Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:213

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
200.166.485_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindigingsvergoeding in het kader van Sociaal Plan. Het concern, waar de vorige werkgever van de werknemer deel van uitmaakt, is geen rechtsopvolger van de huidige werkgever en de bij de vorige werkgever opgebouwde dienstjaren tellen derhalve niet mee bij de bepaling van de hoogte van de beëindigingsvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/443
AR-Updates.nl 2017-0104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.166.485/01

arrest van 24 januari 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. B.E.J.M. Tomlow te Utrecht,

tegen

Intervet International B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Intervet,

advocaat: mr. M. van Eck te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 maart 2014, hersteld bij exploot van 7 november 2014, ingeleide hoger beroep van het vonnis van 19 december 2013, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser en Intervet als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 904411/417 CV EXPL 13-5019)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep alsmede het herstelexploot;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties (waaronder het proces-verbaal d.d. 1 juni 2015 van het ten overstaan van het hof gehouden voorlopig getuigenverhoor (verhoor van de heer [getuige] ) ingevolge de beschikking van 19 maart 2015 (HR 200.162.787/02);

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij H-formulier van 24 november 2016 door mr. Tomlow toegezonden producties, die hij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In r.o. 2 heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met de grieven I tot en met IV wordt deze vaststelling (gedeeltelijk) bestreden. Het hof zal mede in dat verband, voor zover die grieven slagen, een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

a. In de periode van 1 januari 1999 tot 1 september 2006 heeft [appellant] gewerkt voor Merck Sharpe & Dohme B.V. te [vestigingsplaats 2] (hierna: MSD [vestigingsplaats 2] ).

b. Op 1 maart 2009 is [appellant] in dienst getreden van Intervet.

c. Op 3 november 2009 heeft een fusie plaatsgevonden tussen de Amerikaanse (groot)moedervennootschappen Schering-Plough Corporation en Merck & Co, Inc. Deze fusie vond plaats op topholdingniveau en leidde tot één (wereldwijd) Merck- of MSD-concern (hierna het MSD-concern genoemd). De Nederlandse vennootschappen MSD [vestigingsplaats 2] en Intervet zijn voortgezet en maakten beide vanaf die datum onderdeel uit van het MSD-concern. Intervet werd vanaf 3 november 2009 dus onderdeel van hetzelfde internationale concern als MSD [vestigingsplaats 2] .

d. Op 18 mei 2010 zijn alle werkgevers binnen het MSD-concern een Sociaal Plan overeengekomen. Dit Sociaal Plan heeft een looptijd van 18 mei 2010 tot en met 31 december 2012 en is ingevolge art. 4.2. Sociaal Plan aangemeld als CAO.

e. In het Sociaal Plan is, voor zover van belang, het navolgende opgenomen:

“Dit Sociaal Plan is overeengekomen tussen:

(…)

4. Intervet International B.V. te [vestigingsplaats 1] (“Intervet”)

(…)

6. Merck Sharp & Dohme te [vestigingsplaats 2] (“MSD”)

(…)

verder de “de Werkgevers” of ieder als “de Werkgever”, waaronder tevens hun rechtsopvolgers begrepen moeten worden (…)

1. Definities

(…)

N. Gewogen Dienstjaren

“(…) Dienstjaren die zonder onderbreking zijn opgebouwd bij een rechtsvoorganger van Werkgever of bij een vennootschap die onderdeel uitmaakte van het toenmalig concern van de Werkgever van Werknemer, tellen eveneens mee. (…) Tevens worden onderbroken dienstjaren (exclusief de onderbreking) meegenomen voor zover de onderbreking maximaal vijf jaar heeft geduurd en het dienstverband niet op initiatief van Werkgever is beëindigd en/of een beëindigingsvergoeding is betaald (…)”

f. Binnen Intervet is als gevolg van een reorganisatie de functie van [appellant] komen te vervallen. Als gevolg van het verval van zijn functie is [appellant] per 1 december 2012 boventallig verklaard. [appellant] valt onder de werkingssfeer van het Sociaal Plan.

g. Om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen, is een vaststellingsovereenkomst opgesteld. Deze is op 19 oktober 2012 door [vertegenwoordiger Intervet 1] en mw. [vertegenwoordiger Intervet 2] namens Intervet en op 29 november 2012 door [appellant] ondertekend, waarbij hij het hierna onder i genoemde voorbehoud heeft gemaakt. De hoogte van de beëindigingsvergoeding conform Sociaal Plan heeft Intervet gebaseerd op de periode dat [appellant] bij Intervet in dienst is geweest (3 jaar en 9 maanden). Deze bedraagt € 121.975,00 bruto (inclusief een vergoeding voor de wachttermijn en de opzegtermijn).

h. Omdat [appellant] het niet met de becijfering van de beëindigingsvergoeding eens was heeft hij daartegen bij de Begeleidingscommissie MSD (hierna: de Commissie) bezwaar gemaakt, overeenkomstig art. 15 van het Sociaal Plan.

i. In de vaststellingsovereenkomst is door [appellant] dientengevolge het navolgende voorbehoud gemaakt:

“Partijen zijn bekend met het feit dat ondergetekende ( [appellant] , opmerking hof) een geschil voorgelegd heeft aan de Begeleidingscommissie in verband met de berekening gewogen dienstjaren betreffende een eerdere periode MSD. Niet uitgesloten is dat de Begeleidingscommissie mij in het gelijk stelt. In dat geval wordt tussen partijen geacht overeengekomen te zijn dat ik recht heb op een additionele vergoeding gebaseerd op deze eerdere dienstjaren MSD. In dat geval dient additionele uitbetaling daarvan als onderdeel van deze vaststellingsovereenkomst plaats te vinden.”

j. De Commissie heeft genoemd bezwaar, na schriftelijk verweer van de zijde van Intervet te hebben ontvangen, op 9 januari 2013 mondeling behandeld, waarna de Commissie bij schriftelijke uitspraak van 22 januari 2013 het bezwaar van [appellant] met meerderheid van stemmen ongegrond heeft verklaard.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] , na vermeerdering van eis in eerste aanleg, veroordeling van Intervet tot betaling van € 96.738,- aan hoofdsom en € 1.742,38 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Intervet is op grond van het Sociaal Plan gehouden tot betaling van het gevorderde. Niet alleen de dienstjaren van [appellant] bij Intervet tellen mee bij de bepaling van de beëindigingsvergoeding, maar ook de dienstjaren die [appellant] van januari 1999 tot en met september 2006 bij MSD [vestigingsplaats 2] heeft opgebouwd. In het Sociaal Plan is immers bepaald dat onder werkgevers tevens hun rechtsopvolgers begrepen moeten worden. Nu het MSD-concern als rechtsopvolger van Intervet kan worden aangemerkt, en MSD [vestigingsplaats 2] in de periode 1999-2006 onderdeel uitmaakte van het toenmalige MSD-concern, dient volgens [appellant] te worden geconcludeerd dat de dienstjaren, die door [appellant] bij MSD [vestigingsplaats 2] zijn opgebouwd, meetellen.

3.2.3.

Intervet heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft primair gesteld dat partijen mede ter zake van de verschuldigde beëindigingsvergoeding een vaststellingsovereenkomst ter finale kwijting over en weer hebben gesloten. Daarbij is het door [appellant] gemaakte voorbehoud door het voor hem ongunstige advies van de Commissie komen te vervallen. Partijen hebben aldus reeds over alle punten, inclusief de wijze van vaststelling en de hoogte van de beëindigingsvergoeding, volwaardige overeenstemming bereikt, zodat aan [appellant] ter zake geen vorderingsrecht meer toekomt.

Subsidiair heeft Intervet betwist dat de door [appellant] bij MSD [vestigingsplaats 2] opgebouwde dienstjaren onder het toepassingsbereik van het Sociaal Plan vallen.

Meer subsidiair heeft zij de gevorderde ingangsdatum van de wettelijke rente betwist.

3.3.

In het bestreden vonnis is de kantonrechter eerst ingegaan op de vraag of de dienstjaren die [appellant] van 1999 tot 2006 bij MSD [vestigingsplaats 2] heeft opgebouwd onder het toepassingsbereik van het Sociaal Plan vallen. Hierbij heeft de kantonrechter de vraag aan de orde gesteld of het na de fusie in 2009 tot stand gekomen MSD-concern als rechtsopvolger van Intervet kan worden aangemerkt. De kantonrechter heeft overwogen dat nu het Sociaal Plan geen definitie van het begrip “rechtsopvolger” geeft, aansluiting dient te worden gezocht bij de betekenis van dit woord in het maatschappelijk verkeer. Volgens de kantonrechter wordt in het maatschappelijk verkeer onder rechtsopvolging hoe dan ook een zekere overdracht van bepaalde rechten en of verplichtingen aan de rechtsopvolger verstaan. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is geweest, aldus de kantonrechter.

De kantonrechter heeft vervolgens geoordeeld dat [appellant] onvoldoende heeft aangedragen om de conclusie te rechtvaardigen dat het MSD-concern in het maatschappelijk verkeer als rechtsopvolger van Intervet kan worden aangemerkt.

Op grond daarvan heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. Aan de bespreking van de overige verweren van Intervet is de kantonrechter niet meer toegekomen.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn (in eerste aanleg vermeerderde) vorderingen. Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vorderingen van [appellant] toewijsbaar zijn.

3.5.

Hoewel [appellant] aangeeft dat de grieven I tot en met IV alle zien op de vaststelling van de feiten, merkt het hof op dat deze grieven deels op de feitenvaststelling zien en deels op de inhoud van het onderhavige geschil. Voor zover deze grieven zien op de feitenvaststelling heeft [appellant] geen belang meer bij deze grieven nu het hof de feiten opnieuw heeft vastgesteld. Voor zover deze grieven zien op de inhoud van het onderhavige geschil, zullen deze - voor zover van belang - bij de beoordeling van het geschil in aanmerking worden genomen.

De kern van de grieven (V en VI) ziet op de vraag hoe artikel 1.N. van het Sociaal Plan, zie onder r.o. 3.1, uitgelegd dient te worden. In aansluiting daarop stelt [appellant] in grief VIII dat de kantonrechter ten onrechte de stellingen van [appellant] dat (i) [getuige] (de juistheid van) zijn lezing heeft bevestigd en (ii) collega’s in vergelijkbare posities hun eerdere dienstjaren wel meegerekend hebben gekregen, heeft verworpen.

3.6.1.

[appellant] stelt zich op het standpunt dat, nu in de preambule van het Sociaal Plan staat dat onder de “Werkgever(s)” “tevens hun rechtsopvolgers begrepen moeten worden”, artikel 1.N. als volgt gelezen dient te worden: “(…) Dienstjaren die zonder onderbreking zijn opgebouwd (…) bij een vennootschap die onderdeel uitmaakte van het toenmalig concern van de (rechtsopvolger van de) Werkgever van Werknemer (ofwel: het toenmalig concern van (Intervet/)MSD), tellen eveneens mee.” (onderstreepte toevoeging door [appellant] ).

3.6.2.

De kantonrechter heeft volgens [appellant] ten onrechte slechts een gedeelte van de CAO-norm toegepast en uitsluitend een taalkundige uitleg gegeven aan de term ‘rechtsopvolger’ in het Sociaal Plan.

[appellant] stelt dat op grond van de toetsingsmaatstaf van het DSM/Fox-arrest (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427) ook de overige omstandigheden van het geval bij de uitleg van het Sociaal Plan (het begrip ‘rechtsopvolger’) dienen te worden meegenomen waarbij aangesloten dient te worden bij het normale taalgebruik van de gewone man. De economische werkelijkheid is volgens [appellant] hierbij van belang en deze is dat Intervet overgenomen is door en onderdeel is geworden van het MSD-concern. Het MSD-concern is aldus naar normaal spraakgebruik volgens [appellant] de rechtsopvolger van Intervet. Verder stelt [appellant] dat het Sociaal Plan tot rechtszekerheid en tot bescherming van de werknemers dient en dus, indien definities in het Sociaal Plan voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn, een uitleg ten gunste van de werknemer dient te worden gehanteerd.

Bij het vorenstaande zijn de volgende omstandigheden volgens [appellant] van belang:

1. het gaat om een MSD-brede regeling en niet om een Intervet-regeling (strekking en aard van de gehele regeling);

2. liquide middelen benodigd voor de afvloeiingsregelingen uit hoofde van het Sociaal Plan werden beschikbaar gesteld door het moederconcern;

3. Intervet heeft zich ten tijde van de ondertekening door [appellant] van zijn vaststellingsovereenkomst alsook in de aanloop naar die ondertekening toe in elk opzicht vereenzelvigd met het MSD-concern;

4. in de uitspraak van de Commissie van 9 oktober 2012 betreffende een oud-collega van [appellant] is uitdrukkelijk vastgesteld dat het MSD-concern een rechtsopvolger van Intervet is;

5. de leidinggevende van [appellant] , de heer [getuige] , heeft de juistheid van de interpretatie van [appellant] bevestigd;

6. bij een aantal oud-collega’s van [appellant] , die in een vergelijkbare situatie verkeerden, zijn hun eerdere dienstjaren wel meegeteld.

3.7.

Het hof overweegt over de uitleg van artikel 1.N. het Sociaal Plan als volgt.

[appellant] is als individuele werknemer niet als partij bij de totstandkoming van het Sociaal Plan betrokken, maar doet daarop thans wel een beroep. Hij wenst als derde daaraan rechten te ontlenen. Nu de rechtspositie van een derde in het geding is, dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de uitleg van het Sociaal Plan te geschieden aan de hand van de zogenaamde CAO-norm. Dat betekent dat in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van het Sociaal Plan, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij het Sociaal Plan, voor zover deze niet uit de bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin het Sociaal Plan en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in het Sociaal Plan gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (vgl. HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5961, HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9889, recent herhaald in HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687).

3.8.

Met inachtneming van deze hoofdregel overweegt het hof het volgende.

Nu het Sociaal Plan geen definitie geeft van het begrip ‘rechtsopvolger’ is het hof - evenals de kantonrechter - van oordeel dat aansluiting dient te worden gezocht bij de betekenis van dit woord in het maatschappelijk verkeer. Bij rechtsopvolging zullen er, ook in de betekenis die die term in het maatschappelijk verkeer heeft, rechten moeten overgaan; de eerdere rechthebbende raakt zijn rechten kwijt aan en wordt opgevolgd in zijn rechten door de rechtsopvolger.

Op topholdingniveau zijn de Amerikaanse (groot)moedervennootschappen Schering-Plough Corporation en Merck & Co, Inc. op 3 november 2009 gefuseerd tot het huidige MSD-concern. Vóór die fusie was [appellant] in dienst bij Intervet en na de fusie is Intervet werkgever gebleven van [appellant] . Dat is tussen partijen niet in geschil. Gesteld noch gebleken is dat er rechten of verplichtingen van Intervet zijn overgegaan naar het MSD-concern. De stelling van [appellant] dat voor het begrip ‘rechtsopvolger’ in het Sociaal Plan aansluiting dient te worden gezocht bij het normale spraakgebruik - hetgeen betekent dat het gaat om de ‘overname’ van Intervet door het MSD-concern - acht het hof op grond van het vorenstaande onjuist.

Het hof is dan ook van oordeel dat [appellant] ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat het MSD-concern als rechtsopvolger van Intervet is te beschouwen.

Dit heeft tot gevolg dat op grond van artikel 1.N van het Sociaal Plan alleen de opgebouwde dienstjaren die bij een vennootschap die onderdeel uitmaakte van het toenmalig concern van Intervet, de werkgever, te weten het Schering-Plough-concern, meetellen. Nu MSD [vestigingsplaats 2] in de periode dat [appellant] bij die vennootschap werkte onderdeel was van het MSD-concern en niet van het Schering-Plough-concern waar Intervet onderdeel van was, worden deze bij MSD [vestigingsplaats 2] opgebouwde dienstjaren niet meegeteld. Dat MSD [vestigingsplaats 2] en Intervet later door de fusie onderdeel van hetzelfde concern zijn geworden, maakt het voorgaande niet anders.

3.9.

Ook al zou het MSD-concern wel als rechtsopvolger van Intervet beschouwd moeten worden dan nog kan artikel 1.N van het Sociaal Plan niet zo gelezen worden dat de dienstjaren die zijn opgebouwd bij MSD [vestigingsplaats 2] , welke vennootschap onderdeel uitmaakte van het toenmalige MSD-concern, eveneens meetellen. Het hof acht deze redenering van [appellant] dermate gekunsteld dat deze naar objectieve maatstaven op geen enkele manier verdedigbaar is. Intervet maakte immers voor de fusie onderdeel uit van het toenmalige Schering-Plough-concern en niet van het toenmalige MSD-concern. In dit kader overweegt het hof over de door [appellant] aangevoerde omstandigheden het volgende.

3.10.1.

Met betrekking tot de vereenzelviging van Intervet met het MSD-concern is, als dat al mogelijk is, door [appellant] volstrekt onvoldoende gesteld.

Uit de omstandigheid dat Intervet op zijn website de naam MSD Animal Health als handelsnaam voert, het Sociaal Plan een MSD-brede regeling genoemd wordt, liquide middelen voor de afvloeiingsregelingen uit hoofde van het Sociaal Plan door het moederconcern te beschikking zijn gesteld en aan [appellant] een MSD-functieprofiel werd toegezonden, kan mogelijk blijken dat (op één of meer onderdelen) een concernbreed beleid werd/wordt gevoerd, maar daaruit volgt niet dat Intervet en het MSD-concern in financieel, organisatorisch en juridisch opzicht zodanig met elkaar zijn verweven dat zij feitelijk als één geheel moeten worden gezien. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat Intervet na de fusie als een separate juridische zelfstandige vennootschap en arbeidsorganisatie is blijven voortbestaan. Zij stond tevens als werkgever vermeld op de salarisstroken van [appellant] en in de vaststellingsovereenkomsten. Intervet staat ook als zelfstandig werkgever genoemd in het Sociaal Plan, evenals overigens onder meer MSD [vestigingsplaats 2] , doch dat terzijde.

3.10.2.

De stelling van [appellant] dat zijn leidinggevende, de heer [getuige] , zijn lezing zou ondersteunen heeft [appellant] niet nader onderbouwd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de heer [getuige] in het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard dat hij niet tegen [appellant] heeft gezegd dat hij de lezing van [appellant] ondersteunde.

3.10.3.

[appellant] stelt verder dat de Commissie in een vergelijkbaar geval heeft geoordeeld dat het MSD-concern een rechtsopvolger van Intervet is. Het hof zal deze uitspraak echter niet in de beoordeling betrekken, aangezien het hof zelfstandig over het geschil moet oordelen.

3.10.4.

De betreffende collega’s waar [appellant] naar verwijst verkeerden niet in een vergelijkbare situatie nu zij vóór de fusie werkzaam waren bij een vennootschap in het Schering-Plough-concern (en dus niet, net als [appellant] , werkzaam waren bij een vennootschap in het voormalige Merck-concern). Zij vallen derhalve in het Sociaal Plan onder de situatie waarbij dienstjaren zijn opgebouwd bij een vennootschap die onderdeel uitmaakte van het toenmalige concern, zodat de aldaar opgebouwde dienstjaren meetellen. Het bewijsaanbod van [appellant] op dit punt is niet ter zake dienend omdat van een vergelijkbare positie van de bedoelde collega’s geen sprake is.

3.11.

Het voorgaande betekent dat de grieven II tot en met VI alsmede grief VIII falen.

3.12.

In grief VII stelt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte niet het verschil in hoedanigheid tussen partijen heeft meegewogen. Het hof is van oordeel dat de hoedanigheid van partijen niet relevant is nu het Sociaal Plan naar objectieve maatstaven dient te worden uitgelegd.

Grief IX betreft een veeggrief en behoeft geen zelfstandige behandeling.

3.13.

Indien en voor zover [appellant] stelt dat ingevolge artikel 6:248 BW de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich zouden brengen dat de dienstjaren van MSD [vestigingsplaats 2] moeten worden meegerekend voor de berekening van de beëindigingsvergoeding, is het hof van oordeel dat [appellant] ter zake onvoldoende heeft gesteld. Voor zover [appellant] doelt op de hiervoor besproken gestelde omstandigheden, verwijst het hof naar het voorgaande.

Voor zover [appellant] stelt dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Intervet met de vakbonden een Sociaal Plan was overeengekomen op basis waarvan hij zijn opgebouwde dienstjaren bij MSD [vestigingsplaats 2] mocht meetellen, verwerpt het hof dit standpunt. [appellant] heeft de dienstjarenproblematiek juist bij de bespreking over de vaststellingsovereenkomst kenbaar gemaakt wat geresulteerd heeft in een voorbehoud ten aanzien van de hoogte van de beëindigingsvergoeding. [appellant] was er zich dus steeds van bewust dat Intervet zijn visie niet deelde. Met betrekking tot het gestelde (anderszins) wekken van gerechtvaardigde verwachtingen door Intervet bij [appellant] overweegt het hof dat zulks onvoldoende is gesteld of gebleken.

Bewijsaanbod

3.14.

Het door [appellant] gedane bewijsaanbod over het feit dat MSD [vestigingsplaats 2] en Intervet geen concurrenten waren, acht het hof niet relevant omdat het hof de beweerdelijke concurrentie tussen beide vennootschappen bij de beoordeling van het geschil niet van belang acht.

Het hof komt niet toe aan het honoreren van het bewijsaanbod over de vereenzelviging met het MSD-concern, nu het hof van oordeel is dat [appellant] de vereenzelviging onvoldoende heeft onderbouwd.

Ook het aanbod om [appellant] te horen over de verklaring van de heer [getuige] zal het hof passeren nu het hof van oordeel is dat de interpretatie van [appellant] van artikel 1.N. van het Sociaal Plan onjuist is.

Slotsom

3.15.

Op grond van het vorenstaande falen de grieven en komt (ook) het hof niet toe aan het primaire verweer van Intervet betreffende de finale kwijting uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst.

Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en [appellant] , als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Intervet zullen worden vastgesteld op:

– griffierecht € 1.920,-

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

3 punten x € 1.631,- € 4.893,-.
De door Intervet gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal op de na te melden wijze worden toegewezen.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Intervet op € 1.920,- aan griffierecht en op € 4.893,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.J.H.A. Venner-Lijten en A.E. Bos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 januari 2017.

griffier rolraadsheer