Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:192

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-01-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
15/01049
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1180
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Na verwijzing behoeft het verwijzingshof zich uitsluitend uit te laten over de boete en staat de materiële heffing onherroepelijk vast.

Het Hof is van oordeel dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet ten aanzien van het niet afdragen van loonheffing ter zake van bij controle geconstateerde arbeidskrachten. Omdat de omvang van de heffing met omkering van de bewijslast is vastgesteld ziet het Hof aanleiding om de boete met 15% te matigen. Daarnaast is een matiging van 15% op zijn plaats vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof ziet geen aanleiding voor een matiging wegens financiële omstandigheden, omdat belanghebbende geen inzicht heeft verschaft in zijn financiële omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/22.1.2
V-N Vandaag 2017/677
FutD 2017-0736
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01049

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

en het incidenteel hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 2 augustus 2012, nummer AWB 10/1882, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn de volgende naheffingsaanslagen en beschikkingen opgelegd:

- over het tijdvak 2003, met aanslagnummer [aanslagnummer] .3500, een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) van € 30.952, alsmede bij afzonderlijke beschikkingen een bedrag van € 7.007 aan heffingsrente en een boete van € 15.476;

- over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005, met aanslagnummer [aanslagnummer] .5501, een naheffingsaanslag LB/PVV van € 61.721, alsmede bij afzonderlijke beschikkingen een bedrag van € 11.690 aan heffingsrente en een boete van € 30.860;

- over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007, onder aanslagnummer [aanslagnummer] .7500, een naheffingsaanslag LB/PVV van € 56.917, alsmede bij afzonderlijke beschikkingen een bedrag van € 5.745 aan heffingsrente en een boete van € 28.458.

De naheffingsaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van al deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslagen LB/PVV over het tijdvak 2003 en de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005, de bijbehorende beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen vernietigd, de naheffingsaanslag LB/PVV over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007 verminderd tot een bedrag van € 737, de bijbehorende beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de boetebeschikking verminderd tot een bedrag van € 312, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem . Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.5.

Bij zijn uitspraak van 16 juli 2013, nr. 12/00549, heeft het Gerechtshof Arnhem -Leeuwarden (hierna: Hof Arnhem -Leeuwarden) de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, behoudens de beslissingen inzake de proceskostenveroordeling en het griffierecht, het beroep bij de Rechtbank gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslagen over het tijdvak 2003 en de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005, alsmede de daar genoemde boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente vernietigd, de naheffingsaanslag over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007 verminderd tot een bedrag van € 27.261, de daarop betrekking hebbende beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de boetebeschikking verminderd tot een bedrag van € 11.005 en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 944.

1.6.

De uitspraak van Hof Arnhem -Leeuwarden is, op de beroepen in cassatie van belanghebbende en de Staatssecretaris van Financiën, bij arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2015, nr. 13/04067, ECLI:NL:HR:2015:1736, BNB 2015/178 (hierna: het verwijzingsarrest), vernietigd en de zaak is verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest.

1.7.

Belanghebbende heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld door het Hof, bij brief van 2 oktober 2015, een conclusie op het verwijzingsarrest ingediend. De Inspecteur is door het Hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het verwijzingsarrest en op de conclusie van belanghebbende, hetgeen hij heeft gedaan bij conclusie van 3 november 2015.

1.8.

De zitting heeft plaatsgehad op 8 december 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de echtgenote en een dochter van belanghebbende en zijn gemachtigden de heren [A] en [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] en [D] .

1.9.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de twee bij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.10.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.11.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

2.1.

De Rechtbank heeft – voor zover relevant voor de onderhavige procedure – de volgende niet-bestreden feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt (waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder):

“Eiser is exploitant van het Chinees-Indisch restaurant [E] te [woonplaats] (hierna: het restaurant). Tot en met 31 december 2007 dreef eiser de onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Vanaf het jaar 2008 wordt de onderneming gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma. De vennoten zijn eiser en zijn echtgenote [de vrouw] . Beiden hebben recht op een winstaandeel van 50%.

Eiser is de kok in het restaurant. De echtgenote van eiser verzorgt de administratie, beheert de financiën en verzorgt de betalingen. Daarnaast werkt zij mee in de bediening. Het restaurant heeft 40 zitplaatsen en een bijzaal met 26 plaatsen. Er is een apart afhaalgedeelte.

De openingstijden van het restaurant zijn:

- maandag tot en met vrijdag van 15.00 uur tot 22.00 uur;

- zon- en feestdagen van 12.00 uur tot 22.00 uur.

Verweerder heeft op 31 januari 2008 van de Fiod/ECD te [F] een tip ontvangen dat het restaurant vermoedelijk “zwart” vlees inkoopt van [G] BV. Dit vermoeden is ontstaan omdat in de verkoopadministratie van [G] BV over de periode januari 2004 tot en met april 2004 verschillen zijn geconstateerd tussen de werkelijke verkopen en de feitelijk geboekte verkopen. Voor het restaurant zou het gaan om een bedrag van € 1.525,28. De Officier van Justitie heeft toestemming gegeven de gegevens uit het onderzoek te gebruiken voor (fiscale) heffing en inning.

In 2007 heeft de Arbeidsinspectie te [H] drie controles uitgevoerd in het restaurant. De Arbeidsinspectie heeft bij de eerste controle geconstateerd dat er een onbekende persoon en een illegaal in Nederland verblijvende persoon in de keuken werkzaam waren. Bij de tweede controle was er een onbekende persoon en bij de derde controle was er weer een illegaal in Nederland verblijvende persoon in de keuken werkzaam. Deze personen zijn niet opgenomen in de salarisadministratie.

In september 2008 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij eiser, waarbij onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2007 is beoordeeld. Van de bevindingen van de controle is een ongedateerd rapport opgemaakt. Dit rapport behoort tot de gedingstukken.

(...)

Op basis van de controles van de Arbeidsinspectie heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat personeel in het restaurant (in de keuken) heeft gewerkt dat niet in de loonadministratie is opgenomen. Op grond van deze constatering heeft verweerder twee werknemers voor in de keuken in de correctieberekening voor de loonheffing meegenomen voor 85 uur per maand per werknemer, hetgeen neerkomt op in totaal 170 uur. (…).”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Kan na verwijzing de juistheid van de opgelegde naheffingsaanslag LB/PVV over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007 nog aan de orde komen?

2. Is ter zake van deze naheffingsaanslag de boete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

Belanghebbende is van mening dat vraag 1 bevestigend en vraag 2 ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht.

3.3.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de naheffingsaanslag over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007 naar een bedrag van € 27.261, dienovereenkomstige vermindering van de op deze aanslag betrekking hebbende beschikking heffingsrente en vermindering van de op deze naheffingsaanslag betrekking hebbende boetebeschikking tot een bedrag van € 11.005. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging van alle aanslagen, beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1. Omvang van de verwijzingsopdracht

4.1.

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest als volgt geoordeeld:

3. Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen

3.1.

De middelen 1 en 2, die zich richten tegen het hiervoor in 2.2 als eerste vermelde

oordeel, kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.2.

Middel 3 betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de boete niet in geschil is en ten onrechte onbehandeld heeft gelaten belanghebbendes stelling dat geen sprake is van opzet.

Het Hof heeft geoordeeld dat niet in geschil is dat de vergrijpboete betreffende het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 € 13.630 bedraagt en vervolgens beoordeeld in hoeverre er reden is voor matiging van die boete.

Indien het Hof hiermee tot uitdrukking heeft willen brengen dat niet in geschil is dat de boete terecht is opgelegd (en alleen de hoogte daarvan in geschil is), is dat oordeel onbegrijpelijk, aangezien belanghebbende voor het Hof zijn voor de Rechtbank ingenomen standpunten en stellingen heeft herhaald, waaronder de stelling dat geen sprake is van opzet als voorwaarde voor beboeting.

Indien het Hof ervan is uitgegaan dat ook de grond voor de boeteoplegging in geschil is, is zijn oordeel over de boete ontoereikend gemotiveerd, omdat uit ‘s Hofs uitspraak niet blijkt van behandeling van belanghebbendes voormelde stelling. Het middel slaagt derhalve.

4. Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel

4.1.

Het middel richt zich tegen ‘s Hofs oordeel dat ondanks het niet bewaren van de detailgegevens geen sprake is van een schending van de in artikel 52, lid 1, AWR bedoelde verplichtingen.

4.2.

Ingevolge artikel 52, lid 1, AWR is belanghebbende, kort gezegd en voor zover hier van belang, verplicht een zodanige administratie te voeren dat daaruit te allen tijde de voor de heffing van belasting van belang zijnde gegevens duidelijk blijken. Gelet op het processuele karakter van het in artikel 27e AWR aan schending van die verplichting verbonden gevolg van omkering en verzwaring van de bewijslast kan dit gevolg niet intreden indien de gestelde gebreken niet relevant zijn voor de heffing van de belasting waarover het geschil tussen de belastingplichtige en de inspecteur bestaat.

4.3.

De onderhavige naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen vinden hun grond in de bevindingen van de Arbeidsinspectie tijdens de arbeidscontroles. Uit ‘s Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet van feiten en omstandigheden die het Hof aanleiding hadden moeten geven te oordelen dat het niet bewaren van de detailgegevens of enig ander gebrek in de administratie relevant is voor de beantwoording van de vraag in hoeverre belanghebbende loonbelasting/premie volksverzekeringen is verschuldigd. Gelet op het hiervoor in 4.2 overwogene kan het middel reeds hierom niet tot cassatie leiden.”

4.2.

In het dictum van het verwijzingsarrest staat dat de uitspraak van het Hof Arnhem -Leeuwarden, behoudens de beslissingen omtrent het voor de behandeling van de zaak bij de Rechtbank betaalde griffierecht en omtrent de door de Rechtbank en het Hof Arnhem -Leeuwarden toegekende proceskostenvergoedingen, wordt vernietigd en dat het geding wordt verwezen naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest.

4.3.

Belanghebbende verdedigt het standpunt dat – nu de Hoge Raad de uitspraak van het Hof Arnhem -Leeuwarden heeft vernietigd – het geschil na verwijzing tevens de vragen omvat betreffende de juistheid van de naheffingsaanslag en het al dan niet van toepassing zijn van de omkering van de bewijslast.

4.4.

Het Hof verwerpt dit standpunt van belanghebbende. De Hoge Raad heeft het geding verwezen ter verdere behandeling met inachtneming van het verwijzingsarrest. In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad de cassatiemiddelen 1 en 2 van belanghebbende ongegrond verklaard. Deze cassatiemiddelen waren gericht tegen het door de Hoge Raad in r.o. 2.2 weergegeven oordeel van het Hof Arnhem -Leeuwarden inzake het in 2007 in dienst hebben van bepaalde personen die niet waren opgenomen in de loonadministratie en de toepassing van de omkering van de bewijslast voor het jaar 2007. Daarmee is het oordeel van het Hof Arnhem -Leeuwarden op dit punt bevestigd door de Hoge Raad en dient het verwijzingshof uit te gaan van de juistheid van dat oordeel. Hetzelfde heeft te gelden voor het oordeel van het Hof Arnhem -Leeuwarden betreffende de toepassing van het leerstuk van de omkering en verzwaring van de bewijslast over de jaren vóór 2007, aangezien het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën ongegrond is verklaard.

Dit betekent dat het oordeel over de vernietiging van de naheffingsaanslagen voor de jaren vóór 2007 vaststaat evenals het oordeel over de hoogte van de naheffingsaanslag voor het jaar 2007. Ten aanzien van deze punten zal het Hof beslissen overeenkomstig de uitspraak van het Hof Arnhem -Leeuwarden.

4.5.

Het vorenstaat betekent dat na cassatie uitsluitend nog de vraag aan de orde is of voor het jaar 2007 terecht en tot het juiste bedrag een boete is opgelegd.

Vraag 2: Is terecht en tot het juiste bedrag een boete opgelegd?

4.6.

Na verwijzing staat vast dat belanghebbende in maart en november 2007 personen in loondienst had die niet waren opgenomen in de loonadministratie. Het Hof Arnhem -Leeuwarden heeft daaraan de conclusie verbonden dat niet is voldaan aan de administratieplicht als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en voorts geoordeeld dat deze gebreken gedurende het gehele jaar bestonden. De nageheven LB/PVV is vastgesteld op € 27.261 en dat bedrag berust op een redelijke schatting.

4.7.

De Inspecteur heeft een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting. Belanghebbende heeft gesteld dat geen sprake is van opzet en dat de boete mitsdien ten onrechte is opgelegd. Voorts heeft belanghebbende gesteld dat indien terecht een boete is opgelegd, de boete op diverse gronden moet worden gematigd.

4.8.

De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de bij de controle aangetroffen personen in dienstbetrekking werkzaam waren bij belanghebbende en dat deze personen niet waren opgenomen in de loonadministratie. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende zich bewust is geweest van het feit dat deze personeelsleden zouden moeten worden opgenomen in de loonadministratie en dat over het aan hen toegekende loon loonheffing zou moeten worden ingehouden en afgedragen. Het Hof is dan ook van oordeel dat belanghebbende de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daardoor te weinig loonheffing zou worden afgedragen en dat hij deze kans ook bewust heeft aanvaard. Dit gegeven als zodanig rechtvaardigt naar het oordeel van het Hof een boete van 50% van de verschuldigde loonheffing. De grondslag voor de boete is echter tot stand gekomen met toepassing van artikel 27e van de AWR. Het Hof ziet hierin aanleiding om de boete te matigen met 5% en aldus de boete vast te stellen op een bedrag € 12.948 (€ 13.630 x 95%).

4.9.

Voor zover belanghebbende heeft beoogd te stellen dat de boete niet op de juiste wijze is aangekondigd en dat daarom sprake is van schending van artikel 67g, tweede lid, van de AWR, faalt deze stelling. In het controlerapport heeft de Inspecteur aangegeven dat hij voornemens was een boete op te leggen, alsmede de feiten en omstandigheden waarop hij dit baseert.

4.10.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat sprake is van een cumulatie van boeten. De Rechtbank heeft dit standpunt verworpen, omdat de omzetcorrecties voor de omzetbelasting en de correcties voor de inkomstenbelasting naar aanleiding van de controle in september 2008 andere gedragingen en vergrijpen betreffen. Het Hof acht dit oordeel juist en maakt het tot de zijne. Voor zover belanghebbende heeft beoogd te stellen dat er sprake is van cumulatie van boeten die zijn opgelegd door de arbeidsinspectie, is het Hof eveneens van oordeel dat de eventueel door de arbeidsinspectie opgelegde boeten een andere gedraging en vergrijp betreffen. Voorts heeft belanghebbende geen inzicht verstrekt in de door de arbeidsinspectie opgelegde boeten, zodat geen inzicht bestaat in een eventuele cumulatie.

4.11.

Belanghebbende heeft als grond voor matiging ook gewezen op de financiële omstandigheden. Belanghebbende heeft echter verzuimd inzicht te verstrekken in zowel de financiële situatie ten tijde van het opleggen van de boeten als de financiële situatie ten tijde van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding om een matiging toe te passen in verband met financiële omstandigheden van belanghebbende.

4.12.

Ten slotte heeft belanghebbende zich beroepen op de overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank heeft aanleiding gezien de boete te matigen met 15% in verband met een overschrijding van de redelijke termijn, omdat tussen het moment van aankondiging van de boete (26 november 2008) en het moment dat de Rechtbank uitspraak deed (2 augustus 2012), een periode van drie jaren en ruim acht maanden is verstreken. Aldus is de redelijke termijn overschreden met een periode van één jaar en ruim acht maanden. Naar het oordeel van het Hof rechtvaardigt een dergelijke overschrijding een matiging als door de Rechtbank bepaald.

Tussen het moment van aankondiging van de boete en de datum van uitspraak van het Hof is een periode verstreken van acht jaren en ongeveer twee maanden. Een totale termijn van zeven jaren zou redelijk zijn: twee jaren voor bezwaar/beroep, twee jaren voor hoger beroep bij Hof Arnhem -Leeuwarden, twee jaren voor het cassatieberoep bij de Hoge Raad en één jaar voor de procedure bij het Hof. Deze termijn is met iets meer dan één jaar overschreden. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding om tot een verdere matiging dan de door de Rechtbank vastgestelde 15% over te gaan.

Het Hof stelt de boete vast op 85% x € 12.948 = € 11.005.

Slotsom

4.13.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.14.

Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.15.

Het Hof Arnhem -Leeuwarden heeft de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, omdat het hoger beroep van de Inspecteur materieel in aanzienlijke mate wordt afgewezen. De Hoge Raad heeft dit oordeel in stand gelaten. Na verwijzing is ten aanzien van het geschil over de boete over het jaar 2007 de Inspecteur, wat betreft de vraag of terecht een boete is opgelegd en wat betreft de hoogte van de boete, in het gelijk gesteld en zijn belanghebbendes grieven verworpen. Het Hof acht daarom geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen inzake de proceskostenveroordeling en het griffierecht;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslagen LB/PVV over het tijdvak 2003 en de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005, alsmede de op deze naheffingsaanslagen LB/PVV betrekking hebbende beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen;

- vermindert de naheffingsaanslag LB/PVV over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007 tot € 27.261;

- vermindert de beschikking heffingsrente behorende bij deze naheffingsaanslag LB/PVV dienovereenkomstig, en

- vermindert de op deze naheffingsaanslag LB/PVV betrekking hebbende boetebeschikking naar een bedrag van € 11.005.

Aldus gedaan op: 20 januari 2017 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en G.J. van Muijen, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.