van

€ 11.507,00 te betalen ten behoeve van het slachtoffer, met bepaling dat indien en voor zover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Bepaalt de straf voor het onder 3. bewezen verklaarde op een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 8. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    twee sleutels aan blauw label + opschrift [naam 2] ;

  • -

    twee autosleutels BMW;

  • -

    twee cilindersloten met sleutels [adres] Roermond.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 8. bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 11.507,00 (elfduizend vijfhonderdzeven euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 92 (tweeënnegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. H.A.W. Vermeulen en mr. R.D. van Heffen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 27 januari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. R.D. van Heffen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Het proces-verbaal van aangifte, d.d. 19 november 2007, opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie (opgenomen op p. 13-14 van zaak nr. BRZ64-8D-028-LN in de ordner met het opschrift “DOSSIER C Delictdossier 9”).

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 6 augustus 2008, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 19-21 van zaak nr. BRZ64-8D-028-LN in de ordner met het opschrift “DOSSIER C Delictdossier 9”).

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 2 september 2008, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 3] , beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 35-37 van zaak nr. BRZ64-8D-028-LN in de ordner met het opschrift “DOSSIER C Delictdossier 9”).

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 26 augustus 2008, opgemaakt door [verbalisant 5] , brigadier van politie, en [verbalisant 3] , beiden hoofdagent van politie (opgenomen op p. 46-47 van zaak nr. BRZ64-8D-028-LN in de ordner met het opschrift “DOSSIER C Delictdossier 9”).