Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2539

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
20-003195-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6522
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:208, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen moord en medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Aan de moord ligt eergerelateerd geweld ten grondslag. Gevangenisstraf 20 jaar met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Vorderingen benadeelde partijen niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 47
Wet wapens en munitie 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003195-15

Uitspraak : 7 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 12 oktober 2015 in de strafzaak met parketnummer

02-820503-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in PI Rijnmond, HvB De Schie, Rotterdam te Rotterdam.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 jaar. Daarnaast is gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.

Namens verdachte is, kort gezegd, primair betoogd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] is verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat onduidelijk is of de benadeelde partij en het slachtoffer nog waren gehuwd ten tijde van het indienen van de vordering en het echtscheidingsverzoek de huwelijksgoederengemeenschap ontbindt per 1 augustus 2013. Ook de berekening van de partneralimentatie is betwist.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] is verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de benadeelde partij niet behoort tot de kring van voegingsgerechtigden.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 25 september 2013 te IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben/heeft verdachte en/of diens mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 25 september 2013 te IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben/heeft genoemde verdachte(n) en/of diens mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 25 september 2013 te Dordrecht en/of IJzendijke en/of elders in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft verdachte,

- [slachtoffer] naar de plaats, alwaar het bovengenoemde delict is gepleegd, gebracht, en/of

- één of meer andere werknemers van het bouwbedrijf alwaar [slachtoffer] ook werkzaam was en welke onderweg waren/was naar de plaats alwaar bovengenoemde delict zou worden gepleegd opdracht gegeven nog niet te komen, en/of

- één of meer andere werknemers van het bouwbedrijf alwaar [slachtoffer] ook werkzaam was en welke waren/was gearriveerd op de plaats alwaar bovengenoemde delict zou worden gepleegd opdracht gegeven te vertrekken (om enige goederen op te halen), en/of

- het pistool alwaar het bovengenoemde delict mee is gepleegd geleverd/overhandigd/beschikbaar gesteld/gereed gemaakt, en/of

-nagelaten die [slachtoffer] te waarschuwen voor [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een) ander(en) en/of nagelaten bijstand/hulp in te roepen van politie en/of (een) ander(en) en/of

- niet ingegrepen en/of laten ingrijpen door (een) ander(en) ter voorkoming dat die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een) ander tot de uitvoering van het plegen van bovengenoemd misdrijf zou(den) overgaan en/of (aldus) (op geen enkele wijze) (niet) te voorkomen dat die [slachtoffer] het leven zou laten.

2.
hij op of omstreeks 25 september 2013 te Dordrecht en/of IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie II/III, te weten enig vuurwapen (Walther-P1), en/of munitie van categorie II/III, te weten twee, althans één of meer patro(o)n(en) (9 mm), voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 25 september 2013 te IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en diens mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een vuurwapen meermalen door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.


2.
hij op 25 september 2013 te IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, te weten enig vuurwapen (Walther-P1), en munitie van categorie III, te weten patronen (9 mm), voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde medeplegen van moord en het onder 2 tenlastegelegde bewezen dient te worden verklaard.

Volgens de advocaat-generaal volgt uit het dossier dat de [familie X] zich, door de weigering van [betrokkene 2] om zich te voegen naar een door haar familie gearrangeerd huwelijk met haar neef [getuige 1] en door de geheime relatie die zij onderhield met [slachtoffer] , die niet-Koerdisch was, was gehuwd en twee kleine kinderen had, zodanig in de eer aangetast voelde dat besloten is om [slachtoffer] te doden. De advocaat-generaal heeft van belang geacht dat de verklaringen die [betrokkene 2] heeft afgelegd bij de politie bevestiging vinden in bijvoorbeeld de verklaringen die [getuige 1] , [getuige 2] en ook [medeverdachte 1] hebben afgelegd, hetgeen ook uiteen is gezet in de analyse die is opgemaakt door het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG).

Volgens de advocaat-generaal is [verdachte] naar de plaats delict gegaan met [slachtoffer] . Uit verklaringen die zijn afgelegd door de medewerkers van [onderneming Y] volgt dat deze gang van zaken afweek van de normale gang van zaken, terwijl [verdachte] bovendien niet op het werk zou zijn in verband met rugklachten die hij had. Daar komt bij dat [verdachte] de medewerkers direct na hun aankomst op de latere plaats delict wegstuurde omdat hij een “torrie” wilde doen, dat wil zeggen: een diefstal. Toen zij mochten terugkomen van [verdachte] , was hij zelf verdwenen, was [slachtoffer] gedood en was [medeverdachte 1] ter plaatse aanwezig. Aan de hand van de gegevens van de ANPR-camera’s en de verklaringen van getuigen is te reconstrueren dat [medeverdachte 1] en [verdachte] een korte tijd tegelijkertijd op de plaats delict moeten zijn geweest. Dit maakt mogelijk dat [verdachte] [slachtoffer] met drie schoten om het leven heeft gebracht, waarna [medeverdachte 1] het wapen van hem overnam en de schuld op zich nam. Het DNA-onderzoek dat is verricht aan het wapen sluit aan bij een dergelijk verloop. [verdachte] is naar Turkije vertrokken met achterlating van de Audi Q7 in Duitsland, bij een neef van de familie.

De door [medeverdachte 1] bij de politie afgelegde verklaringen komen niet overeen met de verklaring die [medeverdachte 1] ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd en worden bovendien niet ondersteund door forensisch onderzoek naar bijvoorbeeld schoensporen, DNA-onderzoek op het wapen en het schot- en weefselresten onderzoek. De advocaat-generaal heeft daarom geconcludeerd dat [verdachte] degene is die [slachtoffer] met drie schoten om het leven heeft gebracht en dat [medeverdachte 1] van meet af aan betrokken was bij de besluitvorming en de uitvoering daarvan. Gelet daarop kan het onder 1 primair tenlastegelegde (medeplegen van moord) en het onder 2 tenlastegelegde (het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie) bewezen worden verklaard.

Standpunt verdediging

Ter zake van het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Volgens de raadsman is er geen bewijs voorhanden dat [verdachte] en [medeverdachte 1] enige tijd gelijktijdig op de plaats delict zijn geweest en bestaan aanwijzingen dat [slachtoffer] nog in leven was toen [verdachte] de plaats delict had verlaten, omdat:

  • -

    geen van de gehoorde getuigen drie personen gelijktijdig op de plaats delict zag;

  • -

    niet vaststaat dat de berekeningen die zijn gemaakt over het tijdstip waarop [verdachte] moet zijn vertrokken en waarop [medeverdachte 1] ter plaatse moet zijn gekomen juist is;

  • -

    op de plaats delict enkel schoensporen van [medeverdachte 1] zijn aangetroffen;

  • -

    getuigen [getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaard twee personen te hebben gezien op de latere plaats delict, welke personen [slachtoffer] en [medeverdachte 1] moeten zijn geweest en het berekende tijdstip van de waarneming van [getuige 4] niet zeker is.

Bovendien is geen hard bewijs aanwezig dat [verdachte] en niet [medeverdachte 1] de schutter was omdat:

  • -

    de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd dat de aanwezigheid van prominentere sporen van [verdachte] op het wapen niet past bij de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij degene is geweest die heeft geschoten;

  • -

    de conclusie van de rechtbank indruist tegen het rapport van deskundige dr. L.H.J. Aarts, die heeft geconcludeerd dat het niet mogelijk is om een uitspraak te doen over de waarschijnlijkheid van de bevindingen van het DNA-onderzoek aan de bemonsteringen van het pistool onder de voorliggende hypothesen;

  • -

    de conclusie die de rechtbank heeft getrokken inzake het rapport van Van der Scheer ondeugdelijk is;

  • -

    de conclusies uit het IDFO-onderzoek niet bruikbaar zijn voor het bewijs omdat de wijze waarop proefschoten zijn genomen niet correspondeert met de situatie op 25 september 2013. Daar komt bij dat op de mouwen van de jas van [medeverdachte 1] A deeltjes zouden moeten zijn gevonden indien de aangetroffen B deeltjes afkomstig zijn van een schietproces. Nu geen A deeltjes zijn aangetroffen, zijn de gevonden B deeltjes waarschijnlijk niet afkomstig van een schietproces.

  • -

    de evaluatie van het bloedspoorpatroononderzoek weliswaar de theoretische mogelijkheid oppert dat de sporen zijn gestempeld, maar onduidelijk is wat de kans daarop is, terwijl bovendien geen schoensporen zijn aangetroffen nabij de schoensporen van [medeverdachte 1] .

Door de raadsman is voorts betoogd dat onvoldoende aanwijzingen aanwezig zijn voor het bestaan van voorbedachte raad en van medeplegen. Het vertrek van [verdachte] is onvoldoende om medeplegen aan te nemen.

De tapgesprekken die ten aanzien van de voorbedachte raad in het dossier zijn opgenomen zijn niet voldoende om aan te nemen dat daarvan sprake is, terwijl de omstandigheid dat [verdachte] niet hoefde te werken volgens het werkrooster niet wil zeggen dat hij daadwerkelijk niet op de werkplek aanwezig hoefde te zijn. Voorts is onvoldoende onderzocht of een haspel is gestolen en of nabij de werkplek politie was gesignaleerd.

Daarnaast is gesteld dat [slachtoffer] niet is gedood met als doel eerherstel. De bruikbaarheid van het LEC rapport en de in het dossier aanwezige tapgesprekken zijn in dat verband betwist.

Door de verdediging is verder betoogd dat de verklaring van [getuige 5] die de rechtbank voor het bewijs heeft gebezigd niet betrouwbaar is en terzijde moet worden gesteld.

Daarnaast is gesteld dat de verbaliseringsplicht is geschonden omdat verbalisanten belangrijke en/of ontlastende feiten niet hebben geverbaliseerd. Verwezen is naar de pleitnota in eerste aanleg waarin is gesteld dat sprake zou zijn van een vormverzuim. Bovendien is betwist dat de koppeling van de bijnamen aan verschillende subjecten in de tapgesprekken niet is te volgen. Ten aanzien van het tapgesprek van 18 november 2013 is specifiek verzocht dit gesprek opnieuw te laten vertalen als het hof dat gesprek voor het bewijs zou bezigen, omdat niet zou blijken dat [verdachte] met “ [bijnaam 1] ” wordt aangesproken, maar met “ [bijnaam 2] ”.

Concluderend is primair gesteld dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] [slachtoffer] heeft neergeschoten; [slachtoffer] was nog in leven toen [verdachte] was vertrokken. De gedragingen van [verdachte] leveren geen bewijs op voor opzet op de dood van [slachtoffer] of voor nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] .

Mocht het hof van oordeel zijn dat [verdachte] wel de schutter was, dan kan niet bewezen worden dat sprake was van voorbedachte raad, noch van medeplegen.

Van medeplichtigheid is evenmin sprake; [verdachte] had geen opzet op de dood van [slachtoffer] of op het verlenen van hulp.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit is eveneens vrijspraak bepleit omdat onduidelijk is waar, wanneer en onder welke omstandigheden [verdachte] het wapen voorhanden zou hebben gehad, voor zover daarvan al zou blijken.

Oordeel van het hof ten aanzien van feit 1

Vaststellingen plaats delict

Op 25 september 2013 te 09:03:09 uur belde [medeverdachte 1] in bij de alarmcentrale. Hij meldde dat hij iemand had neergeschoten aan de Middenweg te IJzendijke (pg. 54 e.v.).

Op het bouwterrein naast de N61, tegenover het tankstation van [tankstation A] (bij welk tankstation de bij [medeverdachte 1] in gebruik zijnde Mercedes stationwagen met kenteken [kenteken 1] en achterop het bordje “werkverkeer” werd aangetroffen), trof de politie [medeverdachte 1] aan met een vuurwapen in zijn hand. Vlak bij [medeverdachte 1] lag een man op de grond, die bleek te zijn overleden. De overleden man bleek te zijn [slachtoffer] (pg. 8)). In het door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) verricht onderzoek (pg. 329 e.v. FO) werden letsels vastgesteld aan het hoofd van het slachtoffer, passend bij drie doorschoten. Aan het hoofd rechts werden twee ronde huidperforaties aangetroffen, die zeer waarschijnlijk inschotverwondingen betroffen. Daarnaast had het slachtoffer in de tongpunt een perforatie (in- of uitschot) en aan het hoofd mid-achterwaarts een huidperforatie (in- of uitschot).

Uit het bloedsporenonderzoek aan het lichaam en aan de kleding van [slachtoffer] (pg. 69-70 FO) en het aanvullend schotrestenonderzoek van 17 juli 2014 volgt dat niet uitgesloten kan worden dat [slachtoffer] een (deels) verticale positie had op het moment dat het eerste doorschot door diens hoofd plaatsvond. Dat betrof een doorschot, waarschijnlijk vanaf het achterhoofd door de mond. De twee andere doorschoten zijn zeer waarschijnlijk vanaf de rechterzijde van het hoofd naar de linkerzijde van het hoofd toegebracht. Waarschijnlijk lag [slachtoffer] tijdens deze doorschoten (deels) op zijn linkerzijde.

Het bij [medeverdachte 1] aangetroffen pistool (SIN AAGH7609NL) (pg. 25 FO) is nader onderzocht. De kolfplaten en de ruwe delen van de slede en de trekker van het aangetroffen pistool zijn bemonsterd (SIN AAGH7608NL en AAGH7607NL) (pg. 25 FO).

Het pistool is van het merk Walther, model P1, kaliber 9mm Parabellum.

Het hof gaat, gelet op het door het NFI verrichte onderzoek aan het wapen en de aangetroffen patronen en hulzen en de in het hoofd van het slachtoffer aangetroffen metaalfragmenten, ervan uit dat op het slachtoffer is geschoten met het wapen dat op de plaats delict is aangetroffen en dat [medeverdachte 1] in zijn handen had op het moment dat de politie ter plaatse kwam (pg. 298 e.v., pg. 310 e.v. FO).

Door de deskundige R.C. Roepnarain van het NFI wordt ten aanzien van de schootsafstand gerapporteerd dat de bevindingen ten aanzien van de verwondingen aan de rechterzijde van het hoofd van [slachtoffer] veel waarschijnlijker zijn wanneer ten minste één schootsafstand tussen 10 en 75 cm is geweest dan wanneer deze kleiner dan 10 cm of groter dan 75 cm is geweest. Bij de verwonding in het achterhoofd zijn de bevindingen van het onderzoek waarschijnlijker wanneer de schootsafstand tussen 10 en 75 cm is geweest dan wanneer deze kleiner dan 10 cm of groter dan 75 cm is geweest (Aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 17 juli 2014).

Aanloop naar de dodelijke schietpartij

[betrokkene 2] , de dochter van [medeverdachte 1] , heeft meerdere verklaringen afgelegd over de aanloop naar de gebeurtenissen die plaatsvonden op 25 september 2013.

Uit de door [betrokkene 2] afgelegde verklaringen en de processen-verbaal van bevindingen kan onder meer het navolgende worden afgeleid.

Door [betrokkene 2] is verklaard dat zij was uitgehuwelijkt aan haar neef [getuige 1] maar dat zij niet met hem wilde trouwen. Zij was een – geheime – relatie aangegaan met het latere slachtoffer [slachtoffer] , een gehuwde man met twee kinderen. Haar vader, [medeverdachte 1] , accepteerde haar weigering niet en bleef er bij haar op aandringen dat zij met haar neef zou trouwen. Op 14 juni 2013 heeft op het kantoor van het bedrijf [onderneming Y] , een bedrijf van [medeverdachte 2] , een broer van [medeverdachte 1] , waarvoor meerdere familieleden, onder wie [medeverdachte 1] en [verdachte] , alsmede [slachtoffer] , werkzaam waren, een gesprek plaatsgevonden waarbij, behalve [betrokkene 2] , ook aanwezig waren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , [getuige 6] , zijnde een broer van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , [verdachte] en [getuige 1] . In dat gesprek is door [medeverdachte 2] aan [betrokkene 2] kenbaar gemaakt dat zij moest trouwen met haar neef [getuige 1] . [betrokkene 2] heeft tijdens dat gesprek gezegd dat zij dat niet wil en dat zij weg gaat lopen. Zij is bij dat gesprek door haar oom [medeverdachte 2] stevig vastgepakt en door haar vader [medeverdachte 1] geslagen. Ze kreeg daarna nog woorden met [verdachte] omdat ook hij vond dat zij met haar neef moest trouwen (proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 oktober 2013, PL1962-2013067182-96).

Dit heeft er toe geleid dat [betrokkene 2] op een voor haar familie geheime locatie is ondergebracht. Vervolgens heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden tussen de politie en [medeverdachte 1] . Nadat [medeverdachte 1] in dat gesprek kenbaar had gemaakt dat [betrokkene 2] niet met haar neef hoefde te trouwen is zij weer thuis gaan wonen. Toen zij eenmaal thuis was werd haar door [medeverdachte 1] gezegd dat zij toch met haar neef moest trouwen (pg. 408).

Op enig moment is [betrokkene 2] door haar vader geslagen waarbij haar tand is gebroken (LEC EEG, proces-verbaal d.d. 18 november 2014, Gespreksverslag). Half september 2013 heeft [betrokkene 2] aan haar contactpersoon gevraagd haar op te halen omdat zij het vermoeden had dat er iets gaande was. Zij wilde thuis weg doch haar tante liet haar niet alleen. [betrokkene 2] is vervolgens door de politie opgehaald en weer op een geheime locatie ondergebracht. Zij verklaarde dat zij niet meer naar huis wilde omdat was gebleken dat zij alsnog met [getuige 1] moest trouwen en dat zij bang was dat zij daarvoor naar Turkije zou worden gebracht (pg. 408).

In het kader van de strafzaak is [betrokkene 2] als getuige gehoord door de rechter-commissaris. Zij heeft, kort samengevat, verklaard dat zij heeft gelogen bij de politie omdat zij, op andere gronden dan zij bij de politie heeft verklaard, in de opvang geplaatst wilde worden en direct hulp wilde. Om die reden heeft zij gezegd dat zij door haar familie werd gedwongen om met haar neef te trouwen. Zij werd bovendien bedreigd door [slachtoffer] : zij moest met hem mee omdat hij haar familie anders iets aan zou doen.

Het hof stelt vast dat [betrokkene 2] tegenover de politie uiteen heeft gezet dat zij tegen haar wil was uitgehuwelijkt aan haar neef [getuige 1] doch dat zij te kennen had gegeven niet met hem te willen trouwen maar dat haar familie bleef bij het eerdere besluit dat zij met hem moest trouwen.

Het hof heeft geen reden om aan deze verklaringen te twijfelen. Deze verklaringen zijn gedetailleerd en komen met elkaar overeen op essentiële onderdelen die de aanloop naar de dodelijke schietpartij van 25 september 2013 verklaren. De door [betrokkene 2] bij de politie afgelegde verklaringen vinden bovendien op onderdelen steun in het navolgende.

Door [getuige 1] is op een vraag van de verhorende verbalisanten wat [betrokkene 2] er van vond dat zij met hem verloofd was, verklaard dat het bij hen zo is dat “eerst de oude mensen met elkaar gaan praten en die regelen het dan” (pg. 509). Ook door [getuige 2] , een vriend van [slachtoffer] , is verklaard dat [betrokkene 2] was uitgehuwelijkt aan haar neef maar dat zij niet met die neef wilde trouwen (pg. 350 e.v.). Op 18 september 2013 ontving [getuige 2] een bericht van [betrokkene 2] op zijn telefoon waarin stond dat [medeverdachte 1] [betrokkene 2] had geslagen en haar tanden waren gebroken. Volgens [getuige 2] heeft [slachtoffer] zich toen gemeld bij de politie. [betrokkene 2] is vervolgens thuis opgehaald.

Het hof gaat er dan ook van uit dat [betrokkene 2] tegen haar uitdrukkelijke wil was uitgehuwelijkt aan haar neef en dat haar familie, waaronder haar vader en haar oom [medeverdachte 2] , bij deze beslissing bleven.

Het hof hecht dan ook geen geloof aan de nadien door [betrokkene 2] afgelegde andersluidende verklaringen.

De relatie met het latere slachtoffer [slachtoffer]

Door [betrokkene 2] is verklaard dat zij, ondanks dat zij was uitgehuwelijkt aan haar neef, een – geheime – relatie onderhield met het latere slachtoffer [slachtoffer] . Zij hadden zelfs plannen om te gaan samenwonen. Op enig moment is deze relatie bekend geworden bij de familie van [betrokkene 2] . Zo is door wijkagent [getuige 7] verklaard dat tijdens een huisbezoek door de moeder van [betrokkene 2] , [getuige 8] , is gezegd dat binnen de familie de roddel ging dat [betrokkene 2] iets zou hebben met een man die twee kinderen had (zie rapportage LEC pg. 154). [getuige 9] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] het een probleem vond dat [betrokkene 2] en [slachtoffer] een relatie hadden (pg. 498). Volgens [getuige 2] wist [verdachte] van de relatie en had [verdachte] gezegd dat [slachtoffer] op moest passen omdat was bepaald dat [betrokkene 2] moest trouwen met [getuige 1] (pg. 353).

Motief voor het doden van [slachtoffer] : eergerelateerd geweld

Uit het onderzoek is gebleken dat het motief voor het doden van [slachtoffer] moet worden gezocht in het door de familie van [betrokkene 2] gearrangeerde huwelijk tussen haar en haar neef en de afgekeurde relatie van [betrokkene 2] met [slachtoffer] . Dit blijkt (onder meer) uit het navolgende.

Door [getuige 1] is verklaard dat volgens hun religie hun eer gered moest worden (pg. 515). [getuige 9] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de relatie tussen [betrokkene 2] en [slachtoffer] een probleem vond, dat hij “het niet (vond) kunnen en daarom (…) [slachtoffer] (is) neergeschoten”(pg. 498). Ook heeft hij op de vraag van de politie of de familie-eer was hersteld nu iemand uit de familie [slachtoffer] heeft neergeschoten, verklaard dat dit volgens zijn vader wel het geval is (pg. 499).

Door [getuige 10] is verklaard dat de familie van [betrokkene 2] een volksstam is en dat dit betekent dat personen die niet tot die volksstam behoren niet mogen trouwen met leden van de volksstam. [slachtoffer] en [betrokkene 2] wisten dit allebei (pg. 392). [slachtoffer] had tegen [getuige 10] gezegd dat het mogelijk was dat hij deze relatie met zijn dood moest bekopen. Hij zei dat men hem ofwel toestemming zou geven om deze relatie voort te zetten of hem zou afmaken (pg. 395).

Ook volgens [getuige 2] ging [slachtoffer] ervan uit dat hij vanwege zijn relatie met [betrokkene 2] mogelijk gedood zou worden (pg. 353).

Het voorgaande vindt bovendien bevestiging in een afgeluisterd telefoongesprek tussen

[medeverdachte 2] en [getuige 11] op 5 november 2013. In dat gesprek zegt [getuige 11] : “Hij heeft van iemand gehouden en is omwille daarvan heen gegaan.”(pg. 1021). [medeverdachte 2] zegt kort daarna tegen [getuige 11] : “Nu zeg ik niet dat [slachtoffer] schuldig is of die eerloze hoer niet schuldig is. Zij is nog duizend keer meer schuldig dan [slachtoffer] .” [getuige 11] zegt dat hij hem (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) heel vaak heeft gewaarschuwd (pg. 1021). Het gesprek gaat verder waarna [medeverdachte 2] op enig moment zegt: “Die hoer is twee dagen eerder meegenomen door de politie. Als dat niet was gebeurd dan had ik haar thuis in stukken gehakt dus. Het maakt niet uit of ik dan levenslang in de gevangenis was beland. (…) Allah is groot, ik kom haar ooit tegen”(pg. 1022). Daarnaast volgt uit een afgeluisterd gesprek tussen [getuige 12] van 29 januari 2014, zijnde een broer van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , en [getuige 13] dat [getuige 12] bij [medeverdachte 1] op bezoek is geweest en dat [medeverdachte 1] had gezegd: “Maak je geen zorgen om mij, het is niet erg, als ik…als wij dit niet hadden gedaan, dan zou men zeggen dat de familie van [familie X] ( [familie X] ) eerloos is. Het moest.” (pg. 1113).

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de eer van de familie was geschonden door de weigering van [betrokkene 2] om te trouwen met de voor haar uitgezochte huwelijkskandidaat, haar neef [getuige 1] , en door haar – geheime – relatie met [slachtoffer] en dat die familie-eer moest worden hersteld, hetgeen gebeurde door het doden van [slachtoffer] .

Conclusies LEC EGG niet als bewijs gebruikt

Door het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) is een rapport “Analyse (mogelijk) eer gerelateerd geweld” opgemaakt van de gebeurtenissen die zijn voorafgegaan aan de dood van [slachtoffer] op 25 september 2013.

Dit rapport bestaat uit drie delen.

Deel I: Beschrijving van voorvallen aan de hand van geobjectiveerde waarnemingen en feitelijkheden, redenen van wetenschap, Deel II: (culturele) toelichting op de voorliggende casus en Deel III: Culturele toelichting en advisering op onderhavige casus.

Bij de totstandkoming van Deel I werd gebruik gemaakt van aangeleverde informatie vanuit het strafrechtelijk onderzoek en van informatie die was verkregen door een gesprek dat medewerkers van het LEC EGG op 1 oktober 2013 hebben gevoerd met [betrokkene 2] , de dochter van [medeverdachte 1] .

Door de verdediging is aan de hand van het door de verdediging ingebracht rapport van Novalitica “Analyse inzake Teuven” van R.J.H.M. Ermers d.d. 2 juli 2014, betwist dat de conclusies die in het LEC EGG rapport (het hof: Deel II en Deel III) worden getrokken voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

In dit verband overweegt het hof dat slechts van de inhoud van het LEC EGG rapport gebruik wordt gemaakt voor zover het de tijdlijn van de gebeurtenissen betreft (Deel I). Daarnaast zal gebruik gemaakt worden van de in het proces-verbaal d.d. 18 november 2014 woordelijk uitgewerkte weergave van het gesprek dat met [betrokkene 2] is gevoerd op 1 oktober 2013. De conclusies en de onderbouwing daarvan die in het rapport worden getrokken over het motief dat ten grondslag ligt aan de tenlastegelegde feiten (eerwraak) blijven bij de bewijsvoering buiten beschouwing.

De gebeurtenissen op en na 25 september 2013

Uit het onderzoek komt voorts het volgende naar voren.

Gebleken is dat 25 september 2013 de laatste werkdag was van [slachtoffer] bij het bedrijf [onderneming Y] Hij werd die dag ingepland voor het uitvoeren van werkzaamheden bij de N61 te IJzendijke. [medeverdachte 2] had bepaald dat [slachtoffer] die dag nog moest werken ook al was hij ziek gemeld (pg. 353) en dat [slachtoffer] met [verdachte] naar de werklocatie zou rijden. Dit laatste was afwijkend van hetgeen gebruikelijk was, namelijk dat [slachtoffer] met een bus van het bedrijf met [getuige 10] naar de werklocatie reed. Dat [verdachte] naar de werklocatie reed was kennelijk aanvankelijk niet ingepland. Dit blijkt uit de verklaring van [getuige 14] , destijds de planner binnen [onderneming Y] (pg. 570).

Gebleken is dat om 07:11 uur en om 07:43 uur telefonisch contact is geweest tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] (pg. 117 en 121). Om 07:48 uur passeert de witte Audi Q7 met [verdachte] als bestuurder en [slachtoffer] als bijrijder de kassa van de Westerscheldetunnel (pg. 75).

Ook andere werknemers van [onderneming Y] , te weten [getuige 15] , [getuige 16] , [getuige 17] en [getuige 10] , zijn die ochtend op weg naar de werklocatie aan de N61. Om 07:57 uur passeert hun busje de kassa bij de Westerscheldetunnel (pg. 77). Om 08:18 uur neemt [verdachte] contact op met [getuige 16] (pg. 117) en zegt hem dat zij door moeten rijden omdat [verdachte] een “torrie” wilde doen, waarmee kennelijk wordt bedoeld dat hij iets wilde stelen (pg. 357). Om 08:22 uur belt [verdachte] opnieuw met [getuige 16] en zegt dat zij door moeten rijden (pg. 117 en 357).

Inmiddels zijn [verdachte] en [slachtoffer] op de werklocatie gearriveerd.

Ondanks de instructies van [verdachte] rijden de werknemers naar de werklocatie waar zij even na 08.27 uur [verdachte] en [slachtoffer] aantreffen.

Ook [medeverdachte 1] is vertrokken naar de werklocatie. Om 08:26 uur rijdt hij in een Mercedes stationwagen bij de Westerscheldetunnel (pg. 75).

Op de werklocatie heeft [verdachte] [getuige 17] apart genomen en hem de instructie gegeven om een haspel te gaan halen. De werknemers zijn vervolgens in hun busje vertrokken. Volgens werknemer [getuige 15] is [slachtoffer] toen naar de kraan gelopen om daar te starten met zijn werkzaamheden. Om 08:37 uur passeert het busje met de werknemers de ARS camera bij rotonde Parkzicht (pg. 123). Op dat moment zijn alleen [slachtoffer] en [verdachte] nog op de werklocatie.

Om 08:39 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 2] (pg. 117 en 124).

Om 08:48 uur belt [verdachte] weer naar [getuige 16] (pg. 117). Volgens [getuige 16] kreeg hij van [verdachte] de instructie dat zij nog niet terug mochten komen “omdat er politie was”. Dat laatste was niet het geval. [getuige 16] zegt dan dat ze zullen wachten (pg. 358).

Om 08:51 uur belt [verdachte] gedurende 34 seconden naar [slachtoffer] (pg. 117). Beide gsm’s stralen de mast Koninginnestraat 7 te IJzendijke aan (pg. 125).

Om 08:54 uur passeert getuige [getuige 18] met haar auto de ARS-camera Tivoli (pg. 125 en 101). Zij heeft verklaard (pg. 308) dat zij een kraantje zag staan en dat zij twee mannen zag lopen. Het hof leidt hieruit af dat de getuige rond dat tijdstip [verdachte] en [slachtoffer] heeft waargenomen. Behalve deze beide personen hadden de andere werknemers immers de werklocatie verlaten; [medeverdachte 1] was nog niet ter plaatse nu hij zijn auto pas om 09:00 uur bij tankstation Aers, nabij de plaats delict, parkeerde.

Rond 08:55 uur (pg. 97) neemt getuige [getuige 19] waar dat op het zandbed een minikraantje staat en dat er een man in zit. Tevens staat er een vrij grote witte auto niet ver van dat kraantje (pg. 297). Het hof gaat ervan uit dat [slachtoffer] zich in het kraantje bevindt en dat de witte auto de Audi van [verdachte] is.

Om 08:56 uur belt [medeverdachte 1] (mast: Koninginnestraat 7 IJzendijke, pg 126) naar [verdachte] ; het gesprek wordt doorgeschakeld naar de voicemail (pg. 118).

Rond 08:57 uur ziet getuige [getuige 4] (pg. 217) in het zandtalud een kraantje met een persoon erin. Een man loopt voorbij het kraantje. Het hof gaat ervan uit dat [slachtoffer] zich nog in het kraantje bevindt en dat [verdachte] zich in de nabijheid bevindt van [slachtoffer] . De overige werknemers hadden immers de werkplek al verlaten en [medeverdachte 1] was op dat moment nog niet ter plaatse.

Om 08:57 uur belt [medeverdachte 1] (mast: Koninginnestraat 7 IJzendijke, (pg. 126) weer naar [verdachte] ; het gesprek wordt weer doorgeschakeld naar de voicemail (pg. 118).

Om 08:58 uur passeert de Mercedes stationwagen met [medeverdachte 1] als bestuurder de ARS-camera bij de rotonde Parkzicht, richting tankstation [tankstation A] /kruising Tivoli (pg. 97).

Rond dat tijdstip belt [medeverdachte 1] (mast: Koninginnestraat 7 IJzendijke, (pg. 126) wederom met [verdachte] ; het gesprek wordt weer doorgeschakeld (pg. 118).

Eveneens rond dat tijdstip (pg. 101) ziet getuige [getuige 3] twee mannen: één man zat in het kraantje met een oranje hesje en de andere man liep en droeg geen hesje (pg. 312 en 313). Op dat moment is [slachtoffer] dus nog in leven. [verdachte] moet dan de persoon zonder hesje zijn.

Om 09:00 uur parkeert [medeverdachte 1] zijn Mercedes bij het nabij gelegen benzinestation (pg. 79 en bijgevoegde foto 4 op pg. 81 en foto 5 op pg. 82 en pg. 135).

Getuige [getuige 20] (pg. 315/316) ziet ter hoogte van het benzinestation een man oversteken. De man draagt werkkleding en steekt schuin de weg over, in de richting van IJzendijke. Uit het onderzoek volgt dat dit [medeverdachte 1] is geweest en dat hij naar de werklocatie is gelopen. De loopafstand vanaf het tankstation en de plaats waar [slachtoffer] dood is aangetroffen bedraagt ongeveer 1:26 minuut (pg. 129). Dit betekent dat [medeverdachte 1] rond 09:01:43 uur ter plaatse kan zijn geweest.

Om 09:02:38 uur belt [verdachte] (mast: Koninginnestraat 7 IJzendijke) naar [medeverdachte 2] .

Om 09:03:09 uur belt [medeverdachte 1] naar 112 met de mededeling dat hij iemand heeft doodgeschoten (mast: Koninginnestraat 7 IJzendijke) (pg. 118). Het gesprek duurt ruim 5 minuten, tot 09:08:32 uur (pg. 129).

Nu rond 08:58 uur [slachtoffer] door een getuige nog in leven is gezien moet hij tussen dat tijdstip en 09:03 uur van het leven zijn beroofd.

Om 09:03 uur belt [verdachte] (mast: Koninginnestraat 7 IJzendijke, pg. 130/131) naar [medeverdachte 1] , maar krijgt geen gehoor (pg. 117).

Om 09:03:45 uur passeert de witte Audi Q7 de ARS-camera bij de rotonde Parkzicht (pg. 98).

Om 09:05 en 09:06 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] maar krijgt geen gehoor (pg. 117). [medeverdachte 1] belt dan nog steeds met de politie.

Om 09:09 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] (pg. 131). Er is dan wel contact.

Vervolgens nemen zowel [verdachte] (om 09:10 uur) als [medeverdachte 1] (om 09:10 uur) contact op met [medeverdachte 2] (pg. 131).

Om 09:12 uur belt [medeverdachte 2] naar [verdachte] (pg. 132).

Om 09:15 uur neemt [verdachte] contact op met [getuige 16] (pg. 117). [medeverdachte 1] zegt in dat gesprek dat hij weg is en dat de werknemers kunnen komen. De vraag of hij het “geklaard” had beantwoordt [medeverdachte 1] bevestigend (pg. 358).

Direct na het incident, na de contacten die hij heeft met [medeverdachte 1] en [verdachte] , belt [medeverdachte 2] met zijn familieleden [getuige 6] (09:13 uur), [getuige 21] (woonachtig in Duitsland, 09:15 uur), [getuige 22] (09:18:18 uur), [getuige 12] (woonachtig in Turkije, 09:21 uur) en [getuige 23] (woonachtig in Turkije, 09:24 uur en 09:25 uur) (pg. 133).

Uit het onderzoek is verder gebleken dat [verdachte] met de Audi naar Duitsland is gereden en dezelfde dag naar Turkije is vertrokken (pg. 1396 en pg. 1567).

Op 17 november 2013 is [verdachte] teruggekeerd in België, waar hij op het vliegveld te Zaventem is aangehouden. Op 18 november 2013 heeft [verdachte] contact met [medeverdachte 2] . In dat gesprek zegt [verdachte] onder meer: “Ik ben in België. Jullie hadden tegen ons gezegd ‘er is niks’. Je kunt komen. Toen ik op het vliegveld aan kwam, hebben ze mij gelijk opgepakt.” Even later in dat gesprek zegt [medeverdachte 2] tegen [verdachte] dat [verdachte] bang werd voor zijn vader (hof: hiermee wordt bedoeld [medeverdachte 1]) en daarvoor is weggegaan. Ook zegt hij dat [verdachte] van niks weet en dat broer het allemaal op zich heeft genomen. [medeverdachte 1] moet wel eerst weten wat [medeverdachte 1] heeft verklaard zodat hij zijn verklaring daaraan kan aanpassen (pg. 1136 en 1137). Hieruit volgt dat [medeverdachte 2] [verdachte] instrueert over welke verklaring hij, [verdachte] , bij de politie moet afleggen.

De Audi Q7 is op 10 februari 2014 aangetroffen in Düsseldorf. Eén dag nadat de auto is aangetroffen vindt hierover een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 2] en zijn broer [getuige 12] . Op een vraag van [getuige 12] of ze die auto schoongemaakt hebben, antwoordt [medeverdachte 2] dat alles is schoongemaakt. Ook zegt [medeverdachte 2] dat ze geld hadden gegeven aan “Amo” en dat deze “de banden en zo in de machines heeft gedaan en alles heeft gewassen” (pg. 1222).

Ook [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben contact over de Audi. Op 26 februari 2014 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 2] of “diegene in Duitsland, bij wie die witte was (het hof begrijpt: de witte Audi), die witte heeft gebracht om te wassen”. [medeverdachte 2] antwoordt dat hij het wel heeft gedaan, in zijn geheel en twee keer (pg. 1235).

Forensisch onderzoek

Door The Maastricht Forensic Institute (TMFI) is het pistool dat op de plaats delict is aangetroffen onderzocht op DNA-sporen. Uit het onderzoek blijkt dat DNA-materiaal van zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] op het vuurwapen aanwezig is (rapport van 4 december 2013 in combinatie met het DNA-rapport betreffende het referentiemonster van [verdachte] (pg. 295 FO)).

Op de ruwe delen aan de rechterzijde van het vuurwapen (AAGH7609NL#06) wordt DNA-materiaal van [medeverdachte 1] aangetroffen. In de bemonstering van de ruwe delen aan de linkerzijde van het vuurwapen is een DNA-mengprofiel aangetroffen (AAGH7609NL#05). Het DNA-hoofdprofiel bevat DNA-materiaal van [verdachte] en in het DNA-nevenprofiel is DNA-materiaal aangetroffen dat van [medeverdachte 1] afkomstig kan zijn.

Een partieel DNA-nevenprofiel dat matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] is eveneens aangetroffen op de trekker, pinnen en trekhaak.

Op de voorkant en bovenkant van de loop is DNA-materiaal aangetroffen van [verdachte] (AAGH7609NL#02 resp. AAGH7609NL#03). Het DNA-hoofdprofiel op de ruwe delen van de linkerzijde van het vuurwapen (AAGH7609NL#05), de trekker, pinnen, trekhaak (AAGH7609NL#04) en patroonhouder (AAGH7609NL#07) matcht met het DNA-profiel van [verdachte] .

Door het team Forensische Opsporing is een bloedspoorpatroononderzoek verricht aan de kleding van [medeverdachte 1] (pg. 134 FO). Geconstateerd wordt dat op de jas van [medeverdachte 1] aan de achterzijde van de linkermouw weefseldeeltjes aanwezig zijn die positief testten op de aanwezigheid van bloed. In één van de bemonsteringen (AAFQ2459NL#01, pg. 294 FO) is spierweefsel aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] ; in vier bemonsteringen (AAFQ2460NL#01, AAFQ2462NL#01, AAFQ2463NL#01 en AAFQ2464NL#01) is zowel bloed als spierweefsel aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] (onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van het NFI van 17 februari 2014 (pg. 288 FO).

De conclusie van het forensisch onderzoek luidt dat niet kan worden uitgesloten dat de mouw zich op enige afstand heeft bevonden van een bloed- dan wel weefselbron op het moment dat deze deeltjes uit deze bron loskwamen (pg. 132 FO).

De deskundige van het NFI rapporteert hierover dat materiaal van dergelijke grootte bij een schietproces in de vorm van ‘backspatter’ kan vrijkomen. Het aantreffen van dit materiaal is volgens de deskundige echter niet bewijzend dat de [medeverdachte 1] de schutter is geweest. Indien ervan wordt uitgegaan dat het materiaal is geprojecteerd, betekent het aantreffen van dit materiaal wel dat [medeverdachte 1] op korte afstand van de bron van het materiaal heeft verbleven tijdens ten minste het afvuren van één schot (pg. 12 van 18 van het Interdisciplinair rapport).

Het schotrestenonderzoek (pg. 269 FO) aan de schiethanden van [medeverdachte 1] (AABO4672NL) en aan zijn jas (AAER6744NL) toont een vrijwel zekere relatie aan met een schietproces.

Met het wapen zijn proefschoten gelost en zijn vervolgens de schietmouwen van de schutter onderzocht. Na een vergelijkend onderzoek met de mouwen van de jas en het overhemd van [medeverdachte 1] wordt geconcludeerd dat de bevindingen van het onderzoek waarschijnlijker zijn wanneer de hypothese dat [medeverdachte 1] het pistool alleen heeft vastgehad en er niet mee heeft geschoten waar is, dan wanneer de hypothese dat hij wel met het pistool heeft geschoten waar is (tweede aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 17 februari 2015).

Door de deskundige J.A. de Koeijer van het NFI zijn in het interdisciplinair rapport (rapport d.d. 14 april 2015) drie scenario’s beschreven:

S1. [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] met 3 schoten door het hoofd om het leven gebracht.

S2. [verdachte] heeft [slachtoffer] met 3 schoten door het hoofd om het leven gebracht.

S3. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben [slachtoffer] met 3 schoten door het hoofd om het leven gebracht.

De conclusie in het rapport luidt dat van alle uitgevoerde onderzoeken slechts de resultaten van het schotrestenonderzoek aan de kleding van [medeverdachte 1] onderscheid kunnen maken tussen de verschillende scenario’s.

De combinatie van de bevindingen betreffende het schotrestenonderzoek en het bloedspoorpatroononderzoek worden waarschijnlijker bevonden wanneer scenario 2 juist is dan wanneer scenario 1 of 3 juist is, dus wanneer [verdachte] [slachtoffer] met drie schoten om het leven heeft gebracht.

Wie heeft geschoten?

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag wie geschoten heeft. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat rond het tijdstip dat [slachtoffer] van het leven werd beroofd zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] ter plaatse geweest zijn. Het hof wijst er in dit verband op dat de gsm van [verdachte] tijdens het telefoongesprek van 09:02:38 uur de mast Koninginnestraat 7 IJzendijke aanstraalt, dezelfde mast als door de gsm van [medeverdachte 1] wordt aangestraald tijdens het gesprek met de meldkamer. Pas om 09:03:45 uur passeert de Audi van [verdachte] de ARS-camera bij de rotonde Parkzicht. De afstand tussen deze camera en tankstation [tankstation A] – ter hoogte van de plaats delict – is circa 1850 meter (pg. 96, pg. 127, punt 34). Dit betekent dat [verdachte] op het moment dat [slachtoffer] van het leven is beroofd – een tijdstip gelegen tussen rond 08:58 uur en 09:03 uur – zich nog op de plaats delict kan hebben bevonden.

Hoewel door [medeverdachte 1] is verklaard dat hij degene is geweest die [slachtoffer] van het leven heeft beroofd en hij met het wapen in de hand bij het lichaam van [slachtoffer] wordt aangetroffen en op zijn jas spierweefsel en bloed wordt aangetroffen dat afkomstig is van [slachtoffer] , zijn er ook aanwijzingen dat [verdachte] degene is geweest die [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Zo wordt in een telefoongesprek op 18 november 2013 door [medeverdachte 2] gezegd dat “broer”, het hof begrijpt: [medeverdachte 1] , het op zich heeft genomen. Bovendien bevat het vuurwapen waarmee [slachtoffer] is doodgeschoten niet alleen DNA materiaal dat afkomstig is van [medeverdachte 1] , maar ook DNA-materiaal dat afkomstig is van [verdachte] . Ook op de patroonhouder – een locatie die met het laden van het wapen in verband kan worden gebracht – wordt DNA materiaal van [verdachte] aangetroffen. Voorts is [verdachte] onmiddellijk na het gebeuren via Duitsland vertrokken naar Turkije, hetgeen kan worden geduid als een vlucht, en is de Audi waarmee hij die dag heeft gereden in Duitsland schoongemaakt, kennelijk om sporen te wissen. Het hof wijst voorts naar de hiervoor weergegeven conclusie in het IDFO-rapport dat de bevindingen van de onderzoeken waarschijnlijker worden bevonden wanneer scenario 2, [verdachte] heeft [slachtoffer] met drie schoten om het leven heeft gebracht, juist is. Het hof wijst tot slot op de verklaring van getuige [getuige 5] , een medewerker in de penitentiaire inrichting waar [verdachte] verbleef, dat [verdachte] hem heeft verteld dat niet [medeverdachte 1] maar hij, [verdachte] , [slachtoffer] heeft doodgeschoten (proces-verbaal van verhoor getuige, PL1900-2013067182-252).

Onder deze omstandigheden en bij het ontbreken van een voldoende duidelijk technisch en/of ander betrouwbaar bewijs kan het hof niet met voldoende zekerheid vaststellen wie van de beide verdachten, [medeverdachte 1] of [verdachte] , [slachtoffer] heeft doodgeschoten, dan wel of zij dit beiden hebben gedaan. Het hof zal daarom in het midden laten wie van hen heeft geschoten.

Medeplegen

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of kan worden bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan het om het leven brengen van [slachtoffer] . In dat verband wordt voorop gesteld dat voor medeplegen is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Dit houdt in dat een verdachte een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht aan het delict heeft gehad. Bij het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.1

Het hof heeft hiervoor overwogen dat de reden om [slachtoffer] om het leven te brengen was gelegen in de omstandigheid dat de eer van de [familie X] was geschonden door de verhouding die [betrokkene 2] , de dochter van [medeverdachte 1] , met [slachtoffer] had, terwijl zij was uitgehuwelijkt aan haar neef. Gebleken is dat de familie al eerder, ook met geweld, druk op [betrokkene 2] had uitgeoefend om te trouwen met haar neef. Het hof verwijst in dit verband naar het familieberaad op 14 juni 2013 op het kantoor van [onderneming Y] Bij dat beraad waren [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] aanwezig.

Uit de gang van zaken rond het gebeuren valt af te leiden dat er over het om het leven brengen van [slachtoffer] om de eer van de familie te herstellen tevoren afspraken zijn gemaakt waarbij zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] en [medeverdachte 1] betrokken zijn geweest. Deze afspraken hebben betrekking gehad op de locatie waar, de wijze waarop en degene door wie [slachtoffer] van het leven zou worden beroofd, alsmede op wat er vervolgens diende te gebeuren. Het hof wijst op het navolgende.

[slachtoffer] was, evenals [medeverdachte 1] en [verdachte] , werkzaam voor het bedrijf [onderneming Y] van [medeverdachte 2] . Gebleken is dat 25 september 2013 de laatste werkdag was van [slachtoffer] bij het bedrijf en dat door [medeverdachte 2] was bepaald dat [slachtoffer] die dag ondanks de ziekmelding toch moest werken en die dag met [verdachte] naar de werklocatie bij de N61 te IJzendijke zou rijden. Dit laatste was afwijkend van hetgeen gebruikelijk was. Die ochtend is er telefonisch contact geweest tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] . Uit een in de penitentiaire inrichting afgeluisterd gesprek tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] en een derde blijkt dat [medeverdachte 2] die ochtend tegen [verdachte] heeft gezegd: “Doe het” (pg. 121, 1175). [verdachte] heeft vervolgens met de Audi van het bedrijf [slachtoffer] naar de werklocatie gebracht. Hij bewerkstelligt dat hij alleen met [slachtoffer] op de werklocatie blijft; hij stuurt de andere werknemers met een smoes weg en instrueert hen dat zij nog niet terug mogen komen. Ook [medeverdachte 1] is met een auto van het bedrijf naar de werklocatie gereden. Hij arriveert rond het tijdstip waarop [slachtoffer] van het leven wordt beroofd op de plaats delict. Het wapen waarmee [slachtoffer] van het leven wordt beroofd is ofwel door [medeverdachte 1] , ofwel door [verdachte] meegenomen.

Uit het onderzoek aan het wapen waarbij DNA-materiaal van zowel [verdachte] (onder meer op de patroonhouder) als [medeverdachte 1] wordt aangetroffen en het door de politie aantreffen van het wapen bij [medeverdachte 1] leidt het hof af dat [verdachte] op enig moment, na het laden van het wapen, het wapen aan [medeverdachte 1] heeft overgedragen. Als [medeverdachte 1] vervolgens 112 belt, derhalve kort na het om het leven brengen van [slachtoffer] , is [verdachte] al met de Audi weggereden. [verdachte] bericht dan aan [getuige 16] dat de werknemers weer kunnen komen en dat hij het “geklaard” heeft.

[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben die dag voorafgaand, rond en na het tijdstip waarop [slachtoffer] om het leven is gebracht intensief contact gehad of gezocht met elkaar. [medeverdachte 1] probeert, voordat hij ter plaatse arriveert, in contact te komen met [verdachte] , voorafgaand aan en rond het tijdstip van het schietincident is er contact tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] en, als [medeverdachte 1] wacht op de komst van de politie, tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en vervolgens tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] . [verdachte] is dan al op de vlucht. Vervolgens belt [medeverdachte 2] met onder meer zijn broers.

Gelet op het telefoongesprek diezelfde ochtend waarin [medeverdachte 2] tegen [verdachte] zegt: “Doe het” en de kennelijke bemoeienis van [medeverdachte 2] met het sturen van [verdachte] en [slachtoffer] naar de werklocatie in een auto van het bedrijf en gezien de contacten met hem die ochtend, kan uit het om 09:02:38 uur gevoerde telefoongesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] worden afgeleid dat [verdachte] [medeverdachte 2] er op dat moment van op de hoogte stelt dat [slachtoffer] van het leven is beroofd. Vervolgens belt [medeverdachte 1] het alarmnummer 112 en stelt [medeverdachte 2] korte tijd later zijn familieleden op de hoogte.

Het hof merkt in dit verband op dat geen van de gespreksdeelnemers een (aannemelijke) verklaring heeft gegeven over deze contacten.

Direct na het schietincident is [verdachte] met de Audi van het bedrijf van [medeverdachte 2] naar Duitsland gevlucht. Daar laat hij de auto bij familie achter en vliegt nog diezelfde dag naar Turkije. [medeverdachte 1] presenteert zich als de dader. Als de politie [medeverdachte 1] aanhoudt, vraagt hij aan de verbalisanten of hij de tas met kleding uit zijn auto kan krijgen omdat hierin zijn pyjamabroek, slippers en wat kleding zit en dat hij “dit alvast had ingepakt voor als hij”, waarna hij zijn zin niet verder afmaakt (pg. 61). Hieruit valt af te leiden dat [medeverdachte 1] , toen hij naar de plaats delict reed, er al rekening mee heeft gehouden dat hij zou worden aangehouden en dat zijn aanhouding deel uitmaakt van het vooropgezette plan rond de dood van [slachtoffer] . Vervolgens komt [medeverdachte 1] met een verklaring waaruit zou moeten blijken dat het schietincident een toevallige samenloop van omstandigheden is geweest. Op deze wijze tracht hij de politie over de werkelijke achtergrond van het doden van [slachtoffer] op een dwaalspoor te zetten en [verdachte] buiten beeld van politie en justitie te houden.

De Audi waarmee [verdachte] is gevlucht is in Duitsland schoongemaakt en verborgen gehouden. Dit valt af te leiden uit gesprekken die [medeverdachte 2] heeft gevoerd met onder andere [verdachte] en [getuige 12] (pg. 1222, 1235).

Verder is gebleken dat [medeverdachte 2] [verdachte] instrueert over een af te leggen verklaring en dat [verdachte] moet weten wat [medeverdachte 1] heeft verklaard zodat hij zijn verklaring daaraan kan aanpassen (pg. 1136 en 1137).

Het hof verwijst in dit verband voorts nog naar het gesprek dat [medeverdachte 1] heeft met [getuige 12] , waarin [medeverdachte 1] zegt: “Als wij dit niet hadden gedaan, dan zou men zeggen dat de [familie X] eerloos is. Het moest” (pg. 1113).

Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat een plan is gemaakt om [slachtoffer] van het leven te beroven en dat in ieder geval [medeverdachte 1] en [verdachte] intensief hebben samengewerkt om dit plan uit te voeren. Uit het motief, het (vrijwel) gelijktijdig op de locatie zijn waar [slachtoffer] van het leven wordt beroofd, de onderlinge telefonische contacten, het door [medeverdachte 1] zich presenteren als de schutter waardoor [verdachte] buiten beeld van de opsporingsinstantie kan blijven, blijkt van een gezamenlijk, vooropgezet plan en een intensieve samenwerking om dit plan uit te voeren. Ook [medeverdachte 2] was bij het plan betrokken. Er is geregeld dat [slachtoffer] door [verdachte] naar de werklocatie werd gebracht om hem daar met een pistool om het leven te brengen. De verwondingen van [slachtoffer] – vanaf een korte afstand zijn drie schoten gelost door het hoofd, waarbij twee doorschoten vanaf de rechterzijde van het hoofd zijn toegebracht en [slachtoffer] tijdens deze doorschoten waarschijnlijk al (deels) op zijn linkerzijde lag – wijzen op een afrekening.

[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben bij de uitvoering van hun plan dusdanig nauw en bewust met elkaar samengewerkt dat gesproken kan worden van medeplegen. De achtergrond waartegen het feit is gepleegd is het herstel van de geschonden eer van de familie.

Uit het voorgaande valt voorts af te leiden dat is gehandeld met voorbedachte raad. Bevestiging daarvan kan ook nog worden gevonden in het telefoongesprek (pg. 1105) dat [betrokkene 2] met haar moeder, [getuige 8] , op 5 januari 2014 voerde over het doden van [slachtoffer] . [getuige 8] zegt in dat gesprek: “Je weet dat je vader het je had gezworen”, waarop [betrokkene 2] zegt: “Ik weet dat hij het had gezworen (…).”

Het hof merkt in dit verband tot slot nog op dat zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] geen inzicht hebben willen geven in de feitelijke gang van zaken rond de dood van [slachtoffer] . [medeverdachte 1] heeft hierover leugenachtige verklaringen afgelegd. [verdachte] heeft in het geheel geen verklaring afgelegd. Het hof is bij de beoordeling van de zaak dan ook uitgegaan van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen waaruit het hof de weergegeven gang van zaken heeft afgeleid.

Resumerend is het hof dan ook – anders dan de raadsman – van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van moord bewezen kan worden verklaard.

Oordeel van het hof ten aanzien van feit 2

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof ook het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat [verdachte] het in de tenlastelegging genoemde wapen en de genoemde munitie op 25 september 2013 tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] voorhanden heeft gehad.

Verweren

Standpunt van de verdediging

Ter zake van het onder 1 tenlastegelegde

1. [verdachte] is niet samen met [medeverdachte 1] en Bozkurt op de werklocatie geweest en is al vertrokken toen [slachtoffer] nog in leven was. [verdachte] was derhalve niet de schutter.

Dit blijkt uit:

- de verklaringen van [medeverdachte 1] dat hij daar alleen met [slachtoffer] was en [verdachte] niet heeft gezien,

- de omstandigheid dat geen van de gehoorde getuigen drie personen op de plaats delict heeft gezien,

- de zeer krappe tijdspanne waarbinnen [medeverdachte 1] en [verdachte] elkaar getroffen zouden moeten hebben,

- het ontbreken van schoensporen van [verdachte] ,

- de verklaring van getuigen waaruit, gelet op de omstandigheid dat hun waarnemingen niet aan een exact tijdstip gekoppeld kunnen worden en het gegeven signalement en de waargenomen auto, volgt dat door hen niet [verdachte] op de plaats delict wordt waargenomen doch [medeverdachte 1] .

Bovendien laat het forensisch onderzoek wel degelijk de mogelijkheid open dat [medeverdachte 1] degene is die heeft geschoten en dat diens verklaring derhalve juist is. Zo blijkt uit het bloedspoorpatroononderzoek aan de jas dat [medeverdachte 1] betrokken is geweest bij een schietproces. De eindconclusie uit het IDFO-rapport die wijst in de richting van [verdachte] als zijnde de schutter is niet bruikbaar voor het bewijs nu de proefnemingen met het vuurwapen niet corresponderen met de omstandigheden waaronder bij [medeverdachte 1] schiethanden zijn afgenomen en de resultaten van het onderzoek derhalve niet betrouwbaar zijn.

2. Er zijn geen aanwijzingen voor medeplegen door [verdachte] , noch voor voorbedachte raad:

- het vertrek van [verdachte] naar Turkije kan niet worden geduid als een vlucht,

- de aanwezigheid van [verdachte] op de werklocatie kan worden verklaard omdat hij volgens de planner van het bedrijf werd ingezet als ‘vliegende keep’,

- het verzoek van [verdachte] om de haspel te gaan halen kan niet worden geduid als het vrijmaken en vrijhouden van de plaats delict, terwijl [verdachte] daarbij tevens heeft gezegd dat de werknemers gauw moesten terugkomen,

- niet blijkt dat sprake zou zijn geweest van ‘eerwraak’ of dat [verdachte] hierbij betrokken zou zijn geweest,

- de verklaringen van [getuige 5] zijn onbetrouwbaar.

3. Voorts wordt door de verdediging het navolgende aangevoerd:

- de verbaliseringsplicht is geschonden omdat verbalisanten belangrijke en/of ontlastende feiten niet hebben geverbaliseerd; dit levert een vormverzuim op;

- in het tapgesprek van 18 november 2013 wordt niet gezegd: “ [bijnaam 1] ”, maar “ [bijnaam 2] ”. Verzocht wordt dit gesprek opnieuw te laten vertalen als het hof dat gesprek voor het bewijs zou gebruiken;

- telefoontaps wijzen niet op betrokkenheid van [verdachte] ;

- het OVC-gesprek in Torentijd is van dusdanig slechte kwaliteit dat het niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde

Onduidelijk is waar, wanneer en onder welke omstandigheden [verdachte] het wapen in handen zou hebben gehad. Er zijn ook geen aanwijzingen voor medeplegen.

Overwegingen van het hof naar aanleiding van de gevoerde verweren

Het hof stelt voorop dat [verdachte] geen verklaring heeft willen geven over de gebeurtenissen op en rond 25 september 2013. Het hof is bij de beoordeling van de zaak dan ook uitgegaan van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen waaruit het hof de weergegeven gang van zaken heeft afgeleid. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen.

Ter zake van het onder 1 tenlastegelegde

Ad 1.

- Het hof heeft niet met voldoende zekerheid kunnen vaststellen wie heeft geschoten. Wel blijkt uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] bij het om het leven brengen van [slachtoffer] .

- Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof geen geloof hecht aan de verklaring van [medeverdachte 1] voor zover inhoudende dat sprake is geweest van een toevallige samenloop van omstandigheden in die zin dat hij is gaan werken en op de werklocatie [slachtoffer] trof.

- Dat geen van de gehoorde getuigen drie personen op de plaats delict heeft gezien sluit nog niet uit dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [slachtoffer] wel gelijktijdig op de plaats delict geweest kunnen zijn. Het hof merkt in dit verband op dat de gebeurtenissen zich binnen een zeer kort tijdsbestek hebben voltrokken.

- Het hof heeft geen reden om aan de door de verbalisanten berekende tijdsduur waarbinnen [medeverdachte 1] de plaats delict zou hebben bereikt of de getuigen hun waarnemingen hebben gedaan te twijfelen. Dat het signalement dat door de getuigen wordt gegeven niet (geheel) overeenkomt met het signalement van [verdachte] maar juist wijst in de richting van [medeverdachte 1] staat aan het gebruik van hun verklaring niet in de weg. Uit de weergegeven tijdlijn volgt namelijk dat de andere werknemers al vertrokken waren en [medeverdachte 1] op het moment dat de getuigen hun waarnemingen doen nog niet ter plaatse is. Het hof wijst verder nog op de verklaring van getuige [getuige 19] die rond 08:55 uur een vrij grote witte auto op het zandbed ziet, niet ver van het kraantje. Dit wijst op de witte Audi van [verdachte] .

- Uit de bevindingen ten aanzien van de schoensporen kan niet worden afgeleid dat [verdachte] niet ter plaatse aanwezig is geweest. Immers: rondom de plaats van aantreffen van het slachtoffer zijn niet alleen schoensporen aangetroffen die passend waren bij het schoenzoolprofiel van het slachtoffer maar ook soortgelijke schoensporen die kennelijk afkomstig waren van werknemers die recent ter plaatse hadden gelopen (pg. 22 FO). Uit het schoenspooronderzoek kan derhalve niet de conclusie worden getrokken dat [verdachte] niet ter plaatse aanwezig is geweest.

- Gelet op de vaststellingen van het hof behoeven de verweren geen verdere bespreking.

Ad 2.

Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen. Het hof overweegt voorts het volgende:

- [verdachte] bepaalde wanneer de andere medewerkers weer terug konden komen. Dat een en ander dient te worden bezien in het licht van een door [verdachte] te plegen diefstal is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. [verdachte] heeft daarover ook geen verklaring afgelegd. Het hof gaat er dan ook van uit dat [verdachte] de andere werknemers heeft weggestuurd met een smoes. Dat [verdachte] [getuige 17] heeft gevraagd om gauw terug te komen leest het hof niet in die verklaring. [getuige 17] heeft verklaard dat [verdachte] zei: “Jullie moeten gauw die haspelwagen halen” (pg. 384), hetgeen het hof begrijpt in die zin dat de werknemers gauw de werkplek moesten verlaten.

- De verklaring van [getuige 5] vormt een aanwijzing dat [verdachte] degene is geweest die heeft geschoten. Nu het hof echter niet met voldoende zekerheid kan vaststellen wie de schutter is geweest wordt die verklaring niet voor het bewijs gebruikt.

- Gelet op de vaststellingen van het hof behoeven de verweren geen verdere bespreking.

Ad 3.

- Voor wat betreft de stelling van de verdediging dat de verbaliseringsplicht is geschonden:

Het hof stelt vast dat het verweer van de raadsman dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria zoals gesteld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Op grond van dit artikel kan de rechter, ingeval sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, overgaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie, tot bewijsuitsluiting of tot strafvermindering. Bij de beoordeling van de vraag of een dergelijke situatie zich voordoet dient de rechter rekening te houden met de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde factoren, te weten: het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat door het vormverzuim wordt veroorzaakt. Uit vaste rechtspraak volgt dat, in geval de verdediging een beroep doet op artikel 359a Sv, van haar wordt verlangd dat zij aan de hand van de in lid 2 van dat artikel genoemde factoren uiteenzet waarom schending van een bepaald vormverzuim dient te leiden tot het door de verdediging bepleite gevolg.

Door de verdediging is enkel verzocht te constateren dat de verbaliseringsplicht is geschonden. Het hof ziet het verweer dan ook niet als een beroep op art. 359a Sv en het is kennelijk door de verdediging ook niet als zodanig bedoeld. Het hof volstaat dan ook met de navolgende opmerking.

De verdediging wijst terecht op het belang van een correcte weergave in de processen-verbaal van verhoor of in (tap)verslagen over hetgeen is waargenomen of bevonden, juist waar het gaat om de verdachte ontlastende informatie die redelijkerwijs van belang kan zijn voor de te nemen eindbeslissing. Van dergelijke omstandigheden dient in een proces-verbaal of verslag melding te worden gemaakt.

- Het tapgesprek van 18 november 2013 vindt gezien de inhoud ervan plaats tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] . [verdachte] is namelijk aangehouden in België en zal naar Nederland worden overgebracht. Een deel van het gesprek heeft hierop betrekking. Het hof acht het niet noodzakelijk dat dit gesprek opnieuw wordt vertaald en wijst het daartoe strekkende verzoek van de verdediging af.

- Het hof heeft geen reden om aan de weergave van het OVC-gesprek van 10 januari 2014 in de penitentiaire inrichting te twijfelen. Het hof acht die weergave betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om aan de weergave van de overige voor het bewijs gebruikte gesprekken te twijfelen.

- Gelet op de vaststellingen van het hof behoeven de verweren geen verdere bespreking.

Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde

Voor de aanwezigheid van zijn DNA op het vuurwapen en de patroonhouder heeft [verdachte] in het geheel geen verklaring gegeven. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] het vuurwapen hebben gehanteerd. Gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de gebeurtenissen op 25 september 2013 acht het hof bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op die dag tezamen en in vereniging het wapen voorhanden hebben gehad.

Het hof verwerpt de verweren.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van moord.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De meervoudige kamer in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, heeft de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft geëist dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De verdediging heeft verzocht om, in geval het hof komt tot strafoplegging, te volstaan met een lagere straf dan is geëist door de advocaat-generaal en dan is opgelegd door de meervoudige kamer van de rechtbank. Volgens de raadsman worden in vergelijkbare zaken lagere straffen opgelegd en is slechts in wezenlijk andere zaken, zoals huurmoorden, een hogere strafoplegging aan de orde.

Het hof overweegt het volgende.

[verdachte] heeft zich samen met [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer] . Het slachtoffer was de vriend van [betrokkene 2] , die de nicht was van [verdachte] en de dochter van [medeverdachte 1] , maar ook behoorde het slachtoffer tot de vriendengroep van [verdachte] .

[slachtoffer] is op koelbloedige wijze op klaarlichte dag, zichtbaar vanaf de openbare weg, geliquideerd, omdat de eer van de [familie X] was geschonden door de weigering van [betrokkene 2] om te trouwen met haar neef en door haar – geheime – relatie met de reeds gehuwde [slachtoffer] . Die familie-eer moest worden hersteld. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben de eer van de familie boven de menselijke waarde en het recht gesteld.

Moord is één van de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent, zodat naar het oordeel van het hof slechts het opleggen van een langdurige gevangenisstraf aan de orde kan zijn.

Verdachte heeft, met zijn mededader, [slachtoffer] niet alleen het leven ontnomen, maar ook de kinderen van [slachtoffer] hun vader. Ook de andere nabestaanden van [slachtoffer] is onherstelbaar leed en verdriet aangedaan. [betrokkene 2] moet leven met het feit dat haar vader en haar neef haar niet alleen het recht op een zelfstandige partnerkeuze hebben ontzegd, maar haar gekozen partner om reden van de door haar vader en neef boven haar geluk gestelde eer van de familie hebben geliquideerd.

Bovendien heeft het handelen van de verdachte gevoelens van angst en maatschappelijke onrust teweeg gebracht, met name in de omgeving van het gebeurde.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Daarmee is gehandeld in strijd met de Wet Wapens en Munitie.

Het hof heeft geconstateerd dat verdachte, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 januari 2017, in het verleden niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van soortgelijke feiten. Gelet op de aard van de thans bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan heeft dat echter geen matigende invloed gehad op de op leggen straf.

Verdachte heeft niet willen meewerken aan een onderzoek naar de mate waarin de feiten hem kunnen worden toegerekend. Nu in het dossier geen aanwijzingen voorhanden zijn voor een andersluidend oordeel zal het hof de bewezenverklaarde feiten volledig aan de verdachte toerekenen.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een straf zoals in eerste aanleg door de rechtbank is opgelegd en evenmin met een straf zoals in hoger beroep is geëist door de advocaat-generaal. Naar het oordeel van het hof is een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar passend en geboden. De tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op die straf in mindering worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 30.932,62.

De vordering bestaat uit de volgende posten:

  • -

    Materiele schade: € 23.140,00 (gederfde inkomsten)

  • -

    Immateriële schade: € 7.500,00 (shockschade)

Daarnaast heeft de benadeelde partij een bedrag gevorderd van € 141,00 betreffende de kosten van haar advocaat en een bedrag van € 151,62 aan reiskosten naar de rechtbank. Ook

is een vergoeding gevorderd van de kosten van de executie.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De gevorderde gederfde inkomsten en de gevorderde shockschade is in de stukken die de benadeelde partij heeft ingediend onvoldoende onderbouwd. In het bijzonder blijkt niet dat de benadeelde partij recht zou hebben op partneralimentatie in de orde van grootte van de ingediende vordering.

Ten aanzien van de gevorderde shockschade is niet onderbouwd dat bij de benadeelde partij de confrontatie met de dood van [slachtoffer] een heftige emotionele shock teweeg heeft gebracht die tot gevolg heeft gehad dat bij de benadeelde partij een psychiatrisch erkend ziektebeeld is ontstaan.

(Namens) de benadeelde partij is niemand ter terechtzitting van het hof verschenen om haar vordering toe te lichten, terwijl de strafzaak voor het overige geheel is behandeld. Het alsnog in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de vordering toe te lichten zou daarom heropening van het onderzoek vergen, zodat behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen, met een beslissing over de kosten zoals na te melden.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1,00 ter zake van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met de kosten van de executie, waaronder begrepen de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging. Ook is verzocht tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de benadeelde partij volgens de rechtbank op grond van artikel 51f, tweede lid, Sv in verbinding met artikel 6:108, eerste en tweede lid BW, niet behoort tot de kring van voegingsgerechtigden.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat de benadeelde partij niet in haar vordering kan worden ontvangen omdat zij op grond van artikel 51f, tweede lid Sv in verbinding met artikel 6:108, eerste en tweede lid BW niet behoort tot de kring van gerechtigden die zich kunnen voegen als benadeelde partij in een strafzaak. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen, met een beslissing over de kosten zoals na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene 1] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2]

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene 2] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. N.J.M. Ruyters en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 7 juni 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 vgl. Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390.