Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2491

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
200.213.744_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:864
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

toelating schuldsanering

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 1 juni 2017

Zaaknummer : 200.213.744/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01/316032 / FT RK 16/1428 en C/01/316036 / FT RK 16-1429

in de zaak in hoger beroep van:

1 [appellant 1] ,

2. [appellante 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] respectievelijk [appellante 2] ,

advocaat: mr. C.J. Driessen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 28 maart 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met 7 producties, ingekomen ter griffie op 5 april 2017, hebben [appellant 1] en [appellante 2] , die met elkaar in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, ieder voor zich verzocht voormeld vonnis te vernietigen en op elk van hen de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.2.

Gelet op de onderlinge samenhang van de zaken, heeft het hof de beide zaken gelijktijdig behandeld.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 mei 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant 1] en [appellante 2] , bijgestaan door mr. Driessen.

Voorts is ter zitting in hoger beroep verschenen de heer [beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder van [appellant 1] en [appellante 2] (hierna: de beschermingsbewindvoerder).

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant 1] en [appellante 2] als rechthebbenden toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is de beschermingsbewindvoerder in de gelegenheid gesteld, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt, om zijn visie op het gedane verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellant 1] en [appellante 2] te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4021).

3.2.

[appellant 1] en [appellante 2] hebben de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant 1] en [appellante 2] blijkt een totale schuldenlast van € 144.262,41. Daaronder bevinden zich twee schulden aan het CJIB van in totaal

€ 5.617,16.

Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat niet alle schuldeisers akkoord zijn gegaan.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellant 1] en [appellante 2] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en -ten aanzien van [appellante 2] - c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant 1] en [appellante 2] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest en dat ten aanzien van [appellante 2] ook niet voldoende aannemelijk is dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.4.

[appellant 1] en [appellante 2] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant 1] en [appellante 2] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Voor de oudere CJIB-boetes met betrekking tot het voertuig met kenteken [kenteken] (hierna: het voertuig) was in het verleden een betalingsregeling getroffen. Deze regeling kon door geldgebrek op enig moment niet meer worden nagekomen. In overleg met de beschermingsbewindvoerder en het CJIB wordt getracht hiervoor opnieuw een betalingsregeling te treffen.

De inspanningen van [appellant 1] om een vaste baan te verkrijgen hebben een positief resultaat opgeleverd. Hij heeft namelijk een contract voor onbepaalde tijd bij [produktiebedrijf] Produktiebedrijf [vestigingsnaam] B.V. [appellant 1] maakt aldaar zoveel mogelijk uren.

[appellante 2] heeft hele grote psychische problemen en is zeker niet in staat meer dan 8 uur per week te werken.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant 1] en [appellante 2] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

[appellant 1] was werkzaam als uitzendkracht, maar per 1 januari 2017 heeft hij een contract voor onbepaalde tijd gekregen. De mogelijkheid bestaat dat [appellant 1] een leidinggevende functie krijgt. Op dit moment werkt [appellant 1] , voor zover die mogelijkheid bestaat, meer dan 40 uur per week. Via bureau Schuldhulpverlening en de beschermingsbewindvoerder is een betalingsregeling getroffen met het CJIB, inhoudende dat gedurende 36 maanden met een maandelijks bedrag van € 132,81 de resterende CJIB-schuld integraal wordt afgelost.

[appellante 2] staat onder behandeling van een GZ-psycholoog. Zij is volgens de GZ-psycholoog op dit moment in staat om maximaal 8 uren per week te werken. Voorheen werkte zij 20 uur per week. De kinderen van [appellant 1] en [appellante 2] vragen heel veel zorg. [appellante 2] ervaart ook daarom al sinds 2010 veel spanning. Zij heeft na de bevalling last gehad van een postpartum depressie. Zij kan momenteel solliciteren mentaal niet aan en kan slechts heel weinig werken.

3.5.1.

De beschermingsbewindvoerder heeft - zakelijk weergegeven - zich achter het verzoek van [appellant 1] en [appellante 2] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling geschaard.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.6.2.

[appellant 1] en [appellante 2] zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant 1] een aanzienlijke schuld aan het CJIB laten ontstaan. Dit is een schuld die naar zijn aard in beginsel dient te worden aangemerkt als een schuld die niet te goeder trouw is ontstaan. De schuld aan het CJIB is in 2015 ontstaan en vindt zijn oorzaak in het niet laten keuren van het voertuig dan wel het niet tijdig afsluiten of verlengen van de vereiste verzekering voor het voertuig. Het hof rekent dit [appellant 1] aan, evenals dat hij welbewust aanzienlijke financiële risico’s heeft aanvaard door onverzekerd met een motorvoertuig aan het verkeer deel te nemen. Het hof gaat dan ook nadrukkelijk voorbij aan het verweer van [appellant 1] dat hij de auto nodig had voor zijn werk, maar dat hij als gevolg van hun financiële problemen niet meer in staat was om het voertuig te verzekeren. Het hof is daarom van oordeel dat de schuld van [appellant 1] en [appellante 2] - die beiden van de auto gebruik maakten - aan het CJIB niet te goeder trouw is ontstaan. .

3.7.

Op grond van artikel 288 lid 3 Fw kan het verzoek in afwijking van artikel 288 lid 1 sub b Fw evenwel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de hardheidsclausule). Het hof is van oordeel dat het beroep van [appellant 1] en [appellante 2] op de hardheidsclausule slaagt. Het is immers voldoende aannemelijk geworden dat de omstandigheden die bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schuldenlast een cruciale rol hebben gespeeld, te weten de perikelen rond een zakelijk geschil met een ex-compagnon van [appellant 1] , inmiddels duurzaam beheersbaar zijn. [appellant 1] heeft thans een betaalde arbeidsbetrekking voor onbepaalde tijd, een stabiele woonsituatie en professionele steun en begeleiding van zijn beschermingsbewindvoerder, waar hij en [appellante 2] sinds 8 december 2015 onder bewind staan. Er zijn recent dan ook geen nieuwe schulden meer ontstaan. Daarbij hebben [appellant 1] en [appellante 2] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep naar het oordeel van het hof er ook blijk van gegeven de ernst van hun actuele situatie in te zien, te begrijpen wat er in het kader van de schuldsaneringsregeling van hen wordt verwacht en overtuigd te zijn van de noodzaak om - teneinde in hun situatie een dergelijke regeling succesvol te kunnen doorlopen - professioneel te worden ondersteund en begeleid.

3.8.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.8.1.

Het hof is van oordeel dat [appellant 1] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan het in artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw bepaalde. Hij heeft er immers blijk van gegeven doordrongen te zijn van wat zijn verplichtingen uit de schuldsanering inhouden. Daarbij komt dat [appellant 1] uitzicht heeft op een leidinggevende functie, hetgeen zich mogelijk vertaalt in een hoger salaris en dus meer baten voor de boedel. Dat [appellant 1] hard werkt blijkt ook uit de urenstaat van de maand januari 2017, die vermeldt dat hij in die maand 208,59 uur heeft gewerkt. Dat komt neer op een weekgemiddelde dat ver uitgaat boven de 36 uur die de Recofa-richtlijnen voorschrijven.] Verder is voldoende aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw.

3.8.2.

Met betrekking tot [appellante 2] is het hof van oordeel dat haar verzoek om thans te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling gelet op de voorwaarden die artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw stelt, als prematuur moet worden aangemerkt. Het hof verwijst in dat verband naar de verklaring van drs. [getuige] van Praktijk voor eerstelijns psychologische zorg d.d. 3 april 2017. In deze verklaring ter zake van de beperkte arbeidsgeschiktheid van [appellante 2] heeft [getuige] het volgende verklaard:

“Sinds 14 maart jongstleden bent u bij onze praktijk in behandeling. Bij u werd de volgende diagnose gesteld: Recidiverende/chronische depressie en gegeneraliseerde angststoornis met doorbraken in vorm van paniekaanvallen. Bij ernstig overbelaste vrouw tgv de financiële problemen na het bedrijfsfaillissement van haar man en de gecompliceerde ADHD problematiek van haar beide 16 jarige zonen. Tevens is sprake van trauma in jeugd, wat geactualiseerd werd toen dochter dezelfde leeftijd bereikte.

Daar de huidige complexe problematiek escaleert ten gevolge van haar chronische overbelasting is het op dit moment gecontra-indiceerd de huidige belasting van cliënte te verhogen. Derhalve adviseer ik voorlopig zeker niet meer dan haar huidige 8 uur arbeid te verrichten. Gezien de chronische overbelasting is de ruimte voor behandeling nu reeds beperkt. Wanneer cliënte in de toekomst psychisch stabieler wordt, behoort ophoging van werkuren tot de mogelijkheden.”

3.8.3.

Gelet op de inhoud van de hierboven weergegeven verklaring van drs. [getuige] is niet, althans onvoldoende, gebleken dat de persoonlijke situatie van [appellante 2] op dit moment zo stabiel is dat zij in staat moet worden geacht aan alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen te kunnen voldoen. Het hof overweegt in dat verband dat [appellante 2] in ieder geval eerst haar behandeling dient te doorlopen opdat zij mogelijk te zijner tijd voldoende saneringsrijp kan worden geacht, temeer nu [appellante 2] nog maar zeer recent, sinds 14 maart 2017, onder behandeling staat. Dat [appellante 2] eerst (voldoende) saneringsrijp moet zijn is niet alleen in het belang van de schuldeisers van [appellante 2] maar ook in het belang van [appellante 2] zelf, mede omdat in geval van een te vroegtijdige toelating een eventuele tussentijdse beëindiging wegens niet-nakoming van de verplichtingen in beginsel het voor [appellante 2] ingrijpende gevolg heeft dat zij gedurende een periode van 10 jaar niet kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Mede gelet op het feit dat haar echtgenoot [appellant 1] thans wel wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling acht het hof termen aanwezig het verzoek van [appellante 2] aan te houden voor een periode van een half jaar, teneinde haar in de gelegenheid te stellen haar behandeling verder te doorlopen. Na ommekomst van laatstgenoemde periode verzoekt het hof de advocaat van [appellante 2] een rapportage van de behandelaar(s) van [appellante 2] in het geding te brengen, waarin valt te lezen of [appellante 2] een zodanige persoonlijke ontwikkeling heeft doorgemaakt dat zij in staat moet worden geacht aan alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te kunnen voldoen (vgl. ook artikel 5.4.3. Bijlage IV van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken).

Aan de hand van deze rapportage zal het hof vervolgens bezien of de zaak op de stukken kan worden afgedaan, dan wel of een hernieuwde mondelinge behandeling moet worden vastgesteld.

3.9.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing. Het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en het verzoek [appellant 1] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt alsnog toegewezen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw. Ten aanzien van [appellante 2] wordt bepaald dat behandeling van haar verzoek wordt aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:

[appellant 1] ,

geboren op [geboortedatum] 1969, te [geboorteplaats] ;

wonende te [postcode] [woonplaats] , aan de [adres] ;

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder;

houdt ten aanzien van [appellante 2] de behandeling van de zaak met het in rechtsoverweging 3.7.3. overwogen oogmerk aan tot woensdag, 30 november 2017, PRO FORMA;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.B. Smits, L.Th.L.G. Pellis en A.P. Zweers-van Vollenhoven en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2017.