Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:240

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
02-800216-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens diefstal (artikel 310 Sr.) en bedreiging (artikel 285 Sr.) Verdachte pakt de telefoon van zijn zus af, naar zijn zeggen om in de telefoon haar doen en laten te controleren. Oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening? Verdachte heeft de pincode van de telefoon echter niet en loopt dan naar zijn zus toe met een bijl in zijn hand, waarmee hij een slaande beweging maakt, naar zijn zeggen om te doen alsof hij de telefoon kapot zou maken als zijn zus niet de pincode van de telefoon zou geven. Bedreiging (art 285 Sr) of dwang (art. 284 Sr)?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002365-15

Uitspraak : 25 januari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 13 juli 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-800216-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging ter zake feit 1 (diefstal met geweld) en is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 (bedreiging) ten laste gelegde feit.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2017. Op deze terechtzitting is de tenlastelegging van feit 2 gewijzigd door toevoeging van een subsidiair verwijt.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende - na wijziging van de tenlastelegging - de verdachte zal vrijspreken van het onder 2 primair ten laste gelegde, bewezen zal verklaren hetgeen onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste is gelegd en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 dagen met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is door de verdediging primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van verdachte. Subsidiair heeft de verdediging bepleit de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde geweld en bedreiging met geweld.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde is geen inhoudelijk verweer gevoerd. Ten slotte is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 31 maart 2015 te Tilburg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangeefster] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het meermalen, althans eenmaal slaan en/of stompen van die [aangeefster] op/tegen het hoofd en/of het met een (hak)bijl in de hand (met versnelde pas) op die [aangeefster] toelopen;

2.
hij op of omstreeks 31 maart 2015 te Tilburg, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangeefster] dreigend een (hak)bijl getoond en/of is verdachte dreigend met die (hak)bijl in de hand (met versnelde pas) op die [aangeefster] toegelopen;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 maart 2015 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangeefster] door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, te weten het grissen/grijpen van de mobiele telefoon uit de handen van die [aangeefster] en/of (vervolgens) het houden van een (hak)bijl boven die telefoon en/of daarbij de woorden toevoegen “als je de code niet geeft, zeg dan je telefoon maar gedag”, dan wel woorden van gelijke strekking, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het geven van de (pin)code van die telefoon, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 31 maart 2015 te Tilburg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, toebehorende aan [aangeefster] ;


2.
hij op 31 maart 2015 te Tilburg, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangeefster] dreigend een (hak)bijl getoond en is verdachte dreigend met die (hak)bijl in de hand op die [aangeefster] toegelopen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Bespreking van de verweren

Ten aanzien van feit 1

A.1.

De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging bepleit en gesteld dat de door de aangeefster gedane klacht als tijdig ingetrokken dient te worden beschouwd. Daartoe is aangevoerd dat de aangeefster op 7 april 2015 tot tweemaal toe naar het politiebureau is gegaan om haar klacht in te trekken maar dat haar aldaar ten onrechte werd medegedeeld dat dit niet mogelijk was. De politie heeft aldus de aangeefster niet goed voorgelicht.

Het hof is, anders dan de politierechter en de raadsman van de verdachte, van oordeel dat, bij gebreke van objectief verifieerbare gegevens, niet kan worden vastgesteld dat de aangeefster zich daadwerkelijk op 7 april 2015 tweemaal op een politiebureau heeft gemeld om de klacht tegen haar broer in te trekken. Het hof acht haar relaas daaromtrent (p. 49-50) niet aannemelijk. Het hof acht het onwaarschijnlijk dat een burger die zich meldt op het politiebureau om een formele klacht in te trekken, daartoe niet in staat zou worden gesteld en evenmin dat van een dergelijke gebeurtenis geen mutatie zou worden opgemaakt. Ook acht het hof het onwaarschijnlijk dat aangeefster, zoals zij stelt, niet zou hebben begrepen dat zij een formele klacht had gedaan, nu blijkens het proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie (p. 8-9) aangeefster uitdrukkelijk een verzoek tot vervolging heeft gedaan en zij is geïnformeerd dat zij gedurende acht dagen de klacht kon intrekken.

Het verweer wordt verworpen.

A.2.

Het hof is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke toe-eigening van de telefoon van zijn zus. Weliswaar was de primaire intentie van de verdachte om zijn zus te controleren en om via gegevens in die telefoon te achterhalen wat zijn zus zoal uitspookte. Echter, verdachte was niet voornemens om de door hem afgepakte telefoon direct aan zijn zus terug te geven en stelde voorwaarden waaronder ze de telefoon terug zou kunnen krijgen. Toen zijn zus wegrende, is ook de verdachte weggegaan en heeft hij de telefoon onder zich gehouden (in zijn jaszak gedaan). Wanneer de verdachte kort daarna de politie ziet aankomen, terwijl hij zich samen met een vriend ophoudt in de buurt van het nabij gelegen Bernardusplein, overhandigt hij de telefoon van zijn zus aan zijn vriend. Onder deze omstandigheden heeft de verdachte zich, naar het oordeel van het hof, de heerschappij over de telefoon verschaft en zich ‘als heer en meester’ van de telefoon gedragen. De verdachte heeft aldus gehandeld met het voor een bewezenverklaring vereiste oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Dat het wellicht verdachtes bedoeling was om de telefoon slechts kortstondig onder zich te houden, doet daar niet aan af.

B.

Met de raadsman van de verdachte is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld dan wel met bedreiging met geweld. Voor de in de tenlastelegging opgenomen verfeitelijking van de geweldsonderdelen bevat het dossier onvoldoende bewijs. Het slaan van de aangeefster volgt enkel uit haar aangifte en vindt geen steun in andere bewijsmiddelen en het met een hakbijl in de hand op aangeefster toelopen was, blijkens de verklaring van de verdachte, niet gericht op de diefstal van haar telefoon maar op het verkrijgen van de toegangscode. De telefoon had verdachte op dat moment al afgepakt. Weliswaar heeft de verdachte de telefoon uit de handen van aangeefster, zijn zus, gegrist, hetgeen als een geweldshandeling zou kunnen worden beschouwd, maar nu dit niet ten laste is gelegd, wordt de verdachte van het strafverzwarende bestanddeel van de tenlastelegging vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

C.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal komt het hof tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Voor een bewezenverklaring van een bedreiging is bepalend dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kan ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Daarbij gaat het er om dat de bedreiging in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken. De bedreiging kan zowel plaatsvinden door het uiten van bedreigende taal als door gedragingen. Een gewelddadige handeling van dien aard dat bij de bedreigde de redelijke vrees kan ontstaan dat hij bij eventuele uitvoering het leven zal verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen, valt ook onder bedreiging, ook al heeft de dader niet als zijn voornemen tot het veroorzaken daarvan bepaaldelijk te kennen gegeven.

Uit de bewijsmiddelen komt het volgende naar voren. Tussen de verdachte en de aangeefster, zijn zus, was ruzie ontstaan. De verdachte wilde ter controle de gegevens in de telefoon van aangeefster inzien en vroeg haar op dwingende toon haar telefoon aan hem te geven. Toen zij deze niet direct aan de verdachte gaf, heeft hij vervolgens de telefoon van aangeefster afgepakt door deze uit haar hand te trekken. Omdat de verdachte de toegangscode wilde hebben en de aangeefster deze niet gaf, is hij de tuin ingelopen, heeft hij een zich aldaar bevindende hakbijl gepakt en is hij vervolgens met de telefoon in zijn ene en die hakbijl in zijn andere hand en waarmee hij een slaande beweging richting de telefoon maakte - zoals getoond aan het hof ter terechtzitting in hoger beroep - op de aangeefster toegelopen. Aangeefster is hierop weggevlucht naar het huis van de buren.

Het hof is van oordeel dat op grond van deze feiten en omstandigheden de handelwijze van verdachte reeds in het algemeen een redelijke vrees voor het verliezen van het leven of het oplopen van zwaar lichamelijk letsel kan opwekken en dat de verdachte door te handelen als bewezen verklaard, te weten door het tonen van een hakbijl en het met die hakbijl in de hand op de aangeefster toelopen en een slaande beweging te maken, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daarmee ook bij aangeefster de vrees voor de dood dan wel mishandeling zou opwekken, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd zoals volgt uit de bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte te veroordelen wegens diefstal en dwang tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 dagen, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, in geval van een bewezenverklaring, voor die feiten een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen meer passend is.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van de mobiele telefoon van zijn zus en aan bedreiging van die zus, waarbij hij haar een hakbijl heeft getoond, omdat de verdachte wilde controleren waar zijn zus zich mee bezig hield.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op die feiten, in onderling verband en samenhang beschouwd, alsmede gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin de verdachte de persoonlijke vrijheid van zijn zus heeft geschonden door haar telefoon af te pakken en niet voornemens te zijn deze terug te geven totdat zij hem de toegangscode zou hebben gegeven;

- de omstandigheid dat het bewezen verklaarde in huiselijke sfeer is gepleegd, een plek alwaar de aangeefster zich veilig zou moeten kunnen voelen;

- de mate waarin het bewezen verklaarde onder 2 persoonlijk leed en angst teweeg heeft gebracht bij zijn zus, zoals blijkt uit haar aangifte.

Ter zake van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

1 november 2016, waaruit blijkt dat hij reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een vermogensdelict.

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof acht, het vorenstaande in overweging genomen, passend en geboden verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Het hof overweegt daarbij dat blijkens de beslissing op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant d.d. 13 mei 2015 tot verlenging gevangenhouding, deze vordering is afgewezen en de voorlopige hechtenis van verdachte per die datum is opgeheven, maar dat het uittreksel uit de Justitiële Documentatie vermeldt dat de preventieve hechtenis in onderhavige zaak is gestart op 31 maart 2015 en is beëindigd op 16 mei 2015. Gelet hierop gaat het hof uit van een periode van verzekering en voorlopige hechtenis van 45 dagen en zal het hof een gevangenisstraf opleggen voor dezelfde duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. H.A.W. Vermeulen, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 25 januari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.