Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:2223

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-05-2017
Datum publicatie
23-05-2017
Zaaknummer
20-002052-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4026, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:988, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zaak betreft schietpartij in Tuinzigt Breda, waarbij verdachte - nadat hij door latere slachtoffer en diens medestander is aangevallen met een bijl en mes - heeft geschoten op het aan zijn verwondingen overleden latere slachtoffer. Vrijspraak van moord, vrijspraak van medeplegen. Bewezenverklaring doodslag. Beroep op noodweer, noodweerexces, putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces wordt verworpen. Hof veroordeelt verdachte tot 9 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002052-16

Uitspraak : 23 mei 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 4 juli 2016 in de strafzaak met parketnummer 02-800237-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteland] op [geboortedag] 1980,

thans verblijvende in [penitentiaire inrichting] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van doodslag en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer] en is verdachte de verplichting opgelegd tot vergoeding van schade aan de benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer] tot een bedrag van € 6.274,43, vermeerderd met de wettelijke rente.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

Door de raadsvrouw is primair bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1. impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van moord en van het onder 1. impliciet subsidiair ten laste gelegde medeplegen van doodslag.

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte ter zake de onder 1. impliciet subsidiair aan verdachte ten laste gelegde en door de rechtbank bewezen verklaarde doodslag op [slachtoffer] zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Subsidiair, indien het hof verdachte niet zal ontslaan van alle rechtsvervolging, heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof zich op onderdelen niet met het vonnis kan verenigen. Om reden van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen als volgt.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 03 april 2015 te Breda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen meerdere, althans (een) kogel(s) in het lichaam en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd en/of geschoten, (mede) ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.


hij op of omstreeks 3 april 2015 te Breda een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (type Glock), en/of munitie van categorie II en/of III, te weten meerdere in het magazijn van dat vuurwapen aanwezige patronen, voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. impliciet subsidiair en onder 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.


hij op 3 april 2015 te Breda opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet met een vuurwapen meerdere kogels in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 3 april 2015 te Breda een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (type Glock), en munitie van categorie III, te weten meerdere in het magazijn van dat vuurwapen aanwezige patronen, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bevindingen en verklaringen in de zaak

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt het volgende naar voren.

i.

Op vrijdag 3 april 2015, omstreeks 13.50 uur, kwamen bij de centrale meldkamer van de politie en bij 112 meldingen binnen van een schietpartij op het parkeerterrein bij winkelcentrum Tuinzigt aan de Cypresstraat in Breda (p. 59-75).

Om 13.57 uur arriveerde de politie (p. 735) en trof in het tweede parkeervak aan de rechterzijde van het parkeerterrein, gezien vanaf de Acaciastraat, een manspersoon aan tussen twee geparkeerde voertuigen, liggend op zijn rug (p. 759). Aan deze man werd eerste hulp verleend door een omstander. Het slachtoffer werd naar het ziekenhuis vervoerd, alwaar hij omstreeks 16.22 uur is overleden als gevolg van verwikkelingen van meerdere, bij leven opgelopen schotverwondingen (p. 719).

Het slachtoffer betrof [slachtoffer] .

Uit het sectierapport bleek het volgende:

Bij sectie waren er als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld circa 27 perforaties met het aspect van schotverwondingen (p. 723). Bij sectie werden 3 doorschoten door de romp gezien waarvan er twee buiten de buik- en borstholte verliepen. Het derde schotkanaal verliep door de buikholte en daarbij waren onder andere een grote darmslagader en de dunne darm geraakt. Er was daarnaast een inschot in de borstwand links met een schotkanaal naar een projectiel naast de halswervelkolom met verbrijzelen van het linkersleutelbeen en verscheuren van de daarachter gelegen bloedvaten. Er waren doorschoten door weke delen van de linkerflank/heup, de linkerlies en het linkerbovenbeen, de linkeronderarm en de linkerbovenarm, deels het gevolg van ricochetverwondingen. Het overlijden wordt door het massale bloedverlies en de daardoor opgetreden weefselschade zondermeer verklaard. Er was, waarschijnlijk door uitwendig inwerkend botsend geweld tegen de mond, een verwonding aan de lippen en de kaakwal. Deze kan ontstaan zijn door bijvoorbeeld een val, en slag of stoot tegen de mond, aldus het sectierapport (p. 723).

ii.

In de nabijheid van de plaats waar het slachtoffer werd aangetroffen, is sporenonderzoek verricht: er zijn tien hulzen aangetroffen, op grond waarvan de politie heeft geconcludeerd dat er minimaal tien keer is geschoten met een pistool van het kaliber 9 mm Luger. In de onmiddellijke nabijheid van het slachtoffer zijn een machete en een houthakkersbijl aangetroffen (p. 26, Map 1 proces-verbaal Forensisch Onderzoek; p. 759; foto’s p. 747, 753-755).

iii.

Kort na de melding van de schietpartij kwam een melding bij de politie binnen dat op de Pijnboomstraat 66 te Breda een man aan het doordraaien was (p. 92). De politie (p. 93) treft op dat adres [broer slachtoffer] aan, die overstuur was en hyperventileerde en schreeuwde dat zijn broer [slachtoffer] was neergeschoten door de [motorclub] . Volgens zijn moeder (p. 95) had [broer slachtoffer] de deur van de kelder ingeslagen, zat hij als een baby te huilen en zat hij onder zijn eigen uitwerpselen.

iv.

Op vrijdag 3 april 2015, omstreeks 14:07 uur arriveerde bij het Amphia Ziekenhuis, locatie Molengracht, in Breda een rode Mini Cooper bij de afdeling Spoedeisende Hulp met daarin twee personen (p. 784, 785, 788). Uit de auto stapte een man met een kledingstuk om zijn hoofd gewikkeld (p. 786), welke man door de politie is herkend als verdachte. De Mini Cooper reed gelijk weg.

De politie werd door het medisch personeel van de afdeling Spoedeisende Hulp in de gelegenheid gesteld de patiënt naar zijn naam te vragen. Hij gaf aan [verbalisant A] op te zijn: [verdachte] , geboren [geboortedag] 1980. Verdachte moest op een verpleegafdeling wachten op een operatie, waarna hij op 3 april 2015 te 19.45 werd overgebracht naar de operatiekamer. Verdachte had een wond van ongeveer 9 centimeter lengte boven op zijn hoofd, die liep van de voorzijde naar de achterzijde van zijn hoofd. Daarnaast had verdachte een diepe wond achterop zijn hoofd tot op het schedelbot van ongeveer 15 centimeter lang (p. 774-775).

v.

Getuigen die in en rondom het winkelcentrum aanwezig waren hebben het volgende waargenomen.

[getuige 1] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat zijn zoontje in de richting van [naam winkel B] liep;

  • -

    dat hij een man ziet aankomen, het latere slachtoffer (p. 1063);

  • -

    dat, toen hij het slachtoffer voor het eerst zag, het slachtoffer alleen was;

  • -

    dat er iets werd gezegd tegen hem en dat het latere slachtoffer een klap op zijn hoofd kreeg door een man;

  • -

    dat hij een gebalde vuist zag;

  • -

    dat het slachtoffer vervolgens terug zwalkte;

  • -

    dat het slachtoffer een mes pakte en direct omhoog ging met dat mes; (p. 1065)

  • -

    dat hij zich toen focuste op zijn zoontje;

  • -

    dat, toen hij bij zijn zoontje kwam, de confrontatie weer begonnen was;

  • -

    dat ze naast een auto op elkaar aan het inslaan waren;

  • -

    dat hij toen zijn zoontje [naam winkel B] heeft ingeduwd;

  • -

    dat hij in de tussentijd zag dat ze probeerden te slaan;

  • -

    dat hij iemand een hakbijl omhoog zag heffen;

  • -

    dat deze persoon bewust met de achterkant, de stompe kant van de hakbijl sloeg op het hoofd van de ander;

  • -

    dat er drie of vier personen in het groepje waren die ruzie hadden;

  • -

    dat hij perfect zicht had op wat er gebeurde en alles direct zag gebeuren;

  • -

    dat hij schoten hoorde (p. 1066);

  • -

    dat het meteen achter elkaar ging, tik, tik, tik, tik, tik, het kan vijf of zes keer zijn geweest.

[getuige 2] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat zij achter de kassa werkzaam was bij de [naam winkel A] en buiten mannen hoorde schreeuwen;

  • -

    dat een klant zei “hij heeft een bijl vast”, en dat zij zich daarna pas omdraaide (p. 999);

  • -

    dat zij zag dat een blanke man, van wie zij de achterkant zag, met een bijl sloeg op een forsere man (p. 1000);

  • -

    dat de forsere man een hanenkam-achtig kapsel had, zijkanten geschoren, een grotere bredere neus, donkere ogen en een bruinkleurige huidskleur had;

  • -

    dat er nog meer mensen bij stonden, ook van die daders, in een groepje;

  • -

    dat ze een donkere en een licht getinte man heeft gezien;

  • -

    dat de blanke mannen gevlucht waren toen de donkere man zijn pistool pakte;

  • -

    dat de donkere man met de hanenkam het pistool pakte;

  • -

    dat ze heeft gezien dat het pistool zwart was;

  • -

    dat de man met de bijl vervolgens is weggevlucht, waarbij zij hem de parkeerplaats zag uitrennen (p. 1001, 1002);

  • -

    dat er, toen de donkere man het pistool had gepakt, nog ‘eentje’ stond, die man die werd neergeschoten;

  • -

    dat vlak naast de man met de hanenkam die licht getinte man stond;

  • -

    dat de donkere man met de hanenkam toen een aantal keren schoot tegen de blanke man, niet de man met de bijl (p. 1001);

  • -

    dat ze zich heeft omgedraaid toen er op de man werd geschoten;

  • -

    dat de donkere mannen gewoon wegliepen, ze waren niet eens aan het rennen, alsof het doodnormaal was (p. 999).

[getuige 3] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat hij aan het werk was in zijn bloemenspeciaalzaak gelegen in het winkelcentrum Tuinzigt;

  • -

    dat hij ineens 5 of 6 knallen hoorde (p. 1014);

  • -

    dat hij daarop naar buiten is gerend;

  • -

    dat hij ter hoogte van [naam winkel B] ineens vier mannen zag weglopen ter hoogte van de [naam winkel A] (p. 1014);

  • -

    dat hij goed zicht had op de mannen;

  • -

    dat de mannen een getinte huidskleur hadden;

  • -

    dat hij zag dat “man 1” een gezet postuur had en dat zijn hoofd onder het bloed zat;

  • -

    dat hij zag dat “man 1” een zwart vuurwapen in zijn rechterhand had;

  • -

    dat de vier mannen bij de [naam winkel A] de hoek omgingen;

  • -

    dat de bebloede man richting de Mini Cooper liep, die ter hoogte van een flat/cafetaria stond aan de Acaciastraat te Breda.

[getuige 4] heeft verklaard op 3 en 7 april 2015, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat hij voor het raam stond om te kijken of de camera van zijn GSM het deed;

  • -

    dat hij toen ineens iemand met een blaffer meerdere keren zag schieten;

  • -

    dat hij een man 5 of 6 keer zag schieten (p. 1016 en 1019);

  • -

    dat hij zag dat de man die had geschoten rustig in de richting van de [naam winkel A] liep, in de richting van Acaciastraat (p. 1019);

  • -

    dat er nog een ander jonger persoon was en zeker nog een derde persoon was (p. 1019);

  • -

    dat ze heel rustig langs de [naam winkel A] wegliepen (p. 1016).

[getuige 5] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat hij aan het werk was in [naam winkel B] aan de Cypresstraat in Breda;

  • -

    dat hij 4 of 5 schoten hoorde;

  • -

    dat hij naar buiten liep en zag dat een getinte man met bebloed hoofd werd ondersteund door twee andere mannen;

  • -

    dat ze langs de [naam winkel A] , de winkel die naast zijn winkel zit, liepen en na de [naam winkel A] de hoek om gingen, rechtsaf de Acaciastraat in (p. 1029).

[getuige 6] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat hij naar de man (het hof begrijpt: het slachtoffer) is toegerend;

  • -

    dat de man op zijn zij lag met zijn hoofd op de grond;

  • -

    dat hij de wond in de lies heeft dichtgeknepen en zag dat links van het slachtoffer een groot mes lag en ook een bijl, en dat er om hem heen hulzen lagen (p. 1045).

[getuige 7] heeft verklaard op 3 april 2015, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat zij achter in de [naam winkel A] (waar zij werkt) was en toen iets hoorde wat leek op klapvuurwerk (p. 1049-1051);

  • -

    dat zij wel vier of vijf keer heel snel achter elkaar iets hoorde knallen;

  • -

    dat het misschien wel binnen een seconde zou kunnen zijn, zo snel;

  • -

    dat zij toen in een snel tempo naar voren is gelopen, met haar blik naar voren gericht en zij keek in de richting van de parkeerplaats;

  • -

    dat zij toen twee mannen vanaf de parkeerplaats haar kant op zag komen en die mannen op het moment dat zij ze zag net de stoep op liepen;

  • -

    dat de mannen naast elkaar liepen, bijna tegen elkaar aan, in een heel rustig tempo het hoekje om bij de [naam winkel A] en een klein stukje voor de [naam winkel A] langs liepen;

  • -

    dat man 1 een rond hoofd had, een donkere melkchocoladekleurige huid en dat zij zag dat de man (alleen) bloed op zijn hoofd had en niet in zijn gezicht (p. 1051);

  • -

    dat man 2 iets getinter van huidskleur was, maar wel lichter dan man 1;

  • -

    dat zij denkt dat de afstand tussen haar en de twee mannen op zijn kleinst één meter was, dat zij voor aan kwam en dat man 1 haar toen recht aankeek;

  • -

    dat de blik van man 1 eruit zag alsof hij vond dat hij ‘het goed gedaan had’.

[getuige 8] heeft verklaard op 4 april 2015, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat zij op de achtergrond geruzie van een groep hoorde en zag dat mensen keken in de richting waar dat geluid vandaan kwam;

  • -

    dat zij knallen hoorde (p. 1072), zes, in het tempo bam, bamerdebambamerdebam, bam, kort achter elkaar;

  • -

    dat zij hoorde dat er iemand neerviel en hoorde dat iemand pijn had.

[getuige 9] heeft verklaard op 4 april 2015, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat zij schoten hoorde, 5 of 6 knallen kort achter elkaar, een seconde er tussen (p. 1078);

  • -

    dat zij gelijk naar de voorzijde van haar woning is gelopen en drie mannen zag;

  • -

    dat zij de mannen voor het eerst zag toen ze tussen de telefooncellen en de [naam winkel A] liepen en binnen een paar seconden uit haar zicht verdwenen, omdat de mannen de Acaciastraat inliepen richting of langs de [naam winkel A] .

[getuige 10] heeft verklaard op 4 april 2015, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat hij 5 schoten hoorde, alle schoten binnen 10 tellen (p. 1085);

  • -

    dat hij jongens zag weglopen, het was geen rennen;

  • -

    dat één van de jongens, met een mat lichtbruin suéde jasje, naar zijn idee een soort sprongetje maakte;

  • -

    dat ze samen wegliepen en een baldadige indruk maakten;

  • -

    dat ze liepen over het parkeerterrein waar het slachtoffer lag in de richting van de [naam winkel A] (p. 1086);

  • -

    dat ze met z’n vieren of vijven waren;

  • -

    dat hij heeft gewacht tot de jongens bij de [naam winkel A] de hoek om waren en hen niet meer zag;

  • -

    dat hij, nadat hij uit zijn auto was gestapt, een man zag liggen in een parkeervak op het parkeerterrein en zag dat bij het slachtoffer op de grond een bijl en een mes, een soort machete, zag liggen;

  • -

    dat hij het mes met zijn voet iets van 30 cm heeft verder geduwd (p. 1085).

[getuige 11] heeft verklaard op 8 april 2015, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat zij kort na elkaar vier a vijf knallen hoorde (p. 1092);

  • -

    dat zij toen is gaan kijken en vanaf haar balkon drie mannen zag staan op de parkeerplaats op de tweede rij met parkeervakken;

  • -

    dat zij verder geen andere mensen zag op de parkeerplaats;

  • -

    dat de mannen rustig wegliepen richting de [naam winkel A] en de hoek omgingen, de Acaciastraat in.

vi.

[getuige 12, broer van slachtoffer] , heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat [slachtoffer] donderdagnacht gebeld werd door zijn [ex-vriendin] dat er problemen waren (p. 191);

  • -

    dat [slachtoffer] en hij naar [ex-vriendin] toe zijn gegaan;

  • -

    dat [ex-vriendin] zei dat ze misbruikt en verkracht was en als namen noemde [naam] en [motorclub] ;

  • -

    dat [slachtoffer] vertelde dat hij bij de Jumbo had afgesproken om te praten over wat er met [ex-vriendin] was gebeurd (p. 204);

  • -

    dat ze ernaartoe gingen, daar geparkeerd stonden en nog even hebben zitten praten;

  • -

    dat [slachtoffer] is uitgestapt, een minuut of vijf heeft rondgelopen en toen bij de rode brievenbus is gaan staan (p. 205);

  • -

    dat hij nog is gaan pinnen;

  • -

    dat hij [slachtoffer] vervolgens vanuit de auto in de gaten heeft gehouden;

  • -

    dat er een eerste man kwam aangelopen en vrijwel gelijk een tweede;

  • -

    de grootste man naast [slachtoffer] ging staan (getint met een dik hoofd, opgeschoren haar);

  • -

    de tweede man was slank, Indo of Molukker;

  • -

    dat het gesprek begon tussen [slachtoffer] en man 1;

  • -

    dat hij man 1 ineens loeihard zag uithalen naar [slachtoffer] , een doodsklap;

  • -

    dat hij [slachtoffer] zag wankelen, achteruit zag gaan;

  • -

    dat [slachtoffer] van man 2 vrijwel gelijk een klap op zijn gezicht kreeg;

  • -

    dat [slachtoffer] ondertussen iets meer naar achteren was gekomen en man 1 hem nog een keer voluit heeft geslagen;

  • -

    dat man 3 kwam aanrennen en al rennend [slachtoffer] sloeg;

  • -

    dat hij zijn broer moest beschermen omdat hij dacht dat ze hem dood zouden slaan, dat hij moest ingrijpen;

  • -

    dat hij uit de auto is gestapt, een bijl uit de auto heeft gepakt en in de richting van [slachtoffer] is gerend;

  • -

    dat ze zich verplaatsten en toen schuin voor zijn auto, de Berlingo, stonden;

  • -

    dat man 1 weer richting [slachtoffer] ging, en dat hij toen de eerste slag heeft gegeven;

  • -

    dat hij de bijl bewust had omgedraaid (p. 207), met de platte kant;

  • -

    dat hij dacht dat hij toen man 1 niet had geraakt (p. 220);

  • -

    dat hij zag dat [slachtoffer] werd geslagen door de twee andere mannen;

  • -

    dat toen hij richting man 1 sloeg [slachtoffer] wegrende, de andere kant op en man 1 door die slag meer van [slachtoffer] vandaan ging;

  • -

    dat man 1 weer richting [slachtoffer] rende en dat hij mee rende;

  • -

    wanneer man 1 bijna bij [slachtoffer] is hij hem nog een slag heeft gegeven, halverwege de parkeerplaats, en dat hij hem raakte;

  • -

    dat de bijl toen op de grond viel (p. 208);

  • -

    dat de andere twee mannen waren mee gerend en dat iemand, een indo-type, de bijl pakte en daarmee richting [slachtoffer] rende;

  • -

    dat hij zich van de plaats heeft verwijderd, omdat hij wanhopig was;

  • -

    dat hij machteloos was, vanaf het moment dat de bijl was gepakt (p. 259);

  • -

    dat hij nog een keer heeft omgekeken en zag dat [slachtoffer] op dezelfde plek stond en dat de man met de bijl bij hem stond;

  • -

    dat hij man 1 zag staan en zag dat hij in zijn rechterhand iets zwarts had, waarvan hij toen nog niet besefte dat het een wapen was en dat hij zag dat man 1 op [slachtoffer] richtte (p. 221);

  • -

    dat hij schoten hoorde;

  • -

    dat hij na de schoten de mannen bij de [naam winkel A] de hoek om zag gaan (p. 208);

  • -

    dat hij vreugdekreten hoorde, dat hij zag dat er eentje een beetje aan het springen was;

  • -

    dat [slachtoffer] een mes bij zich had (p. 218);

  • -

    dat [slachtoffer] dat mes had meegenomen omdat hij daarmee eerder de banden van de auto van [de zus van ex-vriendin] , had lekgestoken (p. 220);

  • -

    [ex-vriendin] had gezegd dat ze bang was van [naam] en [motorclub] en dat dat de reden was dat [slachtoffer] de banden had lekgestoken (p. 230).

vii.

[getuige 13, zus van ex-vriendin] (p. 1169) heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat haar vriend [naam] naar Spanje was gegaan voor een feest van [motorclub] ;

  • -

    dat [naam] haar had gebeld dat er iemand zou komen voor de banden; (het hof begrijpt: om hulp te bieden bij de lek gestoken banden)

  • -

    dat die man is gekomen (het hof begrijpt: verdachte);

  • -

    dat zij met die vriend van [naam] naar de woning van haar moeder is gelopen;

  • -

    dat haar vader aan de telefoon zat met [slachtoffer] ;

  • -

    dat die vriend het gesprek overnam en dat ze ergens afspraken;

  • -

    dat [verdachte] vroeg aan [slachtoffer] naar het Hollands Koffiehuis te komen;

  • -

    dat [slachtoffer] dat niet wilde en [slachtoffer] toen de naam Jumbo zei en dat was oké (p. 1180).

viii.

Verdachte heeft zich na zijn aanhouding aanvankelijk beroepen op zijn zwijgrecht en heeft eerst op 10 februari 2016, ten overstaan van de politie, een verklaring afgelegd; voorts heeft hij ter terechtzitting in eerste aanleg op 20 juni 2016 en ter terechtzitting in hoger beroep op 11 april 2017 over de verdenkingen verklaard.

Uit de verklaringen komt het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat hij de Roadcaptain is bij [motorclub] , en bepaalt waar iedereen (het hof begrijpt: van de motorclub) heen gaat;

  • -

    dat hij was gevraagd om de vriendin van [naam] , [getuige 13] , te helpen met lekke banden;

  • -

    dat hij bij de vader van [getuige 13] door de telefoon heeft gezegd tegen [slachtoffer] dat hij [verdachte] was en of ze elkaar konden zien;

  • -

    dat ze bij de Jumbo afspraken in winkelcentrum Tuinzigt;

  • -

    dat ze met zijn zessen er heen gingen, in een Mercedes en een rode Mini;

  • -

    dat [getuige 14] , [getuige 15] en [getuige 16] binnendoor het winkelcentrum in gingen;

  • -

    dat hij met [getuige 17] en [getuige 18] buitenom ging;

  • -

    dat hij iemand zag staan wachten en dat hij naar [slachtoffer] toe liep, die een gebaar maakte van: “wij hebben een afspraak”;

  • -

    dat hij op [slachtoffer] afliep, een hand gaf en vroeg wat er gebeurd was;

  • -

    dat [slachtoffer] zag dat er jongens stonden op de hoek en vroeg of die bij hem, verdachte, hoorden;

  • -

    dat hij dat bevestigde en dat [slachtoffer] toen omsloeg;

  • -

    dat [slachtoffer] wilde uithalen maar dat hij sneller was en hem een hoekstoot gaf op zijn gezicht met de vuist van zijn rechterhand;

  • -

    dat [slachtoffer] een paar passen achteruit stapte, zich omdraaide en wegliep;

  • -

    dat [slachtoffer] zich weer omdraaide en op hem afkwam en dat [slachtoffer] zijn hand in zijn zak deed;

  • -

    dat hij toen achteruit is gegaan om ruimte te creëren;

  • -

    dat hij viel over de stoep of een parkeerbol;

  • -

    dat hij op de grond lag en ging zitten om overeind te komen;

  • -

    dat hij vanuit zijn ooghoek zag dat er iemand vanaf links aan kwam rennen die een hakbeweging maakte met een bijl, van boven naar beneden;

  • -

    dat hij die klap heeft ontweken, niks voelde en zodoende wist dat die had gemist;

  • -

    dat degene met de bijl eerder bij hem was dan [slachtoffer] , die toen al op hem afgerend kwam;

  • -

    dat [slachtoffer] al rennend uithaalde met een mes en dat dat raak was en dat [slachtoffer] doorrende;

  • -

    dat, toen [slachtoffer] met het mes naar beneden sloeg, hij (het hof begrijpt: verdachte) zat;

  • -

    dat hij gelijk het bloed voelde stromen;

  • -

    dat hij toen een klap boven op zijn hoofd met die bijl kreeg die raak was;

  • -

    dat hij pijn voelde, ook voelde dat het open sprong;

  • -

    dat hij toen nog steeds laag was, met zijn billen op de grond zat;

  • -

    dat hij op de grond lag en overeind probeerde te komen;

  • -

    dat hij pijn had, bang was en in paniek;

  • -

    dat hij zag dat [slachtoffer] , die hem eerder voorbij was gerend, weer op hem af kwam;

  • -

    dat hij zijn wapen uit zijn jaszak heeft gepakt toen hij nog op de grond zat en [slachtoffer] op hem afkwam;

  • -

    dat hij het wapen heeft doorgeladen en heeft geschoten;

  • -

    dat hij vanuit een zittende positie een keer of vier schoot;

  • -

    dat [slachtoffer] is omgedraaid en weggerend;

  • -

    dat hij ondertussen was opgestaan;

  • -

    dat [slachtoffer] viel, met zijn rug naar hem toe, en dat het mes uit zijn hand viel;

  • -

    dat hij zag dat [slachtoffer] naar het mes kroop;

  • -

    dat hij opstond en een of twee passen deed om zijn balans te vinden, naar voren toe, naar [slachtoffer] toe;

  • -

    dat [slachtoffer] naar het mes kroop en dat hij toen heeft geschoten totdat [slachtoffer] niet meer kroop;

  • -

    dat hij denkt dat er ongeveer vijf of zes meter tussen hem en [slachtoffer] was;

  • -

    dat hij heeft besloten om voor een tweede keer te schieten op [slachtoffer] omdat hij zag dat [slachtoffer] het mes wilde pakken en dat er jongens bij hem in de buurt stonden;

  • -

    dat hij het wapen onderweg naar het ziekenhuis in de rivier heeft gegooid.

ix.

Door de rechter-commissaris zijn op verzoek van de verdediging op 15 en 22 april 2016 [getuige 17] , [getuige 15] , [getuige 14] , [getuige 18] en [getuige 16] als getuigen gehoord.

De getuigen [getuige 15] en [getuige 18] hebben zich op hun verschoningsrecht beroepen.

[getuige 17] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard:

  • -

    dat hij met [verdachte] en [getuige 18] ) buitenom ging over de stoep;

  • -

    dat aangekomen bij het winkelcentrum op de hoek van de [naam winkel A] [verdachte] tegen hem en [getuige 18] zei: “wacht maar even”;

  • -

    dat hij daar een man zag staan en [verdachte] naar die man toeliep;

  • -

    dat de man en [verdachte] tegenover elkaar stonden;

  • -

    dat hij zag dat [verdachte] de man een hand gaf;

  • -

    dat de man op een gegeven moment uithaalde naar [verdachte] ;

  • -

    dat de klap niet raak was;

  • -

    dat [verdachte] reageerde door de man in het gezicht te slaan;

  • -

    dat de man een paar passen naar achteren deed en vervolgens met een flink mes in zijn hand op [verdachte] afging;

  • -

    dat [verdachte] een paar stappen achteruit deed en over een parkeerbol viel op zijn rug;

  • -

    dat opeens een tweede persoon kwam aanrennen met een hakbijl in zijn handen;

  • -

    deze persoon een slaande beweging maakte naar [verdachte] maar miste;

  • -

    dat de eerste man richting [verdachte] liep en met het mes [verdachte] in zijn hoofd stak;

  • -

    dat de tweede man nog bij [verdachte] stond en voor de tweede keer een slaande beweging maakte naar [verdachte] en [verdachte] toen werd geraakt met de bijl aan zijn hoofd;

  • -

    dat de eerste persoon weer op [verdachte] afliep;

  • -

    dat hij zag dat [verdachte] schoot in de richting van de eerste persoon;

  • -

    dat [verdachte] schoot vanaf de grond;

  • -

    dat de eerste man zich omdraaide, wegliep van [verdachte] en viel;

  • -

    dat [getuige 16] , [getuige 14] en [getuige 15] toen aan kwamen rennen vanuit het winkelcentrum;

  • -

    dat de eerste persoon op de grond lag en probeerde het mes te pakken dat naast hem op de grond was gevallen toen hij ten val was gekomen;

  • -

    dat [verdachte] voor de tweede keer staand schoot, vanaf een meter of 3 of 4.

[getuige 16] heeft in gelijke zin verklaard omtrent de toedracht van de geweldshandelingen.

[getuige 14] heeft nog verklaard, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat hij twee mannen met een mes en bijl zag inhakken op [verdachte] ;

  • -

    dat de man met de bijl met de botte kant in de richting van het hoofd van [verdachte] sloeg, de eerste keer miste en de tweede keer [verdachte] raakte;

  • -

    dat [verdachte] de hele tijd op de grond lag;

  • -

    dat [verdachte] een wapen trok en schoot in de richting van [slachtoffer] en [getuige 12, broer van slachtoffer] ;

  • -

    dat [slachtoffer] en [getuige 12, broer van slachtoffer] op hooguit 2 meter afstand stonden;

  • -

    dat [slachtoffer] en [getuige 12, broer van slachtoffer] nog steeds het mes en de bijl vasthadden;

  • -

    dat [getuige 12, broer van slachtoffer] gelijk begon te rennen, er vandoor ging;

  • -

    dat [slachtoffer] opzij stapte en weer wat wou doen maar struikelde en het mes liet vallen;

  • -

    dat [slachtoffer] naar het mes dook en probeerde dit op te pakken;

  • -

    dat [verdachte] weer schoot richting [slachtoffer] en [slachtoffer] vervolgens begon te rennen;

  • -

    dat [slachtoffer] na zo’n 4 tot 5 meter neerviel;

  • -

    dat hij naar [verdachte] is toegelopen, die inmiddels was opgestaan;

  • -

    dat [verdachte] is opgestaan na de tweede keer schieten, toen [slachtoffer] wegrende.

Vrijspraak van medeplegen en plegen moord (geen ‘voorbedachten rade’) en van medeplegen doodslag

Het hof is – met de advocaat-generaal en de verdediging, en in navolging van de rechtbank – van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte de onder 1. impliciet primair ten laste gelegde (medeplegen van) moord heeft begaan, aangezien het ten laste gelegde bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ niet kan worden bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de onder 1. impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag heeft gepleegd.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is het hof (met de advocaat-generaal, de verdediging en de rechtbank) van oordeel dat het bewijs ervoor tekortschiet om vast te stellen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd, zodat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging (medeplegen) zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte heeft verklaard dat hij degene is geweest die heeft geschoten met een vuurwapen op het slachtoffer. De verdediging heeft zich (ten aanzien van het onder 1. (impliciet subsidiair) bewezen verklaarde) echter op het standpunt gesteld dat verdachte geen ‘kwade’ opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De raadsvrouw heeft in dit verband aangevoerd dat het bewijs voor directe opzet ontbreekt, maar dat voorwaardelijk opzet bewezen kan worden.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het bewezen verklaarde handelen van verdachte, namelijk het met een vuurwapen schieten van meerdere (tien) kogels op het latere slachtoffer, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht op het veroorzaken van de dood van het slachtoffer, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte met zijn handelen de dood van [slachtoffer] voor ogen heeft gehad en derhalve opzettelijk heeft gehandeld.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte met betrekking tot feit 1 zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsvrouw - zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd:

  1. Verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Verdachte is, terwijl hij op de grond zat na een val, door de broers [slachtoffer] belaagd met een machete en met een bijl. Voor verdachte kwam deze agressie volledig uit het niets, aangezien hij had afgesproken bij de Jumbo om iets uit te praten. [broer slachtoffer] , heeft met een bijl tweemaal uitgehaald naar verdachte, waarvan één raak, op het hoofd van verdachte. Toen [slachtoffer] vervolgens met een mes op verdachte is komen aflopen, was er voor verdachte geen keus en heeft hij zijn wapen doorgeladen en geschoten. Er was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen op de wijze waarop hij heeft gedaan. Vervolgens is [slachtoffer] opgestaan en weggerend. Verdachte is opgestaan en zag [slachtoffer] op de grond vallen. [slachtoffer] is vervolgens kruipend op weg gegaan naar het mes dat voor hem lag, terwijl hij daarbij een brulgeluid maakte. Daarop heeft verdachte wederom geschoten op [slachtoffer] . Ook bij het tweede moment van schieten was nog steeds sprake van een aanranding en bestond voor verdachte de noodzaak om zichzelf en zijn aanwezige vrienden te verdedigen.

  2. Subsidiair, indien het hof het beroep op noodweer zou verwerpen, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Volgens de verdediging was het schieten het ogenblikkelijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging die veroorzaakt was door de wederrechtelijke aanranding, te weten het slaan met de bijl en het mes. De bij verdachte ontstane gemoedsbeweging was het gevolg van het gedrag van [slachtoffer en zijn broer] . De gemoedsbeweging bestond erin dat verdachte compleet overrompeld was door de agressie van de broers, ernstig gewond was door hun aanvallen met bijl en mes, veel pijn had, gedesoriënteerd was en hij bang en in paniek was.

  3. Tweede subsidiair, indien het hof van oordeel is dat verdachte een beroep op noodweer noch op noodweerexces toekomt, heeft de verdediging naar voren gebracht dat sprake is van putatief noodweer. Volgens de verdediging is ten aanzien van het tweede moment van schieten door verdachte aannemelijk dat er in zijn beleving, door alle emoties, angst, paniek en pijn, een levensbedreigende situatie was, waarbij de aanranding voorafgaand aan het eerste schietmoment een belangrijke rol speelt.

  4. Derde subsidiair, indien het hof van oordeel is dat van putatief noodweer geen sprake is, heeft de verdediging een beroep gedaan op putatief noodweerexces.

Betrouwbaarheid van de verklaringen

De raadsvrouw heeft bepleit dat het hof voor wat betreft de loop van de gebeurtenissen zal uitgaan van de verklaring van verdachte, zoals bevestigd door de getuigen [slachtoffer en zijn broer] , [getuige 17] en [getuige 16] .

De verklaringen van de ooggetuigen hebben voor het merendeel betrekking op wat zij gezien hebben nadat zij schoten hebben gehoord. De [getuige 1] kan volgens de raadsvrouw niet alles hebben gezien omdat hij in en uit de winkel liep; hij heeft voorts allerlei informatie gehoord voordat hij zijn verklaring aflegde. Zijn verklaring dient volgens de raadsvrouw met de nodige behoedzaamheid te worden gelezen.

De verklaring van [getuige 2] kan voor wat betreft de toedracht van het schieten niet tot bewijs dienen omdat zij niet keek toen er geschoten werd, aldus de raadsvrouw.

De verklaring van [getuige 4] is onbetrouwbaar omdat hij heeft verklaard over aspecten die niemand anders gezien heeft, te weten dat de schutter schoot met zijn handpalm naar boven.

Voorts heeft geen enkele getuige gezien dat verdachte het wapen heeft overgedragen.

De verklaringen van [getuige 12, broer van slachtoffer] zijn dusdanig verschillend dat zij ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn, aldus de raadsvrouw.

Dat verdachte pas laat is gaan verklaren kan hem niet worden tegengeworpen; dit hangt samen met de clubcultuur en het vaste gebruik binnen de [motorclub] om geen namen te noemen.

Het hof overweegt het volgende.

Voor wat betreft de loop der gebeurtenissen zal het hof uitgaan van de verklaringen van getuigen en de verklaringen van [getuige 12, broer van slachtoffer] zoals hiervoor opgenomen onder “Bevindingen en verklaringen in de zaak”, onder respectievelijk v. en vi.

Aanvankelijk heeft [getuige 12, broer van slachtoffer] verklaard dat hij niet aanwezig was toen zijn broer werd neergeschoten (eerste en tweede verklaring). In het derde verhoor (p. 198) geeft hij aan dat hij inmiddels rustiger is geworden, medicijnen heeft en dat hij een nieuwe verklaring wil afleggen. In het vierde verhoor op 20 april 2015 (p. 201) geeft hij aan dat hij openheid van zaken wil geven. In de verklaringen die daarop volgen (tot en met het negende verhoor) is in de visie van het hof [getuige 12, broer van slachtoffer] – in de kern – bij zijn lezing van de gebeurtenissen ten tijde van en rondom de schietpartij gebleven. In zijn lezing omtrent de gebeurtenissen heeft hij bovendien ook belastend verklaard over zijn eigen aandeel, het slaan met de bijl.

Voorts kan vastgesteld worden dat de verklaring van [getuige 12, broer van slachtoffer] op onderdelen bevestiging vindt in verklaringen van objectieve getuigen dan wel forensisch onderzoek. Zo vindt zijn verklaring dat hij heeft gepind nadat hij en zijn broer [slachtoffer] al bij het winkelcentrum waren aangekomen, steun in de gegevens van de bank omtrent de ING-geldautomaat aan de Cypresstraat 3 te Breda (p. 926). Ook vindt zijn verklaring over de gang van zaken op belangrijke onderdelen steun in de waarneming van het hof van de ter terechtzitting in hoger beroep op 11 april 2017 getoonde camerabeelden van [naam winkel B] : de persoon aangewezen als [slachtoffer] heeft eerst enkele minuten op en neer gelopen (hof: lopen ijsberen) langs/bij de brievenbus voor [naam winkel B] , en voorts is te zien dat die persoon een handgebaar maakt naar een persoon buiten beeld. De persoon aangewezen als [slachtoffer] verdwijnt dan korte tijd uit beeld en komt dan, enigszins wankelend en achteruit stappend, terug in beeld. Een en ander past bij de verklaring van [getuige 12, broer van slachtoffer] dat diens broer [slachtoffer] de eerste klap van verdachte kreeg en daardoor even achteruit deinsde.

Het aantreffen van de bijl bij het slachtoffer met daarop bloed van het slachtoffer (p. 277-279 proces-verbaal Forensisch Onderzoek) ondersteunt de verklaring van [getuige 12, broer van slachtoffer] dat een ander met de bijl naar zijn broer [slachtoffer] is gegaan. De plaats waar de hulzen zijn aangetroffen, te weten in de (onmiddellijke) nabijheid van de plaats waar het slachtoffer door de politie is aangetroffen, geeft voorts ondersteuning aan de verklaring van [getuige 12, broer van slachtoffer] dat het treffen tussen verdachte en de zijnen en [slachtoffer en zijn broer] zich verplaatst heeft richting de plek waar het slachtoffer (door de politie, liggend) is aangetroffen (Map Forensisch Technisch Onderzoek, p. 93). Getuigen geven ook ondersteuning aan de verklaring van [getuige 12, broer van slachtoffer] over het gedrag van de schutter en de personen die bij hem waren tijdens het weglopen.

[getuige 1] heeft verklaard, evenals [getuige 12, broer van slachtoffer] , dat verdachte als eerste sloeg. Ook bevestigt [getuige 1] de manier waarop [getuige 12, broer van slachtoffer] de bijl heeft gehanteerd (met de stompe kant). [getuige 1] heeft naar het oordeel van het hof op de dag van het dodelijke schietincident een gedetailleerde en consistente verklaring afgelegd. Dat [getuige 1] in en uit de winkel liep dan wel informatie van elders heeft ontvangen, maakt dat niet anders. Uit zijn verklaring is duidelijk wat hij wel en niet zelf heeft waargenomen.

[getuige 2] ondersteunt de verklaring van [getuige 12, broer van slachtoffer] , zowel op het punt dat toen er geschoten werd de man met de bijl reeds weggegaan was, als op het punt dat meerdere personen bij de vechtpartij tegen [slachtoffer] betrokken waren. Voorts heeft de getuige verklaard dat “de donkere man met de hanenkam” het zwarte pistool pakte (het hof begrijpt: verdachte) en daarbij tevens beschreven welke personen zij op dat moment zag. Dat zij zich heeft omgedraaid op het moment dat er geschoten werd, doet aan de bruikbaarheid van haar verklaring omtrent de toedracht van het schieten daaraan voorafgaand niets af.

[getuige 4] heeft een man zien schieten, die hij daarna zag lopen in de richting van de [naam winkel A] , en met hem in elk geval nog twee personen. De personen liepen heel rustig weg langs de [naam winkel A] . Het hof is van oordeel dat de verklaring van [getuige 4] op diverse onderdelen bevestiging vindt in verklaringen van andere getuigen. Het hof acht de verklaring van [getuige 4] dan ook betrouwbaar.

Een en ander leidt het hof tot de conclusie dat de verklaringen van [getuige 12, broer van slachtoffer] (afgelegd ten overstaan van de politie, in het vierde tot en met negende verhoor), alsmede de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 4] , betrouwbaar zijn.

Daar staat tegenover dat de verklaringen van verdachte op diverse onderdelen geen steun vinden in de verklaringen van de onder v. genoemde getuigen en de onder vi. genoemde verklaringen van [getuige 12, broer van slachtoffer] . De onder v. genoemde getuigen noch [getuige 12, broer van slachtoffer] hebben verklaard:

  • -

    dat verdachte op enig moment ten val is gekomen;

  • -

    dat verdachte vanuit een zittende/liggende houding zijn pistool ter hand heeft genomen;

  • -

    dat er vervolgens twee schietmomenten zijn geweest;

  • -

    dat de eerste keer dat verdachte schoot hij zat, dan wel lag op de grond;

  • -

    dat verdachte hierna is opgestaan, nog een aantal stappen heeft gezet in de richting van het slachtoffer en vervolgens nog een aantal malen op [slachtoffer] heeft geschoten.

Het hof leidt uit de verklaringen van de getuigen af dat zij slechts één salvo van schoten hebben gehoord en dat verdachte die schoten vanuit een staande houding heeft afgevuurd op [slachtoffer] . Op de plek waarvandaan volgens de verdachte door hem is geschoten, te weten waar hij volgens zijn verklaring gevallen was over de stoep of een parkeerbol, zijn geen hulzen aangetroffen.

Hierdoor heeft het hof twijfel gekregen ten aanzien van de geloofwaardigheid van de verklaringen van verdachte waar het gaat om de beschrijving van de gebeurtenissen, die hij ten grondslag heeft gelegd aan het beroep op (putatief) noodweer(exces).

Daar komt bij dat, nadat verdachte zijn vuurwapen heeft gedumpt en hij zich vervolgens heeft laten afzetten bij het ziekenhuis, hij zich vanaf zijn aanhouding op 3 april 2015 op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Verdachte heeft voor het eerst verklaard over (de aanloop naar) het schietincident op 10 februari 2016, derhalve 10 maanden na het feit en eerst nadat het onderzoek door de politie was gesloten op 8 december 2015 (tactisch) respectievelijk 18 december 2015 (forensisch). Bij die gelegenheid heeft hij ook de namen genoemd van de vijf personen die bij hem waren bij het winkelcentrum. Met betrekking tot [getuige 14] en [getuige 16] geldt dat zij zich bij hun verhoren ten overstaan van de politie op 14 en 15 oktober 2015 hebben beroepen op hun zwijgrecht. Pas bij de rechter-commissaris, ruim een jaar na het feit en eveneens na sluiting van het politieonderzoek, zijn zij (als getuige) gaan verklaren over het incident.

Naar het oordeel van het hof kan het (vaste) gebruik of de clubcultuur om geen namen te noemen in dit geval geen afdoende verklaring geven voor het zwijgen van verdachte. Naar het oordeel van het hof vindt het lange wachten alvorens inhoudelijk over het incident te verklaren veeleer zijn oorzaak in het kunnen afstemmen van verdachtes verklaring op de bevindingen uit het onderzoek. Datzelfde geldt voor [getuige 14] , [getuige 16] en [getuige 17] , die allen pas een verklaring hebben afgelegd na verdachte, waarbij [getuige 17] niet heeft verklaard over zijn eigen aandeel. Het hof zal aan al deze verklaringen derhalve geen doorslaggevende betekenis toekennen en gaat daaraan voorbij.

Het hof verwerpt de gevoerde betrouwbaarheidsverweren en acht op grond van bovenstaande de door verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden.

Vaststellingen van het hof voor de beoordeling van het beroep op (putatief) noodweer(exces)

Het hof stelt op grond van het vorenstaande het volgende vast met betrekking tot de toedracht voorafgaand aan het schieten:

  • -

    dat het verdachte was die het slachtoffer [slachtoffer] als eerste heeft geslagen (bij de brievenbus);

  • -

    dat [slachtoffer] ook werd geslagen door een tweede en derde man ( [getuige 17] en [getuige 18] );

  • -

    dat [getuige 12, broer van slachtoffer] daarop uit zijn auto is gekomen en een bijl heeft gepakt;

  • -

    dat [slachtoffer] een mes ter hand heeft genomen en in de richting van verdachte is gelopen;

  • -

    dat [getuige 12, broer van slachtoffer] met de bijl heeft geslagen naar verdachte en de eerste keer miste (ter hoogte van de Berlingo);

  • -

    dat [slachtoffer] hierna verdachte met het mes heeft geslagen en hem heeft geraakt;

  • -

    dat [getuige 12, broer van slachtoffer] een tweede maal een slaande beweging heeft gemaakt in de richting van verdachte en hem toen wel raakte;

  • -

    dat verdachte door het slaan fors letsel aan zijn hoofd heeft opgelopen;

  • -

    dat de bijl door de tweede slaande beweging viel en is opgeraapt door één van de mannen die verdachte vergezelden en dat daarmee richting [slachtoffer] werd gerend;

  • -

    dat in elk geval [getuige 17] en [getuige 18] zich telkens in de directe nabijheid van verdachte hebben bevonden;

  • -

    dat de vechtpartij inmiddels verplaatst was naar de andere kant van het parkeerterrein;

  • -

    dat [getuige 12, broer van slachtoffer] zich uit de voeten heeft gemaakt, toen de bijl was gevallen en de verdachte het pistool had gepakt;

  • -

    dat [slachtoffer] toen alleen stond op de parkeerplaats;

  • -

    dat verdachte zich inmiddels, gelet op de positie van de aangetroffen hulzen, had verplaatst naar de andere zijde van het parkeerterrein (richting het slachtoffer);

  • -

    dat verdachte vanuit een staande positie alle schoten in één salvo op [slachtoffer] heeft afgevuurd;

  • -

    dat [getuige 17] en [getuige 18] in de directe nabijheid van verdachte en [slachtoffer] stonden (met een bijl) toen verdachte zijn pistool pakte en door verdachte tien keer op [slachtoffer] werd geschoten.

Ad 1) noodweer

Het hof stelt het volgende voorop.

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr.

In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is “geboden door de noodzakelijke verdediging” worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. Zeker bij deze eisen kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept, van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.

Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Daarvan is sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Het komt daarbij aan op de omstandigheden van het geval. Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte de hem verweten gedraging (schieten met een vuurwapen) niet verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed of dat van een ander tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het hof is van oordeel dat aan de subsidiariteitseis niet is voldaan. Verdachte behoefde zich niet meer te verdedigen en er bestond geen noodzaak meer tot verdediging.

Aanvankelijk is door verdachte de aanval geopend door het [slachtoffer] te slaan. Daarop is een tegenaanval gevolgd van het slachtoffer door met een mes in de richting van verdachte te lopen, waarop door verdachte en de twee personen in zijn onmiddellijke nabijheid is gereageerd richting het slachtoffer. In die confrontatie heeft zich vervolgens ook [getuige 12, broer van slachtoffer] gemengd met een aanval met een bijl op verdachte. Vervolgens heeft [getuige 12, broer van slachtoffer] zich (zonder bijl, die was gevallen) verwijderd van het parkeerterrein. [slachtoffer] bevond zich toen nog op de (openbare) parkeerplaats. Hij had weliswaar, naar mag worden aangenomen, nog de beschikking over een mes, maar hij kwam op dat moment niet op verdachte af, hij stond. [slachtoffer] was alleen. Verdachte was met minimaal twee andere personen, van wie één de bijl van [getuige 12, broer van slachtoffer] had opgepakt, en hij was het slachtoffer genaderd. Verdachte had een pistool gepakt. Verdachte had zich naar het oordeel van het hof op dat moment kunnen en ook moeten onttrekken aan het (verdere) dreigende gevaar van aanranding van zijn lijf door [slachtoffer] (aannemende dat die dreiging er nog was). Daartoe bestond ook een reële en redelijke mogelijkheid. In de gegeven omstandigheden kon van verdachte ook worden gevergd dat hij zich onttrok aan een dreigend gevaar voor aanranding. De situatie was niet zodanig dat onttrekken geen reëel alternatief was. In plaats van met zijn medeclubleden de aftocht te blazen heeft hij er voor gekozen tien keer te schieten op het slachtoffer.

Het verweer wordt verworpen.

Ad 2) noodweerexces

Het hof stelt het volgende voorop.

Noodweerexces kan in beeld komen bij een “overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging”, dus wanneer aan alle eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.

Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien (intensief noodweerexces);

b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding (extensief noodweerexces).

Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde “onmiddellijk gevolg”, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

Het hof overweegt als volgt.

Ad a, intensief noodweerexces:

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen was er op het moment dat verdachte zijn wapen ter hand had genomen en schoot op [slachtoffer] geen noodzaak tot verdediging. Daarom kan het beroep op noodweerexces op deze grond niet slagen.

Ad b, extensief noodweerexces:

Het hof neemt aan dat op het moment dat verdachte werd geslagen door [slachtoffer en zijn broer] met een mes en een bijl er nog een noodzaak tot verdediging bestond. Die noodzaak bestond op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden daarna evenwel niet meer. Het hof acht het niet aannemelijk dat de gedraging van verdachte, het schieten op [slachtoffer] , het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging, die van doorslaggevend belang is geweest bij het schieten, veroorzaakt door de daaraan voorafgaande aanranding door [slachtoffer en zijn broer] .

Naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien heeft verdachte, ondanks dat hij twee ernstige verwondingen had opgelopen aan zijn hoofd, zijn pistool ter hand genomen, doorgeladen en een serie van tien kogels op [slachtoffer] afgeschoten. Na afloop heeft verdachte zich, vergezeld van zijn begeleiders, op rustige en normale wijze richting zijn auto begeven (meerdere getuigen hebben hierover verklaard), is een kledingstuk om zijn hoofd gewikkeld, is onderweg het wapen weggegooid en heeft de bestuurder van de Mini verdachte bij de spoedeisende hulp afgezet waar verdachte zelfstandig naar toe is gelopen. Hij heeft zich vervolgens gedurende lange tijd op zijn zwijgrecht beroepen. Het hof acht op grond van het dossier derhalve niet aannemelijk geworden dat voor verdachte paniek en/of angst in de zin van een hevige gemoedsbeweging doorslaggevend is geweest bij de keuze om te schieten.

Het verweer wordt verworpen.

Ad 3) putatief noodweer en ad 4) putatief noodweerexces

Het hof stelt het volgende voorop.

Van putatief noodweer of putatief noodweerexces kan gesproken worden indien sprake is van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Daarbij gaat het om hetgeen de gemiddelde persoon in de gegeven omstandigheden zal hebben ervaren, niet om de puur subjectieve beleving van de verdachte ten tijde van het gebeuren. Ook voor derden moet in de gegeven omstandigheden de onmiddellijke dreiging van een aanranding aannemelijk zijn geweest.

Het hof overweegt dat uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat er - anders dan de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd - geen sprake is geweest van twee schietmomenten. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen, te weten dat in de beleving van verdachte op het moment dat (volgens verdachte) [slachtoffer] naar het mes kroop en wilde pakken, sprake was van een overlevingsdrang, omdat hij meende opnieuw te worden aangerand, wordt uitgesloten door de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden. Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden. Derhalve mocht noch kon verdachte menen dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding vanuit [slachtoffer] op het moment dat hij ervoor koos om zijn wapen te pakken, het door te laden en op [slachtoffer] te schieten.

Het verweer wordt verworpen.

Concluderend: het verweer van de verdediging wordt in al zijn onderdelen verworpen. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten of de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De feiten zijn strafbaar en verdachte is strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Het onder 1. (impliciet subsidiair) bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op klaarlichte dag op een parkeerterrein bij een winkelcentrum een tiental patronen afgeschoten op [slachtoffer] , die daardoor is overleden. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan doodslag. De verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Aan de nabestaanden is door verdachtes handelen onherstelbaar leed en verdriet toegebracht, zo blijkt ook uit de slachtofferverklaring van de moeder van [slachtoffer] , die zij ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgedragen: de datum 3 april 2015 staat in het geheugen van de nabestaanden gegrift en er gaat geen dag voorbij dat ze niet aan die traumatische dag denken. Het zoontje van het slachtoffer zal zonder zijn vader opgroeien.

Het opzettelijk iemand van het leven beroven behoort tot de zwaarste categorie feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. Zo’n misdrijf is zeer schokkend voor de rechtsorde. Het brengt bij burgers gevoelens van angst onveiligheid teweeg, in het bijzonder nu de verdachte schoten heeft gelost op de openbare weg nabij een winkelcentrum, terwijl er zich op dat moment veel winkelend en werkend publiek in de onmiddellijke nabijheid van de schietpartij bevond.

Daarnaast heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte een pistool voorhanden heeft gehad, een vuurwapen geschikt dan wel bestemd tot het doden van personen, waardoor een risico voor de algemene veiligheid van personen is veroorzaakt. Het hof constateert dat het genoemde risico zich in deze zaak heeft gerealiseerd. Het illegale bezit van vuurwapens en munitie vormt vanwege de daaraan verbonden gevaarzetting een maatschappelijk kwaad dat streng dient te worden bestraft.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 maart 2017, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten, aan geweld gerelateerde delicten en verboden wapenbezit.

Het nemen van het leven van een ander kan niet anders worden bestraft dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof het doorgaans door dit hof gehanteerde uitgangspunt voor straftoemeting ingeval van doodslag in ogenschouw genomen. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft het hof in matigende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte ook zelf flink gewond is geraakt bij het eerdere treffen met het slachtoffer en diens broer.

Alles afwegende komt het hof tot het oordeel dat oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde en door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer]

De benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van in totaal

€ 6.274,43, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer] bestaat uit kosten voor de uitvaart van [slachtoffer] (€ 4312,43, nota d.d. 16 juni 2015) en kosten voor het grafmonument (€ 1.962,-, nota d.d. 4 juni 2016). De vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer] als gevolg van verdachtes (onder 1.) bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die hij door het strafbare feit heeft toegebracht. Hij is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zijn geheel toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1. (impliciet) primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. (impliciet) subsidiair en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande van slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.274,43 (zesduizend tweehonderdvierenzeventig euro en drieënveertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente voor wat betreft het bedrag van € 4312,43 vanaf 16 juni 2015 en voor wat betreft het bedrag € 1.962,- vanaf 4 juni 2016, tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [nabestaande van slachtoffer] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.274,43 (zesduizend tweehonderdvierenzeventig euro en drieënveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 66 (zesenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente voor wat betreft het bedrag van € 4312,43 vanaf 16 juni 2015 en voor wat betreft het bedrag € 1.962,- vanaf 4 juni 2016, tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. J.J.M. Gielen-Winkster, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Dieleman, griffier,

en op 23 mei 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.