Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2534

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
20-001634-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 157 Sr. Veroordeling tot 10 jaar gevangenisstraf ter zake opzettelijke brandstichting in een café te Kerkrade, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in de bovenliggende woning bevindende personen, alsmede gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-001634-16

Uitspraak: 7 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

24 mei 2016 in de strafzaak met parketnummer 03-700147-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

thans verblijvende in [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot een bedrag van € 33.422,30 aan materiële en immateriële schade en € 4.000,- aan proceskosten, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag en de wettelijke rente vanaf 25 maart 2015.

Door de verdediging is primair integrale vrijspraak bepleit, met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] . Subsidiair - indien het hof toch tot een veroordeling komt - is aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij zich niet leent voor afdoening in het strafrecht, zodat de vordering om die reden niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 25 maart 2015 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een pand gelegen aan de [adres cafe] , immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) een brandbaar/brandend voorwerp naar/in voornoemd pand gegooid en/of motorbenzine, althans een brandbare vloeistof, in de hal van voornoemd pand gegoten en/of gegooid en/of (vervolgens) (open) vuur in aanraking gebracht met die brandbare stof en/of (open) vuur in aanraking gebracht met een of meerdere goederen in voornoemd pand, ten gevolge waarvan voornoemd pand en/of goederen in dat pand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor de aangrenzende en/of nabijgelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in voornoemd pand bevindende personen te duchten was en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die aangrenzende en/of nabijgelegen panden bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 maart 2015 in de gemeente Kerkrade, opzettelijk brand heeft gesticht in een pand gelegen aan de [adres cafe] , immers heeft verdachte motorbenzine in de hal van voornoemd pand gegoten of gegooid en (open) vuur in aanraking gebracht met die brandbare stof, ten gevolge waarvan voornoemd pand en goederen in dat pand geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen te duchten was en

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in voornoemd pand bevindende personen te duchten was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B.

Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is op diverse gronden – zoals in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen op zich noch in onderling verband en samenhang bezien voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren voor betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde brandstichting.

C.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij de brand het volgende.

C.1

Op 25 maart 2015 omstreeks 03.00 uur krijgen de verbalisanten R.K.S. Meisters en S.C.E.J.A. Franssen de melding van de regionale meldkamer om te gaan naar de [adres cafe] te Kerkrade, alwaar iemand een brandbaar voorwerp tegen de gevel van het daar gelegen café [naam] zou hebben gegooid waardoor er brand was ontstaan. Er zouden twee daders zijn gezien die op een zwarte scooter richting de [straat] gereden waren. Om 03.10 uur kwamen voornoemde verbalisanten ter plaatse en zagen zij dat er vlammen uit de zijuitgang van het café [naam] sloegen. De verbalisanten zagen vervolgens dat op de middengeleider van de [straat] iets aan het branden was. Verbalisant Meisters is op dat moment aangesproken door de getuige [1] en deze zei: “Dat is de jas van de dader”

(proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2015, dossierpagina 9-10).

C.2

De getuige [1] heeft in dit kader een verklaring afgelegd, inhoudende dat hij op 25 maart 2015 omstreeks 02.55 uur vanuit zijn woning aan de [adres getuige 1] te Kerkrade een harde klap en glasgerinkel heeft gehoord. Hierop heeft [getuige 1] door zijn voorraam gekeken, welk raam zicht geeft op de [straat] , op de [straat] en op café [naam] . De getuige [getuige 1] zag dat er een man richting de flat van [getuige 1] liep. Tevens zag hij dat bij de ingang aan de zijkant van café [naam] brand woedde. Deze zijkant is gelegen aan de [straat] . [getuige 1] zag dat de jas van de man, die richting zijn flat liep, in brand stond. Deze man liep richting de grasstrook, waar hij zijn brandende jas uitdeed en op de grond gooide. Op de [straat] naast de grasstrook zag [getuige 1] op de openbare weg nog een man. Deze man zat op een scooter. Deze scooter was zwart van kleur en had geen kentekenplaat. Nadat de man zijn brandende jas had uitgedaan, zag [getuige 1] dat deze man achterop voornoemde scooter stapte en dat beide mannen met de zwarte scooter wegreden in de richting van de [straat] . Beide mannen waren in het zwart gekleed en de bestuurder van de scooter had een helm op, aldus de verklaring van de getuige [getuige 1] (proces-verbaal verhoor getuige d.d. 25 maart 2015, dossierpagina 31-32).

C.3

Door de getuige [2] is verklaard dat zij in diezelfde nacht omstreeks 02.55 uur vanuit haar flat aan de [adres getuige 2] te Kerkrade twee personen bij een zwarte scooter aan de [straat] zag staan. Eén van de personen zat op een scooter en de getuige zag dat de tweede persoon achter op deze scooter sprong. Het tweetal reed op de scooter weg in de richting van de [straat] te Kerkrade. Beide personen waren in het zwart gekleed en hadden een normaal postuur. De getuige [getuige 2] zag vervolgens aan de overkant van de straat dat het aldaar gelegen café in brand stond en dat op de middengeleider van de [straat] , waar de scooter had gestaan, ook iets in brand stond

(proces-verbaal verhoor getuige d.d. 25 maart 2015, dossierpagina 33-34).

C.4

De verbalisanten M.H.P.J. Bastiaens en D.H.M. Michiels zijn naar aanleiding van de brandmelding en de melding dat twee jongens op een scooter hierbij betrokken zouden zijn met een als zodanig herkenbaar dienstvoertuig vanuit Heerlen gegaan in de richting van het adres [adres cafe] te Kerkrade. De verbalisanten zagen vervolgens omstreeks 03.10 uur dat een zwarte bromscooter met twee personen daarop over de Euregioweg reed, komende uit de richting van de Hofstraat te Landgraaf en rijdende in de richting van de Kerkraderweg te Heerlen. De verbalisanten zagen dat de bestuurder van deze bromscooter een helm droeg en dat de bijrijder geen helm droeg. Zowel de bestuurder als de bijrijder droegen donkere, mogelijk zwarte, kleding. De bijrijder had een capuchon over zijn hoofd.

De verbalisanten hebben hun dienstvoertuig gekeerd en reden meteen achter genoemde bromscooter aan. Zij zagen dat aan de achterzijde van de bromscooter geen kentekenplaat aanwezig was en dat de bromscooter met een snelheid van ongeveer 80 km per uur over de Euregioweg reed in de richting van de Kerkraderweg te Heerlen. Na een achtervolging is de bromscooter op de Stadionbaan, alwaar de rijbaan van deze weg een haakse bocht naar links maakt, rechtdoor de bosschage ingereden. De verbalisanten zagen dat de bromscooter met beide opzittenden omviel. Zij zagen dat de bestuurder meteen weer op de been was en rechtdoor de bosschage inrende. Zij zagen dat de bijrijder na de val ook meteen weer op de been was en schuin naar rechts de bosschage inrende. De verbalisanten bleven achter bij de scooter en zagen dat de bromscooter zwart van kleur was en van het merk Piaggio, type Typhoon M02. Hierbij roken zij een heel sterke benzine geur op c.q. aan de bromscooter.

Kort nadien, omstreeks 03.25 uur, is verdachte in de bosschage door een hondengeleider aangehouden. Daarbij is verdachte door een diensthond gebeten (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 17). Verdachte is door de verbalisanten herkend als zijnde de bijrijder van genoemde bromscooter. Door de verbalisanten is opgemerkt dat deze bijrijder – gelet op de koude weersomstandigheden in maart – vrij dun gekleed was in slechts een

t-shirt en een dunne trui met capuchon (proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2015, dossierpagina 13-15).

C.5

Na zijn voorgeleiding is verdachte door een arts genaamd De Jager onderzocht. Verbalisanten L.H.A. van Seeters en T.J.E.M. Meertens waren hierbij aanwezig en zagen dat het rechter onderbeen van verdachte rood verkleurd was en dat hier los, grijs gekleurd vel aan hing en dat op zijn onderbeen diverse blaren zichtbaar waren. De Jager zei dat het rechter onderbeen van verdachte verbrand was. De Jager heeft vervolgens aan verdachte gevraagd waar hij zich aan verbrand had en gezegd dat hij naar benzine rook. De verdachte reageerde niet op deze vraag. De Jager heeft voorts geconstateerd dat ook de rechterhand van verdachte verbrand was. Ook op de vraag naar deze verbranding heeft verdachte niet gereageerd (proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2015, dossierpagina 79).

C.6

Ook bij het forensisch onderzoek naar sporen, verricht in verband met de brandstichting, is door verbalisant G.A.W. Roeloffs geconstateerd dat bij binnenkomst aan de kleding en schoenen van verdachte een sterke geur van motorbenzine te ruiken was. Bij het veiligstellen van de broek van verdachte zag Roeloffs dat het rechter onderbeen van verdachte over nagenoeg de gehele lengte diep rood verkleurd was en dat de huid deels los had gelaten. Tijdens het ingestelde onderzoek werd tevens geconstateerd dat de scooter, merk Piaggio, type Typhoon, geen benzine lekte en dat er geen brandsporen aan de scooter zichtbaar waren (proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 2 april 2015, dossierpagina 104-105).

C.7

Door de uitbater van het café [naam] , [benadeelde 1] , is aangifte gedaan van de brandstichting. Aangever is met zijn vrouw en twee kinderen woonachtig op de eerste en tweede verdieping boven het café. Op 25 maart 2015 omstreeks 02.45 uur heeft aangever een harde knal gehoord. Aangever is een trap naar beneden gelopen en zag dat er brand was in het café. Door de rook en de hitte kon aangever niet verder naar beneden. Hierop heeft hij zijn vrouw en kinderen wakker gemaakt op de tweede verdieping en zijn zij naar het dakterras gevlucht. Kort daarna zijn zij door de brandweer van het dak gered (proces-verbaal aangifte d.d. 25 maart 2015, dossierpagina 23-25).

C.8

Het pand aan de [adres cafe] betreft een vrijstaand pand, bestaande uit een begane grond, ingericht als café, en twee bovengelegen verdiepingen, ingericht als woonhuis. Op de eerste verdieping is een keuken, een woonkamer en een badkamer en op de zolderverdieping zijn de slaapkamers. In de rechterzijgevel van het pand, in de [straat] , is een ingang. Deze ingang dient via een hal en een keuken als ingang naar het enige trappenhuis naar de bovengelegen verdiepingen. Onderzoek heeft uitgewezen dat de brandhaard zeer vermoedelijk is gelegen in de hal/keuken aan de achterzijde van het pand. Tevens zijn brandversnellende middelen (motorbenzine) aangetroffen. Gezien de aangetroffen glasscherven achter de achterdeur die niet beroet waren en onder de brandresten lagen, is waarschijnlijk voorafgaand aan de brand ingebroken.

(proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 26 maart 2015, dossierpagina 128-133)

D.

Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien - staat naar het oordeel van het hof vast dat:

a.) de dader van de onderhavige brandstichting, de persoon is geweest die door de getuige [getuige 1] en door de getuige [2] bij café [naam] is gezien met een brandende jas en die vervolgens als bijrijder achterop een zwarte scooter is gestapt en is weggereden, en

b.) dat deze persoon tevens degene is geweest die korte tijd later na een achtervolging door de politie in de bosschage is aangehouden. Deze persoon is door de verbalisanten herkend als zijnde de bijrijder van genoemde bromscooter en bleek te zijn de verdachte [verdachte] .

D.1

Bij deze vaststellingen neemt het hof de volgende omstandigheden in aanmerking.

Ad a. Omstreeks 03.00 uur is melding gemaakt van de brand in café [naam] aan de [adres cafe] te Kerkrade. Gezien de getuigenverklaringen, het sporenonderzoek en de aangetroffen brandversnellende middelen is het zeer waarschijnlijk dat iemand in de hal op de begane grond opzettelijk vuur heeft ingebracht. Rond het tijdstip van de melding zijn twee donker geklede personen gezien nabij het café, waarvan één persoon met helm op een zwarte scooter zat zonder kentekenplaat en de ander met capuchon - nadat hij zijn brandende jas op de middenberm van de [straat] had gegooid - achterop deze scooter is gestapt.

Ondanks het feit dat geen van de getuigen heeft gezien dat laatstgenoemde persoon de brand in het café daadwerkelijk heeft aangestoken, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat deze persoon zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Hierbij overweegt het hof dat deze persoon, in de nachtelijke uren, direct na het horen van een harde klap en glasgerinkel is gezien bij het in brand staande café, bovendien een jas droeg die in brand stond en vervolgens achterop een scooter is gevlucht.

D.2

Ad b. Na een achtervolging is verdachte [verdachte] omstreeks 03.25 uur aangehouden in de bosschage nabij Kaldeborn (Heerlen) op ongeveer 7 km afstand (hof: openbare bron, te weten de website van Google Maps) van de plaats delict. De bij verdachte aangetroffen scooter was zwart van kleur en had geen kentekenplaat. Door de verbalisanten is gerelateerd dat verdachte gelet op de koude weersomstandigheden vrij dun gekleed was in slechts een

t-shirt en een dunne trui met capuchon. Voorts is geconstateerd dat de kleding en schoenen van verdachte sterk naar (motor)benzine roken en dat verdachte brandwonden aan zijn rechterhand en rechterbeen had.

Naar het oordeel van het hof zijn de uit het dossier naar voren gekomen kenmerken (zwarte scooter zonder kentekenplaat, bestuurder met helm, bijrijder met capuchon zonder jas, beiden donker gekleed, midden in de nacht op de vlucht) voldoende onderscheidend om vast te stellen dat de persoon zoals gezien en omschreven door de getuigen nabij de brand dezelfde persoon is die later door de politie is aangehouden. Hierbij weegt het hof tevens mee dat de scooter met daarop verdachte door de politie ongeveer 10 minuten na de melding van de brand (omstreeks 03.10 uur) voor het eerst is gezien op slechts enkele kilometers van de plaats delict en dat deze met hoge snelheid reed (ongeveer 80 km/u), kennelijk om te proberen zo snel mogelijk weg te komen en zich aan aanhouding te onttrekken.

E.1.1

Het verweer van de zijde van de verdediging dat het door de getuigen opgegeven signalement van de dader niet overeenkomt met de verdachte, omdat de verdachte niet zou voldoen aan de omschrijving van een persoon met een ‘normaal postuur’ (verdachte heeft meer een sportschoolfiguur, aldus de verdediging), wordt, mede gelet op het voorgaande, door het hof verworpen.

E.1.2

Naar het oordeel van het hof is het ter terechtzitting in hoger beroep waargenomen postuur van verdachte niet zodanig afwijkend dat het niet zou passen in het signalement van een ‘normaal postuur’. Het hof ziet geen aanleiding om aan te nemen dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde een wezenlijk andere lichaamsbouw had.

E.2.1

Van de zijde van de verdediging is voorts naar voren gebracht dat verdachte een niet onaannemelijke verklaring heeft voor de bij hem geconstateerde benzinegeur en brandwonden aan zijn been en zijn hand. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte als verklaring aangevoerd dat na het ten val komen van de scooter in de bosschage hij met zijn been onder de omgevallen scooter terecht is gekomen en daarbij zijn been heeft verbrand aan de hete knalpijp van de scooter. Om los en weg te komen heeft verdachte vervolgens eerst met zijn handen aan zijn been getrokken en vervolgens de scooter weggeduwd, waardoor hij ook met zijn hand in aanraking is gekomen met de hete knalpijp van de scooter en brandwonden aan de bovenkant van zijn hand heeft opgelopen. Door de verdediging is daarnaast, evenals in eerste aanleg, aangevoerd dat onvoldoende is onderzocht of de betreffende scooter benzine lekte dan wel had gelekt, waardoor de sterke benzinegeur aan de scooter en de kleding van verdachte kan worden verklaard.

E.2.2

Het hof overweegt dienaangaande als volgt

Los van het feit dat verdachte niet eerder dan ter terechtzitting in hoger beroep met de verklaring is gekomen voor de opgelopen brandwonden aan been en hand, oordeelt het hof dat dit door de verdediging opgeworpen ‘alternatieve scenario’ met betrekking tot de opgelopen brandwonden zijn weerlegging vindt in de bewijsmiddelen. Het hof verwijst naar de waarneming van de achtervolgende verbalisanten. Deze hebben immers geverbaliseerd dat zij zagen dat de bromscooter met beide opzittenden is omgevallen en dat de bijrijder, zijnde verdachte, na de val meteen weer op de been was en de bosschages is in gerend. Reeds hierom kan het verweer niet slagen.

E.2.3

Ten aanzien van de geconstateerde benzinegeur aan de scooter en de kleding/schoenen van verdachte overweegt het hof dat onderzoek door forensisch onderzoeker Roeloffs aan de in beslaggenomen scooter heeft uitgewezen dat de scooter geen benzine lekte en dat geen brandsporen zichtbaar waren aan deze scooter. Het hof heeft geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de scooter voorafgaand aan dit onderzoek (al dan niet in liggende toestand) wel benzine heeft gelekt. Het hof acht de geconstateerde benzinegeur aan de scooter verklaarbaar doordat verdachte tijdens de brandstichting benzine over zijn kleding en schoenen heeft gekregen en daarna op de scooter is gaan zitten. Het hof verwerpt ook dit verweer.

F.

Daarnaast overweegt het hof ten aanzien van de verweren nog het volgende.

F.1.1

Na de aanhouding van verdachte zijn de rechter broekspijp (AAHX1028NL), de rechter sok (AAHX1028NL) en de rechter schoen (AAHX1026NL), die sterk roken naar benzine, als brandmonsters veiliggesteld (proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 2 april 2015, dossierpagina 104-105). Bij het onderzoek naar de brandhaard is tevens een deel van de deurmat, gelegen voor de achteringang van het café, als brandmonster veiliggesteld (AAFU8310NL) (proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 26 maart 2015, dossierpagina 131-132).

F.1.2

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft geconcludeerd dat het uitgevoerde onderzoek naar voornoemde brandmonsters vluchtige stoffen heeft aangetoond, die afkomstig zijn van motorbenzine. Ook op het deel van de deurmat voor de achteruitgang van het café dat als brandmonster is veiliggesteld (AAFU8310NL) zijn vluchtige stoffen aangetoond, die afkomstig zijn van motorbenzine (Verkorte rapportage van het NFI d.d. 20 april 2015, dossierpagina 170-172).

F.1.3

Door het NFI is vervolgens vergelijkend onderzoek uitgevoerd waarbij de motorbenzine op veiliggestelde kledingstukken van verdachte, op de schoenen van verdachte en op de veiliggestelde brandresten van de deurmat van de woning, op basis van twee hypothesen is vergeleken.

De conclusies van drie onderlinge vergelijkingen luiden als volgt.

De resultaten van de vergelijking van de schoenen met de brandresten van de deurmat zijn waarschijnlijker wanneer de hypothese (1) juist is dat de motorbenzine in beide monsters dezelfde herkomst heeft, dan wanneer de hypothese (2) juist is dat deze motorbenzine een verschillende herkomst heeft. De resultaten van de vergelijking van de kleding met de brandresten van de deurmat levert op dat het ongeveer even waarschijnlijk is wanneer de hypothese (1) juist is dat de motorbenzine in de monsters dezelfde herkomst hebben als wanneer hypothese (2) juist is dat de motorbenzine een verschillende herkomst heeft. De resultaten van de vergelijking van de kleding en de schoenen van verdachte zijn iets waarschijnlijker wanneer hypothese (1) juist is dat de motorbenzine in de monsters van dezelfde herkomst hebben, als wanneer de hypothese (2) juist is. (Vergelijkend motorbenzine onderzoek NFI d.d. 27 juli 2015, dossierpagina 177-185)

F.1.4

Het hof volgt de verdediging in de stelling dat op basis van dit sporenonderzoek niet vast staat dat sprake is van exact dezelfde soort motorbenzine op de verschillende brandmonsters.

Immers, zoals ook uit noot 8 bij 8. Conclusie (p. 8 van het rapport) volgt, verwoordt de conclusie de bewijskracht van de resultaten ten aanzien van de hypothesen en niet de kans dat een bepaalde hypothese waar is. Die kans hangt ook af van overig bewijs en informatie.

Het hof stelt hier echter tegenover dat de onderzoeksresultaten wel een positieve aanwijzing opleveren voor dezelfde herkomst van de motorbenzine en in ieder geval geen contra-indicatie zijn voor het bewijs dat verdachte de brandstichter is geweest.

G.1.1

Op 11 april 2015 vindt een telefoongesprek plaats tussen [getuige 3] en zijn vriendin [naam] . Dit gesprek, dat werd gevoerd op het moment dat [getuige 3] samen met verdachte gedetineerd zat in de Penitentiaire Inrichting De Geerhorst, is opgenomen en afgeluisterd. Voor zover hier van belang luidde het gesprek als volgt:

[getuige 3] : [voornaam verdachte] vertelt mij alles, hier bijna, alles, over de zaakjes, de praktijken, alles. Die is nog lang niet buiten schat want ik heb hem verraden bij een ander.

[naam] : Ooh dat ie voorlopig nog niet buiten is, dat weet ik, want toen die politiehond in zijn been heeft gebeten hè, is ie ook op heterdaad betrapt geworden.

[getuige 3] : Ja weet ik schat hij was toen een paar kilometer van plaats delict af. Ja, weet je wel hij zegt ik ga naar huis toe ik ga naar huis toe ik ga naar huis en ik ga naar huis toe, maar die jongen wat hier zit dat was een vriend en een vrouw van hem en een kind die wat boven die woning woonden wat bijna levensdood waren.

(proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2015, dossierpagina 52-53)

G.1.2

Naar aanleiding van dit telefoongesprek is [getuige 3] op 19 mei 2015 als getuige gehoord. Geconfronteerd met het opgenomen gesprek heeft [getuige 3] verklaard dat verdachte, tijdens het luchten in de Geerhorst, tegenover hem en een paar anderen heeft verteld dat hij brand gesticht had bij een of ander pand in Kerkrade en dat hij zich daarbij verbrand had aan zijn been. Voorts zou verdachte tegen [getuige 3] hebben gezegd dat ze hem een paar kilometer van de plaats delict met een scooter hadden aangehouden en dat een hond hem daarbij twee keer had gebeten. Tevens vertelde verdachte dat hij samen met iemand anders was en dat het een scooter betrof, waarmee hij was opgepakt (proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 19 mei 2015, dossierpagina 54-58).

G.1.3

Tijdens het verhoor van [getuige 3] bij de rechter-commissaris d.d. 7 januari 2016 heeft deze getuige een vergelijkbare verklaring afgelegd, kort gezegd inhoudende dat verdachte tijdens het luchten tegen [getuige 3] en anderen heeft gezegd dat hij de brand had gesticht, dat hij een paar kilometer verderop was opgepakt met een scooter, dat hij was gebeten door een politiehond, dat hij met een ander was en dat hij brandwonden had (proces-verbaal verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 7 januari 2016).

G.2

Door de raadsman is aangevoerd dat de verklaringen van de getuige [getuige 3] , inhoudende dat verdachte tegen hem zou hebben gezegd dat hij de brand heeft gesticht, ongeloofwaardig moet worden geacht, gelet op - kort gezegd - de inconsistentie van zijn verklaringen.

G.3

Anders dan de raadsman ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de getuige [getuige 3] .

Getuige [getuige 3] heeft de inhoud van het telefoongesprek met zijn vriendin [naam] tijdens zijn verklaring bij de politie in essentie bevestigd en voorts wordt deze verklaring ondersteund door de verklaring van deze getuige bij de rechter-commissaris d.d. 7 januari 2016. Het hof acht de getuigenverklaring van [getuige 3] gedetailleerd en bovendien op belangrijke punten in overeenstemming met vastgestelde feiten (te weten de bij verdachte geconstateerde brandwonden aan zijn been, het bijten door de politiehond, het samen met een ander aangehouden worden op een scooter en de omstandigheid dat dit een paar kilometer van de brand is geweest). Dat deze getuige zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris op 10 januari 2017 heeft gewijzigd, in die zin dat verdachte alleen maar tegen [getuige 3] zou hebben gezegd dat hij vast zat voor brandstichting en niet dat hij brand had gesticht, brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

H.

Uitgaande van alle voorgaande feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting in het pand aan de [adres cafe] te Kerkrade, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen in het pand te duchten was.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In dit verband wijst het hof er op dat de maximumstraf voor brandstichting waarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (15 jaren gevangenisstraf) door de wetgever gelijk is gesteld aan de maximumstraf voor doodslag (art. 287 Sr).

Voorts heeft het hof gelet op de mate waarin door het bewezen verklaarde handelen van verdachte gevaar is veroorzaakt voor het leven van de zich in de bovenliggende woning bevindende personen. Uit de aangifte is gebleken dat aangever [benadeelde 1] met zijn gezin, vrouw en kinderen in de leeftijd van destijds 9 en 6 jaar, woonachtig is boven het café en die bewuste nacht in hun slaap zijn overvallen door de brand. Omdat de enige trap naar beneden onbegaanbaar was vanwege de brand, is [benadeelde 1] met zijn gezin (en hond) het dakterras van de woning op gevlucht. Aangever heeft verklaard dat zij als ratten in de val zaten en dat hij vreesde voor zijn leven en het leven van zijn vrouw en kinderen. Door de chauffeur van de dienstdoende brandweer, D. Zafarin, is verklaard dat de brand 3 à 4 minuten na hun komst is doorgeslagen naar de woning op de eerste verdieping en dat de slachtoffers het niet hadden gered indien zij op dat moment nog binnen hadden gezeten (p. 42). Door E.G.M. Brands, dienstdoende brandweervrouw, is verklaard (p. 46) dat de situatie voor de personen op het dakterras schrikbarend was en dat zij vol in de rook stonden. Voorts heeft zij verklaard dat de slachtoffers absoluut niet op eigen gelegenheid van het dak hadden kunnen springen, omdat het 3,5 meter hoog was. Dat sprake is geweest van een levensbedreigende situatie staat dan ook vast.

Daarnaast is door het handelen van de verdachte het pand en de inboedel van de woning boven het café vrijwel volledig verloren gegaan. De materiele schade als gevolg van de brand is groot. Dat inmiddels een groot deel van de schade door de verzekeraar is vergoed, doet aan de ernst niet af. Door toedoen van de verdachte zijn voorts alle persoonlijke bezittingen voor de slachtoffers verloren gegaan. Na de brand had het gezin slechts de pyjama’s die zij droegen tijdens hun vlucht. Dat dit alles een zeer traumatische gebeurtenis is geweest behoeft geen onderbouwing en blijkt te meer uit de omstandigheid dat het zoontje van het gezin (ten tijde van de brand 9 jaar oud) een posttraumatische stress-stoornis heeft opgelopen.

Tot slot is ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde gelet op de omstandigheid dat het hier gaat om een feit waardoor de rechtsorde wordt geschokt en dergelijke feiten in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg brengen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

- de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 mei 2017, niet eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld, maar wel tot aanmerkelijke vrijheidsstraffen ter zake van vermogens- en geweldsdelicten;

- de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Nu de verdachte niet heeft willen meewerken aan het opstellen van een reclasseringsadvies, noch aan een psychologisch rapport of aan het onderzoek bij het Pieter Baan Centrum, zijn er geen aanwijzingen dat het bewezenverklaarde niet of slechts in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend, noch andere aanwijzingen die van invloed zijn op de op te leggen straf.

Tevens acht het hof het zeer kwalijk dat verdachte op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad waarbij een levensgevaarlijke situatie is ontstaan.

Gelet op al het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

In het bijzonder gelet op het onberekenbare en onbeheersbare risico van een grote brand, zeker indien brandversnellende middelen worden gebruikt, waardoor in dit geval het leven van een gezin ernstig in gevaar is gebracht en waardoor grote materiële en immateriële schade is toegebracht, welk risico moedwillig door de verdachte is genomen, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een gevangenisstraf van de duur zoals door de rechtbank is opgelegd. Het hof zal overeenkomstig de eis van het openbaar ministerie een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren opleggen.

Vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , en namens zoon [voornaam] en dochter [voornaam]

Namens de benadeelden [benadeelde 1] en zijn partner [benadeelde 2] , alsmede als ouders van zoon [voornaam] (geboren 21-01-2006) en dochter [voornaam] (geboren 12-02-2009), is in eerste aanleg door de gemachtigde advocaat mr. R.W.J.L. Loonen een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 389.519,20 (waarvan

€ 377.019,20 aan materiële schade en € 12.500,- aan immateriële schade, waarvan € 5.000,- voor zoon [voornaam] en telkens € 2.500,- voor [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en dochter [voornaam] ) en vergoeding van de kosten rechtsbijstand van € 4.000,-.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 332.065,88 plus kosten rechtsbijstand, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Bij brief van 23 mei 2017 heeft de advocaat van de benadeelde partij, mr. R.W.J.L. Loonen, kenbaar gemaakt dat de eerder opgegeven materiële schade inmiddels grotendeels door de brandverzekeraar is vergoed. Het bedrag aan materiële schade dat resteert is € 20.922,30. De vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade wordt dan ook verminderd tot dat bedrag. De in eerste aanleg gevorderde immateriële schade van totaal

€ 12.500,- en proceskosten van € 4.000,- worden onverkort gehandhaafd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het in hoger beroep gevorderde bedrag aan materiële schade van € 20.922,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2015 tot de dag der algehele voldoening en met vergoeding van de proceskosten.

Voorts is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] , zijn partner [benadeelde 2] en hun twee kinderen als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade hebben geleden tot het in hoger beroep gevorderde bedrag aan immateriële schade, te weten € 5.000,- voor zoon [voornaam] en telkens € 2.500,- voor [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en dochter [voornaam] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2015 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid Sr. bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 20.922,30 (twintigduizend negenhonderdtweeëntwintig euro en dertig cent) materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] , alsmede namens zoon [voornaam] en dochter [voornaam] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van respectievelijk € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) t.b.v. [benadeelde 1] ,

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) t.b.v. zoon [voornaam] en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) t.b.v. dochter [voornaam] aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedragen aan immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

4.000,00 (vierduizend euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 20.922,30 (twintigduizend negenhonderdtweeëntwintig euro en dertig cent) materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 139 (honderdnegenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de slachtoffers, [benadeelde 1] , en tevens namens zoon [voornaam] en dochter [voornaam] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van in totaal € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde 2] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. N.J.M. Ruyters en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. Verhoeven-van der Heijden, griffier,

en op 7 juni 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.