Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:241

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
20-004103-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging van de beslissing van de rechtbank met uitzondering van de opgelegde straf en de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Het hof legt, anders dan de rechtbank, een gevangenisstraf op van 28 maanden en de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004103-14

Uitspraak : 25 januari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 18 december 2014 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-865047-14, 01-010539-14, 01-021362-14 en 01-860319-14, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 20-004642-10, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [instelling].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte vrijgesproken van het onder parketnummer 01-865047-14 onder 2 en 3 ten laste gelegde. Verdachte is ter zake van

(01-865047-14, feit 1) poging doodslag,

(01-010539-14) in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen,

(01-021362-14) in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen, en

(01-860319-14) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met aftrek van voorarrest.

Inzake parketnummer 01-865047-14, feit 1, is aan verdachte voorts de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging opgelegd.

Inzake parketnummer 01-860319-14 heeft de rechtbank aan ieder van de benadeelde partijen een immateriële schadevergoeding tot € 500,- toegekend en aan de verdachte ter zake een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Voorts is toewijzend beslist op een vordering tot tenuitvoerlegging.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Namens de verdachte is onbeperkt hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is later evenmin bij akte beperkt door partiële intrekking daarvan.

Op grond van het bepaalde in artikel 404, eerste lid, juncto artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering zal het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak van hetgeen onder parketnummer 01-865047-14 onder 2 en 3 is ten laste gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde maatregel tot terbeschikkingstelling van verdachte met dwangverpleging en, in zoverre opnieuw rechtdoende, zal opleggen de maatregel van terbeschikkingstelling met de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in het rapport van de reclassering d.d. 10 augustus 2016. De advocaat-generaal heeft tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden verzocht. Verder heeft de advocaat-generaal uiteindelijk verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

Door de verdediging is een opmerking gemaakt over een van de bewijsoverwegingen wat het boos opzet betreft en is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – voor zover het betreft de bewezenverklaringen en – behoudens het navolgende – met de gronden waarop dit berust, alsmede de kwalificaties, de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen (die hun oorspronkelijke vorderingen in hoger beroep hebben gehandhaafd) en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.

Het hof kan zich niet verenigen met de bewijsoverweging, zoals opgenomen op pagina 4 van het verkorte vonnis, inhoudende:

“De rechtbank is tevens van oordeel dat er sprake is van boos opzet op de levensberoving (…) Vervolgens heeft de verdachte /veroordeelde met het mes [slachtoffer] gestoken.”.

Het hof is van oordeel dat de bewezenverklaring niet mede op dit oordeel dient te berusten.

Het hof kan zich op grond van de nadere ontwikkelingen in hoger beroep niet verenigen met de door de rechtbank opgelegde straf, de strafmotivering, de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 mei 2012, parketnummer 20-004642-10, voorwaardelijk opgelegde straf, hetgeen dient te leiden tot een aanvulling van de aangehaalde wetsartikelen.

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte vervangt het hof bovendien, gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, de overwegingen van de rechtbank met de navolgende overweging.

Strafbaarheid van de verdachte

In hoger beroep heeft verdachte alsnog volledige medewerking verleend aan een nieuw onderzoek in het Pieter Baan Centrum.


Het hof heeft bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte mede acht geslagen op de inhoud van de in hoger beroep uitgebrachte deskundigenrapporten, in het bijzonder het Pro Justitia Rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 26 januari 2016, inhoudende als conclusies en adviezen van de deskundigen:

“Bij betrokkene is er sprake van zwakbegaafdheid. Daarnaast is sprake van een psychose

NAO, nu onder controle door medicatie. Onduidelijk is in welk kader deze psychosen moet

worden gezien. Waarschijnlijk lijdt betrokkene aan een vorm van schizofrenie die op latere

leeftijd ontstaat. Er is verder sprake van afhankelijkheid van methadon en misbruik, danwel

afhankelijkheid, van cocaïne en heroïne in langdurige volledige remmissie.

Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde (hof: alle bewezen verklaarde feiten) was betrokkene lijdende aan bovengenoemde stoornissen. (…)

De psychose die betrokkene had ten tijde van het ten laste gelegde (mits bewezen geacht)

beïnvloedde ten minste gedeeltelijk zijn gedragskeuzes en gedragingen. Betrokkene was psychotisch ten tijde van het ten laste gelegde (mits bewezen geacht). Dit uitte zich bij hem in een continue achterdocht. Hij was ervan overtuigd dat zijn omgeving het op hem gemunt had en hem onrecht wilde aandoen, dat mensen erop uit waren hem te benadelen, dat de politie hem discrimineerde. Die psychotische achtergrond kleurde al zijn belevingen en beïnvloedde zijn interpretatie van wat hij meemaakte. Het maakte hem gespannen, geagiteerd en boos, bij vlagen ook dreigend en agressief. Hij kwam daardoor tot

een gedragsrepertoire dat er voor de psychose niet bij hem gezien wordt: geagiteerd,

dreigend gedrag en structurele impulsieve agressie, vaak fors, die de omgeving niet zag

aankomen en ook niet kon plaatsen.

Terugkijkend kan het onderzoeksteam niet met volledige zekerheid zeggen dat het gedrag

van betrokkene ten tijde van en in aanloop naar het ten laste gelegde volledig veroorzaakt

werd door zijn psychose. (…) gezien bovenstaande kunnen ondergetekenden wel onderbouwen dat het gedrag van betrokkene ten tijde van en in aanloop naar het ten laste gelegde (mits bewezen geacht) grotendeels veroorzaakt werd door zijn psychose.

Hierbij zijn er nu geen aanwijzingen dat er andere factoren meespeelden in (de aanloop

naar) het ten laste gelegde dan bovengenoemd. (…)

Gezien bovenstaande komen wij tot het volgende advies (…).

T.a.v. het ten laste gelegde (mits bewezen geacht) onder parketnummer 01/865047-14 (…) (poging tot doodslag met mes in april 2014) adviseren ondergetekenden (…) om betrokkene te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar .

T.a.v. het ten laste gelegde (mits bewezen geacht) onder parketnummer 01/010539-14 en

01/021362-14 (wederrechtelijk binnendringen gemeente gebouwen, 2011 en 2014)

adviseren ondergetekenden (…) om betrokkene te beschouwen als sterk verminderd toerekeningsvatbaar . Over het wederrechtelijk binnendringen van gemeente

gebouwen is er informatie beschikbaar in de vorm van de teksten, die betrokkene op stroken

papier aan de gebouwen heeft opgehangen. De inhoud van deze teksten is dusdanig bizar

en achterdochtig gekleurd dat ondergetekenden tot de conclusie komen dat hij in deze sterk verminderd toerekeningsvatbaar geacht mag worden als gevolg van zijn toen aanwezige

psychose.

Ten aanzien van het ten laste gelegde (mits bewezen geacht) onder parketnummer

01/860319-14 (bedreigen politie agenten met een mes op 12 september 2011) adviseren

ondergetekenden (…) om betrokkene te beschouwen als sterk verminderd toerekeningsvatbaar . (…)

Het hof neemt de conclusies en adviezen van voornoemde deskundigen over en legt die ten grondslag aan zijn beslissing.

Het hof acht op grond daarvan de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde feit met parketnummer 01/865047-14 feit 1, verminderd toerekeningsvatbaar en ter zake van de bewezen verklaarde feiten met de parketnummers 01/010539-14, 01/021362-14 en 01/860319-14, sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Op te leggen straf en maatregel

Straf

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 jaar. Daarnaast heeft de rechtbank ter zake van de poging doodslag, op basis van de destijds betreffende verdachte opgemaakte rapporten, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd.

De advocaat-generaal acht, naar aanleiding van de in hoger beroep ten aanzien van verdachte opgemaakte rapporten, de terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet langer geboden en heeft gevorderd om naast een gevangenisstraf van één jaar aan verdachte op te leggen de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, te weten de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in het door de reclassering opgemaakte rapport van 10 augustus 2016.
Daarnaast heeft de advocaat-generaal verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf met het parketnummer 20-004642-10 af te wijzen, nu dit de positieve ontwikkeling van behandeling en begeleiding van verdachte mogelijk zou kunnen doorkruisen.

De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de advocaat-generaal.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft met een mes in de richting van de buik van de vriend van een familielid gestoken. Het is aan de afwerende beweging van het slachtoffer [slachtoffer] te danken dat hij niet daadwerkelijk in zijn buik is geraakt. Wel is [slachtoffer] hierbij in zijn arm gestoken, waardoor hij behoorlijk letsel heeft opgelopen. Het hof acht dit een ernstig feit en rekent dit de verdachte zwaar aan. Een feit als het onderhavige leidt tot veel maatschappelijke onrust en tot een toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers.

Tevens heeft verdachte een viertal politieambtenaren bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. De politieambtenaren hebben zich zo bedreigd gevoeld dat zij zich genoodzaakt hebben gevoeld het dienstwapen te hanteren en ook daadwerkelijk af te vuren, waarbij verdachte ernstig gewond is geraakt. De bedreiging heeft kennelijk een zeer grote indruk op hen gemaakt. Slachtoffers van dit soort feiten ondervinden daar vaak nog lang last van en de herinnering eraan hindert hen in de dagelijkse uitoefening van hun werk. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij van [benadeelde] ter terechtzitting van de rechtbank van 4 december 2014 blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

Daaraan doet niet af dat verdachte, zoals hij ook in hoger beroep een en andermaal naar voren heeft gebracht, ook zelf (en naar hij meent als enige) slachtoffer is geworden.

Voorts heeft verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen van een voor de openbare dienst bestemd lokaal. Het hof slaat acht op de omstandigheid dat lokaalvredebreuk in de regel een aanzienlijke mate van overlast en ergernis veroorzaakt aan de gedupeerde.

Kijkend naar de persoon van verdachte houdt het hof rekening met de volgende omstandigheden.

Blijkens de inhoud van het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 oktober 2016 heeft verdachte een omvangrijk strafblad. Verdachte werd in 2009 voor een poging tot zware mishandeling onherroepelijk veroordeeld tot 1 jaar gevangenisstraf. Voorts is verdachte in 2008 en 2012 onherroepelijk veroordeeld voor bedreigingen en heeft hij onderhavige strafbare feiten gepleegd tijdens de proeftijd van de laatstgenoemde veroordeling, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Tevens houdt het hof rekening met de omstandigheid dat, zoals hierboven reeds is besproken, uit het rapport door het Pieter Baan Centrum van 26 januari 2016 blijkt, dat het strafbare feit 1 van parketnummer 01-865047-14 in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend en dat de overige bewezen verklaarde feiten hem in sterk verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. Op de toerekeningsvatbaarheid zal het hof bij de oplegging van de maatregel terugkomen.

Ook heeft het hof bij de oplegging van de straf en maatregel rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en verder heeft het hof er rekening mee gehouden dat sinds de feiten hebben plaatsgevonden, zeker de feiten uit de zaak met parketnummer 01-860319-14, inmiddels geruime tijd is verstreken.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof komt hierbij tot een hogere straf dan de rechtbank, aangezien thans een andere maatregel dan de rechtbank zal worden opgelegd. Daarbij heeft het hof, vooruitlopend op hetgeen hierna zal worden overwogen, de grenzen van artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht in acht genomen.

Maatregel

Het hof heeft met het oog op de op leggen maatregel in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van voormeld Pro Justitia Rapport van het Pieter Baan Centrum, onder meer inhoudende als conclusies en adviezen van de deskundigen:

“Factoren die de kans op een recidive van een vergelijkbaar delict als waarvan betrokkene nu wordt verdacht (mits bewezen geacht) mogelijk verhogen zijn de volgende. Als betrokkene opnieuw psychotisch wordt, verhoogt dat de kans op recidive noemenswaardig, gezien de grote rol die zijn psychose in zijn delictgedrag heeft gespeeld de afgelopen jaren. Of betrokkene opnieuw psychotisch wordt of niet in de toekomst is vooralsnog onduidelijk. In ieder geval is daarbij het gebruik van antipsychotische medicatie essentieel, deze heeft de

recente psychose van betrokkene goed onder controle gekregen. Betrokkene is wisselend

over zijn medicatie gebruik. Hij is wisselend in zijn inzicht in en mening over de psychose die hij meemaakte, wanneer deze begon en of deze zijn gedrag beïnvloedde ten tijde van het

ten laste gelegde. Dit is risicovol als betrokkene in een niet gecontroleerde situatie terecht

komt zoals na detentie. Betrokkene heeft momenteel geen huisvesting buiten detentie. Dit geeft niet alleen een lastiger kader om hem in een eventueel ambulant zorgkader onder begeleiding te houden (zodat er toegezien kan worden op bijvoorbeeld het continueren van medicatie gebruik) maar kan ook zijn medicatietrouw negatief beïnvloeden (in een ongereguleerd leven zonder vaste woon plek en met zorgen hierover is het lastiger om tijdig dagelijks medicatie in te nemen dan in een gereguleerd, rustig bestaan). Hoewel goede biografische informatie ontbreekt, lijkt de [familielid] van betrokkene een steunpilaar voor hem te zijn geweest die hem ook in praktische zin steunde en hielp. Nu zij is weggevallen lijkt er een belangrijke beschermende factor voor hem te zijn weggevallen. Hierbij maakt het lage IQ van betrokkene het ongetwijfeld lastig voor hem om bepaalde zaken - woning, inkomen,

administratie - goed zelfstandig te kunnen oppakken. Daarnaast lijkt in het verdere verleden

(voor 2008) middelenmisbruik een risicofactor te zijn geweest op geweld / agressie. Blijvende abstinentie is daarmee van belang om de kans op recidive te verlagen.
Dit is risicovol als betrokkene in een niet gecontroleerde situatie terecht komt zoals na detentie, mede omdat de verslavingszorg hun begeleiding van betrokkene wil beëindigen.

Factoren die de kans op een recidive van een vergelijkbaar delict als waarvan betrokkene nu wordt verdacht (mits bewezen geacht) mogelijk verlagen zijn de volgende.

Betrokkene lijdt aan een behandelbare ziekte (een psychose), zijn delictgedrag van de

afgelopen jaren stond in direct verband met die psychose en deze is nu goed onder controle

met antipsychotische medicatie. Betrokkene is weliswaar wisselend over zijn medicatie

inname maar geeft ook aan dat hij het niet erg vindt het jarenlang te moeten gebruiken. Hij

neemt hierin de adviezen van hulpverleners serieus en hij geeft aan bereid te zijn zich hierin

te voegen. Betrokkene is weliswaar wisselend over zijn doorgemaakte psychose, maar ook

daarin neemt hij de mening van zijn behandelaars serieus, erkent hij dat hij psychotisch was

en wil hij overwegen dat hij dat misschien langer was dan hij zelf eerst dacht. Ook hierin

neemt hij de adviezen van hulpverleners serieus en geeft hij aan bereid te zijn zich hierin te

voegen. Hij is nadat zijn psychose verbleekte langdurig (gedurende maanden) een rustige,

vriendelijke en meegaande man gebleken die adequaat met conflictsituaties omgaat en niet

komt tot dreiging of geweld. Hij stelt zich open op naar zijn begeleiders en behandelaars,

luistert naar hen en zoekt steun bij hen waar nodig. Dit maakt hem goed begeleidbaar. In

een ongecontroleerde situatie zoals buiten detentie is hij tot nu toe gesteund en geholpen

door een uitgebreid steunsysteem van zowel familie als andere Sinti. Zij lijken hem te willen

en te kunnen helpen bij bijvoorbeeld huisvesting, waarbij er aanwijzingen zijn dat [familieleden] van betrokkene (gedeeltelijk) de steunende rol van [familielid] kunnen overnemen naar

hem toe. Betrokkene misbruikt geen of sporadisch middelen, waarbij hij zelf duidelijk

aangeeft dit te willen volhouden. Ook hierin stelt hij zich begeleidbaar op: hij heeft goed en

langdurig contact met zijn verslavingshulpverlener (sinds jaren).

Hiermee komen wij tot het advies (…) om de kans op recidive van een vergelijkbaar delict als waarvan betrokkene nu wordt verdacht te beschouwen als relatief groot indien hij onbehandeld en onbegeleid terug de maatschappij in zou keren, (…). Ondergetekenden schatten de kans op recidive van een vergelijkbaar delict als waarvan betrokkene nu wordt verdacht echter in als klein als er voldaan wordt aan de voorwaarden zoals hieronder beschreven.

Gezien bovenstaande adviseren wij (…) over te gaan tot een TBS met voorwaarden.

Bij de voorwaarden adviseren wij om als focus te nemen resocialisatie met specifieke

aandacht voor woonsituatie en (regelen van) administratie/financiën, waarbij ook expliciet

gekeken wordt hoe dat plaats kan vinden zonder de positie en plek van betrokkene in de Sinti gemeenschap in gevaar te brengen (die hem immers gedurende zijn hele leven een

beschermende omgeving heeft geboden). Daarnaast op het inzetten van psychiatrische

begeleiding, onder andere gericht op adequaat innemen van antipsychotische medicatie

en op blijvende abstinentie van middelen . Mogelijk kan het bestaande en goed verlopende

hulpverlenerscontact vanuit de verslavingszorg, dat binnenkort beëindigd zal worden,

gebruikt worden als basis voor het opzetten van een nieuw begeleidingscontact (een

zogenaamde 'warme overdracht' van de oude hulpverlener naar een nieuwe hulpverlener).

Bovenstaand voorwaardelijk kader is met betrokkene besproken. Hij toont zich bereid

hieraan mee te werken en ondergetekenden verwachten dat hij daartoe ook in staat moet

worden geacht nu hij adequaat medicamenteus behandeld wordt.”

Daarnaast heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 10 augustus 2016, onder meer inhoudende als conclusie en advies:

“Geadviseerd wordt om betrokkene in aanmerking te laten komen voor TBS met voorwaarden." Hierbij zijn de voorwaarden geformuleerd waarbij het hof grotendeels zal aansluiten. Het hof volgt de conclusies en adviezen van de deskundigen en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.


Het hof heeft op basis van deze rapportages de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst met ingang van 6 oktober 2016, op welke datum verdachte kon worden opgenomen in Huize Padua, GGZ Oost-Brabant te Boekel, in het kader van een klinische opname, zoals geformuleerd in één van de voorwaarden.

Uit het op 15 december 2016 opgemaakte voortgangsverslag van deze opname volgt dat GGZ Oost-Brabant een andere dan medicamenteuze behandeling niet nodig acht, maar dat wel dient te worden ingezet op langdurige begeleiding. Om die reden is verdachte aangemeld bij een woonvoorziening te Helmond, waar 16 uur per dag begeleiding beschikbaar is. Het betreft een beschermde woonvorm, welke – zo heeft het hof ter terechtzitting van 11 januari 2017 van verdachte begrepen – een woonvoorziening aan de [adres] betreft, welke ressorteert onder GGZ Oost-Brabant. Voorts is begeleiding op het gebied van financiën nodig geoordeeld.

Het hof constateert op grond van het vorenstaande ambtshalve dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Op grond van het vorenstaande staat vast dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, het door hem begane feit onder parketnummer 01-865047-14 een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en het bewezen verklaarde onder parketnummer 01-860319-14 overtreding van artikel 285, eerste lid, Wetboek van Strafrecht inhoudt, welk delict in artikel 37a Wetboek van Strafrecht is opgenomen, en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

Het hof neemt hierbij in aanmerking de inhoud van de voornoemde rapporten die

over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de bijzondere ernst van het bewezen verklaarde.

Ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen (en/of goederen) zal het hof nader te melden voorwaarden stellen betreffende het gedrag van verdachte en het hof zal de reclassering opdragen aan verdachte, ter zake van de naleving van deze bijzondere voorwaarde, hulp en steun te verlenen. Verdachte heeft zich bereid verklaard de hierna door het hof op te leggen voorwaarden na te leven.

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 11 januari 2017 gezegd dat hij het onprettig vindt dat de reclassering de zeggenschap over zijn financiën zou overnemen, bijvoorbeeld door een verplichte bewindvoering. Het hof is van oordeel, conform het advies en het voortgangsverslag, dat verdachte inzage in zijn financiën zal dienen te geven, waarbij het niet de bedoeling is dat de reclassering op dit punt verder gaat dan begeleiding en advisering, bijvoorbeeld omtrent een eventuele vrijwillige bewindvoering. Een verplichting mee te werken aan bewindvoering acht het hof een te vergaande maatregel.

Voorts heeft verdachte gevraagd of het alcoholverbod achterwege kan blijven. Hij is van mening dat ongebreidelde alcoholinname niet getolereerd moet worden, maar dat hij best een keer een biertje zou moeten kunnen drinken. Het hof zal, omdat het middelenmisbruik zich voornamelijk lijkt te beperken tot het gebruik van cocaïne, geen alcoholverbod opleggen.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde gevorderd. Het hof zal deze de vordering toewijzen en bevelen dat de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

De vordering tot tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft uiteindelijk gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 mei 2012 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden zal worden afgewezen.

Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

Voorlopige hechtenis


Gelet op de op te leggen straf, zal het hof het geschorste bevel voorlopige hechtenis met ingang van heden opheffen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37a, 38, 38a, 45, 57, 60a, 63, 139, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak van hetgeen onder parketnummer 01-865047-14 onder 2 en 3 is ten laste gelegd.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten aanzien van de opgelegde straf en maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging en de strafmotivering, en met aanvulling van de aangehaalde wetsartikelen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van het bewezen verklaarde onder parketnummer 01-865047-14 feit 1 en onder parketnummer 01-860319-14:

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt de volgende voorwaarden:

meldplicht

1. dat verdachte zich binnen drie dagen na uitspraak van dit arrest zal melden bij Novadic-Kentron, Verslavingsreclassering Eindhoven en zich hierna zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

opname in zorginstelling - klinische behandeling

2. dat verdachte op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling in het kader van de op 6 oktober 2016 gerealiseerde klinische opname, opgenomen zal blijven binnen Huize Padua te Boekel, of een soortgelijke intramurale instelling voor (forensische) psychiatrie, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven;

opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang

3. dat verdachte aansluitend aan de klinische opname binnen Huize Padua te Boekel zijn medewerking zal verlenen aan een hulpverleningstraject dat is gericht op huisvesting (instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang) of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en aldaar zal verblijven en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

behandelverplichting – ambulante behandeling

4. dat verdachte zich, indien dat nodig is, aansluitend aan de klinische behandeling laat behandelen binnen ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

drugsverbod

5. dat verdachte geen drugs zal gebruiken zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze voorwaarde zal worden ondersteund door middel van middelencontrole, in concreto urinecontrole;

andere voorwaarden het gedrag betreffende

6. dat verdachte medewerking zal verlenen aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere, maar niet uitsluitend, in;

 dat verdachte medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of het ter inzage aanbieden van een geldig identiteitsbewijs (als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht) ten behoeve van het vaststellen van de identiteit;

 dat verdachte zich zal melden op afspraken bij de reclassering, zo vaak de reclassering dat nodig acht;

 dat verdachte zich zal houden aan de voorschriften een aanwijzingen van de reclassering, die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om betrokkene te bewegen tot het naleven van de voorwaarden;

 dat verdachte zijn medewerking zal verlenen aan huisbezoeken;

 dat verdachte inzicht zal geven aan de reclassering over de voortgang van begeleiding of behandeling door andere instellingen/hulpverleners;

 dat verdachte niet zal verhuizen of van adres zal veranderen zonder toestemming van de reclassering;

 dat verdachte medewerking zal verlenen aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht;

7. dat verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het opmaken van de driepartijen-overeenkomst, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

8. dat verdachte, indien de reclassering dit wenst, de reclassering inzage zal geven in zijn financiën;

9. dat verdachte zich zal houden aan de richtlijnen van de behandelend geneesheer, ook indien dit inhoudt dat hij zich zal houden aan medicatievoorschriften, zolang deze en de reclassering dit nodig achten;

10. dat verdachte indien er sprake is van een crisissituatie meewerkt aan een ‘time-out’ c.q. crisis (FPT)-plaatsing in een FPC of een andere soortgelijke instelling. Het Openbaar Ministerie zal hierbij een opdracht verstrekken teneinde het vervoer (DV&O) te realiseren;

11.
dat verdachte zich zal onthouden van het plegen van strafbare feiten;

12.
dat verdachte zich niet zonder toestemming buiten de Europese landsgrenzen van Nederland zal begeven. Verdachte overlegt hierover vooraf met de reclassering, het Openbaar Ministerie (OM)/Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) beslist;

13.
dat verdachte medewerking zal verlenen aan het verstrekken van een actuele foto aan de reclassering ten behoeve van eventuele opsporing.

Geeft Novadic-Kentron, Verslavingsreclassering Eindhoven, opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant van 22 augustus 2014, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch van 16 mei 2012, parketnummer 20-004642-10, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur 6 maanden.

Heft op het op 6 oktober 2016 geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. F.C.J.E. Meeuwis en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.C.M. van Keulen, griffier,

en op 25 januari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.