Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:239

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
20-000473-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vragen door opsporingsambtenaar naar identiteit. Geen staande houding van verdachten in de zin van artikel 52 Wetboek van Strafvordering; wel een rechtmatige uitoefening van de politietaak (artikel 3 Politiewet 2012). Verwerping verweer onrechtmatige staande houding en aanhouding wegens gebrek aan voldoende verdenking op grond van artikel 27 Wetboek van Strafvordering.

Het hof overweegt dat, reeds op grond van de hun door een collega verschafte informatie, er voor de verbalisanten voldoende aanleiding en grondslag was om te informeren naar de identiteit van een tweetal personen, waaronder de verdachte. Dit niet op grond van een strafrechtelijke verdenking van een strafbaar feit, maar in het kader van hun politietaak. Artikel 3 Politiewet 2012 stelt dat de politie tot taak heeft (…) te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde (…) en op grond van artikel 8 van de Politiewet 2012 is een ambtenaar van politie, die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak. In het onderhavige geval kon het vorderen van inzage van de legitimatiebewijzen van de personen redelijkerwijs noodzakelijk worden geacht voor de uitoefening van de politietaak, in aanmerking genomen dat de bevindingen van de collega leken te wijzen op mogelijke betrokkenheid van de te controleren personen bij overtreding van de Opiumwet.

Van een staande houding van de personen in de zin van artikel 52 Wetboek van Strafvordering was geen sprake, wel van de rechtmatige uitoefening van de politietaak. Daaraan doet niet af dat de verbalisanten aan de gecontroleerde personen de cautie hebben gegeven. Voor het geven van de cautie bestond geen juridische noodzaak, maar de gecontroleerde personen zijn in geen enkel belang geschaad door het krijgen van de cautie.

Na het krijgen van de cautie hebben beide personen herhaaldelijk gelogen door te verklaren dat zij niets te maken hadden met de Ford Focus. Deze omstandigheid en de reeds bekende omstandigheden dat uit de Volkswagen Golf twee jerrycans waren overgeladen in de Ford Focus, dat de Volkswagen Golf in verband kon worden gebracht met een woonwagenkamp waar recentelijk een ontruimd XTC- of amfetaminelaboratorium was aangetroffen en dat verdachte antecedenten had met betrekking tot de Opiumwet, zijn toereikend voor een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet. Aldus is de aanhouding van verdachte rechtmatig geschied.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000473-16

Uitspraak : 25 januari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 11 februari 2016, locatie ’s-Hertogenbosch, in de strafzaak met parketnummer 01-993295-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [woonplaats] , [adres]

Hoger beroep

Zowel de verdachte als de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis rechtsgeldig hoger beroep ingesteld. Het is het hof gebleken dat, in tegenstelling tot hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen met betrekking tot het van de zijde van het openbaar ministerie ingestelde appèl, zich in het dossier een akte instellen rechtsmiddel bevindt onder parketnummer 01-993295-15 van 22 februari 2016. Dit rechtsmiddel is blijkens een akte uitreiking op 22 april 2016 aan de verdachte in persoon betekend. Tevens bevat het dossier een schriftuur van de officier van justitie (onder datzelfde parketnummer) als bedoeld in artikel 410, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie kan derhalve worden ontvangen in het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen ten laste is gelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

Door en namens verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit. Geheel subsidiair heeft de verdediging zich aangesloten bij de door de rechtbank opgelegde straf.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, onder verbetering van gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissing van de rechtbank op de in beslag genomen goederen.

De gronden behoeven, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling en verbetering.

Bespreking van de gevoerde verweren

A. onrechtmatig verkregen bewijs, bewijsuitsluiting

A.1.

De raadsman heeft, net als in eerste aanleg, bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat op het moment van de staande houding van verdachte er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. De daarop volgende aanhouding van verdachte was dientengevolge eveneens onrechtmatig, zodat al hetgeen daaruit voortvloeit van het bewijs dient te worden uitgesloten. Nu overig bewijs niet voorhanden is, dient dit te leiden tot vrijspraak.

A.2.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijken de volgende feiten en omstandigheden.

  • -

    Op 14 juli 2015 zag verbalisant [verbalisant 1] , gekleed in burger en zich verplaatsend op een fiets, een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] geparkeerd staan op de hoek Heezerweg-Leostraat te Eindhoven. De auto stond opvallend op de stoep geparkeerd, hetgeen de aandacht trok van de verbalisant. Er zaten twee personen in de Volkswagen die om zich heen keken, wat op de verbalisant de indruk maakte dat ze ergens op stonden te wachten. Bovendien kwam het kenteken de verbalisant bekend voor.

  • -

    Daarom vroeg hij collega [verbalisant 2] via de portofoon om dit kenteken in de politiesystemen te bevragen. Hieruit bleek dat het kenteken in zeer veel registraties genoemd werd. In de meeste van deze registraties werd het kenteken in verband gebracht met het woonwagenkamp gelegen aan de [locatie] . Het was de verbalisanten ambtshalve bekend dat enkele van de bewoners van het woonwagenkamp aan de [locatie] zich bezig hielden met de productie van verdovende middelen. [verbalisant 1] was nog in maart 2015 betrokken geweest bij een grootschalige actie op dat woonwagenkamp, waarbij een ontruimd XTC- dan wel amfetamine laboratorium werd aangetroffen.

  • -

    Vervolgens vroeg verbalisant [verbalisant 1] via de portofoon aan collega’s [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , die gekleed waren in uniform en zich verplaatsten in een opvallend dienstvoertuig, om de Volkswagen Golf en de inzittenden te controleren.

  • -

    Terwijl verbalisant [verbalisant 1] in afwachting was van de komst van zijn collega’s, zag hij een man, naar later bleek de verdachte, naar de Volkswagen Golf lopen en contact hebben met (een van) de inzittenden van de Volkswagen.

  • -

    Vervolgens zag [verbalisant 1] de bijrijder uitstappen en iets van de achterbank van de Volkswagen pakken: een of twee vrij grote witkleurige voorwerpen.

  • -

    Deze persoon liep samen met de verdachte naar een andere geparkeerde auto, een Ford Focus en de Volkswagen reed vervolgens weg.

  • -

    [verbalisant 1] zag dat de verdachte het achterportier aan de bestuurderszijde van de Ford Focus opende en dat de andere persoon de witte voorwerpen op de achterbank van deze auto legde. Vervolgens liepen beide personen weg.

  • -

    Op dat moment kwamen verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] aanrijden in hun dienstvoertuig. Onderweg waren zij door verbalisant [verbalisant 1] op de hoogte gesteld van diens waarnemingen en werden zij door hem verzocht beide mannen te controleren.

  • -

    De verbalisanten zagen de beide mannen lopen, stapten uit en spraken beide personen aan. Daarbij vorderden de verbalisanten van de mannen hun identiteitsbewijzen te laten zien. Zij bleken die niet bij zich te hebben maar wel verstrekten ze hun personalia.

  • -

    [verbalisant 1] fietste voorbij de Ford Focus en zag dat de witte voorwerpen op de achterbank twee witkleurige jerrycans waren.

  • -

    Nadat de twee personen hun personalia hadden opgegeven aan de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , gaven deze verbalisanten beide personen de cautie. Vervolgens antwoordden deze personen op de vragen of ze met een auto waren en of ze uit een auto waren gestapt, dat ze van niets wisten en nergens vandaan kwamen. De door de personen opgegeven personalia werden vervolgens in het dienstvoertuig gecontroleerd.

  • -

    Verbalisant [verbalisant 3] zag vervolgens dat er twee jerrycans op de achterbank van de Ford Focus lagen en dat er een soort zwarte handschoenen bij lagen. Op de vraag van de verbalisanten aan de personen hoe het zat met de Ford Focus, gaven beide personen aan niet te weten waar de verbalisanten het over hadden.

  • -

    Hierop vertelden de verbalisanten aan de personen wat zij van hun collega [verbalisant 1] hadden vernomen en wat deze had waargenomen. Beide personen verklaarden hierop dat ze geen autosleutel bij zich hadden en in geen enkel voertuig hadden gezeten. Beiden deden hun armen omhoog en zeiden dat ze mochten worden gefouilleerd om te kijken of ze een autosleutel bij zich hadden. Deze werd na fouillering niet aangetroffen.

  • -

    Verbalisant [verbalisant 4] ging ook bij de auto kijken en zag dat er twee jerrycans lagen op de achterbank. Op de herhaalde vraag van de verbalisanten hoe het zat met de Ford en waar de sleutel was, antwoordden beide mannen wederom ontkennend en verklaarden niks met de Ford te maken te hebben.

  • -

    Na overleg (via de portofoon) met verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 2] , waarbij [verbalisant 1] aangaf dat hij zonder twijfel had gezien dat door de beide mannen een voorwerp in de Ford was geplaatst en [verbalisant 2] mededeelde dat uit controle bleek dat de persoon die zich [verdachte] had genoemd, gekend was ter zake de Opiumwet, hebben verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 2] , toen zij ter plaatse waren gekomen, de beide mannen aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet.

A.3.

Het hof overweegt dat, reeds op grond van de hun door [verbalisant 1] verschafte informatie, er voor de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] voldoende aanleiding en grondslag was om te informeren naar de identiteit van de beide personen. Dit niet op grond van een strafrechtelijke verdenking van een strafbaar feit, maar in het kader van hun politietaak. Artikel 3 Politiewet 2012 stelt dat de politie tot taak heeft (…) te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde (…) en op grond van artikel 8 van de Politiewet 2012 is een ambtenaar van politie, die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak. In het onderhavige geval kon het vorderen van inzage van de legitimatiebewijzen van beide mannen redelijkerwijs noodzakelijk worden geacht voor de uitoefening van de politietaak, in aanmerking genomen dat de bevindingen van [verbalisant 1] leken te wijzen op mogelijke betrokkenheid van de te controleren personen bij overtreding van de Opiumwet.

Van een staande houding van verdachten in de zin van artikel 52 Wetboek van Strafvordering was geen sprake, wel van de rechtmatige uitoefening van de politietaak. Daaraan doet niet af dat de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] aan de gecontroleerde personen de cautie hebben gegeven. Voor het geven van de cautie bestond geen juridische noodzaak, maar de gecontroleerde personen zijn in geen enkel belang geschaad door het krijgen van de cautie.

A.4.

Na het krijgen van de cautie hebben beide personen herhaaldelijk gelogen door te verklaren dat zij niets te maken hadden met de Ford Focus. Deze omstandigheid en de reeds bekende omstandigheden dat uit de Volkswagen Golf twee jerrycans waren overgeladen in de Ford Focus, dat de Volkswagen Golf in verband kon worden gebracht met een woonwagenkamp waar recentelijk een ontruimd XTC- of amfetaminelaboratorium was aangetroffen en dat [verdachte] antecedenten had met betrekking tot de Opiumwet, zijn toereikend voor een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet.

Aldus is de aanhouding van verdachte rechtmatig geschied.

Reeds hierom wordt het verweer verworpen, nog daargelaten dat de raadsman niet of onvoldoende heeft beargumenteerd aan de hand van de in art. 359a lid 2 Sv genoemde factoren waarom het door hem gestelde vormverzuim van de politie in de onderhavige zaak moet leiden tot bewijsuitsluiting van de in de Ford Focus aangetroffen hoeveelheid amfetamineolie.

Geen opzet/wetenschap van de amfetamineolie

B.1.

De verdediging heeft voorts vrijspraak bepleit omdat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet of wetenschap heeft gehad op/van de aanwezigheid van de amfetamineolie in de door hem gehuurde Ford Focus. De verklaring van de verdachte daaromtrent wordt door de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet weersproken. Door verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij de desbetreffende auto een dag eerder heeft gehuurd en dat hij deze vervolgens op 14 juli 2016 een paar uurtjes aan een vriend heeft uitgeleend. Op de Heezerweg te Eindhoven heeft hij de door hem gehuurde auto met de sleutels, vlak voordat hij door de politie werd benaderd, weer van die vriend teruggekregen. Dat was zo afgesproken, omdat verdachte toch bij de belwinkel op de Heezerweg moest zijn, aldus verdachte. Voorts stelt de verdachte dat hij niet in de kofferbak van de gehuurde auto heeft gekeken en dat het aldus mogelijk is dat de jerrycan met amfetamineolie zich al in de auto bevond op het moment dat hij de auto huurde, dan wel toen hij de auto terugkreeg van zijn vriend.

B.2.

Het hof acht voornoemde verklaring van de verdachte niet geloofwaardig.

Het hof stelt voorop (i) dat het niet aannemelijk is dat de vorige huurder van de auto een jerrycan met amfetamineolie in de auto zou hebben laten staan toen de auto werd ingeleverd bij de verhuurder en (ii) dat het gebruikelijk is dat een autoverhuurder de auto controleert voordat deze aan een nieuwe huurder wordt meegegeven. Het is daarom niet aannemelijk dat zich buiten weten van verdachte een jerrycan met amfetamineolie in de auto bevond toen verdachte deze auto ophaalde bij de verhuurder.

Voorts blijkt uit de onder A.2 weergegeven feiten en omstandigheden dat de verdachte heeft getracht om zijn betrokkenheid bij de desbetreffende Ford Focus te verhullen, hetgeen niet voor de hand ligt als hij daadwerkelijk nergens van wist. De verdachte heeft tot drie keer toe ontkend iets met de auto te maken te hebben.

Bovendien is – blijkens het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , dossierpagina 46 – door een getuige gezien dat een van de twee door de politie staande gehouden personen tijdens de controle iets uit zijn handen liet vallen en dat de getuige de indruk had dat dit met opzet gebeurde om het te verstoppen voor de politie. Deze getuige wees op de voortuinen van de panden waar de controle plaatsvond. Dezelfde verbalisant relateert op dossierpagina 41 dat hij de autosleutels van de Ford Focus heeft gevonden in de directe omgeving van de plaats van controle, in de struiken van de voortuin van het pand Heezerweg [nummer] .

Het hof neemt voorts in aanmerking dat de verdachte er vandoor is gegaan toen de politie tot aanhouding overging (zoals wordt gerelateerd op dossierpagina 37). Ook dit ligt niet voor de hand voor een onschuldige verdachte.

Daar komt bij dat de verklaring van de verdachte over het uitlenen van de auto aan een vriend niet verifieerbaar is, nu de verdachte desgevraagd de naam van die persoon niet wil noemen. Bovendien acht het hof het niet aannemelijk dat, als de auto al zou zijn uitgeleend aan een derde, verdachte heeft immers verklaard dat hij de lener toevallig zou zijn tegen gekomen, de verdachte zijn paspoort en een groot geldbedrag in die auto zou hebben achtergelaten en dat die ander de amfetamineolie niet uit de auto zou hebben gehaald op het moment dat hij de auto aan verdachte teruggaf.

Al met al acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij geen wetenschap had van de amfetamineolie in de auto niet aannemelijk, zodat het verweer wordt verworpen.

Opgelegde straf en strafmotivering

Het hof verenigt zich met de door de rechtbank opgelegde straf en de motivering daarvan.

Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Deze straf doet voldoende recht aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoon van de verdachte.

Voor het opleggen van een hogere straf, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, ziet het hof, daarbij ook gelet op straffen die door dit hof doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd, geen aanleiding.

Beslag

De inbeslaggenomen amfetamineolie, met betrekking tot welke het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Ten aanzien van de overige in beslag genomen goederen is niet duidelijk wie daarvan de rechthebbende is. Derhalve is het hof niet in staat de teruggave daarvan aan een met name te noemen persoon te gelasten. Daarom zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 36b, 36c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 8 liter Amfetamine Olie.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- twee paar zwarte handschoenen;

- een witte oplader/kabel;

- een zwarte oplader/kabel;

- een sleutel en

- twee lege jerrycans.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. H.A.W. Vermeulen en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 25 januari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.