Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1876

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2017
Datum publicatie
09-05-2017
Zaaknummer
15-01368
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:7147, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:62
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel. Belanghebbende, die als ondernemer voor de omzetbelasting kwalificeert in verband met de aanschaf van zonnepanelen, heeft niet dezelfde mogelijkheden om zijn recht op aftrek van voorbelasting te effectueren als iemand die om andere redenen als ondernemer voor de omzetbelasting kwalificeert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/35.1.3
V-N Vandaag 2017/1049
V-N 2018/9.14 met annotatie van Redactie
FutD 2017-1154
NTFR 2017/1505 met annotatie van Mr. C.C. van den Berg
Viditax (FutD), 18-01-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01368

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 4 november 2015, nummer AWB 14/5960, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende het hierna vermelde verzoek om teruggaaf van omzetbelasting.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij zijn op 15 oktober 2013 ingediende aangifte omzetbelasting over de periode 27 juni 2013 tot en met 30 september 2013 heeft belanghebbende verzocht om teruggaaf van omzetbelasting tot een bedrag van € 1.820. Bij beschikking van 21 januari 2014, kenmerk [nummer] /zonnepanelen, heeft de Inspecteur het verzoek om teruggaaf omzetbelasting niet-ontvankelijk verklaard. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de beschikking gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 165. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 248. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 december 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde de heer [A] , verbonden aan [B] te [plaats] , alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [C] en de heer [D] .

1.6.

De Inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegestuurd aan het Hof en de wederpartij, welke ter zitting nogmaals aan de wederpartij is overgelegd en is voorgedragen.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft zonnepanelen laten installeren op zijn privéwoning. Hiervoor is aan belanghebbende een factuur met factuurdatum 26 maart 2013 gestuurd, waarop een bedrag van € 10.010,63 aan materiaal- en arbeidskosten en € 1.883,23 aan omzetbelasting, in totaal € 11.893,86, staat vermeld.

2.2.

Belanghebbende heeft zich op 27 juni 2013, naar aanleiding van het zogeheten Fuchs-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: HvJ) van 20 juni 2013, C-219/12, ECLI:EU:C:2013:413, aangemeld als ondernemer voor de omzetbelasting en heeft daarbij verzocht om toekenning van een omzetbelastingnummer én om het aangiftetijdvak vast te stellen op één jaar.

2.3.

Belanghebbende stond reeds vanaf 2 april 2013 als producent van energie opgenomen in het Productie Installatie Register, maar werd door zijn toenmalige energiemaatschappij niet als leverancier erkend. Daarop heeft belanghebbende het lopende contract opgezegd en is hij op 25 mei 2013 overgestapt naar een andere energiemaatschappij. Belanghebbende heeft vanaf 2 juli 2013 stroom aan het elektriciteitsnet geleverd.

2.4.

De Inspecteur heeft bij brief van 7 oktober 2013 medegedeeld dat belanghebbende als ondernemer voor de omzetbelasting is geregistreerd en dat het aangiftetijdvak is gesteld op het kwartaal. Naar aanleiding van de aanmelding van belanghebbende als ondernemer heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aangiftebiljet omzetbelasting uitgereikt voor de periode 27 juni 2013 tot en met 30 september 2013.

2.5.

Op 15 oktober 2013 heeft belanghebbende het door de Inspecteur uitgereikte aangiftebiljet ingevuld. Daarin heeft belanghebbende aangegeven dat hij € 64 omzetbelasting is verschuldigd en recht heeft op aftrek van voorbelasting van € 1.884, en per saldo recht heeft op een teruggave van € 1.820.

2.6.

Bij brief van 21 januari 2014 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat:

‘Op grond van het arrest van het Europese Hof van Justitie d.d. 20 juni 2013 (zaak C-219/12, Fuchs-arrest), is eenieder die regelmatig stroom opwekt en levert aan een energie-maatschappij als ondernemer voor de omzetbelasting aangemerkt. U doet met uw verzoek [Hof: verzoek om teruggaaf omzetbelasting] een beroep op dit arrest.

Uw verzoek wordt beoordeeld op basis van het moment van aanmelding als ondernemer bij de Belastingdienst in combinatie met de factuurdatum van de bijgevoegde facturen. U heeft zich aangemeld op 02-07-2013 en facturen bijgevoegd d.d. 26-03-2013. Aangezien u zich niet binnen een maand na afloop van het kwartaal waarin de factuurdatum valt heeft aangemeld, is uw verzoek te laat. Aan jurisprudentie (i.c. Fuchs-arrest) kan geen terugwerkende kracht worden ontleend.

Dit betekent dat uw verzoek niet-ontvankelijk is. Ik wijs uw verzoek om teruggave omzetbelasting dan ook af. (…)’.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur het verzoek om teruggaaf van de over de aanschaf van de zonnepalen verschuldigde omzetbelasting terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Het bedrag van de teruggaaf van € 1.820 (€ 64 verschuldigde omzetbelasting minus € 1.884 in rekening gebrachte omzetbelasting) als zodanig is niet in geschil.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot een teruggaaf omzetbelasting van € 1.820. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur belanghebbendes verzoek om teruggaaf van omzetbelasting terecht heeft geweigerd. Niet in geschil is dat belanghebbende de over de aanschaf van de zonnepanelen verschuldigde omzetbelasting, factuurdatum 26 maart 2013, in aftrek heeft gebracht in een aangiftebiljet over de periode 27 juni 2013 tot en met 30 september 2013. Belanghebbende stelt zich in dit verband – onder andere – op het standpunt dat de Inspecteur ten onrechte geen jaaraangifte heeft uitgereikt, gelet op het door hem daartoe gedane verzoek en op het beleid van de Belastingdienst ten aanzien van het vaststellen van het aangiftetijdvak voor de omzetbelasting.

4.2.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat aan startende ondernemers in beginsel geen jaaraangiftebiljet omzetbelasting wordt uitgereikt, maar dat aan startende ondernemers wel een startersformulier wordt uitgereikt. Middels het startersformulier wordt aan een startende ondernemer gevraagd wanneer diens economische activiteiten zijn aangevangen en wordt een aangiftebiljet uitgereikt met als startdatum de op het startersformulier vermelde aanvangsdatum van de economische activiteiten. Belanghebbende heeft verklaard dat hij geen startersformulier heeft ontvangen, hetgeen niet door de Inspecteur is betwist. De Inspecteur heeft ter zitting aangevoerd dat aan belanghebbende, ook als deze een startersformulier zou hebben ontvangen waarop belanghebbende 26 maart 2013 als aanvangsdatum van de economische activiteiten zou hebben vermeld, ook geen aangiftebiljet over het eerste kwartaal van 2013 zou zijn uitgereikt. Dit omdat, aldus de Inspecteur, het Fuchs-arrest geen terugwerkende kracht heeft. De Inspecteur heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat dit anders zou zijn indien belanghebbende om andere redenen als ondernemer voor de omzetbelasting zou kwalificeren dan in verband met de aanschaf van zonnepanelen met de bedoeling om elektriciteit terug te leveren aan het net. In dat geval zou aan belanghebbende, uitgaande van dezelfde omstandigheden als in het onderhavige geval, een aangiftebiljet zijn uitgereikt over een periode die zou omvatten het kwartaal waarin de economische activiteiten zijn aangevangen en het daarop volgende kwartaal, zijnde in dit geval 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013.

4.3.

Het standpunt van de Inspecteur dat aan het Fuchs-arrest geen terugwerkende kracht toekomt, is onjuist. Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ verklaart en preciseert de uitlegging die het HvJ krachtens de hem bij artikel 267 VWEU verleende bevoegdheid aan een voorschrift van Unierecht geeft wanneer daaraan behoefte bestaat, de betekenis en strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast. Hieruit volgt, dat het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter ook kan en moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, indien voor het overige is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van dat voorschrift voor de bevoegde rechter kan worden gebracht (onder meer: HvJ 15 september 1998, Edis, C-231/96, ECLI:EU:C:1998:401). Alleen het HvJ kan, gelet op het fundamentele karakter van een algemene eenvormige toepassing van het Unierecht, beslissen over beperkingen in de tijd die voor een door hem gegeven uitlegging hebben te gelden (HvJ 21 december 2016, Naranjo, C-154/15, C-307/15 en C-308/15, ECLI:EU:C:2016:980). In het Fuchs-arrest is door het HvJ slechts uitleg gegeven aan het begrip ‘belastingplichtige’. Deze uitleg betreft de betekenis en strekking van de bepaling van dat begrip zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast. Overigens heeft de Inspecteur in het verweerschrift op p. 3, onder 6.1.2 ook uitdrukkelijk bevestigd dat belanghebbende in maart 2013 met zijn economische activiteiten is aangevangen, omdat, aldus de Inspecteur, uit HvJ 14 februari 1985, Rompelman, C-268/83, ECLI:EU:C:1985:74 volgt dat voorbereidende handelingen, zoals de verkrijging van zonnepanelen, tot de economische activiteiten moeten worden gerekend.

4.4.

Het Hof stelt voorop dat het vaste jurisprudentie van het HvJ is dat bij ontbreken van Unievoorschriften ter zake, het krachtens het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een zaak van de rechtsorde van elke lidstaat is om de procedures vast te leggen die de bescherming van de rechten die de belastingplichtige aan het Unierecht ontleent moeten waarborgen, op voorwaarde evenwel dat die procedures niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke interne situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (vgl. onder meer: HvJ 15 april 2010, Barth, C-542/08, ECLI:EU:C:2010:193; HvJ 11 juli 2002, Marks & Spencer, C-62/00, ECLI:EU:C:2002:435; HvJ 12 december 2013, Test Claimants, C-362/12, ECLI:EU:C:2013:834; HvJ 8 maart 2017, Euro Park Service, C-14/16, ECLI:EU:C:2017:177).

4.5.

Gelet op de onder 4.2 vermelde verklaringen van de Inspecteur ter zitting acht het Hof het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel geschonden. Door een belanghebbende, die als ondernemer voor de omzetbelasting kwalificeert in verband met de aanschaf van zonnepanelen, niet dezelfde mogelijkheden te verschaffen om zijn recht op aftrek van voorbelasting te effectueren als iemand die om andere redenen dan de aanschaf van zonnepanelen als ondernemer voor de omzetbelasting kwalificeert, handelt de Inspecteur in strijd met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Aan belanghebbende is ten onrechte geen aangiftebiljet uitgereikt dat (mede) betrekking had op het eerste kwartaal van 2013. Gelet op de verklaring van de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting, had aan belanghebbende een aangiftebiljet moeten worden uitgereikt over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013. Het Hof merkt de door belanghebbende ingediende aangifte aan als mede betrekking hebbende op die periode, zodat moet worden uitgegaan van een aangifte over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 september 2013. Belanghebbende heeft binnen de door de Inspecteur gestelde termijn aangifte gedaan. Ingevolge artikel 31, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 is de aangifte en het verzoek om teruggaaf daarmee tijdig gedaan. Het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is dan ook gegrond.

4.6.

Aan het vorenoverwogene doet niet af, dat belanghebbende pas op 27 juni 2013 de Inspecteur heeft gemeld belastingplichtige voor de omzetbelasting te zijn (HvJ 9 juli 2015, Salomie en Oltean, C-183/14, ECLI:EU:C:2015:454).

Verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase en een werkelijke proceskostenvergoeding

4.7.

Belanghebbende heeft voordat de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Hij heeft verzuimd om in de uitspraak op bezwaar zijn beslissing te geven op het verzoek om een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar.

4.8.

Aldus heeft de Inspecteur in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 7:15, lid 3, tweede volzin, van de Awb, die luidt als volgt:

'Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.'.

Reeds hierom dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd en is het bij de Rechtbank ingestelde beroep daarom reeds gegrond (zie: Hof ’s-Hertogenbosch 20 maart 2015, nr. 12/00810, ECLI:NL:GHSHE:2015:979; 6 juli 2012, nr. 11/00582, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX0728; 24 juni 2011, nr. 10/00803, ECLI:NL:GHSHE:2011:BS1093; 16 september 2010, nr. 08/00045, ECLI:NL:GHSHE:2010:BP4013; 31 augustus 2006, nr. 05/00342, ECLI:NL:GHSHE:2006:BH4780; 8 juli 2005, nr. 03/02930, ECLI:NL:GHSHE:2005:AU0605).

4.9.

De Inspecteur stelt zich in (hoger) beroep op het standpunt dat er geen sprake is van door een derde verleende beroepsmatige bijstand, omdat het bezwaarschrift door belanghebbende is ingediend en alleen belanghebbende bij het hoorgesprek is verschenen. Het Hof acht de verklaring van belanghebbende tijdens het hoorgesprek, inhoudende dat hij voor het indienen van het bezwaarschrift een belastingadviseur heeft geraadpleegd, geloofwaardig. Het begrip 'rechtsbijstand' omvat blijkens de Nota van toelichting bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) zowel 'bijstaan' als 'vertegenwoordiging' in de zin van artikel 8:24 van de Awb (Stb. 1993, 763, p. 6 en 7). Gelet hierop kent het Hof voor het indienen van het bezwaarschrift een vergoeding toe met toepassing van artikel 1, lid 1, onderdeel a, in verbinding met artikel 2, lid 1, onderdeel a, van het Besluit en de bij het Besluit behorende tabel. Nu alleen belanghebbende is verschenen bij het hoorgesprek kent het Hof daarvoor geen vergoeding zoals voornoemd toe.

4.10.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit die tot vergoeding van zijn werkelijke proceskosten moeten leiden. Het Hof acht dergelijke omstandigheden echter niet aanwezig. Dit behoeft gelet op de arresten van de Hoge Raad van 4 februari 2011, nr. 10/01397, ECLI:NL:HR:2011:BP2995, en van 30 augustus 1996, nr. 30.881, ECLI:NL:HR:1996:AA2060, geen nadere motivering.

4.11.

Het Hof ziet evenmin aanleiding om, conform belanghebbendes subsidiaire stelling, bij de berekening van de kostenvergoeding voor professionele bijstandsverlening met toepassing van artikel 2, lid 1, van het Besluit, een hogere wegingsfactor toe te passen, omdat belanghebbende is bijgestaan door een als belastingadviseur werkende derde die de stukken heeft opgesteld en ter zittingen bij de Rechtbank en het Hof is verschenen. Voornoemde kostenvergoeding is immers slechts bedoeld als een tegemoetkoming in de daadwerkelijk gemaakte kosten en niet als een vergoeding die de werkelijke kosten dekt.

Verzoek om een immateriële schadevergoeding

4.12.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn vanwege het, aldus nog steeds belanghebbende, onhoudbare standpunt van de Inspecteur.

4.13.

Het bezwaarschrift is ontvangen op 19 februari 2014. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 4 november 2015. Op grond van vaste jurisprudentie heeft voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak doet (vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252). De redelijke termijn is in eerste aanleg niet overschreden.

4.14.

Belanghebbende heeft middels een op 9 december 2015 ingediend digitaal formulier, bij het Hof ingekomen op 11 december 2015, hoger beroep ingesteld. Op grond van vaste jurisprudentie heeft voor de berechting van de zaak in hoger beroep als uitgangspunt te gelden dat het Hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld (vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252). Het Hof heeft heden uitspraak gedaan. Dit betekent dat de hiervoor - als uitgangspunt - genoemde redelijke termijn niet is overschreden.

4.15.

Voor vergoeding van immateriële schade bestaat dan ook geen aanleiding.

Slotsom

4.16.

De slotsom is dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

4.17.

Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd behoeft geen behandeling meer.

Ten aanzien van het griffierecht

4.18.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 165 respectievelijk € 248, in totaal € 413, te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar en de proceskosten

4.19.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.20.

Het Hof stelt de kosten van het bezwaar, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 1 (punt) x € 246 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 246.

4.21.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in de proceskosten voor het beroep bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 990.

4.22.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in de proceskosten voor het hoger beroep bij het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 990.

5 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- bepaalt dat aan belanghebbende een teruggaaf van € 1.820 aan omzetbelasting wordt verleend;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 413 vergoedt;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 246, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.980.

Aldus gedaan op 4 mei 2017 door P. Fortuin, voorzitter, T.A. Gladpootjes en F.P.G. Pötgens, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.