Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:228

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
20-11-2019
Zaaknummer
200.194.613_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:5139
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:4217
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dit arrest gaat over een perceel grond dat Prorail heeft aangekocht omdat Prorail het tijdelijk nodig heeft gehad als werkstrook voor de verdubbeling van een spoorwegtracé. Na uitvoering van de werkzaamheden vordert de oorsponkelijke eigenaar teruglevering van het perceel door Prorail en schadevergoeding, op grond van het terugkooprecht dat in de koopovereenkomst aan de oorspronkelijke eigenaar is toegekend. Deze vordering wordt door rechtbank en hof afgewezen.

Achtereenvolgens komen aan de orde het verstrijken van de vervaltermijn voor het doen van een beroep op het terugkooprecht (6.3.2.) en de vraag of een alternatief aanbod van Prorail voldoet aan het daarover in de koopovereenkomst gestelde (6.3.4.).

Tegen de gemeente ingestelde vorderingen waren gebaseerd op misbruik van de tekortkoming van Prorail in de nakoming van haar verplichtingen, maar worden afgewezen omdat die tekortkoming niet komt vast te staan (6.3.5.).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.194.613/01

arrest van 24 januari 2017

gewezen in het incident ex artikel 22 Rv subsidiair artikel 843a Rv

in de zaak van

1 [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. M.H. den Otter te Breda,

tegen

1 Prorail B.V.,
gevestigd te Utrecht,

advocaat: mr. B.S. ten Kate te Arnhem,

2. de gemeente Best,
zetelende te Best,

niet verschenen,

3. Railinfratrust B.V.,
gevestigd te Utrecht,

advocaat: mr. B.S. ten Kate te Arnhem,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

op het bij exploten van dagvaarding van 18 november 2015, zoals hersteld bij exploten van 22 maart 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 19 augustus 2015, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch gewezen tussen appellanten

– hierna tezamen te noemen: [appellanten c.s.] en ieder afzonderlijk [appellante] en [appellant] – als eisers en geïntimeerden – hierna tezamen te noemen: Prorail c.s. en ieder afzonderlijk Prorail, de gemeente en Railinfratrust – als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/270417 / HA ZA 13-808)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 6 april 2011.

2
2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen in hoger beroep;

  • -

    de herstelexploten van 22 maart 2016;

  • -

    het tegen de gemeente verleende verstek;

  • -

    de memorie van grieven tevens houdende beroep op artikel 22 Rv tot overlegging van stukken en voorwaardelijk incident tot afgifte van/inzage in stukken ex artikel 843a Rv met producties;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident ex artikel 843a Rv van Prorail en Railinfratrust.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

Voor de beoordeling van het incident gaat het hof uit van de volgende feiten.

3.1.1.

Op 7 juni 1996 hebben de gemeente en Prorail (althans haar rechtsvoorganger NS

Railinfrabeheer B.V., thans Railinfratrust) een samenwerkingsovereenkomst gesloten om te komen tot een verdubbeling van het aantal spoorlijnen (van twee naar vier) in het baanvak [baanvak] en de realisering van een spoortunnel. Hiervoor heeft Prorail de nodige percelen aangekocht.

3.1.2.

[appellante] (appellante sub 1) heeft het haar in eigendom toebehorende perceel kadastraal bekend gemeente Best, sectie [sectieletter] nummer [sectienummer 1] (hierna: perceel [perceel 1] ), op 9 maart 1998 verkocht aan Railinfratrust. [appellant] (appellant sub 2) is bij de onderhandelingen als haar gevolmachtigde opgetreden. In artikel 10 lid 1 sub a, sub b, sub c en sub h van de koopovereenkomst is (voor zover voor dit incident van belang) bepaald:

“1.a. De verkoper of zijn rechtverkrijgenden koopt het niet definitief ten behoeve van de spoorverdubbeling benodigde deel, groot circa 349 m2 van het verkochte alsmede een hieraan grenzende strook groot circa 105 m2 van perceel kadastraal gemeente Best, sectie [sectieletter] nummer [sectienummer 2] (zoals met arcering is aangeduid op aangehechte tekening) voor een prijs van

f. 250,- per m2 (inclusief eventueel verschuldigde btw), zijnde in totaal f 113.500,-, na uitvoering van het werk ter plaatse, terug van koper. Dit een ieder ander uitsluitende recht op levering is onherroepelijk.

b. Verkoper wordt door koper zo spoedig mogelijk nadat het koper bekend is, dat en wanneer de werkzaamheden beëindigd zullen zijn bij aangetekend schrijven op de hoogte gesteld van de datum van beëindiging van de werkzaamheden ter plaatse ten behoeve van de spoorbaanverdubbeling.

c. Het recht van levering vervalt één jaar na ontvangst van het aangetekend schrijven danwel één jaar na de feitelijke beëindiging van de werkzaamheden op bedoeld stuk grond ingeval dit later is. (…).

h. Mochten koper en/of verkoper een van haar verplichtingen uit deze koopovereenkomst niet of niet geheel nakomen, is/zijn zij aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade. (…)”

3.1.3.

Prorail heeft [appellant] bij aangetekende brief van 19 februari 2003 (dagvaarding, productie 5) in de gelegenheid gesteld een keuze te maken tussen levering van perceel [perceel 1] aangevuld met een strook van circa 105 m2 van perceel [perceel 2] (voorstel A;

in totaal circa 443 m2) of levering van perceel [perceel 2] minus de strook van circa 105 m2 (voorstel B; totale oppervlakte circa 475 m2). Daarbij heeft Prorail verwezen naar de afspraak dat [appellant] die keuze zou krijgen zodra de werkzaamheden aan de spoortunnel c.a. waren voltooid.

3.1.4.

Bij brief van 9 december 2004 (dagvaarding, productie 20) kiest [appellant] voor levering van perceel [perceel 1] met de strook van [perceel 2] . Prorail/Railinfratrust heeft zich op het standpunt gesteld dat het een ieder ander uitsluitende onherroepelijke recht op levering van [appellant] op dat moment reeds was vervallen.

3.1.5.

In eerste aanleg hebben [appellanten c.s.] Prorail c.s. in rechte betrokken. [appellanten c.s.] hebben onder meer gesteld dat Prorail/Railinfratrust is tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen door het onherroepelijke een ieder ander uitsluitende recht van [appellanten c.s.] op levering van perceel [perceel 1] met strook niet te respecteren.

3.1.6.

Bij het bestreden vonnis zijn de vorderingen van [appellanten c.s.] afgewezen en zijn [appellanten c.s.] in de proceskosten veroordeeld. [appellanten c.s.] zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

3.2.

[appellanten c.s.] hebben het hof in randnummers 4.2.8 resp. 4.2.18 van hun memorie van grieven verzocht Prorail/Railinfratrust op grond van artikel 22 Rv te bevelen:

a. dat zij opleveringsrapporten dan wel die stukken in het geding brengt waaruit opgemaakt kan worden wanneer de werkzaamheden aan de (spoor)tunnel in die zin gereed waren dat het gebruik van perceel [perceel 1] niet meer nodig was;

b. met stukken onderbouwd aan te geven wanneer van alle betrokkenen toestemming is verkregen om de (nuts)voorzieningen aan te leggen en wanneer die werkzaamheden ten aanzien van percelen [perceel 1] en [perceel 2] gereed waren.

3.3.

Voor het geval dat:

1) voormeld verzoek zou worden afgewezen,

en/of

2) het hof zou oordelen dat [appellanten c.s.] onvoldoende gesteld dan wel onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt of onderbouwd hebben dat:

i. i) de werkzaamheden in de zin van artikel 10 lid 1 sub c van de koopovereenkomst van 1998 pas na de brief van 19 februari 2003 feitelijk beëindigd zijn;

ii) de percelen [perceel 1] en [perceel 2] pas na de brief van 19 februari 2003 bouwrijp waren, respectievelijk;

iii) de oppervlakte van het alternatieve perceel tenminste 500 m2 zou bedragen;

of op hen van het voorgaande de bewijslast zou rusten,

vorderen [appellanten c.s.] op de voet van artikel 843a Rv een bevel aan Prorail/Railinfratrust tot inzage in dan wel afgifte van:

  1. kopie opleveringsrapporten dan wel die stukken waaruit opgemaakt kan worden wanneer de werkzaamheden aan de (spoor)tunnel in die zin gereed waren dat het gebruik van perceel [perceel 1] als werkstrook niet meer nodig was;

  2. kopie van de ondertekende overeenkomsten van alle betrokkenen in verband met het vestigen van zakelijke rechten in verband met het aanleggen van (nuts)voorzieningen en wanneer die werkzaamheden ten aanzien van percelen [perceel 1] en [perceel 2] gereed waren; en

  3. kopie van de aantekeningen van de heer [externe deskundige] (het hof begrijpt: [externe deskundige] ; de door Prorail ingeschakelde externe deskundige) van de besprekingen met [appellanten c.s.] en/of de heer [adviseur aan de zijde van appellanten c.s.] (de adviseur van [appellanten c.s.] ) van 4 februari 1998 en van 23 februari 1998.

3.4.

Prorail en Railinfratrust hebben gemotiveerd verweer gevoerd dat hierna bij de beoordeling van de incidentele vordering zal worden betrokken.

3.5.

Voor zover [appellanten c.s.] hun incidentele vordering baseren op artikel 22 Rv, overweegt het hof als volgt. In de eerste plaats heeft te gelden dat [appellanten c.s.] aan dit artikel geen vorderingsrecht kunnen ontlenen. Artikel 22 Rv geeft aan de rechter een eigen, discretionaire bevoegdheid om een partij te bevelen stukken te overleggen. Het bevel van de rechter kan vanzelfsprekend wel het gevolg zijn van een verzoek van één van partijen aan de rechter om een dergelijk bevel te geven.

3.6.

Het hof acht gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid en derhalve toewijzing van het verzoek van [appellanten c.s.] om Prorail/Railinfratrust op de voet van artikel 22 Rv te bevelen de in randnummers 4.2.8 resp. 4.2.18 van de memorie van grieven genoemde stukken in het geding te brengen thans niet opportuun. Te dien aanzien wordt als volgt overwogen.

3.7.

Uit het bepaalde in artikel 10 lid 1 sub b en c van de koopovereenkomst volgt – voor zover hier van belang – dat het onherroepelijke recht op levering van perceel [perceel 1] met strook vervalt één jaar na ontvangst van een aangetekend schrijven over de beëindiging van de werkzaamheden ter plaatse van perceel [perceel 1] , dan wel één jaar na de feitelijke beëindiging van deze werkzaamheden ingeval dit later is.

3.8.

[appellanten c.s.] stellen met de door hen gevraagde stukken te beogen aan te tonen dat de vervaltermijn als bedoeld in artikel 10 lid 1 sub c van de koopovereenkomst later is aangevangen dan door de rechtbank in het bestreden vonnis is aangenomen, met als gevolg dat [appellant] binnen deze termijn aanspraak heeft gemaakt op verkoop en levering van perceel [perceel 1] met strook en dat Prorail/Railinfratrust door daar geen gevolg aan te geven tekort geschoten is in de nakoming van haar contractuele verplichting daartoe. [appellanten c.s.] gaan daarbij uit van een eigen interpretatie van het begrip “werkzaamheden” in de zin van artikel 10 lid 1 sub b van de koopovereenkomst. Dit begrip is in de koopovereenkomst niet nader omschreven, terwijl over de uitleg daarvan tussen partijen geen overeenstemming bestaat. Eerst zal derhalve in rechte moeten komen vast staan wat daaronder verstaan moet worden. Deze (voor)vraag staat ter beantwoording van het hof in de hoofdzaak. Daarbij komt dat [appellanten c.s.] tevens de - meer verstrekkende - stelling betrekken (in randnummer 4.2.34 e.v. van de memorie van grieven) dat Prorail/Railinfratrust (helemaal) geen beroep toekomt op het vervalbeding van artikel 10 lid 1 sub c van de koopovereenkomst. Indien dat het geval mocht blijken te zijn, kan verder in het midden blijven wanneer de vervaltermijn precies is aangevangen, zodat in dat geval overlegging van de gevraagde bescheiden met het aangegeven doel – aantonen dat de vervaltermijn op 9 december 2004 niet was verstreken – niet (meer) nodig zou zijn. Ook deze (voor)vraag staat ter beantwoording van het hof in de hoofdzaak.

3.9.

Het hof zal het verzoek van [appellanten c.s.] om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid ex artikel 22 Rv derhalve thans afwijzen. Daarmee is voldaan aan de eerste alternatieve voorwaarde voor beoordeling van de incidentele vordering ex artikel 843a Rv (zie r.o. 3.3 onder 1 van dit arrest).

3.10.

Bij de beantwoording van de vraag of [appellanten c.s.] op grond van artikel 843a Rv recht hebben op inzage in en/of afschrift van de hiervoor in r.o. 3.3 onder a. t/m c. genoemde stukken, moet worden vooropgesteld dat artikel 843a Rv niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage in dan wel afschrift van bescheiden jegens degene die deze bescheiden tot zijn beschikking of in bewaring heeft. Artikel 843a Rv stelt het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk van drie cumulatieve vereisten: de eiser moet (I) een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel en (II) inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden (III) die een rechtsbetrekking betreffen waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is of was.

3.11.

Nu [appellanten c.s.] in het geheel niet toelichten welk belang zij hebben bij het verkrijgen van inzage in dan wel afschrift van de hiervoor in r.o. 3.3 onder c genoemde (kopie) aantekeningen, dient dit onderdeel van de incidentele vordering van [appellanten c.s.] op die grond te worden afgewezen.

3.12.

Het hof komt gelet op hetgeen hiervoor onder r.o. 3.8 is overwogen tot het oordeel dat [appellanten c.s.] thans onvoldoende rechtmatig belang hebben bij hun vordering tot inzage in dan wel afschrift van de hiervoor in r.o. 3.3 onder a en b genoemde opleveringsrapporten en overeenkomsten, zodat de incidentele vordering van [appellanten c.s.] ook voor het overige moet worden afgewezen.

3.13.

Het hof zal de beslissing over de kosten in het incident aanhouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

3.14.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord aan de zijde van Prorail c.s. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vorderingen af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 7 maart 2017 voor memorie van antwoord aan de zijde van Prorail c.s.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 januari 2017.

griffier rolraadsheer