Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:226

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
04-04-2017
Zaaknummer
200.187.338_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging arbitraal vonnis.

Toepasselijkheid arbitraal beding in algemene voorwaarden.

Motiveringsplicht van artikel 1065 lid 1 onder d Rv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1065
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1810
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.187.338/01

arrest van 24 januari 2017

in de zaak van

Unis Group B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente Leeuwarden,

eiseres,

hierna aan te duiden als Unis,

advocaat: mr. E.W. Kingma te Leeuwarden,

tegen

[Schoonmaakbedrijf] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

hierna aan te duiden als [Schoonmaakbedrijf] ,

advocaat: mr. J.W. de Vries te Leeuwarden,

op de bij exploot van dagvaarding van 9 februari 2016 ingeleide vordering strekkende tot vernietiging van het arbitrale vonnis van 12 november 2015 gewezen tussen [Schoonmaakbedrijf] als eiseres en Unis als gedaagde.

1 Het arbitragegeding

Voor het verloop van het arbitragegeding verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding bij het hof

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van het arbitraal geding.

3 De beoordeling

3.1.

In deze zaak gaat het om de vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis van de Raad van Arbitrage voor de Schoonmaak- en Bedrijfsdienstenbranche. Ingevolge artikel 1064a lid 1 Rv is het hof bevoegd van deze vordering kennis te nemen, nu de plaats van arbitrage, naar Unis in 3.4 van de dagvaarding onbetwist heeft gesteld, ’s‑Hertogenbosch is.

3.2.

Het arbitragebeding staat opgenomen als artikel 17 in de Algemene Voorwaarden voor Schoonmaakwerkzaamheden, vastgesteld door: De Ondernemersorganisatie Schoonmaak- en Bedrijfsdiensten (OSB) – verder: de OSB-voorwaarden - en in het gelijkluidende artikel 17 van de hierna te noemen conceptovereenkomst van 25/27 november 2013 en luidt:

a. Alle geschillen omtrent interpretatie, uitvoering en beëindiging van de overeenkomst zullen, met uitsluiting van de burgerlijke rechter en van hoger beroep, ter berechting worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor de Schoonmaak- en Bedrijfsdienstenbranche. Een geschil is aanwezig, wanneer één van partijen verklaart dat zulks het geval is.

b. (…)

c. (…)

Nu arbitraal hoger beroep is uitgesloten is Unis in zoverre ontvankelijk in het vernietigingsgeding.

3.3.

Unis beroept zich op de vernietigingsgronden van artikel 1065 lid 1 aanhef onder a Rv (een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt) en d (het vonnis – dat wil zeggen het oordeel dat er wel een geldige overeenkomst van arbitrage bestaat - is niet met redenen omkleed). Kort gezegd stelt Unis zich op het standpunt dat de OSB-voorwaarden niet zijn overeengekomen, alsmede dat de conceptovereenkomst niet heeft geleid tot een schriftelijke overeenkomst (met een arbitraal beding).

3.4.

In deze zaak gaat het, kort gezegd, om het volgende. [Schoonmaakbedrijf] heeft van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 schoonmaakwerkzaamheden verricht ten behoeve van Unis (Unis Group B.V. en/of Unis Group Facilities B.V., dat was in geschil). De rechtsverhouding is geëindigd. Er zijn over de afwikkeling van de rechtsverhouding geschillen gerezen.

In het arbitrale vonnis is Unis veroordeeld, kort gezegd, om aan [Schoonmaakbedrijf] te betalen:

- € 2.147,13 ter zake een beëindigingsvergoeding personeel;

- € 7.000,- schadevergoeding wegens schending opzegtermijn;

- wettelijke handelsrente over twee facturen (over € 7.214,77 van 30 december 2014 tot 14 januari 2015 en over € 39,93 vanaf 25 september 2014 tot 14 januari 2015, door het hof berekend op € 26,50 in totaal);

- kosten van de rechtsbijstand van [Schoonmaakbedrijf] ad € 4.500,-;

- kosten van arbitrage ad € 7.278,15.

3.5.

De toepasselijkheid van het arbitraal beding.

3.5.1.

De arbiter heeft dienaangaande het volgende overwogen en beslist.

3.2

Arbiter zal het eerstgenoemde punt van verweer als eerste behandelen. In de offerte van 7 mei 2013 heeft [Schoonmaakbedrijf] uitdrukkelijk gesteld dat op de te sluiten overeenkomst de Algemene Voorwaarden (verder ook: AV) van OSB van toepassing zijn. Deze werden bijgesloten in de vorm van een OSB-brochure van 1 pagina, die op de voorzijde verwees naar de AV OSB die op de achterzijde afgedrukt waren, in kleine letter. Overigens heeft Unis betwist die AV toen ontvangen te hebben.

3.3

In het op 25 nov. 2013 aan Unis toegezonden “concept van het contract” werden op pp. 3-10 de voorwaarden van de overeenkomst opgenomen, die op 2 onderdelen afweken van de tekst van de Algemene Voorwaarden OSB. In art. 10, sub e is bepaald:

“Betalingsgeschillen kunnen worden voorgelegd aan de rechter, die volgens de wettelijke competentieregels bevoegd is”.

Deze bepaling is niet opgenomen in de AV OSB (2007).

In art. 10, sub f wordt bepaald:

“Alle kosten, voortkomend uit een eventuele gerechtelijke of buitengerechtelijke invordering, zijn voor rekening van de opdrachtgever.”

In de AV OSB (2007) wordt in art. 10 sub d echter gesteld, in aansluiting op de bovenstaande bepaling:

“De buitengerechtelijke kosten worden gesteld op 15% van de hoofdsom”.

In ieder geval wordt in de AV opgenomen op pp. 3-10 van de concept-overeenkomst in art. 17 bepaald:

“a. Alle geschillen omtrent interpretatie, uitvoering en beëindiging van de overeenkomst zullen, met uitsluiting van de burgerlijke rechter en van hoger beroep, ter berechting worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor de Schoonmaak- en Bedrijfdienstenbranche. Een geschil is aanwezig wanneer één van de partijen verklaart dat zulks het geval is. [..]“.

Deze bepaling is identiek aan art. 17 sub a van de AV OSB, waarnaar in de offerte van 7 mei 2013 door [Schoonmaakbedrijf] verwezen werd, en bij gesloten werden (dat laatste is betwist door Unis).

3.4

Arbiter stelt vast dat het onderhavige geschil naar aard en omvang geen “betalingsgeschil” is als bedoeld in art. 10 sub e, waarbij sprake is van een eenvoudig incassoprobleem. Daarmee staat vast dat het onderhavige geschil op grond van art. 17 sub a van de concept-overeenkomst die op 25 nov. 2013 aan Unis toegezonden werd en op 27 nov. 2013 aan Unis overhandigd, voor arbitrage vatbaar is.

Thans dient nagegaan te worden of dat concept geleid heeft tot de overeenkomst die partijen met elkaar overeengekomen zijn. Daaromtrent komt Arbiter tot het volgende oordeel.

3.5

Tijdens de onderhandelingen tussen partijen over het overeen te komen schoonmaakcontract heeft [Schoonmaakbedrijf] op 18 april 2013 de inventarisaties van de verschillende afdelingen in het bedrijfsgebouw van Unis gestuurd, ter voorbereiding van het opstellen van Werkprogramma’s. Dit document van 6 blz. heeft als titel: “Inventarisatie HK en TD [TD] ”.

[Schoonmaakbedrijf] heeft daarna op 7 mei 2013 een offerte uitgebracht aan Unis, offertenr. [offertenummer] , een aangepast voorstel. Daarin werd rekening gehouden met de omstandigheden die samenhingen met de overgang van bedrijfsvoering, zoals: de reductie van schoonmaakuren, die van 130 uren p/w teruggebracht moesten worden naar de 70 uren die volgens [Schoonmaakbedrijf] nodig waren om het schoonmaakwerk te kunnen doen, de overname van 3 medewerkers, e.d. De contractsom was € 5.962,62 p/mnd. Melding wordt gemaakt van werkzaamheden die in een werkprogramma uitgewerkt zijn; deze worden “voordat de contractsperiode ingaat nog volledig met u doorgenomen, om ze goed af te stemmen met uw wensen en die van de gebruikers van uw locaties”.

3.6

[Schoonmaakbedrijf] had aangeboden een berekening te maken van de ontslagvergoedingen voor de 3 medewerkers; deze wordt op 5 nov. 2013 aan Unis gestuurd in een brief met bijlagen d.d. 3 nov. 2013. Op 25 nov. 2013 volgen “nieuwe berekeningen inzake de ontslagvergunningen” (gebaseerd op nieuwe maandinkomens van de medewerkers) eveneens per email aan Unis toegezonden.

3.7

Op 25 nov. 2013 stuurt [Schoonmaakbedrijf] een concept-overeenkomst aan Unis, contractnr. [offertenummer] , die op 27 nov. 2013 ook als document overhandigd wordt en op die datum door zware delegaties van beide partijen besproken wordt. Voor [Schoonmaakbedrijf] waren aanwezig: dhr. [vertegenwoordiger namens geintimeerde 1] , mevr. [vertegenwoordiger namens geintimeerde 2] en mevr. [vertegenwoordiger namens geintimeerde 3] ; voor Unis waren dat: mevr. [Office Manager van Unis] , Office manager van Unis, en mevr. [vertegenwoordiger namens Unis 4] .

Op p.1 van dat stuk wordt met betrekking tot de overeenkomst tussen de partijen vermeld:

“op basis van de voorwaarden zoals omschreven op de hierna volgende pagina’s van de overeenkomst”. Op die pagina’s, pp. 3-10, staan de contractsvoorwaarden die vrijwel geheel overeenkomen met de AV van OSB.

Ook staat vermeld:

“Tevens komen de opdrachtgever en aannemer overeen dat de verbijzondering van de te leveren diensten en producten en de daarbij behorende condities in separate, onlosmakelijk aan deze overeenkomst [als] bijlagen verbonden zal worden.”

Op p.2 staat, onder het kopje: “Verbijzondering levering”:

“Te leveren diensten: Het uitvoeren van schoonmaakwerkzaamheden op basis van bijgevoegd schema en werkprogramma (zie pagina 13 t/m l8).”

Daarop volgen verdere bijzonderheden, zoals:

“Startdatum: 1 januari 2014, Einddatum: n.v.t., facturering: maandelijks”.

De pagina’s 13-18 ontbreken in het als Prod. 5 bij MvE overgelegde document. Op verzoek van Arbiter is alsnog door [Schoonmaakbedrijf] op 22 sept. 2015 overgelegd: “Werkprogramma’s Unis”, 4 blz., met als bijlage: 6 blz. Inventarisatielijsten.

3.8

De op 27 nov. 2013 gemaakte afspraken zijn door [Schoonmaakbedrijf] bevestigd bij brief van 27 dec. 2013 van [direkteur] , Direkteur, waarvan Unis betwist heeft dat zij deze ontvangen zou hebben. Uit die brief blijkt dat afgesproken is dat [Schoonmaakbedrijf] op 1 jan. 2014 met de werkzaamheden zou aanvangen en wordt melding gemaakt van de overeenkomst die op 25 nov. 2013 aan Unis per email toegezonden werd en op 27 nov. 2013 overhandigd op de bespreking van die datum. Ook wordt gezegd:

“Zoals besproken komt u nog terug op de afwikkeling van de ontslagvergoedingen en/of urenvermindering.

Op deze bevestiging zijn de Algemene Voorwaarden Schoonmaakwerkzaamheden van de OSB van toepassing.”

3.9

Het eerste punt is begrijpelijk, Unis had de nieuwe berekeningen pas op 25 november ontvangen en de materie was vrij gecompliceerd. Unis heeft daarover gesteld dat zij aan haar juridisch adviseur, mr. Kingma, advies gevraagd heeft (inzake de figuur van “overgang van een onderneming”).

Arbiter stelt vast dat de afspraken die partijen daarover gemaakt hebben een nevenovereenkomst van de schoonmaakovereenkomst van 27 nov. 2013 vormen. Op de inhoud daarvan, die partijen verdeeld houdt, zal hieronder nog ingegaan worden. Ook met betrekking op de overname van materieel van Unis door [Schoonmaakbedrijf] werd een nevenovereenkomst gesloten; het aanbod van [Schoonmaakbedrijf] d.d. 17 dec. 2013, met een bedrag van € 5.496,-, werd op 20 december door Unis geaccordeerd, door haar direkteur [directeur van Unis] , waarna betaling is gevolgd.

3.10

Op 1 jan. 2014 is [Schoonmaakbedrijf] met de schoonmaakwerkzaamheden in het pand van Unis begonnen; de faktuur voor de maand januari, ad € 5.962,62, dus conform de offerte van 7 mei 2013, is door Unis betaald, evenals dezelfde fakturen voor de erop volgende maanden. De schoonmaakwerkzaamheden moeten op een Werkprogramma gebaseerd zijn geweest, dat door partijen in overleg vastgesteld werd.

3.11

Unis heeft begin 2014 ook uitvoering gegeven aan de afspraken die op 27 nov. 2013 gemaakt waren over de overname van personeel van Unis door [Schoonmaakbedrijf] en de kosten die daarmee gemoeid waren. Dit betreft de ontslagvergoeding van mevr. [ex-werknemer] (faktuur d.d. 13 febr. 2014) en vakantievergoedingen personeel (faktuur d.d. 13 febr. 2014), beide door Unis, voldaan (resp. € 3.756,- en € 5.065,01). Beide fakturen waren overigens geadresseerd aan Unis Group Facilities B.V., als werkgever van het personeel dat door [Schoonmaakbedrijf] overgenomen was.

3.12

Tenslotte is het Unis Group geweest die op 13 nov. 2014 [Schoonmaakbedrijf] aangezegd heeft de overeenkomst met haar te beëindigen per 1 jan. 2015. Dat gebeurde op briefpapier van “Unis Group”, de brief was getekend door [directeur van Unis] , Direkteur. Dit gebeurde in de volgende bewoordingen:

“Na sinds januari 2014 gebruik te hebben gemaakt van uw diensten, hebben wij besloten de samenwerking per 31 december 2014 te beëindigen.

Naast de schoonmaak hebben wij ook het bedrijfsrestaurant uitbesteed en we zijn tot de conclusie gekomen dat we deze zaken vanaf 1 januari 2015 in eigen beheer gaan uitvoeren.”

3.13

De hier weergegeven feiten brengen Arbiter tot de conclusie dat de schoonmaakovereenkomst die op 1 jan. 2014 een aanvang genomen heeft, niet anders kan zijn dan de overeenkomst die op 27 nov. 2013 door Unis aanvaard is, conform de conceptovereenkomst zoals op 25 nov. 2013 per email toegezonden en haar op 27 november overhandigd. De werkzaamheden werden uitgevoerd op grond van het overeengekomen Programma van werkzaamheden, maandelijks gefactureerd tegen de overeengekomen contractprijs, welke fakturen iedere maand betaald werden.

3.14

In de overeenkomst die door partijen gesloten werd is voorzien in een arbitrageclausule (art. 17) verwijzend naar de Raad van Arbitrage OSB, met het gevolg dat Arbiter bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen op grond van die bepaling in de overeenkomst van partijen.

3.5.2.

Bij de beoordeling van de vraag of een arbitraal beding is overeengekomen stelt het hof voorop dat toepassing dient te worden gegeven aan de Haviltex-norm. Die geldt ook voor mondelinge overeenkomsten en bij de beantwoording van de vraag of een overeenkomst dan wel beding tot stand is gekomen: vaststelling dient plaats te vinden aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat [Schoonmaakbedrijf] in haar offerte van 7 mei 2013 heeft verwezen naar de OSB-voorwaarden (in geschil is alleen of deze waren meegezonden). Er staat:

Op deze offerte zijn de Algemene Voorwaarden Schoonmaakwerkzaamheden van de OSB van toepassing.

Daarmee heeft [Schoonmaakbedrijf] te kennen gegeven – een aanbod gedaan als bedoeld in artikel 6:217 BW - een eventueel te sluiten overeenkomst te willen aangaan onder toepasselijkheid van die voorwaarden, en daarmee onder toepasselijkheid van het arbitragebeding.

Het hof verwerpt de stelling van Unis (2.5 dagvaarding) dat uit deze zinsnede blijkt dat de algemene voorwaarden alleen van toepassing zijn op de offerte, niet de onderhandelingen over de overeenkomst en de te sluiten overeenkomst. Uiteraard is bedoeld aan te geven dat op de overeenkomst, tot stand te komen op basis van de offerte, de algemene voorwaarden van toepassing zullen zijn. De beperktere uitleg die Unis geeft (alleen beperkt tot de offerte) is onbegrijpelijk en wordt door haar ook niet anders onderbouwd dan met een tekstuele uitleg, daar waar een uitleg op grond van Haviltex moet worden gevolgd. Unis moest gaan verwachten dat die voorwaarden, althans het arbitraal beding, van toepassing zouden worden.

3.5.4.

Unis heeft in de na de offerte gevoerde onderhandelingen dit deel van het aanbod niet ter discussie gesteld, in het bijzonder heeft zij niet te kennen gegeven de toepasselijkheid van die voorwaarden niet te aanvaarden, noch heeft zij harerzijds een (tegen)aanbod gedaan waarin die voorwaarde niet voorkwam of waarin zij bijvoorbeeld een set van eigen voorwaarden voorstelt. Overigens blijkt ook niet dat Unis de algemene voorwaarden - waarvan zij nu stelt dat die niet waren bijgevoegd - heeft opgevraagd bij [Schoonmaakbedrijf] , bijvoorbeeld om zich te beraden over de aanvaardbaarheid.

Aldus heeft [Schoonmaakbedrijf] mogen begrijpen dat de OSB-voorwaarden deel zouden gaan uitmaken van de te sluiten overeenkomst en komt aan Unis in beginsel geen beroep toe op het ontbreken van haar wil en wilsovereenstemming dienaangaande, artikel 3:35 BW. Daaraan doet niet af dat de onderhandelingen hebben geleid tot een overeenkomst die op enkele andere punten afwijkt van de offerte.

3.5.5.

Zoals door de arbiter – onbetwist – werd overwogen stond het arbitraal beding eveneens in het conceptovereenkomst, namelijk op pagina 9 als artikel 17, door [Schoonmaakbedrijf] op of omstreeks 25/27 november 2013 aan Unis gezonden en door laatstgenoemde ontvangen. Aldus heeft Unis kennis genomen van het arbitraal beding. Unis heeft ook ten aanzien van dit aanbod het arbitraal beding niet ter discussie gesteld, in het bijzonder heeft zij niet te kennen gegeven de toepasselijkheid van die voorwaarden niet te aanvaarden, noch heeft zij harerzijds een (tegen)aanbod gedaan waarin die voorwaarde niet voorkwam of waarin zij bijvoorbeeld een set van eigen algemene voorwaarden voorstelt.

Unis moest gaan verwachten dat die voorwaarden, althans het arbitraal beding, van toepassing zou gaan worden. En ook hier geldt dat aan Unis in beginsel geen beroep toekomt op het ontbreken van haar wil en wilsovereenstemming ten aanzien van het arbitraal beding, artikel 3:35 BW

Dat de pagina’s 13 tot en met 18 ontbraken, zoals Unis stelt, maakt dit niet anders, temeer omdat die pagina’s zien op een bijlage met een werkprogramma in overeenstemming waarmee de werkzaamheden zouden worden uitgevoerd.

In punt 2.6 van de dagvaarding stelt Unis dat in deze conceptovereenkomst, noch in de begeleidende mail, de algemene voorwaarden worden genoemd of toepasselijk worden verklaard. Deze stelling is in zoverre onjuist dat in artikel 4 wel wordt verwezen naar de Algemene voorwaarden en dat de bepalingen van het concept ook overigens in overwegende mate gelijkluidend zijn aan de tekst van de OSB-voorwaarden.

3.5.6.

Het hof merkt – ter zijde - nog op en dat in de tekst van artikel 4 – kennelijk door mevrouw Biegel van Unis, zie 2.7 dagvaarding - een ‘krul’ is gezet (kennelijk ter aanvaarding). Bovendien is in de kop, na het woord ‘OVEREENKOMST’ met de pen toegevoegd: “= identiek aan algemene voorwaarden”. Dat de aantekeningen later zijn geplaatst wordt niet gesteld, al valt dat niet uit te sluiten gelet op het gestelde in 2.10 van de dagvaarding. Niet gesteld wordt door [Schoonmaakbedrijf] dat zij vóór dit geding kennis heeft genomen van deze aantekeningen, zodat zij niet kunnen worden gerekend tot dat wat is overeengekomen.

3.5.7.

In 2.9 van de dagvaarding stelt Unis ten aanzien van diverse punten van de conceptovereenkomst niet akkoord te hebben willen gaan en die overeenkomst niet te hebben ondertekend. Maar Unis stelt niet dat tot die punten het arbitraal beding behoort.

3.5.8.

Partijen hebben verder gedebatteerd over de bevestigingsbrief van [Schoonmaakbedrijf] aan Unis van 27 december 2013. Ook daarin wordt verwezen naar de OSB-voorwaarden. Unis betwist deze brief te hebben ontvangen (2.12 dagvaarding). Anderzijds stelt Unis niet dat harentwege een bevestiging aan [Schoonmaakbedrijf] is gezonden, om de overeenkomst definitief te maken of ter bevestiging van afwijkende voorwaarden, noch heeft zij een (tegen)conceptovereenkomst voorgesteld.

Zij erkent wel (2.13 dagvaarding) dat [Schoonmaakbedrijf] haar werkzaamheden in januari 2014 is aangevangen. Unis voert aan in afwachting te zijn geweest van de definitieve versie van de overeenkomst. Het hof stelt vast dat zo’n overeenkomst er niet is gekomen en dat Unis na 1 januari 2014 daarop ook niet heeft aangedrongen. Kennelijk volstond datgene waaromtrent partijen mondeling overeenstemming hadden.

3.5.9.

Uit vorenstaande volgt dat er een overeenkomst tot stand gekomen is en dat de uitgevoerde werkzaamheden en daar tegenover staande betalingsverplichting van Unis het directe resultaat is van de gevoerde onderhandelingen over die overeenkomst. Wat er ook moge zijn van de exactheid van de overige afspraken waaronder deze werkzaamheden werden uitgevoerd, tot de bedingen van de overeenkomst behoort in ieder geval het door [Schoonmaakbedrijf] voorgestelde arbitraal beding, waarvan Unis kennis droeg, waartegen zij niet heeft geprotesteerd, en waartegen zij geen (tegen)aanbod heeft gedaan. [Schoonmaakbedrijf] mocht deze toepasbaarheid zonder meer verwachten. Aldus behoort het arbitraal beding tot de rechtsverhouding tussen partijen, althans Unis mag zich er niet op beroepen dat zij dit beding niet heeft gewild (artikel 3:35 BW).

3.5.10.

Van bijzondere omstandigheden die nopen tot een andere uitleg van hetgeen partijen van elkaar mochten verwachten is het hof niet gebleken. De omstandigheid dat geen schriftelijke overeenkomst tot stand is gekomen en dat partijen wellicht nog niet ‘uitonderhandeld’ waren (nog niet op alle onderdelen overeenstemming hadden bereikt) staat niet aan het aanvaarden van het arbitraal beding in de weg. De uitleg die Unis aan de rechtsverhouding geeft (2.13, 3.19 en 3.20 van de dagvaarding), namelijk dat alleen overeenstemming bestond over de omvang van de activiteiten en de prijs en dat [Schoonmaakbedrijf] de werkzaamheden op maandelijkse basis zou verrichten, acht het hof onvoldoende. Daarin wordt immers niet gemotiveerd stelling genomen tegen de toepasbaarheid van het arbitraal beding. In het bijzonder worden geen feiten en omstandigheden aangevoerd waarom niet, naast werk en prijs, ook het arbitraal beding geacht moet worden te zijn overeengekomen.

3.5.11.

Voor (nadere) bewijslevering acht het hof geen plaats, nu Unis geen door [Schoonmaakbedrijf] gestelde feiten en omstandigheden heeft gesteld die, zo bewezen, tot een ander oordeel aanleiding kunnen geven. Zo wil Unis bewijzen (3.13 dagvaarding) dat de algemene voorwaarden haar bij de offerte niet ter hand zijn gesteld en dat zij niet akkoord is gegaan met de conceptovereenkomst (deze niet heeft ondertekend). Zij miskent dat zij, ook als zij in dat bewijs slaagt, gebonden is aan het arbitraal beding, zoals hiervoor overwogen. Waar het, kort gezegd, op aankomt is dat partijen een overeenkomst zijn aangegaan (en ook hebben uitgevoerd) en dat dit is geschied op grond van een offerte en conceptovereenkomst van [Schoonmaakbedrijf] inhoudende een arbitraal beding, aan welk beding [Schoonmaakbedrijf] , gelet op de omstandigheden van het geval, Unis mag houden.

3.5.12.

Unis heeft zich tevens beklaagd over schending van artikel 1065 lid 1 onder d Rv, de motiveringsplicht. In 3.23 van de dagvaarding komt zij op tegen het oordeel dat er geen sprake is van een betalingsgeschil als bedoeld in artikel 10 sub e van de conceptovereen-komst van 25/27 november 2013.

Dit artikel 10 heeft betrekking op de betaling van facturen. Sub e bepaalt dat betalingsgeschillen kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.

Dat de verschuldigdheid van de beëindigingsvergoeding en de schadevergoeding wegens schending van de opzegtermijn niet onder geschillen over de betaling zijn te brengen, maar moeten worden gerubriceerd onder geschillen omtrent interpretatie, uitvoering en beëindiging van de overeenkomst (als bedoeld in het arbitragebeding) staat op grond van al het voorgaande voldoende vast en behoeft geen toelichting. Unis zet dat ook niet uiteen en verzoekt slechts het hof ‘ook dit punt nader te onderzoeken en hier een oordeel over te geven’.

Ten aanzien van de gevorderde handelsrente over twee facturen kan worden aangenomen dat dit een ‘betalingsgeschil’ betreft, ware het niet dat de verschuldigdheid niet in geschil was, maar alleen de vraag of Unis Group Facilities B.V. dan wel Unis Group B.V. deze rente verschuldigd was.

Voor de vraag of sprake is van schending van artikel 1065 lid 1 aanhef en onder d Rv stelt het hof voorop:

dat bij de beoordeling of vernietiging van een arbitraal vonnis dient plaats te vinden op de grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed in de zin van artikel 1065, lid 1 aanhef en onder d Rv, volgens vaste rechtspraak de volgende maatstaf moet worden aangelegd (Hoge Raad 25 februari 2000, NJ 2000/508, Hoge Raad 9 januari 2004, NJ 2005/190 en Hoge Raad 22 december 2006, NJ 2008/4). Vernietiging is slechts mogelijk indien een motivering ontbreekt of indien het vonnis weliswaar een motivering bevat, maar daarin niet enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing valt te ontwaren, waardoor het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld. Dit criterium moet door de rechter met terughoudendheid worden toegepast, in die zin dat hij slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. Aan de rechter komt niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen (vgl. Hof Den Haag 10 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3324, rov. 29).

De arbiter heeft in de rechtsoverwegingen 4.24-4.26 geoordeeld waarom hij meende bevoegd te zijn tot honorering. Mitsdien kan niet worden gezegd dat het vonnis op dit punt niet gemotiveerd is, in de zin van artikel 1065 Rv.

3.5.13.

In 2.26 van de dagvaarding stelt Unis nog dat veel van de aannames van de arbiter niet met redenen zijn omkleed waardoor onduidelijk is op basis van welke gegevens de arbiter tot zijn oordeel komt. Ook deze, niet nader onderbouwde stelling, kan niet tot vernietiging van het arbitraal vonnis leiden. Niet geoordeeld kan worden dat het vonnis ‘niet’ is gemotiveerd. Een ruimere motivering dan gegeven is niet vereist.

3.6.

De conclusie is dat het beroep op vernietiging van het bestreden arbitraal vonnis moet worden verworpen zodat de vordering van Unis moet worden afgewezen. Unis zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld (tariefgroep II, één punt).

4. De uitspraak

Het hof:

wijst de vordering van Unis af;

veroordeelt Unis in de proceskosten en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [Schoonmaakbedrijf] op € 1.957,- aan griffierecht en op € 894,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M.G.W.M. Stienissen en M.E. Smorenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 januari 2017.

griffier rolraadsheer