Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:198

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
200 123 600_02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:1220
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:5326
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:9202
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:3090
Na prejudiciële beslissing van : ECLI:NL:HR:2014:2804
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

samenlevers;

inboedel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.123.600/02

arrest van 24 januari 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. C.C.J. Aarts te Schijndel,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. B.A.H.M. Boelens te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 21 juni 2016 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 234882 / HA ZA 11-1361 gewezen vonnissen van 27 februari 2012 en 17 oktober 2012.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het arrest van dit hof d.d. 16 juli 2013 (zaaknummer HD 200.123.600/01), waarin – na een rolbeslissing d.d. 25 juni 2013 waarbij akte niet-dienen van memorie van grieven is verleend – de vrouw niet-ontvankelijk verklaard is in haar hoger beroep;

- het arrest d.d. 26 september 2014 van de Hoge Raad, waarbij voornoemde rolbeslissing van dit hof van 25 juni 2013 alsmede het arrest van dit hof van 16 juli 2013 is vernietigd en de zaak is terugverwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing;

- de memorie van grieven [met producties/eiswijziging];

- de memorie van antwoord [met producties];

- het tussenarrest van 21 juni 2016 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast;

- de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 28 oktober 2016;

- het proces-verbaal van comparitie van 16 november 2016.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

6.1.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben in dat kader met elkander samengewoond. Op 31 mei 2007 hebben zij ten overstaan van een notaris een samenlevingsovereenkomst gesloten, waarin zij verklaren met ingang van die datum te gaan samenwonen en welke onder meer de navolgende bepalingen bevatte:

ROERENDE ZAKEN

Artikel 8

  1. Partijen hebben geruild en in eigendom overgedragen over en weer gelijk zij hebben geruild en in eigendom aanvaard over en weer de onverdeelde helft van de inboedel, aan partijen genoegzaam bekend (…)

  2. Inboedelzaken welke na datum begin samenwonen in eigendom zijn/worden verkregen, worden geacht aan beiden toe te behoren, ieder voor de onverdeelde helft, behoudens tegenbewijs (…)

  3. Indien roerende zaken voor gezamenlijke rekening zullen worden verkregen, zullen deze door partijen als gemeenschappelijk eigendom worden aangemerkt. (…)

  4. In alle gevallen waarin tussen partijen verschil van mening bestaat over de eigendom van een zaak en geen van beiden het recht daarop kan bewijzen, wordt die zaak geacht gemeenschappelijk eigendom te zijn van partijen, ieder voor de helft. (…)

ONTBINDING

(…)

Artikel 12

1. a. Indien de samenleving anders dan door overlijden eindigt, zijn partijen verplicht er aan mee te werken dat aan iedere partij worden toebedeeld de goederen die zij in ruiling heeft gebracht, zonder verrekening van de waarde.

6.1.2.

Voormelde samenlevingsovereenkomst is ontbonden en de man heeft de gemeenschappelijke woning aan de [adres] te [plaats] in september 2008 verlaten. Nadien woonde de vrouw alleen in de woning.

6.1.3.

Bij vonnis van 10 maart 2010 in een eerdere procedure tussen partijen heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de woning van partijen, die hen in gemeenschappelijk eigendom toebehoorde, aan de man toegedeeld en de vrouw onder meer veroordeeld om – kort gezegd – aan deze toedeling haar medewerking te verlenen en aan de man een bedrag van € 14.000,- te voldoen. Tevens werd de vrouw veroordeeld om binnen drie maanden na vorenbedoelde overdracht de woning te ontruimen en ontruimd te houden, met machtiging van de man om die ontruiming zo nodig zelf te doen bewerkstelligen met behulp van een deurwaarder en de sterke arm van politie en justitie.

6.1.4.

Op 8 juni 2010 is het onverdeeld aandeel van de vrouw in de woning aan de man overgedragen. De man was vanaf dat moment alleen en volledig eigenaar van de woning.

6.1.5.

Op 8 september 2010 heeft de vrouw de woning verlaten. Bij de ontruiming was een deurwaarder betrokken.

6.2.1.

De vrouw heeft, na haar eis te hebben gewijzigd, in eerste aanleg in conventie gevorderd:

  1. de vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke inboedelgoederen, een en ander zoals door haar voorgesteld;

  2. veroordeling van de man tot betaling van de helft van het door hem genoten fiscale voordeel over 2007-2008, te stellen op € 9.094,51;

  3. veroordeling van de man tot betaling van € 880,-, zijnde de helft van het saldo van de gezamenlijke rekening;

  4. afgifte door de man van haar eigendommen;

  5. veroordeling van de man tot betaling van een schadevergoeding ad € 6.703,-,

een en ander vermeerderd met rente en kosten.

6.2.2.

De man heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd:

  1. te bepalen dat de inboedel wordt verdeeld overeenkomstig zijn voorstel;

  2. te bepalen dat de vrouw aan de man dient te betalen:

a. een vergoeding voor schoonmaakkosten ad € 2.400,-;

b. een schadevergoeding ad € 2.365,-;

c. de helft van het saldotekort op de gezamenlijke bankrekening ad € 70,32;

d. de helft van de achterstallige hypotheeklasten ad € 1.126,06;

e. de kosten van RWE over september en oktober 2009 ad € 186,-;

f. de gemeentelijke belastingen over 2009 ad € 919,43;

g. de waterschapslasten over 2009 ad € 88,13;

h. de opstalverzekering 2009 en 2010 ad € 569,12;

i. een gebruiksvergoeding over juni, juli en augustus 2010 ad € 1.399,99;

j. de kosten van de deurwaarder ad € 2.229,96;

3. afgifte door de vrouw van zijn eigendommen,

een en ander vermeerderd met rente en kosten.

6.2.3.

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd.

6.2.4.

Op 27 februari 2012 heeft ten overstaan van de rechtbank een comparitie na antwoord plaatsgevonden. De rechtbank heeft bij mondeling vonnis van 27 februari 2012, vastgelegd in het proces-verbaal van comparitie, houdende mondeling vonnis, de vrouw opgedragen te bewijzen dat (1) de goederen waarvan zij toedeling en/of afgifte vordert door haar in ruiling zijn gebracht dan wel haar eigendom zijn alsmede (2) dat elk van deze goederen in het bezit van de man is. De man is in gelegenheid gesteld om met betrekking tot het laatste de lijst in het geding te brengen, die hij ter gelegenheid van de ontruiming aan de deurwaarder heeft overhandigd en waarop de goederen staan vermeld die volgens de man aan hem toebehoorden en in de woning moesten achterblijven. De vrouw mocht op die lijst reageren.

Voorts heeft de rechtbank de man opgedragen te bewijzen dat de vrouw enkele dagboeken en fotoboeken van zijn overleden echtgenote, enkele gereedschappen, een kantenmaaier, een huishoudtrap, een tweepersoons stalen ledikant, bestek en pannen in haar bezit heeft.

6.2.5.

In het beroepen eindvonnis van 17 oktober 2012 heeft de rechtbank in conventie en in reconventie:

- de verdeling van de gemeenschappelijke inboedelgoederen aldus vastgesteld dat:

 aan iedere partij worden zonder nadere verrekening toegedeeld de goederen die hij of zij thans onder zich heeft;

 aan de man worden toegedeeld de dagboeken, fotoboeken en naaimachine van zijn overleden echtgenote;

- de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van € 4.743,61;

  • -

    het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

  • -

    de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

6.3.

De vrouw kan zich (op onderdelen) met de beroepen vonnissen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

6.4.

De vrouw heeft in haar dagvaarding in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen in conventie en in reconventie van 27 februari 2012 en 17 oktober 2012 en opnieuw rechtdoende de vorderingen van de vrouw na wijziging van eis in conventie alsnog toe te wijzen en de vorderingen van de man in reconventie alsnog af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van het geding in beide instanties.

In haar memorie van grieven heeft de vrouw zes grieven aangevoerd tegen voormelde bestreden vonnissen en geconcludeerd tot vernietiging van deze vonnissen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de oorspronkelijke conventionele vorderingen van de vrouw alsnog toe te wijzen;

  • -

    met inachtneming van grief 1 de verdeling van de inboedelgoederen vast te stellen zoals het hof juist acht, dan wel door de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 5.200,-, althans een bedrag dat het hof juist acht, nader vast te stellen bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  • -

    met vermeerdering van eis wat betreft de afrekening ter zake van de voormalige gemeenschappelijke woning en de verdeling van de diverse spaarpolissen c.q. beleggingsdepots bij Nationale Nederlanden aldus dat de man wordt veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 19.023,75, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    de man te veroordelen in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

6.5.

Gelet op het arrest van 26 september 2014 van de Hoge Raad dient het hof met inachtneming van de beslissing in dat arrest de zaak verder te beoordelen en te beslissen.

6.6.

Verdeling inboedel

6.6.1.

Grief 1 keert zich tegen de beslissing van de rechtbank om zonder nadere verrekening de gemeenschappelijke inboedelgoederen van partijen aldus te verdelen dat iedere partij krijgt toegedeeld de goederen die hij of zij thans onder zich heeft.

Ter toelichting op haar grief voert de vrouw het volgende aan.

Nu geen van beide partijen aan de door de rechtbank gegeven bewijsopdracht met betrekking tot de inboedelgoederen heeft kunnen voldoen, is aan voormeld artikel 8 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst voldaan, met als gevolg dat die goederen worden geacht gemeenschappelijk eigendom te zijn van partijen. Vaststaat welke goederen in het bezit zijn van de man. Dat zijn namelijk de inboedelgoederen die door de deurwaarder van de man in executoriaal beslag zijn genomen op 3 augustus 2010 en de inboedelgoederen die na de ontruiming van de woning op 8 september 2010 door eveneens de deurwaarder van de man op uitdrukkelijk verzoek van de man in de woning zijn achtergebleven. Welke goederen dit zijn blijkt uit de producties 16 en 27 bij de conclusie van antwoord in reconventie. De man heeft dus een groot aantal inboedelgoederen meegenomen althans onder zich, waarop de deurwaarder beslag heeft gelegd dan wel die door de deurwaarder expliciet achter zijn gelaten. De man kan zijn betere recht op die inboedelgoederen niet bewijzen. Derhalve zijn die inboedelgoederen gemeenschappelijk. Nu de man deze goederen niet heeft verdeeld en ook niet wil verdelen, terwijl die goederen voor de helft mede-eigendom zijn van de vrouw, maakt de vrouw aanspraak op de helft van de in de producties 16 en 27 bij conclusie van antwoord in reconventie opgesomde inboedelgoederen, nader door het hof te verdelen.

Subsidiair maakt de vrouw in dit verband aanspraak op een schadevergoeding nu zij immers geen en de man alle inboedelgoederen onder zich heeft gehouden en de vrouw andere inboedelgoederen heeft moeten aanschaffen na haar gedwongen ontruiming op 8 september 2010.

6.6.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht de verdeling van de inboedelgoederen van partijen heeft vastgesteld in die zin dat aan een ieder van partijen zonder nadere verrekening wordt toegedeeld de goederen die hij of zij thans feitelijk onder zich heeft. De man begrijpt de grief van de vrouw aldus dat zij thans verdeling vraagt van de inboedelgoederen zoals vermeld op de lijsten die als productie 1 en 2 bij de memorie van grieven in het geding zijn gebracht. De man weerspreekt dat de op die lijsten genoemde roerende zaken gemeenschappelijk zijn. De genoemde goederen zijn grotendeels afkomstig uit de inboedel die hij met zijn overleden echtgenote heeft aangeschaft. Deze goederen zijn vervolgens door hem bij het aangaan van de samenlevingsovereenkomst ter ruiling aangeboden en komen op grond van artikel 12 lid 1 onder a aan hem toe zonder nadere verrekening. Voorts betwist de man dat hij deze goederen in zijn bezit heeft of heeft gehad na de ontruiming van de voormalige gezamenlijke woning. Ten tijde van de ontruiming van de vrouw bleek een groot gedeelte van de in beslag genomen goederen niet meer in de woning aanwezig. Ter zake van de aanspraak van de vrouw op een schadevergoeding, merkt de man op dat de grond waarop de vrouw deze vordering heeft gebaseerd volstrekt onduidelijk is, zodat deze vordering reeds om die reden niet kan worden toegewezen.

6.6.3.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof begrijpt de grief van de vrouw aldus dat zij verdeling vraagt van de inboedel zoals vermeld op de lijsten die als productie 1 en 2 bij de memorie van grieven in het geding zijn gebracht. De man stelt zich op het standpunt dat van verdeling van die goederen geen sprake kan zijn nu die inboedelgoederen op grond van artikel 12 lid 1 sub a van de samenlevingsovereenkomst aan hem toekomen, omdat hij deze goederen ter ruiling heeft ingebracht bij het aangaan van de samenlevingsovereenkomst.

Naar het oordeel van het hof heeft de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, echter niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat hij de op voormelde lijsten staande inboedelgoederen ten tijde van het aangaan van de samenlevingsovereenkomst met de vrouw ter ruiling heeft ingebracht. Van de man had mogen worden verwacht dat hij stukken in het geding had gebracht die zijn stelling staven dat hij de op voormelde lijsten staande inboedelgoederen destijds ter ruiling heeft ingebracht (bijvoorbeeld op naam van de man gestelde aankoopnota’s van die betreffende goederen).

Nu, gelet op het voorgaande, niet is komen vast te staan dat de man de inboedelgoederen bij het aangaan van de samenlevingsovereenkomst ter ruiling heeft ingebracht en hij dienaangaande ook geen bewijsaanbod heeft gedaan, moeten die goederen ingevolge artikel 8 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst geacht worden gemeenschappelijk te zijn, waardoor deze goederen voor verdeling in aanmerking komen. In zoverre slaagt de grief van de vrouw.

Partijen staan lijnrecht tegenover elkaar als het gaat om de inboedel: ieder betwist de verklaring van de ander over wat er met de inboedel is gebeurd en zet daar zijn of haar eigen verklaring tegenover. Kort gezegd komt de stelling van de vrouw er op neer dat de man vrijwel de gehele inboedel onder zich heeft nu deze door hem in executoriaal beslag is genomen. De man daarentegen stelt zich op het standpunt dat ten tijde van de ontruiming van de woning in september 2010 bleek dat een groot gedeelte van de in augustus 2010 door de deurwaarder in executoriaal beslag genomen roerende zaken niet meer in de woning aanwezig waren en dat de in de woning resterende inboedel (met uitzondering van een tweepersoonsbed) was overgebracht naar de openbare weg en van daaruit door de vrouw onder zich is genomen en afgevoerd.

Voor het vaststellen van de verdeling van de inboedel zoals is gevorderd moet eerst komen vast te staan dat de betreffende inboedelgoederen (nog) deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap, wie de inboedelgoederen onder zich heeft en wat de waarde hiervan is. Nu, zoals hiervóór reeds overwogen, partijen op deze punten lijnrecht tegenover elkaar staan en de vrouw ter zake van de inboedel geen voldoende specifiek bewijsaanbod heeft gedaan, kan het hof niet tot een ander oordeel komen. De eerste grief faalt derhalve.

6.7.

Schade ad € 6.703,- i.v.m. terugbetaling zorg- en kinderopvangtoeslag

6.7.1.

Grief 2 keert zich tegen de afwijzing van de vordering van de vrouw voor de door haar geleden schade met betrekking tot de door haar terugbetaalde zorg- en kinderopvangtoeslag. Ter toelichting op haar grief voert de vrouw het volgende aan.

De rechtbank heeft op onbegrijpelijke gronden overwogen en beslist dat enkel en alleen vanwege het feit dat de man zich niet conform de wettelijke maatstaven heeft uitgeschreven van het adres aan de [adres] te [plaats] toen hij uit die woning vertrok, onvoldoende is om de fiscale voordelen die de vrouw als gevolg van die nalatigheid heeft misgelopen als schadevergoeding aan de vrouw toe te wijzen. Het is een wettelijke verplichting om je te laten registreren op het adres waar je feitelijk woont. Het staat vast dat de man op 26 augustus 2008 feitelijk uit de woning is vertrokken en dat hij in die woning is teruggekeerd na de ontruiming op 8 september 2010. De man had zich dus gedurende deze periode dienen in te schrijven op het adres waar hij toen feitelijk woonde. Aldus zou de vrouw aanspraak hebben kunnen maken op een bedrag van € 6.703,-. De man is nalatig en onzorgvuldig geweest door zich niet te laten uitschrijven met als gevolg dat de Belastingdienst de vrouw en de man als fiscale partners heeft aangemerkt en ten gevolge van die nalatigheid en onzorgvuldigheid staat het vast dat de vrouw (fiscaal) schade heeft geleden.

Ter zitting heeft de vrouw het gevorderde bedrag aan schadevergoeding verlaagd tot een bedrag van € 5.012,-.

6.7.2.

De man heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde schadevergoeding. Hij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht de vordering van de vrouw ten aanzien van de (vermeende) schade die zij heeft geleden ad € 6.703,- in verband met de door haar terugbetaalde zorg- en kinderopvangtoeslag heeft afgewezen. De man had geen noodzaak om zich uit te schrijven op het adres aan de [adres] te [plaats] . De woning behoorde immers in onverdeelde eigendom aan hem toe, waarbij hij steeds de intentie heeft gehad deze woning aan hem te laten toedelen en weer in de woning te gaan wonen. Dat hier uiteindelijk een periode van twee jaar overheen is gegaan is te wijten aan de vrouw. Het was vrijwel van meet af aan duidelijk dat de vrouw niet de woning zou kunnen blijven bewonen. Ondanks dit gegeven heeft de vrouw het uiteindelijk op een ontruiming laten aankomen. Het hiermee gemoeide tijdsverloop kan de man niet worden aangerekend. Voorts weerspreekt de man dat de vrouw schade heeft geleden als gevolg van het feit dat hij zich niet heeft uitgeschreven op voormeld adres. De vrouw heeft dit op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt en/of onderbouwd. Voorts betwist de man de schade en de hoogte van het schadebedrag.

6.7.3.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt vast dat de vordering van de vrouw tot betaling van een bedrag van € 5.012,- is gegrond op een vordering wegens een onrechtmatige daad van de man jegens de vrouw. Evenals de rechtbank, is het hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de man zich na zijn vertrek uit de woning niet op een ander adres heeft ingeschreven, onvoldoende grond vormt om onrechtmatig gedrag en daaruit voortvloeiende schadeplichtigheid van de man jegens de vrouw aan te nemen. Dit betekent dat de grief van de vrouw faalt.

6.8.

Achterstallige hypotheeklasten

6.8.1.

Grief 3 keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw aan de man de achterstallige hypotheeklasten ad € 1.126,06 en een aantal andere posten dient te voldoen.

Ter toelichting op haar grief voert de vrouw het volgende aan.

In een andere procedure bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch waarbij de woning aan de man is toegedeeld, is op 17 februari 2009 een comparitie van partijen gehouden. In die procedure is vervolgens op 10 maart 2010 een vonnis gewezen. Uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen blijkt dat de man tijdens die comparitie zijn vordering met een bedrag van € 16.723,54 heeft verminderd. Die vordering ziet mede op de hypotheekachterstand die er bestond en die nu, in de onderhavige procedure opnieuw wordt gevorderd. De man kan derhalve in de onderhavige procedure opnieuw betaling van de hypotheekachterstand vorderen.

6.8.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de vrouw de door haar bestreden posten aan de man dient te voldoen. Het is correct dat de man tijdens de comparitie van partijen zijn vordering voor een bedrag ter hoogte van € 16.723,54 heeft ingetrokken. Deze vordering zag evenwel niet op de huidige hypotheekachterstand.

6.8.3.

Het hof overweegt als volgt.

Bij gelegenheid van de comparitie heeft de vrouw verklaard dat haar grief alleen nog betrekking heeft op het oordeel van de rechtbank ter zake van de achterstallige hypotheeklasten ad € 1.126,06.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat voormeld bedrag van € 1.126,06 onderdeel uitmaakte van een eerdere vordering van de man van € 16.723,54, welke vordering de man in een andere procedure bij de rechtbank ‘s-Hertogenbosch heeft ingetrokken. Derhalve faalt grief 3 van de vrouw.

6.9.

Gebruiksvergoeding

6.9.1.

Grief 4 keert zich tegen de toewijzing van de vordering van de man ter zake van de gebruiksvergoeding ad € 1.399,99. Ter toelichting op haar grief voert de vrouw het volgende aan.

Op zich genomen is het juist dat de vrouw in de periode van 8 juni 2010 tot 8 september 2010 nog in de woning heeft gewoond, terwijl die woning op 8 juni 2010 aan de man was overgedragen, althans was toegedeeld. Over deze periode is echter ten onrechte aan de man een gebruiksvergoeding toegekend van € 1.399,99. De man berekent die vergoeding over de overwaarde op de woning van 4%. Als deze wijze van berekening al juist is en ook als het percentage al correct is, dan is die wijze van berekening in het onderhavige geval niet van toepassing. Immers, de vrouw heeft in de periode dat zij nog mede in de woning woonde, ook de hypotheekrente voor de helft betaald en zij heeft voorts ook alle normaal gebruikelijke lasten van die woning betaald en de woning onderhouden.

6.9.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de gebruiksvergoeding over de periode van 8 juni 2010 tot de ontruiming van de woning op 8 september 2010 ter hoogte van € 1.399,99 is toegewezen. Als gevolg van het feit dat het in de periode van 10 juni 2010 tot en met 11 september 2010 voor de man door toedoen van de vrouw niet mogelijk was het genot van zijn woning te genieten, is hiervoor een vergoeding op zijn plaats.

6.9.3.

Het hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld zij dat de vrouw geen grief heeft opgeworpen tegen de periode waarover zij aan de man een gebruiksvergoeding verschuldigd is, zijnde 8 juni 2010 tot 8 september 2010.

Op grond van artikel 3:169 BW kan een gebruiksvergoeding door de man worden gevorderd. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 3:169 BW (onder andere: HR 22 november 2000, ECLI:NL:HR:2000: AA9143 en HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176) volgt dat een deelgenoot, die een goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht is die andere deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen.

Voor de onderhavige zaak betekent dit dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de vrouw gehouden is om – voor de periode dat zij de voormalige echtelijke woning met uitsluiting van de man gebruikt – aan de man een gebruiksvergoeding te betalen.

Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken op grond van de enkele omstandigheid dat de vrouw ook heeft meebetaald aan de hypotheekrente en overige woonlasten. Het feit dat de vrouw die lasten mede voldaan heeft, betekent namelijk nog niet dat de man daarmee is gecompenseerd voor het feit dat hij verstoken is gebleven van het gebruik en genot van de woning.

Het standpunt van de vrouw dat niet uitgegaan moet worden van een rentepercentage van 4%, maar van een lager rentepercentage kan voorts niet worden aanvaard. Met de gebruiksvergoeding wordt beoogd de echtgenoot/mede-eigenaar die de echtelijke woning verlaat, schadeloos te stellen voor het feit dat deze, zolang de andere echtgenoot gebruik maakt van de woning, verstoken blijft van zijn of haar aandeel in de waarde van de woning. De hier bedoelde schade zal veelal hierin bestaan dat de echtgenoot die uit de woning is vertrokken de kosten van herhuisvesting extern moet financieren. Ten tijde van de periode waarin de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding was verschuldigd, was het niet ongebruikelijk dat met een dergelijke financiering een rentepercentage van 4% was gemoeid. Het hof ziet dan ook geen reden om af te wijken van het door de rechtbank gehanteerde rentepercentage van 4%.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grief van de vrouw faalt.

6.10.

Ontruimingskosten

Partijen zijn het er over eens dat de vrouw de door de man in eerste aanleg gevorderde deurwaarderskosten van € 2.226,96 ter zake van de ontruiming van de vrouw uit de woning van de man rechtstreeks aan de deurwaarder heeft voldaan, zodat aan de man dienaangaande geen vordering op de vrouw toekomt. Dit betekent dat grief 5 van de vrouw slaagt.

Voor zover de man zich beroept op verrekening van voormeld bedrag van € 2.226,90 met de vordering die hij op de vrouw stelt te hebben ingevolge de bij het arrest van dit hof van 16 juli 2013 uitgesproken veroordeling van de vrouw in de kosten van het hoger beroep, is het hof van oordeel dat dit beroep niet opgaat, nu de Hoge Raad het arrest van dit hof van 16 juli 2013 heeft vernietigd, zodat de man dienaangaande niets meer van de vrouw te vorderen heeft.

6.11.

Spaarpolissen

6.11.1.

Grief 6 houdt in dat de vrouw nog recht heeft op de helft van het door de man bij gelegenheid van de afrekening van de woning uit hoofde van een aantal op naam van partijen staande spaarpolissen ontvangen bedrag van € 38.047,51, zijnde € 19.023,75.

6.11.2.

Bij gelegenheid van de comparitie heeft de man erkend dat de vrouw op hem een vordering heeft ter grootte van € 19.023,75. Aldus zal het hof de man veroordelen dit bedrag aan de vrouw te voldoen. De man heeft bij wege van verweer een beroep gedaan op verrekening. Op grond van artikel 6:136 BW kan een dergelijk beroep op verrekening slechts worden toegewezen, indien de vordering van de man op de vrouw op eenvoudige wijze is vast te stellen en de die vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Naar het oordeel van het hof is aan deze voorwaarden niet voldaan, nu de man zijn vordering, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief 6 van de vrouw slaagt.

Conclusie

6.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief 5 van de vrouw ter zake van de ontruimingskosten ad € 2.226,90 slaagt, alsmede grief 6 ten aanzien van de spaarpolissen.

Gelet op het feit dat de rechtbank de vrouw heeft veroordeeld tot betaling aan de man van een totaalbedrag van € 4.743,61, zal het hof dit bedrag corrigeren met voormeld bedrag dat de vrouw aan de man moest voldoen ter zake van de ontruimingskosten (in het bestreden vonnis deurwaarderskosten genoemd). Derhalve dient de vrouw aan de man te voldoen een bedrag van € 4.743,61 minus € 2.226,90 = € 2.516,71.

Proceskosten

6.13.

Het hof zal de proceskosten van dit hoger beroep met toepassing van artikel 237 jo. 353 Rv tussen partijen – als voormalige levensgezellen – compenseren, aldus dat elke partij de eigen kosten dient te dragen.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 oktober 2012, doch uitsluitend en alleen voor zover daarbij de vrouw is veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 4.743,61,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag € 2.516,71;

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 19.023,75;

verklaart dit arrest voor wat betreft voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van dit hoger beroep tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en E.K. Veldhuijzen van Zanten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 januari 2017.

griffier rolraadsheer