Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:248

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
15/00882
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:2521, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag BPM. Tijdens een controle is belanghebbende aangetroffen als bestuurder van een auto die niet in Nederland is geregistreerd.

Inspecteur bewijst niet dat belanghebbende ten tijde van de controle inwoner was van Nederland. Voor het vaststellen van inwonerschap is van belang of de omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen belanghebbende en Nederland. De enkele omstandigheid dat belanghebbende regelmatig in Nederland is voor familiebezoek is daarvoor onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/27.19.1
V-N Vandaag 2017/987
FutD 2017-1041
NTFR 2017/1322 met annotatie van mr. P.A.M. Breekpot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00882

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

domicilie gekozen hebbende te [plaats 1] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 23 april 2015, nummer AWB 14/6487, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 3.503 aan belasting, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 165. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 248.

De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend, getiteld “verweerschrift”. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 1 december 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld door zijn gemachtigde, de heer [A] , advocaat te [plaats 1] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] .

1.6.

De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De bij de pleitnota behorende bijlage heeft het Hof niet tot de stukken van het geding gerekend, als zijnde tardief ingediend (zie nader onder 4.1).

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende is op 4 juli 2013 bij een controle door ambtenaren van de regiopolitie Midden- en West Brabant op de [a-straat 1] te [plaats 1] als bestuurder van een auto van het merk [merk] , type [nummer] (hierna: de auto) aangetroffen. De auto was niet in Nederland geregistreerd. Op het moment van de controle was de auto voorzien van tijdelijke Duitse kentekenplaten op naam van belanghebbende. De auto was eigendom van de broer van belanghebbende.

2.2.

Ter zake van deze constatering heeft de Inspecteur op 31 juli 2013 de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

2.3.

Uit de basisregistratie persoonsgegevens van de gemeente [plaats 1] (hierna: de GBA) blijkt dat belanghebbende van 30 oktober 2007 tot 1 maart 2010 aldaar was ingeschreven en daarna is uitgeschreven wegens vertrek naar “Onbekend”.

2.4.

Belanghebbende heeft een relatie gehad met mevrouw [C] . Hij heeft samen met haar een dochter, geboren op [geboortedatum 1] 2009. Later zijn nog twee dochters geboren, op [geboortedatum 2] 2012 en op [geboortedatum 3] 2016. De middelste dochter is pas in 2016 door belanghebbende erkend. De dochters wonen met hun moeder, mevrouw [C] , in [plaats 1] . De moeder van belanghebbende woont in [plaats 2] . Belanghebbende bezoekt zijn dochters en zijn moeder op regelmatige basis.

2.5.

Tot de gedingstukken behoren de volgende stukken:

- een huurovereenkomst, gedagtekend op 1 juni 2010, waarin is overeengekomen dat belanghebbende van [D] voor de duur van minimaal vijf jaren de ruimte aan de [c-straat] [plaats 5] huurt voor een bedrag van 3.000 dirhams per maand;

- een verklaring van [D] , gedagtekend 14 oktober 2013, dat belanghebbende bij hem verblijft in de periode vanaf 1 juni 2010 tot heden;

- een arbeidsovereenkomst tussen garage [E] en belanghebbende, waarin is overeengekomen dat belanghebbende met ingang van 1 mei 2010 als leidinggevende werkzaamheden verricht voor 34 uur per week voor een bedrag van 17.000 dirham per maand. Als adres van de garage is vermeld [b-straat] / 9 te [plaats 3] ;

- een “Verklaring omtrent woonadres” van het hoofd van het vierde stadsloket van de gemeente [plaats 4] , gedagtekend 18 augustus 2015, waarin deze verklaart dat op grond van het onderzoek dat is verricht door wijkagent [F] , belanghebbende op het adres [adres] , Residentie [naam] nr. 144 te [plaats 4] ” (hierna: het flatgebouw) woont;

- twee verklaringen van bewakers van het flatgebouw, gedagtekend 18 augustus 2015, inhoudende dat belanghebbende aldaar woonachtig is;

- een “Medische verklaring” van een arts te [plaats 4] , dr. [G] , gedagtekend 18 augustus 2015, waarin deze verklaart dat hij belanghebbende heeft onderzocht, dat belanghebbende is behandeld voor een ernstige anemie die een bloedtransfusie vereist en dat belanghebbende is behandeld voor chronische anemie sinds 2011.

2.6.

Naar aanleiding van een verzoek van de Inspecteur heeft de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden, Bureau voor sociale zaken te Marokko, onderzoek ingesteld naar belanghebbende. In een brief van 3 september 2014 is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Onderzoek in [plaats 3] en [plaats 5] heeft het volgende uitgewezen:

- De heer [belanghebbende] en [D] zijn bekend bij de lokale autoriteiten van [plaats 5] . Volgens de Moquaddem woont de heer [belanghebbende] in [plaats 4] en heeft hij geen etage gehuurd van de woning van de heer [D] in Douar (dorp) [dorp] .

- Op het adres Nº 9, [b-straat] te [plaats 3] is geen Garage [E] gevestigd. Het betreft hier een huis die volgens buurtbewoners bewoond is door een familie [H] (…). Bij onderzoek ter plaatse was het huis verlaten en op dat moment niet bewoond.

- Aangezien de straat [b-straat] in Marokko veel voorkomt, is ook onderzoek verricht in dezelfde straatnaam in [plaats 5] . Ook hier is men niet bekend met de naam [belanghebbende] en het bedrijf Garage [E] .

- Bij het Centraal Register is het niet mogelijk informatie te verkrijgen aan de hand van een bedrijfsnaam. De zoekcriteria is afgestemd op de combinatie van naam van een persoon en CIN.”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende op 4 juli 2013 als inwoner van Nederland kan worden aangemerkt.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Niet in geschil is dat:

- indien belanghebbende op 4 juli 2013 als inwoner van Nederland kan worden aangemerkt, de naheffingsaanslag tot een juist bedrag is opgelegd;

- indien belanghebbende op 4 juli 2013 niet als inwoner van Nederland kan worden aangemerkt, de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen partijen ter zitting hieraan hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.1.

Bij zijn pleitnota heeft de Inspecteur een bijlage gevoegd met gegevens van een bankrekening ten name van belanghebbende. Voorts heeft de Inspecteur ter zitting aangegeven een stuk in te willen brengen, afkomstig van de politie, met de vermelding “dienstgeheim”.

4.1.2.

Belanghebbende heeft reeds in de bezwaarfase de stelling van de Inspecteur dat belanghebbende vrijwel maandelijks contact zou hebben met de politiediensten in de regio West- en Midden Brabant, gemotiveerd betwist. In zijn beroepschrift bij de Rechtbank heeft belanghebbende dit herhaald. De Inspecteur heeft op deze betwisting geen reactie of nader bewijs van zijn stelling gegeven, niet in de bezwaarfase en evenmin in de beroepsfase, en in nadere stukken op grond van artikel 8:58 van de Awb. Eerst ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur gereageerd op de betwisting door belanghebbende en heeft hij de wens geuit om daarvan nader bewijs te overleggen.

4.1.3.

De namens de Inspecteur ter zitting verschenen ambtenaar heeft ter zitting verklaard de zaak twee weken voor de zitting te hebben overgenomen van een zieke collega. Bij het voorbereiden en bestuderen van de zaak heeft hij nader onderzoek verricht waarbij de bedoelde stukken naar voren zijn gekomen.

4.1.4.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur het nader bewijs betreffende de vrijwel maandelijkse politiecontacten ruimschoots eerder in het geding had kunnen brengen, nu belanghebbende deze stelling van de Inspecteur reeds in de bezwaarfase heeft betwist. Bij een afweging van het belang van de Inspecteur bij het bij de behandeling van het hoger beroep betrekken van de inhoud van het stuk, tegenover het belang van een doelmatige en doelgerichte voortgang van de procedure, is het bij de behandeling van het hoger beroep betrekken van bedoeld stuk niet in overeenstemming met een goede procesorde. Ook ten aanzien van de bij de pleitnota gevoegde bijlage, inhoudende gegevens van een bankrekening, valt naar ’s Hofs oordeel niet in te zien dat de Inspecteur deze niet in een eerder stadium had kunnen inbrengen. De door de Inspecteur ter zitting van het Hof gegeven verklaring voor het eerst ter zitting van het Hof inbrengen van de stukken, doet daar niet aan af, aangezien dat een omstandigheid is die voor zijn rekening komt.

4.1.4.

Gelet op het vorenoverwogene heeft het Hof de hier bedoelde stukken niet tot de stukken van het geding gerekend, als zijnde tardief ingebracht. Een en ander laat onverlet dat de Inspecteur ter zitting mag pleiten zoals hij heeft gedaan, door te stellen dat belanghebbende op 31 december 2014 een Nederlandse bankrekening had en door zijn eerder ingenomen stelling betreffende het vrijwel maandelijkse politiecontact te herhalen. Het nader bewijs middels bedoelde stukken laat het Hof evenwel buiten beschouwing.

Ten aanzien van het geschil

4.2.

Ingevolge artikel 1, zesde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2013; hierna: de Wet) is ingeval een niet-geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon, de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wet wordt in dat geval de belasting geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende met de auto, die hem ten tijde van de controle op 4 juli 2013 feitelijk ter beschikking stond, in Nederland gebruik heeft gemaakt van de weg als bedoeld in artikel 1, zesde lid, van de Wet. Wel in geschil is of wordt voldaan aan het vereiste dat belanghebbende ten tijde van de controle een in Nederland wonende persoon was.

4.4.

De vraag waar iemand woont moet op grond van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) naar de omstandigheden worden beoordeeld. Van belang is of de omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen belanghebbende en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt (vgl. Hoge Raad 12 april 2013, nr. 12/02980, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824).

4.5.

Het is aan de Inspecteur de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat belanghebbende naar de omstandigheden beoordeeld op 4 juli 2013 in Nederland woonde. De naheffingsaanslag is opgelegd op basis van de volgende omstandigheden:

- belanghebbende verblijft regelmatig bij zijn moeder te [plaats 2] ;

- belanghebbende heeft samen met [C] een dochter, geboren op [geboortedatum 1] 2009, destijds wonende te [plaats 1] ;

- aan belanghebbende zijn voorlopige aanslagen in de inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2011, 2012 en 2013 opgelegd, waarin Nederlands inkomen is begrepen;

- belanghebbende heeft vrijwel maandelijks contacten met de politiediensten in de regio West- en Midden Brabant.

Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur nog op de volgende omstandigheden gewezen die volgens hem bijdragen aan het bewijs dat belanghebbende in Nederland woont:

- volgens het bestand “Beheer van Relaties” van de Belastingdienst was de competente inspecteur tot 16 september 2015 de inspecteur te [plaats 1] ; daarna, tot 31 maart 2016, de inspecteur Buitenland; vervolgens, tot 12 mei 2016, wederom de inspecteur te [plaats 1] , en daarna wederom de inspecteur Buitenland;

- volgens het bestand “Beheer van Relaties” van de Belastingdienst was het woonadres van belanghebbende van 1 maart 2010 tot 23 juli 2015 gelegen in [plaats 6] ; daarna tot 15 september 2015 in [plaats 2] op het adres van de moeder van belanghebbende; pas na die datum een opgegeven adres in [plaats 4] , Marokko;

- belanghebbende is inmiddels vader geworden van nog twee dochters, geboren op [geboortedatum 2] 2012 en [geboortedatum 3] 2016, wonende bij hun moeder [C] , inmiddels te [plaats 7] ;

- belanghebbende had op 31 december 2014 een Nederlandse bankrekening met een saldo van € 700.

4.6.

Voorts heeft de Inspecteur gesteld dat de door belanghebbende overgelegde verklaringen over de woonplaats van belanghebbende verwarring wekken en dat belanghebbende tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Wat daar ook van zij, het Hof stelt voorop dat de Inspecteur moet bewijzen dat de omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard tussen belanghebbende en Nederland bestaat. Niet beoordeeld hoeft te worden of belanghebbende (tevens) als inwoner van Marokko kan worden aangemerkt (zie overweging 4.4). Het Hof zal dan ook geen oordeel geven over de door belanghebbende overgelegde huurovereenkomst, arbeidsovereenkomst en diverse verklaringen.

4.7.

Ten aanzien van de door de Inspecteur aangedragen omstandigheden, opgenomen onder 4.5, heeft belanghebbende het volgende aangevoerd.

- Belanghebbende is sinds 1 maart 2010 niet meer ingeschreven in de GBA. Hij is toen vertrokken naar Marokko en bezoekt zijn moeder en dochters op regelmatige basis. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld tweemaal per jaar naar Nederland te komen. Zijn moeder ziet hij ook wanneer zij jaarlijks op vakantie gaat naar Marokko. Tijdens het verblijf in Nederland, waarbij belanghebbende zijn oudste dochter, wonende bij haar moeder mevrouw [C] , bezocht, zijn de middelste en jongste dochter verwekt. De middelste dochter is pas in 2016 door belanghebbende erkend, omdat hij pas toen geloofde dat hij de vader was.

- Belanghebbende heeft geen Nederlands inkomen genoten in 2011, 2012 en 2013. De voorlopige aanslagen inkomstenbelasting zijn dan ook ten onrechte opgelegd. De Inspecteur heeft daar ook geen enkele onderbouwing van gegeven.

- Belanghebbende heeft geen strafblad en is twee keer tijdens een routinecontrole aangehouden als bestuurder van de auto. Van vrijwel maandelijks politiecontact is geen sprake.

- Belanghebbende reist voor de bezoeken aan Nederland per auto. Tot en met 2013 nam belanghebbende steeds contant geld mee om zijn uitgaven tijdens zijn verblijf in Nederland te dekken. Voor het gemak heeft belanghebbende in 2014 een Nederlandse bankrekening geopend, omdat in Nederland veel per pin gaat. Hij stort daar dan geld op, bedoeld voor zijn uitgaven tijdens zijn verblijf in Nederland.

4.8.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende op 4 juli 2013 inwoner was van Nederland. Ten aanzien van de opgelegde voorlopige aanslagen inkomstenbelasting heeft de Inspecteur geen enkele onderbouwing gegeven. Ter zitting heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat de aanslagen zijn opgelegd naar schattingen en voorts dat hij geen enkel idee heeft op welke gegevens deze schattingen zijn gebaseerd. De opgelegde aanslagen zeggen dan ook niets over de vraag of belanghebbende inwoner is van Nederland. Ook de vermeldingen in het bestand “Beheer van Relaties” van de Belastingdienst zeggen niets over de feitelijke woonplaats van belanghebbende, aangezien – zoals de Inspecteur ter zitting heeft erkend – deze vermelding niet zijn gebaseerd op de gegevens uit de GBA. Niet duidelijk is geworden op basis waarvan deze registratie in het bestand “Beheer van Relaties” heeft plaatsgevonden. Voor het bestaan van de Nederlandse bankrekening heeft belanghebbende een redelijke verklaring gegeven, nog daargelaten dat gesteld noch aannemelijk is geworden dat belanghebbende op 4 juli 2013 over een Nederlandse bankrekening beschikte. Dat belanghebbende vrijwel maandelijks politiecontact zou hebben, is door belanghebbende uitdrukkelijk ontkend en de Inspecteur heeft in de gehele procedure tot aan de zitting bij het Hof geen nader bewijs van die stelling ingebracht. Het ter zitting alsnog aangeboden bewijs, is door het Hof tardief verklaard (zie overwegingen 4.1.1 tot en met 4.1.4). Alsdan resteert als onderbouwing van het regelmatige familiebezoek. Alleen deze omstandigheid acht het Hof onvoldoende om tot inwonerschap van Nederland te concluderen. Alles overziende, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur niet aan zijn bewijslast heeft voldaan dat belanghebbende op 4 juli 2013 inwoner van Nederland was.

4.9.

De Inspecteur heeft ter zitting nog opgemerkt dat belanghebbende inzicht zou moeten geven in de pinbetalingen in Nederland en ook door het overleggen van de kassabonnen van het tanken wanneer hij naar Nederland rijdt. Voorzover de Inspecteur hiermee bedoelt te stellen dat dan een duidelijk beeld naar voren komt over de perioden waarin hij in Nederland is, overweegt het Hof dat de Inspecteur hiermee miskent dat de bewijslast niet op belanghebbende, maar op de Inspecteur rust.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank, alsmede de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag, dienen te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Nu de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur worden vernietigd, dient aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 165 respectievelijk € 248 te worden vergoed.

Ten aanzien van de kosten van bezwaar en de proceskosten

4.12.

Nu de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur worden vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.13.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 246 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 492 voor de behandeling in bezwaar, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 990 voor de behandeling van het beroep en 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 990 voor de behandeling van het hoger beroep; in totaal derhalve € 2.472.

4.14.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van € 413 vergoedt, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van bezwaar en in de kosten van het geding bij de Rechtbank en bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.472.

Aldus gedaan op 26 januari 2017 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, A.J. Kromhout en P.C. van der Vegt, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.