Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:220

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
200.178.595_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:5883
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Internationaal privaatrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 10:8 en 10:127 BW. Verkoop en levering van gestolen zaak.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 10 8
Burgerlijk Wetboek Boek 10 127
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/438
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.178.595/01

arrest van 24 januari 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] (Duitsland),

appellante,

advocaat: mr. J.J.T. Ebisch te Venlo,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.H.A. Julicher te Venray,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 oktober 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, burgerlijk recht, zittingsplaats Roermond van 15 juli 2015, gewezen tussen appellant - [appellante] - als eisende partij en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde partij.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2769667 CV EXPL 14-1471)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven tevens houdende vermeerdering van (de grondslag van) eis, waarbij producties zijn overgelegd;

- de memorie van antwoord, waarbij een productie is overgelegd.

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder “2. De feiten” vastgesteld van welke feiten bij de beoordeling van het geschil is uitgegaan. Voor zover die feiten niet zijn bestreden, zal ook het hof daarvan uitgaan. Daarnaast staan nog enige feiten als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of onvoldoende onderbouwd bestreden vast. Hierna volgt een opsomming van die feiten.

a. Op 22 of 23 april 2008 is een caravan van het merk Tabbert (type W27 560) gestolen in het plaatsje Rastatt te Duitsland. De caravan behoorde toen in eigendom toe aan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). Van deze diefstal heeft [betrokkene 1] aangifte gedaan bij de politie in Duitsland.

b. Op 1 oktober 2012 heeft [geïntimeerde] voornoemde caravan van een Ierse man, genaamd [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), gekocht voor een koopprijs ad € 5.900,- (productie 1 conclusie van antwoord). De koop heeft in Frankrijk plaatsgevonden. [betrokkene 2] heeft het zogenoemde ‘Caravan Log’ en de bij de caravan aanwezig zijnde papieren aan [geïntimeerde] overgedragen.

c. [geïntimeerde] heeft de caravan op enig moment via internet te koop aangeboden.

d. Namens [appellante] heeft [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) op 17 oktober 2012 voornoemde caravan gekocht tegen een prijs van € 6.850,-. Ten behoeve van die koop werd € 1.000,- aanbetaald en het restant ad € 5.850,- is voldaan bij levering.

e. Ten behoeve van de koop is een koopovereenkomst opgesteld (productie 1 dagvaarding in eerste aanleg en productie 6 conclusie van repliek), waarop het volgende met de handgeschreven is vermeld: ‘Bemerkung: Fahrzeug wird met ca. 3000€ unter Marktwert verkauft, daher keine garantie o sontiges keine Zurücknahme’

f. Op 17 mei 2013 heeft [appellante] geprobeerd de caravan in te voeren in Duitsland. Hierbij werd [appellante] door de Duitse autoriteiten op de hoogte gesteld van het feit dat de caravan in Duitsland als gestolen stond geregistreerd, waardoor de caravan niet kon worden ingevoerd. Als rechtmatige eigenaar van de caravan stond in Duitsland [betrokkene 1] geregistreerd.

g. Bij brief van 17 mei 2013 (productie 4 dagvaarding in eerste aanleg) laat de gemachtigde van [appellante] aan [geïntimeerde] weten:

“(…)

Da Sie aufgrund des Vertrages meiner Mandantin kein Eigentum verschaffen konnten und meine Mandantin nunmehr das Fahrzeug an die Polizei herausgeben muss, haben wir Sie afzufordern den Kaufpreis in Höhe von 6.850,00€ umgehend zurückzuerstatten.

Hierfür merken wir uns eine Frist bis längstens 25. Mai 2013 vor. (…)”.

h. Bij schrijven van 6 december 2013 (productie 3 dagvaarding in eerste aanleg) laat mr. Sahin namens [appellante] aan [geïntimeerde] weten:

“(…)

U heeft (…) niet voldaan aan uw verplichting (…) dat u de verkochte zaak in eigendom heeft over te dragen. U was namelijk geen eigenaar van de caravan, (…). Cliënte ontbindt hierbij (…) de gesloten koopovereenkomst.

Nu de overdracht in eigendom een verplichting van u – als verkoper - is die voor uw risico komt, bent u gehouden om de door cliënte gelede schade te vergoeden. Deze schade bedraagt in ieder geval de koopprijs van € 6.850,-. Omdat u in verzuim verkeert, ben u voorts de wettelijke rente berekend tot en met 6 december a.s. ad € 234,96 (…) verschuldigd. (…)”.

i. In oktober 2014 heeft [appellante] de caravan doorverkocht aan een derde voor € 8.400,-.

4.2

[appellante] heeft in eerste aanleg en na vermeerdering/verandering van de grondslag van eis gevorderd dat [geïntimeerde] , voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te voldoen:

1. aan hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente primair vanaf 17 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair vanaf 25 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, meer subsidiair vanaf 11 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, meest subsidiair vanaf de dag der dagvaarding (23 januari 2014) tot aan de dag der algehele voldoening;

2. € 1.200,- ter zake buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente primair vanaf 17 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair vanaf 25 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, meer subsidiair vanaf 11 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, meest subsidiair vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

3. de kosten van het geding te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis -en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de termijn van voldoening;

4. de nakosten ter hoogte van € 131,- dan wel, indien betekening van het te wijzen vonnis plaatsvindt, € 199,-.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat de rechtsverhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde] naar Nederlands recht moet worden beantwoord. De kantonrechter is tot het oordeel gekomen dat [geïntimeerde] beschikkingsbevoegd was toen hij de caravan aan [appellante] leverde, maar dat als [geïntimeerde] als beschikkingsonbevoegde de caravan aan [appellante] zou hebben geleverd, [appellante] ook eigenaar van de caravan is geworden gelet op art. 3:86 lid 1 BW. [appellante] genoot namelijk in elk geval de bescherming van dat artikel op het moment dat [betrokkene 1] als bestolene de caravan van haar, [appellante] , opeiste en zij had die bescherming behoren in te roepen. Het subsidiaire beroep van [appellante] op bedrog althans dwaling is verworpen als onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter heeft de vordering van [appellante] afgewezen met veroordeling van haar in de proceskosten.

4.3

[appellante] vordert in het hoger beroep onder vermeerdering van eis en onder het voordragen van vijf grieven dat het hof:

zal vernietigen het vonnis van 15 juli 2015 en opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zover wettelijk (mogelijk, toev. hof) uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te voldoen:

a. in hoofdsom € 6.850,- subsidiair € 5.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente primair te rekenen vanaf 7 december 2013 voor wat betreft het bedrag van € 6.850,-, vanaf 23 juni 2013 voor wat betreft het bedrag van € 5.500,-, voor beide vorderingen subsidiair vanaf de dag der dagvaarding, in beide gevallen te voldoen tot aan de dag der algehele voldoening;

b. € 868,18 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente primair te rekenen vanaf 7 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

c. de proceskosten in beide instanties tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen arrest -en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de termijn van voldoening;

d. de nakosten in eerste aanleg ter hoogte van € 100,- en de nakosten in appel ter hoogte van € 131,- dan wel indien betekening van het te wijzen arrest plaatsvindt, van € 199,-, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen arrest -en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de termijn van voldoening.

[geïntimeerde] voert verweer.

4.4

[geïntimeerde] heeft geen bezwaren aangevoerd tegen de vermeerdering van eis, zodat het hof recht zal doen op de vermeerderde eis.

4.5

Partijen hebben geen bezwaren aangevoerd tegen het oordeel van de kantonrechter dat de Nederlandse rechter bevoegd is, zodat dit hof, dat het oordeel van de kantonrechter juist acht, eveneens bevoegd is.

4.6.1

In haar eerste twee grieven voert [appellante] aan dat weliswaar de koopovereenkomst tussen haar en [geïntimeerde] moet worden beoordeeld op grond van Nederlandse recht -hetgeen ook [geïntimeerde] stelt-, maar dat niet het Nederlandse goederenrecht van toepassing is bij de beoordeling van de eigendomsoverdracht door [geïntimeerde] aan [appellante] , maar het Duitse. Toepassing van dat Duitse goederenrecht brengt met zich, aldus [appellante] , dat [geïntimeerde] haar niet de eigendom van de caravan heeft verschaft. Er is geen sprake van enige regel naar Duits recht die de beschikkingsonbevoegdheid van [geïntimeerde] heeft geheeld. De twee grieven lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

4.6.2

Het hof stelt voorop dat partijen het er terecht over eens zijn dat Nederlands recht op de koopovereenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] van toepassing is.

4.6.3

[appellante] woonde in Duitsland toen zij op 17 oktober 2012 de caravan in Nederland (te [woonplaats 2] ) van [geïntimeerde] kocht en zij woont daar nog steeds. De caravan is op 17 oktober 2012 door [betrokkene 3] namens haar in Nederland bezichtigd, gekocht en aanbetaald en de volgende dag door [geïntimeerde] naar [betrokkene 3] in Duitsland gebracht.

4.6.4

Het goederenrechtelijk regime van de caravan wordt -zoals artikel 10:127 leden 1, 4 en 5 BW aangeven- in beginsel beheerst door het recht van de staat op welk grondgebied de caravan zich bevond op het tijdstip waarop de daarvoor noodzakelijke rechtsfeiten zijn geschied. Die noodzakelijke rechtsfeiten zijn in dit geval de goederenrechtelijke rechtsfeiten die tot eigendomsoverdracht kunnen leiden, dus de levering door een beschikkings(on)bevoegde. In zoverre dient tot uitgangspunt dat de caravan zich op 17 oktober 2012 in Nederland bevond en op 18 oktober 2012 in Duitsland. Net als de kantonrechter gaat [appellante] er van uit dat de levering al op 17 oktober 2012 in Nederland plaatshad en het goederenrechtelijk regime door Nederlands recht wordt beheerst, terwijl [geïntimeerde] betoogt dat de levering op 18 oktober 2012 in Duitsland plaatshad en het goederenrechtelijk regime door Duits recht wordt beheerst.

4.6.5

[geïntimeerde] voert in nr. 3.1.7 memorie van antwoord aan dat hij op 17 oktober 2012 in Nederland aan [appellante] de sleutels van de caravan en het logboek heeft gegeven, waarmee hij, zo stelt hij, de caravan heeft geleverd. Hij, [geïntimeerde] , heeft vervolgens tegen betaling door [appellante] van € 100,- de caravan de volgende dag naar Duitsland gebracht (nr. 3.1.5, derde alinea memorie van antwoord). Indien de goederenrechtelijke rechtsfeiten zich hebben afgespeeld in Duitsland, moet onder meer de vraag of [geïntimeerde] beschikkingsbevoegd was, op grond van art. 10:131 BW worden beantwoord naar Duits recht. Indien de goederenrechtelijke rechtsfeiten zich in Nederland hebben afgespeeld, moet de vraag naar de beschikkingsbevoegdheid in beginsel worden beantwoord naar Nederlands recht. Art. 10:8 BW geeft hierop een uitzondering: het recht dat is aangewezen door een wettelijke regel die berust op een veronderstelde nauwe band met dat recht, blijft buiten toepassing indien, gelet op alle omstandigheden van het geval, die veronderstelde nauwe band slechts in zeer geringe mate bestaat en met een ander recht een veel nauwere band bestaat. Bij de toets of sprake is van die in art. 10:8 BW bedoelde situatie zijn de volgende feiten van belang. De caravan is in Frankrijk door [geïntimeerde] gekocht op 1 oktober 2012 van een Ier, waarbij [geïntimeerde] meende dat de caravan uit Engeland kwam. De caravan had toen een aantal duidelijke gebreken: er was een achterraam gebroken en een vooruit en het deurslot waren defect (nr. 19 conclusie van repliek en pag. 4 onderaan en pag. 5 bovenaan conclusie van dupliek). [geïntimeerde] heeft de caravan niet gerepareerd, hetgeen niet zonder meer gebruikelijk is indien [geïntimeerde] de caravan zelf had willen gebruiken. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] de caravan in Nederland waar dan ook heeft aangemeld en/of verzekerd, terwijl het een in Nederland kentekenplichtig voertuig betreft. Hij heeft de caravan al binnen 16 dagen nadat hij deze in Frankrijk had gekocht (zie rov. 4.1 sub c-d) te koop gezet op internet, meer in het bijzonder door plaatsing op een Duitse website van een in de Duitse taal gestelde advertentie. Zie ook de door [appellante] overgelegde uitdraai van een aanbieding op het internet in de Duitse taal waarbij de caravan door [geïntimeerde] te koop wordt aangeboden (productie 6 conclusie van repliek). De caravan is vervolgens binnen drie weken nadat [geïntimeerde] zelf de caravan had gekocht, verkocht aan [appellante] , een Duitse, waarbij partijen zijn overeengekomen dat de caravan een dag na de koop door [geïntimeerde] naar Duitsland zou worden gebracht, hetgeen ook is geschied. Gelet op al deze feiten bestaat de veronderstelde nauwe band met Nederland slechts in zeer geringe mate en heeft de caravan met het Duitse recht een veel nauwere band. Dit betekent dat het hof in het midden kan laten of de caravan op 17 oktober 2012 in Nederland is geleverd of op 18 oktober 2012 in Duitsland. In beide gevallen dienen de noodzakelijke rechtsfeiten in de zin van art. 10:127 lid 5 BW te worden beoordeeld naar Duits recht, waar partijen ook rekening mee hebben gehouden (zie onder meer nr. 30 e.v. memorie van grieven en nr. 3.2.1 en 3.3.3. memorie van antwoord). De hoofdregel naar Duits recht is te vinden in par. 935 BGB. Dit artikel bepaalt dat geen eigendom wordt verkregen indien sprake is van een gestolen zaak. Par. 937 BGB bepaalt dat de eigendom toch wordt verworven door hem die een roerende zaak 10 jaar in bezit heeft. De caravan is gestolen in 2008, zodat deze par. 937 BGB niet van toepassing is. Op andere beschermingsbepalingen heeft [geïntimeerde] geen beroep gedaan. De conclusie is dan ook dat [geïntimeerde] naar de regels van Duits recht geen eigendom van de caravan aan [appellante] heeft verschaft.

4.6.6

Het hof ziet niet waarom [appellante] op basis van redelijkheid en billijkheid geen beroep zou mogen doen op het Duitse goederenrechtelijk regiem, zoals [geïntimeerde] stelt in nr. 3.2.1 van zijn memorie van antwoord. Voor zover zij het onmogelijk heeft gemaakt om aan een eventueel bestaande verplichting tot ongedaanmaking te voldoen, zijn onvoldoende feiten aangevoerd waarom dit repercussies zou moeten hebben betrekking hebbende op het recht dat van toepassing is op dit goederenrechtelijk regiem. Het hof verwerpt dan ook die betreffende stelling van [geïntimeerde] .

4.7

In grief 2 voert [appellante] verder aan dat [geïntimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis omdat hij haar niet de eigendom van de caravan heeft verschaft. Het hof herhaalt allereerst voor alle duidelijkheid dat Nederlands recht van toepassing is op de koopovereenkomst (zie hiervoor rov. 4.6.2).

Uit het vorenstaande blijkt dat de toepassing van Duits recht op de relevante rechtsfeiten met zich brengt dat [geïntimeerde] niet de eigendom van de caravan aan [appellante] heeft geleverd, waarmee hij tekort is geschoten. [geïntimeerde] heeft geen voldoende duidelijke feiten aangevoerd die, indien zij zouden komen vast te staan, met zich brengen dat dit tekortschieten hem niet kan worden toegerekend. De tussen partijen opgemaakte koopovereenkomst (Vertrag) houdt immers als door [geïntimeerde] toegezegde verzekering in: “Der Verkäufer versichert, dass das Fahrzeug sein uneingeschränktes Eigentum ist.” Die specifiek op het eigenaarschap van [geïntimeerde] toegespitste verzekering wordt niet ongedaan gemaakt door de algemene opmerking “Fahrzeug wird (…) unter Marktwert verkauft, daher keine garantie (…)”. Dit alleen al niet omdat uit die in algemene woorden geformuleerde exoneratie niet kan worden afgeleid dat partijen daarmee ook de verzekering van [geïntimeerde] dat hij eigenaar is, buiten werking hebben willen stellen. [geïntimeerde] stelt geen feiten en omstandigheden die tot een andere (Haviltex-)uitleg aanleiding geven. Deze wanprestatie is van dien aard dat nakoming blijvend onmogelijk is geworden, zodat [geïntimeerde] niet in gebreke gesteld hoefde te worden voordat [appellante] de overeenkomst ontbond bij brief van 6 december 2013. Het hof merkt hierbij op dat [appellante] gelet op haar vordering in dit hoger beroep kennelijk niet handhaaft haar stelling dat de overeenkomst is ontbonden bij brief van 17 mei 2013. De ontbinding bij de brief van 6 december 2013 is daarmee rechtsgeldig. Het feit dat [appellante] vóór die ontbindingsbrief van 6 december 2013 eventueel eigenaar is geworden van de caravan, doet daar niet aan af omdat die eigendom door [appellante] is verkregen op eigen initiatief, voor eigen rekening en volledig buiten [geïntimeerde] om terwijl juist [geïntimeerde] die eigendom had moeten leveren.

4.8

In de ontbindingsbrief van 6 december 2013 laat [appellante] weten dat door de ontbinding de koopprijs aan haar moet worden terugbetaald. Zij noemt dit in die brief weliswaar schade, maar rechtens moet het, naar het oordeel van het hof, ervoor worden gehouden dat [appellante] met deze mededeling wijst op de ongedaanmakingsverplichting van art. 6:271 BW. Die door [appellante] ingeroepen ontbinding brengt met zich dat ook zij vanaf dat moment een ongedaanmakingsverplichting had. Deze hield in dat zij de caravan moest teruggeven aan [geïntimeerde] . Daaraan kon zij ook voldoen omdat zij naar eigen zeggen al op of omstreeks 26 juni 2013, dus vóór 6 december 2013, eigenaresse van de caravan was geworden. Zij heeft echter zelf verhinderd dat de caravan aan [geïntimeerde] kan worden teruggegeven omdat zij deze na de ontbinding op 6 december 2013, naar eigen zeggen in oktober 2014, heeft doorverkocht. Daarmee heeft zij er niet als een zorgvuldig schuldenaar voor zorg gedragen dat de verschuldigde ongedaanmaking mogelijk blijft, zoals art. 6:273 BW voorschrijft, Om die reden zal haar primaire vordering tot terugbetaling van de door haar aan [geïntimeerde] betaalde koopsom van € 6.850,- worden afgewezen. Overigens zou wat dit betreft ook het beroep van [geïntimeerde] op verrekening (zie nr. 2.5 memorie van antwoord) slagen. Partijen hebben immers over en weer verplichtingen tot ongedaanmaking en [appellante] heeft het zichzelf door de caravan in 2014 aan een derde te verkopen onmogelijk gemaakt om te voldoen aan haar verplichting tot ongedaanmaking.

4.9

Het hof begrijpt dat de subsidiaire vordering van [appellante] tot veroordeling van [geïntimeerde] om aan haar € 5.500,- te betalen, berust op de stelling dat [geïntimeerde] uit hoofde van de door hem gepleegde wanprestatie de daardoor door [appellante] geleden schade moet vergoeden. Die schade bestaat uit dit bedrag van € 5.500,- omdat [appellante] dit bedrag aan [betrokkene 1] , de eigenaar van de gestolen caravan, heeft betaald om alsnog eigenaresse te worden van de caravan.

Het hof stelt voorop dat naar Duits recht [betrokkene 1] eigenaar van de caravan was en dat, zolang hij nog eigenaar van die caravan was, van [appellante] niet mocht worden verwacht dat zij de caravan zou terugleveren aan [geïntimeerde] . Dan zou [appellante] immers gestolen goed leveren. In plaats daarvan heeft zij de rechtens niet onjuiste weg gevolgd om alsnog eigenaar te worden van de caravan en wel door de eigendom daarvan van [betrokkene 1] te verkrijgen. Haar stelling dat zij daarvoor € 5.500,- heeft betaald, is door [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd betwist. Hij heeft het gelaten bij enkele algemene vragen waarmee hij, gelet op de vaststellingsovereenkomst die als productie 1 bij memorie van grieven is overgelegd, die betaling niet voldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit is dan ook de schade die [appellante] heeft geleden omdat [geïntimeerde] haar niet de eigendom van de caravan heeft geleverd. Het hof ziet niet waarom in de onderhavige rechtsverhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde] nog relevant is de prijs die [appellante] bij de verkoop van de caravan aan een derde in 2014 heeft ontvangen. Die verkoop in 2014 staat, mede nu [geïntimeerde] voor die verkoop onvoldoende duidelijk heeft laten weten prijs te stellen op teruggave van de caravan, niet meer in voldoende causaal verband met de koopovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellante] .

[appellante] heeft niet eerder dan bij memorie van grieven aanspraak gemaakt op dit bedrag van € 5.500,-, zodat wettelijke rente over dit bedrag pas is verschuldigd vanaf de dag dat deze memorie is genomen, zijnde 29 december 2015. Al het vorenstaande brengt met zich dat de overige grieven van [appellante] geen beoordeling meer behoeven.

4.10

De buitengerechtelijke incassokosten bedragen, overeenkomstig art. 2 Tarief Besluit-BIK € 650,-, welk bedrag zal worden toegewezen.

4.11

Partijen hebben over en weer geen voldoende onderbouwde, en door de andere partij betwiste feiten aangevoerd die, indien zij zouden komen vast te staan, tot andere oordelen zouden kunnen leiden, zodat het hof voorbij gaat aan de bewijsaanbiedingen.

4.12

De conclusie is dan ook dat het vonnis moet worden vernietigd en de vordering van [appellante] , zoals hiervoor is vermeld, moet worden toegewezen. [geïntimeerde] heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg en van dit hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht als volgt:

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te voldoen:

1. aan hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. € 650,- ter zake buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de btw en met de wettelijke rente vanaf 29 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. de kosten van het geding, in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] begroot op € 219,- aan griffierecht, € 95,77 kosten betekening dagvaarding en € 750,- voor kosten advocaat, en in dit hoger beroep begroot op € 96,15 kosten betekening dagvaarding, € 311,- aan griffierecht en € 632,- voor kosten advocaat, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit arrest -en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de termijn van voldoening;

4. de nakosten in eerste aanleg ter hoogte van € 100,- en de nakosten in appel ter hoogte van € 131,- dan wel indien betekening van het te wijzen arrest plaatsvindt, van € 199,-, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen arrest -en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de termijn van voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en Th.C.M. Hendriks-Jansen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 januari 2017.

griffier rolraadsheer