Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1874

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-05-2017
Datum publicatie
02-05-2017
Zaaknummer
200.168.333_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:18
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1873
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2165, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot toekenning van Nederlandse arbeidsvoorwaarden van Hongaarse chauffeurs in dienst bij een Hongaarse transportonderneming die onder andere in onderaanneming (charter) internationaal transport uitvoert in opdracht van een Nederlandse transportonderneming (behorend tot hetzelfde concern).

Het transport vindt slechts voor een klein gedeelte plaats in Nederland. Bevoegdheid, toepasselijk recht, gewoonlijk werkland, toepasselijkheid Detacheringsrichtlijn (WAGA).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0572
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.168.333/01

arrest van 2 mei 2017

in de zaak van

[Silo-Tank] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als Silo-Tank,

advocaat: mr. O. Surquin te Arnhem,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

4. [geïntimeerde 4] ,

wonende te [woonplaats] , Hongarije,

5. [geïntimeerde 5],

wonende te [woonplaats] , Hongarije,

6. [geïntimeerde 6],

wonende te [woonplaats] , Hongarije,

7. [geïntimeerde 7],

wonende te [woonplaats] , Hongarije,

8. [geïntimeerde 8],

wonende te [woonplaats] , Hongarije,

9. [geïntimeerde 9],

wonende te [woonplaats] , Hongarije,

10. [geïntimeerde 10],

wonende te [woonplaats] , Hongarije,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geintimeerde 1 c.s.] ,

advocaat: mr. J.H. Mastenbroek te Groningen,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 maart 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 januari 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [Transporten B.V.] als (mede-)gedaagde en Silo-Tank als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en [geintimeerde 1 c.s.] als eisers in conventie, verweerders in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 2912554/417 / 14-2986)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het exploot van anticipatie van [geintimeerde 1 c.s.] ;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij brieven van 21 maart 2016 door Silo-Tank en [geintimeerde 1 c.s.] toegezonden producties, die zij bij het pleidooi bij akten in het geding hebben gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. In verband met opeenvolgende ziekten van twee raadsheren is later dan gepland uitspraak gedaan.

3 De beoordeling

3.1.

In onderdeel 2 heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief 1 wordt deze vaststelling gedeeltelijk bestreden. Zoals hierna (in r.o. 3.5) zal blijken slaagt grief 1. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.

a. [geintimeerde 1 c.s.] zijn werkzaam als internationaal vrachtwagenchauffeur.

b. [Transporten B.V.] oefent een transportonderneming uit. [Transporten B.V.] en [Silo-Tank] zijn zusterondernemingen. Zij behoren tot hetzelfde concern. De heer [de bestuurder en eigenaar van Transporten B.V. tevens bestuurder van Silo-Tank] is bestuurder en eigenaar van [Transporten B.V.] Hij is tevens bestuurder van [Silo-Tank] .

c. [Transporten B.V.] is lid van de Vereniging Goederenvervoer Nederland. Goederenvervoer Nederland heeft met FNV een cao Goederenvervoer afgesloten, laatstelijk (voor zover in deze procedure van belang) per 1 januari 2012 (hierna: cao GN). De cao GN is niet algemeen verbindend verklaard. De cao GN heeft een looptijd tot en met 31 december 2013. Daarnaast is de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en verhuur mobiele kranen (hierna: cao Beroepsgoederenvervoer) met ingang van 31 januari 2013 tot en met 31 december 2013 algemeen verbindend verklaard.

d. Zowel [Transporten B.V.] als Silo-Tank maken voor hun planning, orderverwerking, administratie, ICT en quality gebruik van een derde (in Nederland gevestigde) onderneming, te weten [Compagny Services B.V.]

e. [geintimeerde 1 c.s.] hebben een schriftelijke arbeidsovereenkomst met Silo-Tank gesloten.

Zij ontvangen loon naar Hongaars recht. De Nederlandse basisarbeidsvoorwaarden zoals neergelegd in de cao Beroepsgoederenvervoer noch de financiële arbeidsvoorwaarden in het Nederlands arbeidsrecht worden op [geintimeerde 1 c.s.] toegepast.

f. [geintimeerde 1 c.s.] hebben in november 2013 aanspraak gemaakt op betaling van Nederlands loon. Kort daarna hebben zij bij brief van Silo-Tank vernomen dat zij tot en met 24 februari 2014 niet meer opgeroepen zouden worden voor het verrichten van werkzaamheden.

g. Bij brief van 11 februari 2014 heeft Silo-Tank aan [geintimeerde 1 c.s.] een brief gestuurd waarin zij het dienstverband met onmiddellijke ingang beëindigd heeft.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderen [geintimeerde 1 c.s.] (in conventie) voor zover in hoger beroep van belang en uitvoerbaar bij voorraad:

A. veroordeling van primair [Transporten B.V.] en subsidiair Silo-Tank tot betaling aan [geintimeerde 1 c.s.] van achterstallige salarissen zoals in de inleidende dagvaarding is gevorderd, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, te stellen op 50% en de wettelijke rente over deze bedragen, vanaf de datum waarop de loonbetaling had dienen plaats te vinden, tot de dag dat daadwerkelijk is betaald;

B. hoofdelijke veroordeling van [Transporten B.V.] en Silo-Tank tot het aan [geintimeerde 1 c.s.] verstrekken van gegevens waaruit de door [geintimeerde 1 c.s.] gewerkte tijd in de periode van 1 januari 2009 tot en met de datum waarop het vonnis wordt gewezen op eenvoudige wijze afgeleid kan worden, op straffe van verbeurte van een aan [geintimeerde 1 c.s.] te betalen dwangsom van € 250,- per dag;

C. hoofdelijke veroordeling van [Transporten B.V.] en Silo-Tank tot betaling van de kosten van deze procedure, de kosten van het gelegde beslag en het salaris van de gemachtigde van [geintimeerde 1 c.s.] daaronder begrepen.

3.2.2.

Aan de vorderingen tegen Silo-Tank hebben [geintimeerde 1 c.s.] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat Silo-Tank gehouden is om op grond van art. 6 EVO dan wel art. 8 Rome I Nederlandse basisarbeidsvoorwaarden toe te passen en aldus Nederlands loon aan [geintimeerde 1 c.s.] te betalen, nu [geintimeerde 1 c.s.] met name als chauffeurs op ritten in, vanuit en naar Nederland werken. Nederland is aldus het land alwaar zij gewoonlijk hun werk verrichten. Daarnaast zijn op grond van de Detacheringsrichtlijn (richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten) op arbeidsovereenkomsten als de onderhavige de financiële arbeidsvoorwaarden uit de algemeen verbindend verklaarde cao Beroepsgoederenvervoer van toepassing, en zijn na het einde van die cao de Nederlandse bepalingen betreffende het wettelijke minimum loon, de wettelijke vakantiebijslag en de vakantiedagen van toepassing.

3.2.3.

Silo-Tank heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter - voor zover in dit hoger beroep van belang - in de zaak tegen Silo-Tank zich bevoegd verklaard om van het onderhavige geschil kennis te nemen, nu [geintimeerde 1 c.s.] hebben gesteld dat zij hun werkzaamheden gewoonlijk vanuit Nederland hebben verricht.

Vervolgens heeft de kantonrechter overwogen dat, nu niet is gesteld of gebleken dat door partijen een keuze is gemaakt ten aanzien van het toepasselijke recht, ingevolge artikel 8 Rome I/artikel 6 EVO, lid 2 het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, Nederlands recht van toepassing is. De kantonrechter heeft geoordeeld dat Silo-Tank onvoldoende heeft gesteld om uit te gaan van de omstandigheden waaruit blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land (artikel 8 Rome I/6 EVO lid 4).

De kantonrechter heeft vervolgens overwogen dat thans nog niet toe gekomen wordt aan het verstrekken van een bewijsopdracht aan [geintimeerde 1 c.s.] nu zij zich beroepen op de toepasselijkheid van het Nederlands recht en partijen van mening verschillen of Nederland het gewoonlijk werkland is van [geintimeerde 1 c.s.] .

De kantonrechter heeft geoordeeld dat op grond van de Detacheringsrichtlijn ongeacht het recht dat op de arbeidsovereenkomst tussen partijen van toepassing is, de in het land van detachering op grond van wet of algemeen verbindend verklaaarde cao geldende basisarbeidsvoorwaarden van toepassing zijn, indien deze voor de werknemer gunstiger zijn.

Volgens de kantonrechter zijn de door Silo-Tank in onderaanneming uitgevoerde transporten onder te brengen onder de gevallen zoals omschreven in artikel 1 lid 3 sub a en b van de Detacheringsrichtlijn.

De kantonrechter heeft geconcludeerd dat de Detacheringsrichtlijn óók van toepassing is wanneer de (transport)werkzaamheden vanuit een lidstaat worden verricht, ook al vindt het transport zelf maar voor een gering deel op het Nederlands grondgebied plaats.

3.4.

Silo-Tank heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. Silo-Tank heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geintimeerde 1 c.s.] althans deze te ontzeggen, zulks met veroordeling van [geintimeerde 1 c.s.] in de kosten van de procedure.

3.5.

Grief 1 ziet op het feit dat de kantonrechter als uitgangspunt heeft genomen dat de cao GN algemeen verbindend is verklaard, hetgeen volgens Silo-Tank niet geval is. Dit is door [geintimeerde 1 c.s.] ook erkend. Het hof heeft dit al in r.o. 3.1.c. als vaststaand feit opgenomen zodat deze grief – vooruitlopend op hetgeen in onderdeel 3.9 zal worden overwogen - slaagt. Het hof zal hiermee rekening houden bij de verdere beoordeling.

3.6.

De overige grieven zien in de kern op de vraag of Silo-Tank op grond van artikel 6 EVO/ artikel 8 Rome I dan wel de Detacheringsrichtlijn gehouden is om Nederlandse basisvoorwaarden toe te passen en aldus Nederlands loon aan [geintimeerde 1 c.s.] te betalen, nu [geintimeerde 1 c.s.] met name als chauffeurs op ritten in, vanuit en naar Nederland werken.

Silo-Tank stelt hiertoe dat [geintimeerde 1 c.s.] noch op grond van artikel 6 EVO/artikel 8 Rome I, noch op grond van de Detacheringsrichtlijn aanspraak kunnen maken op betaling door Silo-Tank van Nederlands loon. Silo-Tank voert hiertoe onder meer aan dat er geen aanleiding is om op de rechtsverhouding tussen een Hongaars bedrijf en Hongaarse werknemers, die wonen in Hongarije en voor de sociale zekerheid en de verschillende pensioen-, ziektekostenverzekerings-, en invaliditeitsregelingen zijn aangewezen op Hongarije en waarvan de diensten altijd aanvangen en eindigen in Hongarije een ander recht dan het Hongaarse recht toe te passen.

Op grond van artikel 6 EVO/artikel 8 Rome I worden arbeidsovereenkomsten tussen Silo-Tank en [geintimeerde 1 c.s.] beheerst door Hongaars recht, aldus Silo-Tank. In de arbeidsovereenkomsten is gestipuleerd dat Hongaars recht op de betreffende arbeidsovereenkomst van toepassing is.

Verder stelt Silo-Tank dat op basis van artikel 8 lid 2 Rome I in de onderhavige zaak niet kan worden bepaald welk recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomsten tussen Silo-Tank en [geintimeerde 1 c.s.] , nu niet gezegd kan worden dat [geintimeerde 1 c.s.] in één land hun arbeid verrichten, aangezien zij in veel verschillende landen in Europa ritten hebben uitgevoerd.

Silo-Tank komt tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomsten tussen haar en [geintimeerde 1 c.s.] beheerst worden door het Hongaarse recht op grond van artikel 8 lid 1 (keuze van partijen), lid 3 (de vestiging die de chauffeurs in dienst heeft genomen) dan wel lid 4 (kennelijk nauwere band) Rome I.

Silo-Tank stelt vervolgens dat de Detacheringsrichtlijn in het onderhavige geval niet van toepassing is. De richtlijn heeft geen rechtstreekse werking en Silo-Tank is niet gebonden aan enige Nederlandse cao. In het onderhavige geval is ook niet sprake van “het ter beschikking stellen van werknemers” en een gewoonlijk werkland en een tijdelijk werkland. Dit betekent volgens Silo-Tank dat de Detacheringsrichtlijn en daarmee de WAGA (Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid) toepassing missen.

Subsidiair, als geoordeeld wordt dat sprake is van een gewoonlijk werkland, betekent dat -aldus Silo-Tank- dat Hongarije als gewoonlijk werkland heeft te gelden.

Meer subsidiair stelt Silo-Tank dat, uitgaande van het feit dat Hongarije als gewoonlijk werkland heeft te gelden, voor iedere rit afzonderlijk beoordeeld dient te worden welk recht van toepassing is.

3.7.

[geintimeerde 1 c.s.] stellen - kort gezegd - dat ofwel sprake is van tijdelijke werkzaamheden op grond waarvan zij rechtstreeks een beroep kunnen doen op de Detacheringsrichtlijn, ofwel het werk in en vanuit Nederland niet tijdelijk is, in welk geval Nederland als gewoonlijk werkland van [geintimeerde 1 c.s.] moet worden beschouwd en in welk geval [geintimeerde 1 c.s.] op grond van artikel 8 Rome I dan wel artikel 6 EVO recht hebben op Nederlands loon.

3.8.

Het hof stelt voorop dat in het onderhavige geschil alleen de vorderingen van [geintimeerde 1 c.s.] op grond van de subsidiaire grondslag als in eerste aanleg aangevoerd bij het hof ter beoordeling voorliggen.

Bevoegdheid

3.9.

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter is in hoger beroep niet (meer) ter discussie gesteld.

De rechtsvordering in eerste aanleg is ingesteld vóór 10 januari 2015. Dit betekent, nu zowel appellante als geïntimeerden in hoger beroep in een andere lidstaat van de Europese unie zijn gevestigd dan Nederland en dit ook ten tijde van de aanvang van de procedure in eerste aanleg waren, dat ingevolge artikel 66 lid 2 Brussel I-bis Vo (Herschikte EEX-Vo, 1215/2012/EU) de Brussel I- Vo (EEX-Vo, 44/2001/EG) van toepassing blijft, ook op het na 10 januari 2015 ingestelde hoger beroep van de beslissing van de rechtbank van 8 januari 2015. Het hoger beroep betreft immers “een beslissing gegeven inzake rechtsvorderingen die zijn ingesteld vóór 10 januari 2015 en die “onder die verordening [zijnde Brussel-I Vo, hof] vallen” als bedoeld in artikel 66 lid 2 voornoemd.
Ingevolge de EEX-Vo (in het bijzonder artikel 22) bestaat er geen noodzaak ambtshalve tot een ander oordeel te komen aangaande de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, zodat deze bevoegdheid als uitgangspunt zal dienen.

Toepasselijk recht

3.10.

Tussen partijen is in geschil welk recht van toepassing is. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Aan de vorderingen liggen arbeidsovereenkomsten ten grondslag terwijl vanwege de discussie tussen partijen gekozen moet worden tussen de toepasselijkheid op die arbeidsovereenkomsten van het recht van verschillende landen in de zin van artikel 1 lid 1 Rome I-Verordening respectievelijk artikel 1 lid 1 van het Verdrag van de EEG inzake het recht dat van toepassing is op verbintenis uit overeenkomst (Rome, 19 juni 1980; hierna: het EVO). De arbeidsovereenkomsten van geïntimeerden sub 1 tot en met 4, 7 en 8 zijn gesloten na 17 december 2009 en de arbeidsovereenkomsten van geïntimeerden sub 5, 6, 9 en 10 zijn vóór 17 december 2009 gesloten. Het op de vorderingen van geïntimeerden sub 1 tot en met 4, 7 en 8 toepasselijke recht dient derhalve te worden bepaald aan de hand van de Rome I-Verordening (hierna- Rome I) en van de overige geïntimeerden aan de hand van het EVO.

Van een rechtskeuze als bedoeld in artikel 3 Rome I/EVO is het hof niet gebleken. Hoewel Silo-Tank stelt dat in de arbeidsovereenkomsten is gestipuleerd dat Hongaars recht op de betreffende arbeidsovereenkomst van toepassing is, heeft zij ter zitting in hoger beroep verklaard dat partijen geen uitdrukkelijke rechtskeuze hebben gemaakt voor Hongaars recht, maar wel dat een verwijzing is gemaakt naar dwingende bepalingen in het Hongaars recht. Dit is echter door [geintimeerde 1 c.s.] betwist. Nu de betreffende arbeidsovereenkomsten niet zijn overgelegd en evenmin duidelijk is gewezen op de inhoud van de betreffende bepalingen, acht het hof de stellingen van Silo-Tank op dit punt onvoldoende onderbouwd en gaat het hof ervan uit dat partijen geen rechtskeuze als bedoeld in artikel 3 Rome I/EVO hebben gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat ingevolge artikel 6 lid 2 EVO/artikel 8 lid 2 Rome I de overeenkomst beheerst wordt door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht.

3.11.

Het hof verwijst voor de uitleg van deze collisiebepalingen naar de uitspraak van het HvJ EU van 15 maart 2011 in de zaak Koelzsch tegen het Groothertogdom Luxemburg, C-29/10, NJ 2011, 246, ECLI:EU:C:2011:151, welke uitspraak ziet op de uitleg van artikel 6 lid 2 EVO maar evenzeer – mutatis mutandis – geldt voor artikel 8 lid 2 Rome I.

Het Hof van Justitie bepaalde dat om het land vast te stellen waar de werknemer gewoonlijk werkt, gekeken moet worden naar het land van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, waar de werknemer zijn instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert en naar het land waar zich de “arbeidsinstrumenten” (in het geval van vervoer over de weg, heeft dit betrekking op de vrachtwagens) bevinden. Als het land van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht en waar hij de instructies voor zijn opdrachten ontvangt dezelfde is, is dat het land waar de werknemer “gewoonlijk werkt”. Daarbij acht het Hof van Justitie het van belang dat de werknemer in dát land zijn economische en sociale functie uitoefent en dat zijn arbeid ook in die staat de invloed van het politieke en het bedrijfsklimaat ondergaat, zodat de eerbiediging van de in het recht van dat land geldende voorschriften ter bescherming van de arbeid zo veel mogelijk moeten worden gewaarborgd.

Toegepast op deze zaak merkt het hof Hongarije aan als het gewoonlijk werkland (in ieder geval het land waarmee de overeenkomsten tussen Silo en [geintimeerde 1 c.s.] het nauwst verbonden zijn als bedoeld in artikel 6 lid 2 slotzin EVO althans artikel 8 lid 4 Rome I, als nader geduid in HvJ 12 september 2013 C-64/12 inzake Schlecker tegen Boedeker, ECLI:EU:C:2013:551) van [geintimeerde 1 c.s.] Daartoe acht het hof het volgende redengevend.

Silo-Tank is een in Hongarije gevestigde transportonderneming die transporten verzorgt, en onweersproken niet enkel voor [Transporten B.V.] .
[geintimeerde 1 c.s.] , allen Hongaren, hebben een arbeidsovereenkomst gesloten met Silo-Tank. Zij wonen in Hongarije, zijn aldaar sociaal verzekerd en aldaar belastingplichtig. [geintimeerde 1 c.s.] hebben onvoldoende gemotiveerd bestreden dat zij regelmatig na transporten terugkeerden naar Hongarije en van daaruit weer te werk werden gesteld. Vanaf het moment van vertrek vanuit hun woonplaats in Hongarije naar de opstapplaats ontvingen zij loon. Voorts staat vast dat de door Silo-Tank in opdracht van [Transporten B.V.] gereden internationale ritten, waarop [geintimeerde 1 c.s.] werden ingezet, voor slechts een zeer beperkt deel in tijd en in kilometrage in Nederland werden uitgevoerd. In het licht van het vorenstaande legt de omstandigheid dat de betreffende internationale ritten als zodanig in de relevante periode werden uitgevoerd vanuit [vestigingsplaats] en aldaar weer eindigden en dat wellicht ook instructies werden gegeven vanuit [Transporten B.V.] onvoldoende gewicht in de schaal om aan te knopen bij Nederland als het gewoonlijk werkland in de zin van artikel 6 EVO respectievelijk artikel 8 Rome I. Voor zover de vorderingen van [geintimeerde 1 c.s.] gebaseerd zijn op de stelling dat Nederlands arbeidsrecht rechtstreeks van toepassing is omdat Nederland het gewoonlijk werkland is, zijn zij niet toewijsbaar.

3.12.

Vervolgens is aan de orde het beroep van [geintimeerde 1 c.s.] op toepasselijkheid van de Detacheringsrichtlijn.

3.13.

Het hof zal allereerst beoordelen of sprake is van het ter beschikking stellen van werknemers als bedoeld in art. 1 lid 3 van de Detacheringsrichtlijn
Blijkens art. 1, lid 3, sub a van de Detacheringsrichtlijn is deze richtlijn van toepassing op een situatie waarin een in een lidstaat gevestigde onderneming (Silo-Tank) in het kader van een transnationale dienstverrichting – nu in het onderhavige geval in ieder geval immers niet uitsluitend in Hongarije door [geintimeerde 1 c.s.] wordt gereden, vergelijk HvJ EU 18 september 2014, C. 549/13 inzake Bundesdruckerei c. Stadt Dortmund r.o. 26, ECLI:EU:C:2014:2235 - een werknemer voor haar rekening en onder haar leiding, zoals bij een charter het geval, ter beschikking stelt van de ontvanger van de (charter)dienst. Deze laatste, [Transporten B.V.] , is in ieder geval in de lidstaat Nederland werkzaam althans gevestigd. Dat tijdens de periode van terbeschikkingstelling een dienstverband tussen de onderneming (van herkomst, Silo-Tank) en de werknemer bestaat, is in het onderhavige geval zonder meer aan de orde. Er is aldus op het punt van (sec) ter beschikking stellen van een werknemer voldaan aan de in art. 1 lid 3 aanhef en onder a van de Detacheringsrichtlijn voorziene situatie in het kader van charters als ten behoeve van [Transporten B.V.] door Silo-Tank uitgevoerd

3.14.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of [geintimeerde 1 c.s.] tijdelijk werkzaamheden in Nederland verrichten als bedoeld in artikel 1 van de Wet Arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (WAGA), welke wet is bedoeld ter uitvoering van de Detacheringsrichtlijn en op dit specifieke punt ter uitvoering van “op het grondgebied ter beschikking stellen” als bedoeld in artikel 1 Detacheringsrichtlijn. Aan het vereiste van artikel 1 WAGA dat de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door een ander recht dan Nederlands recht is gezien het voorgaande op zich voldaan (zie r.o. 3.11).

3.15.1.

Vervolgens rijst de vraag of “op het grondgebied van een Lidstaat (ter beschikking stellen)” als bedoeld in artikelen 1 lid 1 en lid 3 van de Detacheringsrichtlijn (nagenoeg) letterlijk moet worden genomen of ook omvat “op of vanaf het grondgebied van een lidstaat”, waarbij vervolgens (klaarblijkelijk) niet relevant is in welke lidstaat of lidstaten de betrokken chauffeur in het kader van de charter successievelijk zijn werkzaamheden daadwerkelijk verricht.

3.15.2.

Allereerst geeft de definitiebepaling (artikel 2) van de Detacheringsrichtlijn al enig houvast:
“Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder „ter beschikking gestelde werknemer” verstaan, iedere werknemer die gedurende een bepaalde periode werkt op het grondgebied [vet hof ’s-Hertogenbosch] van een lidstaat die niet de staat is waar die werknemer gewoonlijk werkt”.

Advocaat-geneneraal Wahl overweegt in zijn conclusie van 18 september 2014 bij C-396/13 (Sähköalojen ammattiliitto ry tegen Elektrobudowa Spółka Akcyjna) rond deze bepaling:
26. Het is algemeen bekend dat de arresten van het Hof in de zaken Laval un Partneri [hof ‘s-Hertogenbosch:: C-341/05, EU:C:2007:809 (hierna: „Laval”), Rüffert [hof ‘s-Hertogenbosch: Rüffert, C-346/06, EU:C:2008:189] en Commissie/Luxemburg [hof ‘s-Hertogenbosch: Commissie/Luxemburg, C-319/06, EU:C:2008:350] aanleiding hebben gevormd voor heftige debatten in de rechtsleer over met name de gevolgen die de vrijheid van dienstverrichting in grensoverschrijdende gevallen heeft voor de rechten van werknemers (en de rechten van vakbonden om die rechten te beschermen). Als vervolg op de genoemde reeks van zaken toont de onderhavige zaak opnieuw aan dat de grensoverschrijdende verrichting van diensten een netelige kwestie blijft. Zo doen zich een aantal moeilijkheden voor die met name verband houden met de positie van ter beschikking gestelde werknemers die arbeid verrichten in een andere lidstaat [vet, hof ’s-Hertogenbosch] dan waar zij in dienst zijn genomen.

Verder overweegt de AG:
“28.

Op een ander niveau kan echter een spanning worden geconstateerd tussen de openlijk geformuleerde doeleinden van de richtlijn. De richtlijn belichaamt namelijk de wens van de lidstaten om naast de vrijheid van verkeer, ook de binnenlandse arbeidsmarkten [vet, hof ’s-Hertogenbosch] te beschermen. Het feit dat de arbeidskosten van de verschillende lidstaten onderling niet zijn afgestemd vormt ongetwijfeld een stimulans voor de invoering van regels met betrekking tot de detachering van werknemers uit de ene lidstaat naar de andere.
29.

Al voor de inwerkingtreding van de richtlijn vormde een omvangrijke verzameling arresten van dit Hof een basis om vast te stellen welk recht van toepassing was op gedetacheerde werknemers die diensten verrichtten in een andere lidstaat dan die waar hun werkgever meestal actief was. Hier is met name relevant dat het Hof in zijn arresten Rush Portuguesa

[hof ‘s-Hertogenbosch: EU:C:1990:142] en Vander Elst [hof ‘s-Hertogenbosch: C-43/93, EU:C:1994:310] de lidstaat van ontvangst een ruime marge liet om zijn arbeidsrecht toe te passen op gedetacheerde werknemers, zolang de relevante Verdragsbepalingen inzake de vrijheid van dienstverrichting in acht werden genomen. Tot op zekere hoogte gaf dit de ontvangende lidstaten een blanco volmacht om hun nationale arbeidsrechtelijke wetgeving integraal op gedetacheerde werknemers toe te passen. Volgens deze gedachtegang stond het buitenlandse ondernemingen vrij om hun diensten te verrichten in de lidstaat van ontvangst [vet, hof ’s-Hertogenbosch], mits zij zich aanpasten aan de arbeidswetgeving van de ontvangende staat (…).

31.

Zo formuleert artikel 3, lid 1, van richtlijn 96/71 een aantal onderwerpen die van bijzonder belang worden geacht voor de waarborging van een minimaal beschermingsniveau voor ter beschikking gestelde werknemers. Deze onderwerpen, die kunnen worden omschreven als de kern van de dwingende minimale beschermingsregels, omvatten werktijden, vakantiedagen en minimumloon. Met betrekking tot die kern is het uitgangspunt van de richtlijn, dat de wetgeving van de ontvangende lidstaat van toepassing hoort te zijn op ter beschikking gestelde werknemers. Ondernemingen die werknemers detacheren moeten dus de wetgeving toepassen van het land waar het contract wordt uitgevoerd [vet, hof ’s-Hertogenbosch], tenzij het recht van de staat van herkomst gunstiger is voor de werknemer.

32.

Hoewel richtlijn 96/71 oorspronkelijk wellicht beoogde om grenzen te stellen aan de vrijheid van dienstverrichting en niet om deze vrijheid te bevestigen – of waarschijnlijker: tevergeefs heeft getracht om beide te doen – lijkt het Hof in zijn latere rechtspraak in wezen zijn aandacht te hebben verschoven van de bescherming van de binnenlandse arbeidsmarkt [vet, hof ’s-Hertogenbosch] naar de vrijheid van dienstverrichting “.

Ook in het arrest HvJ 11 februari 2011 (gevoegde zaken C-307/09 tot en met 309/09) inzake Vicoplus wordt gerept van ‘de binnenlandse arbeidsmarkt’:

“30. In dit verband heeft het Hof in punt 16 van het reeds aangehaalde arrest Rush Porrtuguesa vastgesteld dat een onderneming die arbeidskrachten ter beschikking stelt, weliswaar dienstverrichter is in de zin van het VWEU, maar werkzaamheden verricht die juist tot doel hebben, werknemers toegang te geven tot de arbeidsmarkt van de ontvangende lidstaat [vet, hof ’s-Hertogenbosch].

3.15.3.

Bovenstaande citaten geven het hof in dat een ruime uitleg van “op het grondgebied” naar (onder meer) “vanaf het grondgebied van één specifieke lidstaat voor diensten in alle overige lidstaten van de Unie” geen recht doet aan de bedoeling van de Detacheringsrichtlijn om tegenover de vrijheid van diensten binnen de Europese unie ook recht te doen aan de belangen van de binnenlandse arbeidsmarkt van de respectieve lidstaat van ontvangst van de aan de orde zijnde dienst. Welke arbeidsmarkt zou dat overigens in de beoogde ruime uitleg zijn? Die van de lidstaat van de (toevallige) opdrachtgever van de charter? Het land waar het meest wordt gereden in het kader van internationaal chartervervoer tijdens alle aan de orde zijnde ritten? Het land waar wordt geladen en/of gelost of het meest wordt geladen en/of gelost of aan het begin en aan het einde van de werkperiode van de respectief ter beschikking gestelde werknemer wordt geladen of gelost?

3.15.4.

Het hof kent in dit verband ook betekenis toe aan de uitleg door HvJ EU 18 juni 2015, C-586/13 inzake Martin Meat Kft, ECLI:EU:C:2015:405, weliswaar in het kader van artikel 1 lid 3 onder c van de Detacheringsrichtlijn, maar juist ter onderscheiding van de situatie als bedoeld in artikel 1 lid 3 onder a van de Detacheringsrichtlijn, gegeven:

“33 (..) Ten tweede moet de terbeschikkingstelling erdoor worden gekenmerkt dat de verplaatsing van de werknemer naar de lidstaat van ontvangst [vet, hof ’s-Hertogenbosch] het doel op zich van de dienstverrichting door de dienstverlenende onderneming vormt. (…)

38. Verder wijst de omstandigheid dat het de dienstverrichter vrijstaat om het aantal werknemers te bepalen wier terbeschikkingstelling in de lidstaat van ontvangst [vet, hof ’s-Hertogenbosch] hij noodzakelijk acht – hetgeen in het hoofdgeding het geval lijkt te zijn blijkens de opmerkingen die verweerders in het hoofdgeding ter terechtzitting hebben gemaakt – erop dat de verplaatsing van werknemers naar de lidstaat van ontvangst [vet, hof ’s-Hertogenbosch] niet het doel van de aan de orde zijnde dienst is, maar ondergeschikt is ten opzichte van het verrichten van de in de overeenkomst vastgelegde dienst en dat daarmee sprake is van terbeschikkingstelling van werknemers in de zin van artikel 1, lid 3, onder a), van richtlijn 96/71.”

3.15.5.

Ook het oorspronkelijke voorstel van de Commissie (1 augustus 1991, Com (91), 230 def Syn. 346) rept in de toelichting voorafgaand aan het tekstvoorstel in onderdeel 12 van “lagere lonen (…) en andere arbeidsvoorwaarden (…) dan die welke gebruikelijk zijn in de plaats waar het werk tijdelijk wordt uitgevoerd”, en er wordt onder 14 (p.11) in het kader van niet tijdelijkheid van dienstverlening gerept van ‘werkzaamheden die geheel of voornamelijk op het grondgebied van deze lidstaat zijn gericht”. In onderdeel 19 (p. 13) wordt ook meermalen gerept van “het gastland” en in onderdeel 24 (p. 15) “ van dwingende bepalingen” die “nageleefd moeten worden door een onderneming die werknemers detacheert om in dat land tijdelijk werk te verrichten”.

Het is dan ook niet verrassend dat, nadat wordt weergeven in onderdeel 21 (p. 14) welke gevallen uit de rechtspraak van het Hof van Justitie EG men wenst te regelen, in onderdeel 23 (p.15) wordt opgemerkt dat “ De combinatie en onderlinge samenhang van artikel 1 en 2 maken het onnodig een lijst met uitzonderingen [vet, hof ’s-Hertogenbosch] op te stellen, zoals handelsreizigers, leden van het reizend personeel van een onderneming die internationale transportdiensten van personen of goederen verzorgt (..) over de weg [vet, hof ’s-Hertogenbosch] (...)”. Kortom de Detacheringsrichtlijn ziet bewust niet op de charters als in deze zaak aan de orde, doch slechts op nationaal dat wil zeggen op het grondgebied van een andere lidstaat of in elk geval overwegend op het gebied van die andere lidstaat uitgevoerde charters.

3.15.6.

Ook de Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten e.d. (hierna de Handhavingsrichtlijn), temporeel op de onderhavige situatie overigens niet van toepassing gezien artikel 23 Handhavingsrichtlijn, vermeldt in onderdeel 2 van de considerans:

De vrijheid van dienstverrichting geeft ondernemingen onder meer het recht om in een andere lidstaat diensten te verrichten en daarheen tijdelijk eigen werknemers te detacheren voor het aldaar verrichten [vet, hof ’s-Hertogenbosch] van die diensten.”, vervolgens als terug te vinden in artikel 1 lid 1 van bedoelde richtlijn (“waar de diensten worden verricht”).

3.15.7.

Uit het hiervoor overwogene vloeit derhalve voort dat niet is voldaan aan de eis van terbeschikkingstelling van werknemers op het grondgebied van de staat Nederland. Het hof neemt daarbij in overweging dat op grond van de hiervoor onder r.o. 3.11 genoemde feiten en omstandigheden onvoldoende kan worden afgeleid dat [geintimeerde 1 c.s.] tijdelijk in Nederland werkzaamheden verrichtten. Daarbij overweegt het hof dat slechts een zeer gering deel van de werkzaamheden in Nederland wordt uitgevoerd. [geintimeerde 1 c.s.] beginnen en eindigen hun ritten weliswaar in [vestigingsplaats] , maar rijden slechts een zeer gering deel, zowel qua afstand als tijd van hun ritten in Nederland. Het gaat om doorgaans meerdaagse internationale ritten. Onder die omstandigheden kan niet worden volgehouden dat de transportonderneming Silo-Tank, die zoals vaststaat substantiële transportactiviteiten ontplooit, [geintimeerde 1 c.s.] (tijdelijk) heeft gedetacheerd in Nederland. Dat [geintimeerde 1 c.s.] in het kader van het chartervervoer door Silo-Tank mogelijk instructies ontvangen van (planners) van [Transporten B.V.] doet daaraan onvoldoende af.

3.16.

Uit het voorgaande vloeit voort dat Hongaars recht van toepassing is en dat de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing is. Het vorenstaande leidt ertoe dat er geen grondslag is voor toewijzing van de vorderingen van [geintimeerde 1 c.s.]

Het hof zal het vonnis van de kantonrechter vernietigen voor zover het betrekking heeft op het toepasselijke recht en de Detacheringsrichtlijn en zal de zaak terugverwijzen. Daarbij neemt het hof in overweging dat uit de stukken blijkt dat klaarblijkelijk een andere procedure met hetzelfde feitencomplex thans bij het hof aanhangig is in de zin van artikel 125 Rv waar het hof nog geen zicht op heeft. [geintimeerde 1 c.s.] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

3.17.

Gelet op het principiële karakter van deze uitspraak zal het hof de mogelijkheid van tussentijds cassatieberoep openstellen.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het tussenvonnis waarvan beroep;

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch teneinde deze verder te behandelen met inachtneming van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen;

veroordeelt [geintimeerde 1 c.s.] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Silo-Tank op € 5.237,84 aan griffierecht en op € 2.682, - aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest voor wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat tegen dit arrest tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, P.P.M. Rousseau en P.S. Kamminga en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 mei 2017.

griffier rolraadsheer