Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2446

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
08-06-2017
Zaaknummer
200.209.744_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 1 juni 2017

Zaaknummer : 200.209.744/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/313906 JE RK 16-1479

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.A.J.C. Koopman-van Lieshout,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] , regio team [regio team] ,

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader);

- Familie [de pleegouders] , wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de pleegouders).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: [regio] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 14 november 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 februari 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 maart 2017, heeft de GI verzocht het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 mei 2017.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Koopman-van Lieshout;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI 1] , in zijn hoedanigheid van gezinsvoogd en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] .

2.3.1.

Tevens heeft mevrouw [begeleidster van de moeder] , begeleidster van de moeder, met instemming van de GI, de zitting bijgewoond.

2.3.2.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 25 april 2017;

  • -

    het V8-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 1 mei 2017;

  • -

    het V-6 formulier met bijlage van de advocaat van de moeder van 6 mei 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 11 december 2013 (voorlopig) onder toezicht van de GI. Deze ondertoezichtstelling is sindsdien steeds verlengd.

3.3.

[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 23 december 2013 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs. Deze machtiging is eveneens sindsdien verlengd.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 26 november 2017. Tevens is de aan de GI verleende machtiging - om [minderjarige] met ingang van 26 november 2016 tot uiterlijk 26 november 2017 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs - verlengd.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing (gedeeltelijk) niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift - kort samengevat - het volgende aan.

In de eerste plaats heeft de rechtbank ten onrechte beslist dat [minderjarige] nog steeds in haar ontwikkeling wordt bedreigd en de uithuisplaatsing van [minderjarige] onterecht met een jaar verlengd.

[minderjarige] is een pittig meisje dat met de juiste en voldoende begeleiding zich goed ontwikkelt. Het pleeggezin waar [minderjarige] verblijft krijgt extra hulp en ondersteuning daarvoor. De moeder meent dat zij - met de hulp zoals het pleeggezin die ontvangt - [minderjarige] ook kan bieden wat zij nodig heeft.

De motivatie en bereidwilligheid van de moeder is bovendien groot, zij ontwikkelt zich als moeder, durft zich kwetsbaar op te stellen, geeft aan waar zij moeite mee heeft en waar zij ondersteuning wenst. Verder investeert de moeder fors in alles. Niets is haar teveel.

Er zijn niet voor niets positieve stappen gezet ten aanzien van de uitbreiding van de bezoekafspraken. Er vindt thuis omgang plaats met [minderjarige] en dit gaat goed.

De moeder is verder goed te sturen. Zij heeft zelf allerlei zaken ondernomen en stappen gezet die ook als voorwaarden aan haar zijn gesteld voor een eventuele terugkeer van [minderjarige] bij de moeder.

In de tweede plaats heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het O&O-onderzoek zal moeten uitwijzen of de opvoedcapaciteiten van de moeder voldoende zijn om [minderjarige] terug thuis te plaatsen.

De moeder acht het van belang dat er thans duidelijkheid komt over de toekomst van [minderjarige] .

Zij beschikt over de pedagogische vaardigheden die noodzakelijk zijn en kan derhalve voor [minderjarige] zorgen waardoor een uithuisplaatsing niet meer aan de orde moet zijn en derhalve beëindigd dient te worden. Er dient te worden ingezet op een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder.

3.6.1.

Ter zitting heeft de moeder daaraan toegevoegd dat het O&O-traject, in tegenstelling tot de toezegging van de gezinsvoogd ter zitting van de rechtbank dat deze na enkele weken zou worden beginnen, pas half april 2017 is gestart.

Desgevraagd heeft de moeder aangegeven dat het O&O-traject goed verloopt, [minderjarige] is nu een aantal keren, voor ongeveer anderhalf uur, bij haar thuis geweest. Iemand vanuit Stichting Oosterpoort observeert deze momenten. De evaluatie dient nog plaats te vinden.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift - kort samengevat – het volgende aan. De motivering, in het inleidende verzoekschrift van 24 oktober 2016 is nog steeds van kracht is.

De door moeder geschetste gang van zaken in het beroepschrift geeft verder een onjuiste voorstelling van zaken. Aan de moeder is meegedeeld dat de uitbreiding van de omgang naar moeder thuis geleidelijk zal gaan en dat er voor de perspectiefbepaling van [minderjarige] en haar broer en zus een onderzoek moet volgen.

Verder moet worden meegenomen dat de voorgangster van de huidige jeugdzorgwerker al aan de ouders had laten weten dat het perspectief van de kinderen niet bij de ouders ligt. De huidige jeugdzorgwerker is sinds eind 2015 betrokken en heeft de moeder en de door haar doorgemaakte ontwikkeling serieus willen nemen.

Na intern overleg is de omgang uitgebreid en is bij alle drie de kinderen van de moeder bekeken en onderzocht of zij weer bij de moeder kunnen wonen, waarna is vastgesteld dat er vanuit de observaties geen goede conclusies konden worden getrokken en dat er een O&O onderzoek nodig is.

Het is daarom onjuist om te stellen dat de GI geen stappen heeft ondernomen en dat er alleen op het initiatief van de moeder actie werd ondernomen. Het betreft een complexe casus met meerdere kinderen die veel hebben meegemaakt.

3.7.1.

Ter zitting heeft de gezinsvoogd daaraan toegevoegd dat hij een moeder ziet die de belangen van haar kinderen voorop stelt. Desondanks bestaan er nog zorgen en vragen.

Ook wordt gezien dat het voor de moeder lastig is om grenzen te stellen en overzicht te houden.

Dit maakt dat het door de Stichting Oosterpoort voorgestelde O&O-onderzoek van belang is. Dit onderzoek zal moeten worden afgewacht om vervolgens een beslissing in het belang van [minderjarige] te nemen. De GI verzoekt het hof derhalve om de bestreden beschikking te bekrachtigen.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Uit het beroepschrift volgt dat de moeder haar beroep beperkt tot de (verlenging van de) uithuisplaatsing van [minderjarige] en dit beroep geen betrekking heeft op de verlenging van de ondertoezichtstelling.

3.8.2.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.3.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.4.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van zowel artikel 1:255 lid 1 BW als artikel 1:265b lid 1 BW.

3.8.5.

Het hof is van oordeel dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd.

De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] bestaan uit het gegeven dat zij zich bij de moeder thuis in een onveilige, instabiele en conflictrijke opvoedingsomgeving bevond en dat het op dit moment nog niet duidelijk is of de moeder alsnog in staat zal zijn om te zorgen voor voldoende stabiliteit en veiligheid.

3.8.6.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is gebleken dat [minderjarige] , vanwege haar pittige karakter, een rustige, conflict loze en voorspelbare opvoedingsomgeving nodig heeft waar aandacht is voor haar ontwikkelingsproblematiek.

De moeder heeft in de afgelopen tijd stappen in de goede richting gezet en accepteert hulp. De GI heeft de omgang tussen de moeder en [minderjarige] verder uitgebreid en de eerste bezoeken bij de moeder thuis zijn begeleid door een pleegzorgwerkster van Stichting Oosterpoort. Om echter een standpunt te kunnen innemen wat betreft een eventuele thuisplaatsing is vanuit Oosterpoort aangegeven dat er meer onderzoek nodig is. Gezien wordt dat de moeder erg haar best doet, zij vindt het echter lastig om grenzen te stellen, haar aandacht te verdelen en kost het haar moeite om rustig te blijven.

Het betreffende O&O-onderzoek, gericht op de vraag of de opvoedcapaciteiten van de moeder voldoende zijn om [minderjarige] weer thuis te plaatsen, is, door omstandigheden, eerst per april 2017 opgestart en de evaluatie dient nog plaats te vinden; het is derhalve nog niet mogelijk voor de GI om hierover uitsluitsel te geven.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het noodzakelijk is dat de veiligheid van [minderjarige] wordt gewaarborgd door continuering van de uithuisplaatsing en de uitkomst van het O&O-onderzoek wordt afgewacht. Het hof begrijpt dat dit onderzoek zorgvuldig moet gebeuren en dat daarvoor tijd nodig is. Het hof spreekt de verwachting uit dat het onderzoek thans voortvarend zal worden uitgevoerd.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 november 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.A.R.M. van Leuven en C.L.M. Smeets en is op 1 juni 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.