Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:250

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
15/01435
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:7512, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 17, lid 2 Wet WOZ. Art. 4:17, lid 3 Awb. Art. 7:15, lid 2 Awb. Het Hof stelt WOZ-waarde in goede justitie vast. Rechtsgeldige ingebrekestelling door belanghebbende; Hof stelt dwangsom vast. Geen vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 17
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/26.18.6
V-N Vandaag 2017/979
Belastingblad 2017/221
FutD 2017-1110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01435

Uitspraak op het hoger beroep van

de erven van [belanghebbende] ,

domicilie gekozen hebbend te [plaats 1] ,

hierna: belanghebbenden,

en het incidenteel hoger beroep van

de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland,

hierna: de Heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 25 november 2015, nummer AWB 15/1497 in het geding tussen

belanghebbenden,

en

de Heffingsambtenaar,

betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) aan belanghebbenden gezonden beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak [adres 1] 31 te [plaats 2] (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 2013 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij de beschikking de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 499.000. Met dagtekening 8 mei 2014 hebben belanghebbenden hiertegen bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij brief met dagtekening 1 januari 2015, ontvangen door de Heffingsambtenaar op 5 januari 2015, hebben belanghebbenden de Heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

1.3.

Bij uitspraak op bezwaar van 6 februari 2015 heeft de Heffingsambtenaar de bij de beschikking vastgestelde waarde gehandhaafd en heeft de Heffingsambtenaar aan belanghebbenden geen tegemoetkoming in de kosten van bezwaar verleend. De Heffingsambtenaar heeft geen beschikking gegeven inzake de dwangsom.

1.4.

Belanghebbenden hebben op 10 februari 2015 beroep ingesteld bij de Rechtbank wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar en daarbij verzocht om toekenning van een dwangsom. Dit beroep is door de Rechtbank geregistreerd onder zaaknummer AWB 15/814. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank een griffierecht geheven van € 45.

1.5.

Belanghebbenden zijn op 17 maart 2015 van de uitspraak van de Heffingsambtenaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep, dat door de Rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer AWB 15/1497, heeft de griffier van de Rechtbank een griffierecht geheven van (eveneens) € 45.

1.6.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken heeft de Rechtbank het beroep met zaaknummer AWB 15/814 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep met zaaknummer AWB 15/1497 voor zover het betrekking heeft op de dwangsom ongegrond verklaard, voor zover het beroep betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 485.000, de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbenden van de beroepsprocedure tot een bedrag van € 980 en bepaald dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbenden het betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 vergoedt.

1.7.

Tegen deze uitspraken hebben belanghebbenden hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft twee hoger beroepzaken aangelegd, en wel BK-SHE 15/01434 (betreffende AWB 15/814) en BK-SHE 15/01435 (betreffende AWB 15/1497). De griffier van het Hof heeft éénmaal griffierecht geheven van € 123. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

De Heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank ter zake van het beroep met zaaknummer AWB 15/1497. Belanghebbenden hebben het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.9.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben belanghebbenden vóór de zitting bij brief van 15 september 2016 nadere stukken ingediend, waaronder een in opdracht van hen door [A] , verbonden aan [B] Makelaar & Taxateurs te [plaats 3] , op 15 september 2016 opgemaakt taxatierapport betreffende de onroerende zaak. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.10.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 27 september 2016 te ‘s‑Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [C] , als gemachtigde van belanghebbenden, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, de heer [D] en de heer [E] . Ter dezer zitting zijn gezamenlijk doch niet gevoegd behandeld de hoger beroepzaken van belanghebbenden met de kenmerken BK-SHE 15/01434 en BK-SHE 15/01435. Belanghebbenden, althans hun gemachtigde, hebben ter zitting van het Hof het onder nummer BK-SHE 15/01434 aangelegde hoger beroepschrift door middel van een daartoe door de gemachtigde ondertekende verklaring op het hoger beroepschrift onvoorwaardelijk ingetrokken.

1.11.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.12.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbenden zijn in 2014 eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een vrijstaande woning met een inpandige garage en een tuinhuis. De woning is gebouwd in 2002. De inhoud van de woning is ongeveer 900 m³ en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 797 m².

2.2.

Op 11 november 2011 is een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning. De koopsom bedroeg € 505.000 (hierna: het eerste verkoopcijfer). De levering heeft plaatsgevonden op 16 januari 2012.

2.3.

De Heffingsambtenaar heeft bij de beschikking de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 499.000. Belanghebbenden hebben daartegen op 8 mei 2014 bezwaar gemaakt. In het bezwaar is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

‘Hierbij maakt ondergetekende namens- en als gemachtigde van belanghebbende, erven van [belanghebbende] , pro-forma bezwaar tegen uw waardebeschikking, welke betrekking heeft op het object gelegen aan de [adres 1] 31 te [plaats 2] . Aan u wordt verzocht alle stukken van belanghebbende aan gemachtigde toe te zenden. De nadere gronden welke dit bezwaarschrift onderbouwen zal worden toegestuurd zodra ik uw informatie heb ontvangen.

(…)

De nadere gronden welke dit bezwaarschrift onderbouwen zal ik u toesturen zodra verdere informatie, o.a. het taxatieverslag van het onderhavige object door mij is ontvangen. De waardepeildatum is 1 januari 2013. Indien u bent uitgegaan van de toestandsdatum, namelijk 1 januari 2014, op grond van artikel 18 lid 3 sub c van de Wet Waardering Onroerende Zaken, verzoek ik u dat aan ondergetekende mede te delen.

Ik verzoek u mij een ontvangstbevestiging te sturen en na ontvangst van het taxatieverslag een termijn van 4 weken, althans een redelijke termijn te geven om volledig bezwaar namens belanghebbende te maken.

(…)

Op grond van artikel 7:15 Awb maak ik namens en als gemachtigde van belanghebbende in ieder geval kenbaar, mocht het onderhavige bezwaar niet zijn aan te merken als een pro forma bezwaar (uitdrukkelijk quod non), aanspraak te maken op vergoeding van de kosten dan wel kenbaar maakt bij het indienen van bezwaar, na ontvangst van aanvullende stukken als bedoeld in artikel 40 Wet Waardering Onroerende Zaken en gehoord te willen worden op zijn/haar verzoek ingevolge artikel 25 lid 1 AWR in de zin van artikel 7:2 Awb. (…)

Mocht het onderhavige bezwaar niet zijn aan te merken als pro forma bezwaar (uitdrukkelijk quod non) dan dient de bovenstaande alinea hier als ingelast beschouwd te worden. Indien het bezwaar als pro forma bezwaar geldt komt gemachtigde , namens belanghebbende op het voorgaande terug middels het aanvullende bezwaarschrift.’

2.4.

Bij brief van 23 mei 2014 heeft de Heffingsambtenaar de ontvangst van het bezwaarschrift aan belanghebbenden bevestigd, het taxatieverslag toegezonden en belanghebbenden een termijn van zes weken gegeven om het bezwaarschrift te motiveren. Daarbij heeft de Heffingsambtenaar belanghebbenden erop gewezen dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien het bezwaarschrift niet binnen de gestelde termijn wordt gemotiveerd.

2.5.

Belanghebbenden hebben bij brief van 5 juni 2014, ontvangen door de Heffingsambtenaar op 6 juni 2014, het bezwaarschrift gemotiveerd.

2.6.

Bij brief met dagtekening 1 januari 2015, ontvangen door de Heffingsambtenaar op 5 januari 2015, hebben belanghebbenden de Heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

2.7.

Partijen hebben per e-mail gecorrespondeerd over de datum waarop belanghebbenden door de Heffingsambtenaar zouden worden gehoord. In een e-mail van 7 januari 2015 heeft de Heffingsambtenaar, voor zover thans van belang, geschreven:

‘U heeft ons ingebreke gesteld. Als we niet binnen twee weken uitspraak zouden doen, zijn we een dwangsom verschuldigd. Indien de hoorzitting plaatsvindt op 23 januari 2015, kunnen wij niet binnen twee weken uitspraak doen op uw bezwaarschrift. Ik ga er daarom vanuit dat u ons uitstel verleent om uitspraak te doen tot twee weken nadat de genoemde hoorzitting plaats heeft gevonden. Dat is hetgeen ik met genoemde zinsnede bedoel. Gaat u hiermee akkoord?’

Belanghebbenden hebben geen reactie gegeven op de vraag van de Heffingsambtenaar.

2.8.

Op 27 januari 2015 zijn belanghebbenden door de Heffingsambtenaar gehoord. In een verslag van dit gesprek is, voor zover thans van belang, het volgende vastgelegd:

‘De waarde is te hoog vastgesteld. De woning staat inmiddels te koop voor € 485.000,- (verlaagde vraagprijs). De woningprijzen staan onder druk en er is onvoldoende rekening gehouden met de dalende woningprijzen in [plaats 2] . De voorgestelde waard van € 472.000,- staat zelfs onder druk.’

2.9.

Bij uitspraak op bezwaar van 6 februari 2015 heeft de Heffingsambtenaar de bij de beschikking vastgestelde waarde gehandhaafd.

2.10.

Belanghebbenden hebben de woning voor een bedrag van € 435.000 verkocht (hierna: het tweede verkoopcijfer). De koopovereenkomst is gesloten op 20 maart 2015 en de levering heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2015.

2.11.

In de beroepsfase heeft de Heffingsambtenaar een taxatierapport van de heer [E] , taxateur, gedateerd 24 maart 2015, overgelegd. In het rapport is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum bepaald op het bedrag van € 500.000. De waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak is in dat rapport onderbouwd met de verkoopprijs van de onroerende zaak zelf en verkoopprijzen die voor twee andere, in het rapport als vergelijkbaar aangemerkte objecten, zijn gerealiseerd, alsmede met een matrix. Het betreft de volgende verkoopcijfers:

- [adres 1] 31 te [plaats 2] , op 16 januari 2012 verkocht voor € 505.000,

- [adres 2] 43 te [plaats 4] , op 3 december 2012 verkocht voor € 495.000,

- [adres 3] 29 te [plaats 5] , op 11 maart 2013 verkocht voor € 475.000.

2.12.

In de hoger beroepsfase hebben belanghebbenden het hiervoor in 1.9 bedoelde taxatierapport in het geding gebracht, opgemaakt op 15 september 2016. In dit rapport is de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum bepaald op € 470.000. De waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak is in dit rapport onderbouwd met de onder 2.2 en 2.10 genoemde verkoopcijfers van de onroerende zaak zelf.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Welke waarde dient aan de onroerende zaak te worden toegekend?

II. Hebben belanghebbenden recht op een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb?

III. Hebben belanghebbenden voor de bezwaarfase recht op een vergoeding van de door hen gemaakte kosten van bezwaar?

Belanghebbenden bepleiten dat de waarde van de onroerende zaak dient te worden vastgesteld op € 470.000 en zijn voorts van mening dat de vragen II en III bevestigend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar bepleit primair een waarde van € 499.000 en subsidiair een waarde van € 485.000, en is ten aanzien van de vragen II en III de tegenovergestelde opvatting als belanghebbenden toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, vermindering van de bij de beschikking vastgestelde waarde tot € 470.000 en veroordeling van de Heffingsambtenaar tot betaling van een dwangsom en een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar. De Heffingsambtenaar concludeert primair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep; subsidiair concludeert de Heffingsambtenaar tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vooraf

4.1.

Partijen zijn in de beroepsprocedure bij de Rechtbank overeengekomen dat ten tijde van de uitspraak op bezwaar tevens een dwangsombeschikking ten bedrage van nihil wordt geacht te zijn gegeven. Partijen hebben ter zitting bij het Hof deze afspraak bevestigd. Het Hof zal evenals de Rechtbank partijen hierin volgen (vgl. Hoge Raad 16 december 2005, 41587, ECLI:NL:HR:2005:AU8169 en 16 december 2005, 41588, ECLI:NL:HR:2005:AU8171). Op grond van artikel 4:19, lid 1, van de Awb heeft het hoger beroep tevens betrekking op de dwangsombeschikking.

Vraag I

4.2.

Op grond van artikel 17, lid 2, Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij geldt als waarde in het economische verkeer de prijs die de meestbiedende koper zou hebben betaald bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze van verkoop na de beste voorbereiding.

4.3.

Ingevolge artikel 4, lid 1, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ, kan de in artikel 17, lid 2, Wet WOZ bedoelde waarde voor woningen bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn (zogeheten referentieobjecten). De bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden waaruit de juistheid van de in geschil zijnde waarde volgt, rust op de Heffingsambtenaar.

4.4.

In een geval waarin een onroerende zaak kort voor of na de peildatum wordt verkocht, moet in de regel ervan worden uitgegaan dat de waarde in het economische verkeer overeenkomt met de koopsom welke voor de onroerende zaak is betaald, zulks tenzij de partij die zich daarop beroept feiten en omstandigheden stelt en aannemelijk maakt waaruit volgt dat de koopsom niet de waarde in het economische verkeer weergeeft (Hoge Raad 29 november 2000, 35797, ECLI:NL:HR:2000:AA8610).

4.5.

Belanghebbenden stellen in hoger beroep dat beide ten aanzien van de onroerende zaak gerealiseerde verkoopcijfers dienen te worden gebruikt om de waarde van de onroerende zaak vast te stellen en dat gelet op deze verkoopcijfers geen vergelijking met referentieobjecten dient plaats te vinden. Ter onderbouwing van de door hen bepleite waarde hebben belanghebbenden het onder 2.12 bedoelde taxatierapport ingebracht. Belanghebbenden wijzen er voorts op dat sprake was van dalende prijzen in de woningmarkt en dat ook vraagprijzen, zoals de vraagprijs van de onroerende zaak, een rol kunnen spelen in de waardebepaling.

4.6.

De Heffingsambtenaar heeft zich in het incidenteel hoger beroep op het standpunt gesteld dat beide eigen verkoopcijfers zodanig ver verwijderd van de waardepeildatum zijn gerealiseerd, dat deze niet kunnen worden meegenomen bij de waardebepaling van de onroerende zaak. Op basis van vergelijking met verkoopcijfers van twee referentieobjecten gerealiseerd rond de waardepeildatum, is de Heffingsambtenaar van oordeel dat de waarde dient te worden vastgesteld op € 499.000.

4.7.

Het Hof stelt voorop dat de waarde in beginsel dient te worden bepaald aan de hand van verkoopcijfers gerealiseerd kort vóór of na de waardepeildatum. Met de Heffingsambtenaar is het Hof van oordeel dat de verkoopcijfers van de onroerende zaak, met name het tweede verkoopcijfer, te ver verwijderd van de waardepeildatum zijn gerealiseerd om als enige grondslag te gelden voor de waardebepaling. Dit te meer, nu ook verkopen van referentieobjecten beschikbaar zijn op data die (veel) dichter bij de waardepeildatum zijn gelegen. Dit betekent dat, anders dan belanghebbenden voorstaan, de eigen verkoopcijfers voor de WOZ-waarde per de waardepeildatum 1 januari 2013 niet leidend zijn, maar tevens acht dient te worden geslagen op gerealiseerde verkoopcijfers van referentieobjecten. Aan het voorgaande doet niet af dat op basis van het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016, 14/04882, ECLI:NL:HR:2016:113, bij de tweede verkoop dient te worden uitgegaan van de datum van het sluiten van de koopovereenkomst, nu ook deze datum meer dan twee jaren van de waardepeildatum is gelegen.

4.8.

De eigen verkoopcijfers zijn echter naar het oordeel van het Hof in het thans voorliggende geschil niet geheel zonder betekenis. De onroerende zaak zelf betreft immers de beste referentie. Er dient evenwel rekening te worden met het tijdsverloop tussen verkoopdatum en waardepeildatum en de marktontwikkelingen in die periode. Dit leidt ertoe dat het eerste verkoopcijfer, gerealiseerd ongeveer een jaar vóór de waardepeildatum, tezamen met de door de Heffingsambtenaar gehanteerde gerealiseerde verkoopcijfers van [adres 2] 43 en [adres 3] 29 kan worden gebruikt voor de waardebepaling van de onroerende zaak. Het verder van de waardepeildatum verwijderd gerealiseerde tweede verkoopcijfer kan een indicatie geven van de (on)juistheid van die waardebepaling. De enkele stelling van de Heffingsambtenaar dat het tweede verkoopcijfer van € 435.000 zeer laag is en de verkoop door erfgenamen heeft plaatsgevonden, is onvoldoende om aan te nemen dat het tweede verkoopcijfer niet de waarde in het economische verkeer op dat moment weergeeft en dit geheel buiten beschouwing dient te worden gelaten. De taxateur van de Heffingsambtenaar heeft ter zitting ook verklaard dat hij het tweede verkoopcijfer had laten meewegen bij de waardebepaling, indien hij bij het opmaken van het taxatierapport daarmee bekend was geweest en dat de door de Rechtbank vastgestelde waarde van € 485.000 in dat geval goed verdedigbaar en redelijk is. Gelet op al het vorenstaande is het Hof met de Rechtbank van oordeel dat het substantieel lagere tweede verkoopcijfer ertoe leidt dat de Heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem verdedigde waarde van € 499.000 juist is.

4.9.

Belanghebbenden hebben met het overgelegde taxatierapport en hetgeen zij overigens hebben aangevoerd naar het oordeel van het Hof onvoldoende bewijs geleverd ter onderbouwing van de door hen verdedigde waarde van de onroerende zaak van € 470.000. In het door hen ingebrachte taxatierapport is op geen enkele wijze de marktontwikkeling in het tijdsverloop tussen de realisatie van de verkoopcijfers en de waardepeildatum inzichtelijk gemaakt. Een vergelijking met verkoopcijfers van referentieobjecten, die in dat kader een aanwijzing kunnen bieden, ontbreekt. De vraagprijs van de onroerende zaak eind 2014, bijna twee jaren na de waardepeildatum, geeft, nog daargelaten dat een vraagprijs geen gerealiseerd transactiecijfer betreft, ook onvoldoende inzicht.

4.10.

Gezien het vorenstaande dient het Hof de waarde in goede justitie vast te stellen. Het Hof stelt de waarde, op basis van de stukken van het geding en hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd, in goede justitie vast op een bedrag van € 485.000.

Vraag II

4.11.

De Rechtbank heeft in haar uitspraak – kort samengevat – overwogen dat de Heffingsambtenaar geen dwangsom heeft verbeurd wegens het niet-tijdig beslissen op het bezwaar van belanghebbenden, omdat belanghebbenden de Heffingsambtenaar in gebreke hebben gesteld voordat de beslistermijn was verstreken. Deze termijn was, aldus de Rechtbank, gelet ook op artikel 30, lid 9, van de Wet WOZ, pas op 12 januari 2015 verstreken, doordat de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar op grond van artikel 7:10, lid 2, van de Awb van rechtswege werd opgeschort gedurende de periode tussen 24 mei 2014 en 5 juni 2014. De opschorting was veroorzaakt door de omstandigheid dat het bezwaarschrift van 8 mei 2014 geen gronden tegen de WOZ-beschikking 2014 bevatte en aldus sprake was van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb.

4.12.

Belanghebbenden betogen in hoger beroep dat geen sprake is van een verzuim als gevolg waarvan de beslistermijn wordt opgeschort. In dat kader voeren belanghebbenden aan dat de Heffingsambtenaar bij de beschikking geen taxatieverslag heeft overgelegd, waardoor motivering van het bezwaarschrift niet mogelijk was. De Heffingsambtenaar bestrijdt de opvatting van belanghebbenden dat het bestreden besluit niet was gemotiveerd ten tijde van indiening van het bezwaarschrift. De Heffingsambtenaar betoogt dat op de achterzijde van de beschikking is vermeld dat het taxatieverslag online is in te zien.

4.13.

Het Hof overweegt als volgt. Van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb is onder meer sprake indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb. Ingevolge artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, van de Awb bevat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar. De inhoud van de eis die ingevolge deze bepaling aan een bezwaarschrift wordt gesteld, hangt onder meer samen met de mate waarin het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft gemotiveerd. In gevallen waarin niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de beschikking waartegen het bezwaar is gericht geen motivering behoefde en die motivering niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:47 van de Awb bij, of uiterlijk binnen een week na, de bekendmaking van de beschikking aan de belanghebbende is verstrekt, kan de belanghebbende indien hij na die week bezwaar maakt en hij ten tijde van het indienen van zijn bezwaarschrift nog steeds niet met die motivering bekend was, in zijn bezwaarschrift volstaan met de mededeling dat hij bezwaar heeft tegen de bestreden beschikking (vgl. HR 8 maart 2002, 34993, ECLI:NL:HR:2002:AD9881 en HR 24 januari 2014, 13/03868, ECLI:NL:HR:2014:86).

4.14.

In het onderhavige geval staat vast dat belanghebbenden ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift nog niet bekend waren met de motivering van de beschikking, welke motivering was vervat in het taxatieverslag. Het Hof acht niet aannemelijk dat belanghebbenden anderszins op de hoogte waren van de onderbouwing van de beschikking. Het taxatieverslag is belanghebbenden voorts niet uiterlijk één week na de bekendmaking van de beschikking toegezonden. Daarvan uitgaande, hebben – anders dan de Rechtbank heeft overwogen - belanghebbenden met hun onder 2.3 gedeeltelijk weergegeven bezwaarschrift een bezwaarschrift ingediend dat beantwoordt aan de eisen van artikel 6:5 van de Awb, aangezien dat geschrift zich niet anders laat uitleggen dan dat belanghebbenden bezwaar hadden tegen de waardevaststelling waarop de beschikking was gebaseerd.

4.15.

De stelling van de Heffingsambtenaar, inhoudende dat door vermelding op de achterzijde van de beschikking dat het taxatieverslag online beschikbaar is, sprake is van bekendmaking van de motivering zoals bedoeld in artikel 3:47 van de Awb, slaagt niet. De achterzijde van de beschikking behoort niet tot de stukken van het geding, zodat niet aannemelijk is geworden dat die vermelding daadwerkelijk op de achterzijde is opgenomen Ook heeft de Heffingsambtenaar tijdens het onderzoek ter zitting niet kunnen verklaren welke informatie op welke wijze had kunnen worden verkregen door belanghebbenden, al dan niet online. De Heffingsambtenaar heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbenden ten tijde van de bekendmaking van de beschikking over de motivering ervan konden beschikken.

4.16.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen was geen sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb. Mitsdien was de termijn om op het bezwaarschrift te beslissen niet opgeschort. Het Hof is voorts van oordeel dat de Heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beslistermijn met instemming van belanghebbende is opgeschort of verdaagd. Uit het vorenstaande volgt dat de Heffingsambtenaar op grond van artikel 30, lid 9, van de Wet WOZ uitspraak diende te doen in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen, derhalve uiterlijk op 31 december 2015.

4.17.

De omstandigheid dat belanghebbenden nog moesten worden gehoord doet aan het vorenstaande niet af. De Heffingsambtenaar had kunnen en moeten bewerkstelligen dat het horen van belanghebbenden zou hebben plaatsgevonden binnen de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar, zodat hij tijdig uitspraak op bezwaar zou hebben kunnen doen.

4.18.

Belanghebbenden hebben de Heffingsambtenaar derhalve rechtsgeldig in gebreke gesteld. Gezien de ontvangstdatum van de ingebrekestelling, zijnde 5 januari 2015, en de sindsdien verstreken termijn tot de uitspraak van de Heffingsambtenaar op het bezwaar van 6 februari 2015, is de Heffingsambtenaar in het onderhavige geval een dwangsom verschuldigd van € 400. Het onder 2.7 vermelde verzoek van de Heffingsambtenaar kon het verbeuren van dwangsommen niet meer voorkomen, omdat dit verzoek te laat, namelijk na de ingebrekestelling, is gedaan (ABRvS 9 december 2015, 201404547/1/A3, ECLI:NL:RVS:2015:3783).

Vraag III.

4.19.

Op grond van artikel 7:15, lid 2, van de Awb, worden de kosten die de belanghebbenden in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs hebben moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van belanghebbenden voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4.20.

De Rechtbank heeft overwogen dat geen sprake is van een aan de Heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid bij het vaststellen van de WOZ-beschikking, aangezien het tweede verkoopcijfer eerst in de beroepsprocedure bekend is geworden en de Rechtbank van oordeel is dat de vastgestelde waarde op basis van de gegevens ten tijde van het vaststellen van de beschikking aannemelijk was.

4.21.

De daartegen gerichte stelling van belanghebbenden dat zij tijdens het hoorgesprek reeds hebben aangegeven dat de woning te koop stond en de vastgestelde waarde te hoog was in verhouding tot de vraagprijs, kan hen niet baten. Immers, doorslaggevend is of de Heffingsambtenaar onrechtmatig handelde bij het vaststellen van de beschikking op 31 maart 2014. Nu voor het overige niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een aan de Heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid bij het vaststellen van de beschikking, is het Hof van oordeel dat de Rechtbank terecht niet is overgegaan tot het verlenen van een tegemoetkoming van de kosten in verband met het bezwaar.

Slotsom

4.22.

De slotsom is dat hoger beroep gegrond is voor zover het betrekking heeft op de dwangsom. De uitspraak van de Rechtbank dient in zoverre te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof de reeds verbeurde dwangsom op grond van artikel 8:55c van de Awb vaststellen op € 400. Het hoger beroep is voor het overige ongegrond. Het incidenteel hoger beroep is ongegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.23.

Nu de uitspraak van de Rechtbank gedeeltelijk wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbenden het door hen ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 123 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.24.

Nu het door belanghebbenden ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.25.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2,5 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 1.237,50.

4.26.

Voor vergoeding van de kosten van het taxatierapport ziet het Hof geen aanleiding, nu de uitspraak van de Rechtbank deels wordt vernietigd op andere gronden dan de gronden die door belanghebbenden zijn aangevoerd met betrekking tot de waarde van de onroerende zaak. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

5 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch enkel voor wat betreft de beslissing inzake de dwangsom,

- verklaart het tegen de dwangsombeschikking bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de dwangsombeschikking,

- stelt de reeds verbeurde dwangsom op grond van artikel 8:55c van de Awb vast op € 400,

- gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbenden het door hen ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 123 vergoedt, en

- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 1.237,50.

Aldus gedaan op 26 januari 2017 door M. Harthoorn, voorzitter, P. Fortuin en G.J. van Muijen, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.