Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:183

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-01-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
15/00322 tot en met 15/00332, 15/00342 en 15/00343
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:3034, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is rekeninghouder (geweest) bij Kredietbank Luxemburg (KBL). Het Hof is van oordeel dat het gebruik van de door de Inspecteur verkregen inlichtingen rechtmatig is en dat de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Ten aanzien van enkele belastingaanslagen is het Hof van oordeel dat de bewijslast dient te worden omgekeerd wegens het niet doen van de vereiste aangifte; het Hof bevestigt de corresponderende uitspraken van de Inspecteur. Ten aanzien van de andere belastingaanslagen is het Hof van oordeel dat de bewijslast niet kan worden omgekeerd wegens het niet doen van de vereiste aangifte; het Hof vermindert deze aanslagen. Het Hof vermindert de boeten. Belanghebbende heeft recht op vergoeding wegens immateriële schade wegens de lange behandelduur in beroep. Belanghebbende heeft geen recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/730
Viditax (FutD), 01-12-2017
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00322 tot en met 15/00332, 15/00342 en 15/00343

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats 1] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidenteel hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 28 januari 2015, nummers AWB 12/7242 tot en met 12/7252, 12/7262 en 12/7263, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur

betreffende de hierna te vermelden belastingaanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 31 december 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. De navorderingsaanslag is opgelegd met een verhoging (hierna ook: boete). Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslag en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

1997

H77

15/00322

f

15.065

15.065

2.439

1.2.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 mei 2003 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

VB

1999

K97

15/00342

f

5.813

5.813

731

VB

2000

K07

15/00343

f

4.664

4.664

417

1.3.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 6 juni 2003 navorderingsaanslagen in de IB/PVV opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

1998

H87

15/00323

f

17.311

17.311

2.713

IB/PVV

1999

H97

15/00324

f

26.982

26.982

3.418

IB/PVV

2000

H07

15/00325

f

26.417

26.417

2.389

1.4.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de in 1.1 tot en met 1.3 vermelde belastingaanslagen en beschikkingen gehandhaafd.

1.5.

Bij uitspraak van 10 december 2010 heeft het Hof de beroepen tegen de in 1.4 vermelde uitspraken gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de zaak teruggewezen naar de Inspecteur wegens schending van de hoorplicht.

1.6.

Bij arrest van 14 oktober 2011 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep tegen de in 1.5 vermelde uitspraak met toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie ongegrond verklaard.

1.7.

Aan belanghebbende is met dagtekening 31 december 2004 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2001

H16

15/00326

17.756

4.901

465

1.8.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 8 oktober 2005 aanslagen in de IB/PVV opgelegd. De aanslagen zijn opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2002

H26

15/00327

14.753

4.901

492

IB/PVV

2003

H36

15/00328

16.945

5.036

954

1.9.

Aan belanghebbende is met dagtekening 29 september 2007 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2004

H46

15/00329

13.929

5.270

1.219

1.10.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 december 2008 aanslagen in de IB/PVV opgelegd. De aanslagen zijn opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2005

H56

15/00330

15.819

5.450

1.633

IB/PVV

2006

H66

15/00331

11.455

5.619

691

1.11.

Aan belanghebbende is met dagtekening 7 januari 2011 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. De aanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2007

H76

15/00332

11.546

5.825

803

1.12.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 16 november 2012 heeft de Inspecteur de bezwaren tegen de in 1.1 tot en met 1.3 en 1.7 tot en met 1.11 vermelde belastingaanslagen deels gegrond verklaard. De Inspecteur heeft met dagtekening 30 november 2012 en 3 januari 2013 verminderingsbeschikkingen verzonden.

1.13.

Belanghebbende is van de in 1.12 vermelde uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42. De Rechtbank heeft deels beroepen gegrond verklaard, deels beroepen ongegrond verklaard; daarbij heeft de Rechtbank tevens de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 3.648,75, gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 42 aan deze vergoedt, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 2.252,50 en de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) veroordeeld tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 1.997,50.

1.14.

Tegen de in 1.13 vermelde uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.15.

De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de in 1.13 vermelde uitspraak van de Rechtbank met nummer AWB 12/7250, betreffende de aanslag IB/PVV 2005, en AWB 12/7251, betreffende de aanslag IB/PVV 2006. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.16.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.17.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.18.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 november 2015 te ‘s‑Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] en de heer [C] .

1.19.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een verzoek gedaan om wraking, als bedoeld in artikel 8:16 van de Awb, van mr. V.M. van Daalen-Mannaerts en mr. P.C. van der Vegt, die zijn belast met de behandeling van de hoger beroepen. In verband hiermede is het onderzoek ter zitting geschorst.

1.20.

Van de in 1.18 bedoelde zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verstrekt.

1.21.

Bij beslissing van de wrakingskamer van 19 november 2015 is het verzoek om wraking afgewezen.

1.22.

Het onderzoek ter zitting is daarna op 19 november 2015 hervat in de stand waarin het zich bevond voordat belanghebbende het wrakingsverzoek deed. Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst. Vervolgens heeft het Hof de Inspecteur verzocht schriftelijk inlichtingen te geven, aan welk verzoek hij heeft voldaan.

1.23.

Van de in 1.22 bedoelde zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.24.

Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft belanghebbende vóór de nadere zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.25.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 februari 2016 te ‘s‑Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, de heer [A] , en van zijn ex-echtgenote mevrouw [D] alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] en de heer [C] . Tevens is toen verschenen mevrouw [L] , beëdigd tolk Chinees (Mandarijn). Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven, aan welk verzoek zij hebben voldaan.

1.26.

Van de in 1.25 bedoelde nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.27.

Het tweede nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 3 november 2016 te ‘s‑Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] , de heer [C] en de heer [M] .

1.28.

Het Hof heeft aan het einde van de in 1.27 bedoelde zitting het onderzoek gesloten.

1.29.

Van de in 1.27 bedoelde zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende was gehuwd met [D] (hierna: de ex-echtgenote). Het huwelijk van belanghebbende en de ex-echtgenote is op 25 april 2005 door echtscheiding ontbonden.

2.2.

Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) spontaan inlichtingen verstrekt die betrekking hebben op afdrukken van microfiches (hierna: microfiches) van de KREDIETBANK LUXEMBOURG te Luxemburg (hierna de KBL). Belanghebbende heeft in zijn aangiften over de onderhavige jaren geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de KBL). Op basis van de gegevens, verstrekt bij de brief van 27 oktober 2000 door de BBI, is een onderzoek ingesteld door de FIOD-ECD en de Belastingdienst, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Op de microfiches stonden onder andere de volgende regels:

"JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994

(...)

[nummer 1] TER LDO [belanghebbende] - [D] 19.707,45

[nummer 2] TER LDO [belanghebbende] - [D] 112.118,97

[nummer 3] VUE [belanghebbende] - [D] -330,29”

2.3.

Op 10 januari 2002 heeft de Inspecteur telefonisch contact gezocht met de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, de heer [E] van [F] Accountants, voor het plannen van een persoonlijk gesprek. Deze afspraak heeft plaatsgevonden op 28 januari 2002. Belanghebbende heeft tijdens dit gesprek, na vragen van de Inspecteur daartoe, ontkend dat hij of de ex-echtgenote één of meerdere bankrekeningen in het buitenland heeft of heeft aangehouden in de afgelopen twaalf jaar. Van het gesprek is een gespreksverslag opgemaakt.

2.4.

De Inspecteur heeft belanghebbende vervolgens bij brief van 31 januari 2002 verzocht om informatie te verstrekken over in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Belanghebbende heeft niet gereageerd op deze brief van de Inspecteur.

2.5.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 20 september 2002 verzocht om informatie te verstrekken over in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Bij de vragenbrief is een formulier “verklaring in het buitenland aangehouden bankrekeningen” (hierna: de verklaring) gevoegd. Voorts heeft de Inspecteur in deze brief gewezen op artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

2.6.

Belanghebbende heeft de verklaring, gedagtekend 25 september 2002, ondertekend retour gezonden. De ingevulde verklaring komt er, kort gezegd, op neer dat belanghebbende ontkent rekeninghouder te zijn geweest bij de KBL.

2.7.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende, bij brief van 27 september 2002, aangekondigd dat hij diverse belastingaanslagen met boeten zal opleggen, in het geval belanghebbende niet overgaat tot het verstrekken van de gevraagde informatie.

2.8.

De Inspecteur heeft vervolgens belanghebbende, bij brief van 15 november 2002, op de hoogte gesteld van het voornemen om een navorderingsaanslagen IB/PVV 1997 met boete op te leggen. De Inspecteur heeft dit onder meer toegelicht met de vermelding dat uit de hem ter beschikking staande informatie blijkt dat belanghebbende één of meerdere bankrekeningen heeft aangehouden in het buitenland, dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de informatieverplichting van artikel 47 van de AWR en dat de Inspecteur genoodzaakt is voor het opleggen van de navorderingsaanslag uit te gaan van geschatte bedragen.

2.9.

De Inspecteur heeft bij brieven van 16 december 2002 belanghebbende meegedeeld de hiervoor genoemde navorderingsaanslagen op te leggen en dat belanghebbende daarbij wordt beboet.

2.10.

De Inspecteur heeft met dagtekening 31 december 2002 de aangekondigde navorderingsaanslag IB/PVV 1997 (inclusief boete en heffingsrente) opgelegd (zie 1.1).

2.11.

Op 30 januari 2003 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt en is het bezwaarschrift binnengekomen met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 1997 (inclusief boete en heffingsrente).

2.12.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 april 2003 op de hoogte gesteld van het voornemen om navorderingsaanslagen IB/PVV 1998 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1999 en 2000 met boeten aan hem op te leggen. De Inspecteur heeft de brief voorzien van bijlagen met een specificatie van de inkomenscorrecties, de meer verschuldigde belasting, de op te leggen boeten en de vast te stellen heffingsrente.

2.13.

Bij brief van 2 mei 2003 heeft de gemachtigde gereageerd op de kennisgeving van 28 april 2003 van de Inspecteur.

2.14.

De Inspecteur heeft bij brief van 19 mei 2003 belanghebbende meegedeeld de hiervoor genoemde navorderingsaanslagen op te leggen en dat belanghebbende daarbij wordt beboet.

2.15.

De Inspecteur heeft met dagtekening 31 mei 2003 de aangekondigde navorderingsaanslagen VB 1999 en 2000 (inclusief boeten en heffingsrente) opgelegd (zie 1.2). Vervolgens zijn met dagtekening 6 juni 2003 de navorderingsaanslagen IB/PVV 1998 tot en met 2000 opgelegd (zie 1.3).

2.16.

Belanghebbende heeft bij brief van 11 juli 2003 bezwaar gemaakt tegen de met dagtekening 31 mei 2003 en 6 juni 2003 opgelegde navorderingsaanslagen (inclusief boeten en heffingsrente).

2.17.

Naast de hiervoor in 2.10 en 2.15 genoemde navorderingsaanslagen heeft de Inspecteur ook aanslagen IB/PVV opgelegd over de jaren 2001 tot en met 2007 (zie 1.7 tot en met 1.11).

2.18.

De Inspecteur heeft belanghebbende op 22 juni 2011 en 31 januari 2012 gehoord. De Inspecteur heeft vervolgens bij brief van 16 november 2012, voor zover van toepassing gevolgd door verminderingsbeschikkingen met dagtekening 30 november 2012, inzake alle in 1.1. tot en met 1.3 en 1.7 tot en met 1.11 vermelde (navorderings)aanslagen uitspraak op bezwaar gedaan.

2.19.

Bij brief van 4 november 2013 heeft KBL aan belanghebbende het volgende bericht:

“Naar aanleiding van uw verzoek bevestigen wij u hierbij dat de rekening nr. [rekeningnummer] in onze boeken werd afgesloten op datum van 25 april 2002.”.

2.20.

Bij brief van 23 maart 2015 heeft KBL “Aan de rechthebbende” het volgende bericht:

“Wij refereren hierbij aan uw verzoek van 5 maart 2015 om de bank over te laten gaan tot een onderzoek inzake rekening nr. [rekeningnummer] . Deze rekening werd gesloten op datum van 25 april 2002.

Volgens de Luxemburgse wettelijke bepalingen inzake de archivering van documenten vereist dat het cliëntendossier alsmede de financiële gegevens van een rekening (de “Gegevens”) bewaard worden voor een minimale duur van tien jaar met ingang van respectievelijk (i) de sluiting van de genoemde rekening of (ii) de datum van uitvoering van desbetreffende financiële transactie.

Hier vloeit uit voort dat, behoudens een speciale beslissing of fout, het informaticasysteem van KBL regelmatig overgaat tot de vernietiging van de Gegevens.

Wij kunnen u bevestigen dat grondig onderzoek in onze systemen heeft aangetoond dat dit het geval was bij bovengenoemde Rekening en dat alle Gegevens zijn vernietigd, inclusief de identiteit van de titularis van deze Rekening.

Bijgevolg wijzen wij u erop dat deze brief niet is bedoeld om uw eventuele vroegere hoedanigheid van ex-titularis van de Rekening al dan niet te bevestigen.”.

2.21.

Op 20 juni 2007 heeft de heer [G] als getuige ter zitting van het gerechtshof Amsterdam onder meer het volgende verklaard:

Vraagsteller: “3.4. In uw proces-verbaal schrijft u vanaf pagina 4 over uw contacten met buitenlandse collegae. Deze contacten dateren van april, mei 2001 alsmede januari 2002. Zijn deze gesprekken vastgelegd? (…)”.

[G] : “Ik heb daar notities van gemaakt, op basis daarvan heb ik een ambtshandeling gemaakt na afloop van het bezoek. Die notities heb ik niet meer.

Vraagsteller: “3.7. Is het juist dat de BBI (Bijzondere belastinginspectie) fiscaal strafrechtelijke onderzoeken verricht in België (m.a.w. de tegenhanger is van de FIOD in Nederland)?”.

[G] : “Voor zover ik weet wel.”.

Vraagsteller: “3.8. Verschillende Belgische ambtenaren, waaronder de heer [H] , hebben u geattendeerd op een politieman die nauw bij het onderzoek betrokken was, de heer [K] . Waarom heeft u hem nooit gesproken? Zijn er wel pogingen ondernomen hem te spreken?”.

[G] : “Ik had daar geen behoefte aan. Hij was niet meer werkzaam op het kantoor in [plaats 2] waar ik toentertijd ben geweest. Op uw vraag waarom ik daar geen behoefte had, antwoord ik dat de personen met wie wel contact had, mij van voldoende informatie konden voorzien.”.

2.22.

Op 23 mei 2014 heeft de heer [H] als getuige ter zitting van de Rechtbank op vragen van de heer [A] onder meer het volgende verklaard:

[A] : “17. Herinnert u zich dat u, in het kader van KB-Lux op enig moment, met de heer [G] , ambtenaar van de Nederlandse Belastingdienst, hebt gesproken?”.

[H] : “Ja.”.

[A] : “18. Wanneer was dat? Als u geen herinnering aan een datum hebt, kunt u het gesprek met [G] plaatsen in het verloop van het KB-Lux onderzoek tot dan toe? Was er, toen u de heer [G] sprak, al gepubliceerd over de witwas van onrechtmatig verkregen bewijs?”.

[H] : “Dat was in 2001/2002.”.

[A] : “20. Hebt u hem telefonisch gesproken of hebt u hem ook ontmoet?”.

[H] : “Ik zal hem eerst wel telefonisch hebben gesproken en ik heb hem eenmalig ontmoet.”.

[A] : 21. “Wist u, vooraf, waarover hij met u wilde spreken?”.

[H] : “Hij was teamleider van Rekeningenproject en ik wist dat hij daarover wilde spreken.”.

[A] : “22. Hoe lang hebben die gesprekken ongeveer geduurd?”.

[H] : “Het was 1 gesprek en het duurde circa. 1 uur tot 1,5 uur.”.

[A] : 23. “Wat vroeg de heer [G] ?”.

[H] : “Hij had een aantal vragen over de stand van zaken over het strafrechtelijk onderzoek in België en over de discussie die er gaande was over de wijze waarop de documenten in handen waren gekomen van de Belgische justitie.”.

[A] : “24. Wat hebt u hem verteld?”.

[H] : “Ik kan mij niet precies herinneren wat wij hebben besproken.”.

[A] : “25. Hebt u de heer [G] geïnformeerd over het verloop van het KB-Lux-onderzoek tot dan toe? Wat hebt u hem daar over meegedeeld?”.

[H] : “Dat kan ik mij niet herinneren.”.

[A] : “26. Hebt u de heer [G] geïnformeerd over voornoemde ‘witwas’ van onrechtmatig verkregen bewijzen? Wat hebt u hem daar over meegedeeld?”

[H] : “nee de term witwassen is niet gevallen. Er is wel gesproken over de discussie die er was over de rechtmatigheid van het bewijs.”.

[A] : 27. “Hebt u, op enig moment, de heer [G] over de gang van zaken willen informeren en heeft de heer [G] gezegd: “Ik wil het niet weten”.?”.

[H] : “Dat kan ik mij niet herinneren.”.

[A] : “28. Zijn er andere punten die u over de besprekingen met de heer [G] wil zeggen?”.

[H] : “Nee.”.

[A] : “Is uw bekend dat er strafaangiften zijn gedaan tegen de onderzoeksrechter en een aantal van uw collega’s” en “was dat voor of na uw bespreking met de heer [G] ”.

[H] : “enkele jaren daarna”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Zoals partijen ter zitting hebben verklaard, betreft het geschil in hoger beroep het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is het gebruik van de door de Inspecteur verkregen inlichtingen rechtmatig en heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

  2. Zijn de belastingaanslagen tot een te hoog bedrag vastgesteld?

  3. Zijn de boeten ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag vastgesteld?

  4. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding wegens immateriële schade en – zo ja – tot welk bedrag?

  5. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten?

Belanghebbende is van mening dat vraag a ontkennend en de vragen b, c, d en e bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan tijdens de zittingen is toegevoegd, wordt verwezen naar de van deze zittingen opgemaakte processen-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert (primair) tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen, vermindering van de aanslagen, vernietiging van de (beschikkingen inzake) boete en vernietiging dan wel vermindering van de beschikkingen inzake heffingsrente.

Tevens concludeert belanghebbende tot veroordeling van de Inspecteur in de volledige proceskosten en kosten van bezwaar alsmede tot veroordeling van de Inspecteur en de Minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden.

3.4.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze betreft de aanslagen IB/PVV 2005 en 2006, en bevestiging van de uitspraken op bezwaar betreffende de aanslagen IB/PVV 2005 en 2006. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank voor het overige.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van vraag a (rechtmatigheid en op de zaak betrekking hebbende stukken)

4.1.1.

Belanghebbende beklaagt zich over de vaststelling van de feiten in eerdere vergelijkbare zaken waarin het Hof uitspraak heeft gedaan. Het Hof overweegt in dat verband dat belanghebbende zijn eigen stellingen als feiten vastgesteld wil zien, maar dat die stellingen, voor zover niet onder de feiten opgenomen, door de Inspecteur zijn weersproken. Voor zover van belang voor de beoordeling van de onderhavige vraag, zal het Hof hierna bewijsoordelen geven over de desbetreffende stellingen van belanghebbende.

4.1.2.

Belanghebbende stelt dat de uit België ontvangen afschriften van microfiches niet door de Inspecteur mogen worden gebruikt. Daartoe neemt belanghebbende de volgende standpunten in:

 de Belgische autoriteiten hebben niet vermeld dat de gegevens in België onder onrechtmatige omstandigheden zijn verkregen;

 de Belgische autoriteiten hebben zodanig onrechtmatig gehandeld dat de gegevens om die reden van bewijs moeten worden uitgesloten;

 de Inspecteur heeft geen kennis willen nemen van de onrechtmatige verkrijging van de gegevens in België en handelt daarmee in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur tegenover belanghebbende; en

 de Inspecteur heeft, tegen beter weten in, gesteld niet van de onrechtmatige verkrijging door de Belgische autoriteiten en de verstrekking van de gegevens in strijd met de goede trouw op de hoogte te zijn.

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn standpunten enkele artikelen uit publicaties overgelegd alsmede verklaringen van de heer [G] (zie onderdeel 2.21 hiervóór) en de heer [H] (zie onderdeel 2.22 hiervóór). Volgens belanghebbende kunnen de microfiches niet tot bewijs dienen.

4.1.3.

De Inspecteur heeft hiertegen het volgende ingebracht:

 de heer [G] heeft wel degelijk gerapporteerd over de inhoud van het gesprek met de heer [H] en het feit dat met de heer [H] over de verkrijging en de juridische strijd in België is gesproken; en

 de Inspecteur heeft de voornoemde informatie wel degelijk aan het dossier toegevoegd.

4.1.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juli 1992, nr. 26331, BNB 1992/306 (hierna: het arrest BNB 1992/306) een beoordelingskader gegeven voor het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak. De desbetreffende regels gelden nog steeds, gezien het arrest van 20 maart 2015, nr. 13/03959, ECLI:NL:HR:2015:643, BNB 2015/173 (hierna: het arrest BNB 2015/173). Dat beoordelingskader is in het arrest BNB 2015/173 als volgt weergegeven:

“2.3.1. In BNB 1992/306 is in de eerste plaats geoordeeld dat het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak in ieder geval toelaatbaar is, indien de verkrijging van die bewijsmiddelen niet onrechtmatig was jegens de belanghebbende in die zaak.

2.3.2.

Voor het geval wel sprake is van jegens de belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze verkregen bewijsmiddelen, heeft de Hoge Raad in BNB 1992/306 als regel vooropgesteld dat die omstandigheid voor de inspecteur geen beletsel behoeft te zijn om van die bewijsmiddelen gebruik te maken. In een dergelijk geval zal met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden nader moeten worden beoordeeld of de inspecteur handelt in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder met het zorgvuldigheidsbeginsel, door ter vaststelling of ter ondersteuning van een belastingaanslag van dit strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal gebruik te maken.

2.3.3.

Van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan in het algemeen niet worden gesproken indien de inspecteur gebruik maakt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen waarvan hij zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen, ook indien de onrechtmatige handelingen van de betrokken strafrechtelijke instantie(s) niet hadden plaatsgevonden. Het gebruik van zodanige bewijsmiddelen door de inspecteur is slechts dan niet toegestaan, indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, aldus BNB 1992/306.”.

4.1.5.

Gelet op het in 4.1.4 weergegeven beoordelingskader acht het Hof beslissend of de Nederlandse overheid, meer in het bijzonder de Nederlandse belastingautoriteiten, de microfiches hebben verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. In dat kader ziet het Hof zich voor de vraag gesteld of relevant is dat de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van of omstreeks de overdracht van die afschriften door Belgische aan Nederlandse belastingautoriteiten kennis droegen van de onrechtmatige verkrijging in België. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

4.1.6.

Het Hof is van oordeel dat, zelfs indien de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van de gegevensoverdracht door de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse wisten van de onregelmatigheden in het Belgische strafrechtelijke opsporingsonderzoek, de verkrijging van bewijsmateriaal in de vorm van de microfiches door de Nederlandse belastingautoriteiten nog niet zozeer in strijd is met beginselen van behoorlijk bestuur dat die afschriften niet voor de oplegging van belastingaanslagen en (boete)beschikkingen mogen worden gebruikt. De schending van beginselen van een behoorlijk strafproces die in de Belgische rechtsorde is uitgesproken, heeft zich voorgedaan in het kader van strafrechtelijk onderzoek dat belanghebbende niet heeft betroffen. Die schending behoefde de Inspecteur ook niet te weerhouden van het gebruik van de afschriften. Dat zou anders kunnen zijn indien zich op enig moment op of na de verkrijging van de afschriften aanwijzingen zouden hebben voorgedaan waaruit redelijke twijfel zou zijn voortgevloeid ten aanzien van de betrouwbaarheid en authenticiteit van het verkregen materiaal. Dat zou bijvoorbeeld aan de orde zijn indien de Inspecteur door voldoende concrete aanwijzingen rekening moet houden met de reële mogelijkheid dat de inhoud van de microfiches zou zijn gemanipuleerd. Alsdan zou de Inspecteur, gezien de zorgvuldigheidsnormen die hij bij zijn taakuitoefening in acht moet nemen, gehouden zijn tot een nader onderzoek naar de mate waarin de voornoemde ongeregeldheden in het kader van het Belgische opsporingsonderzoek van invloed konden zijn geweest op de betrouwbaarheid van (de inhoud van) de microfiches. De (kennis van de) onregelmatigheden die in het kader van het Belgische strafrechtelijke onderzoek zijn vastgesteld, zijn op zichzelf beschouwd echter nog geen aanwijzingen in de onderhavige zin.

4.1.7.

Het Hof acht overigens niet aannemelijk dat ten tijde van de verkrijging van de afschriften, dan wel op enig moment nadien, zodanige aanwijzingen hebben bestaan, onderscheidenlijk zijn ontstaan. Integendeel, gezien de vele gevallen waarin de in de afschriften vervatte gegevens van rekeninghouders na bekentenissen van laatstgenoemden juist bleken te zijn, mocht de Inspecteur ervan uitgaan dat de vorenbedoelde schendingen de betrouwbaarheid en authenticiteit van de in de microfiches vervatte gegevens onverlet hebben gelaten. Belanghebbende heeft voorts de gelegenheid gehad de betrouwbaarheid van de afschriften in de door hem gevoerde belastingprocedure aan de orde te stellen. Ook in die procedure behoefde de Inspecteur geen grond te zien voor twijfel in de onder 4.1.6 bedoelde zin.

4.1.8.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de wetenschap van de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van of omstreeks de verkrijging van de microfiches omtrent de onregelmatigheden die zich in het Belgische strafrechtelijke opsporingsonderzoek hebben voorgedaan niet kan leiden tot bewijsuitsluiting.

4.1.9.

Louter ten overvloede overweegt het Hof nog als volgt. Het Hof acht niet aannemelijk dat de Nederlandse overheid wetenschap had van de onrechtmatige verkrijging van de gegevens in België. Het Hof acht wél aannemelijk:

  1. dat Nederlandse belastingautoriteiten wisten dat de microfiches in Luxemburg waren ontvreemd;

  2. dat er discussie was binnen de advocatuur en in de pers over de rechtmatigheid van de bewijsgaring in België; en

  3. dat ten tijde van de gegevensoverdracht in oktober/november 2000 alsook in mei 2001, ten tijde van het gesprek tussen de heren [G] en [H] , niet méér wetenschap bij de Nederlandse belastingautoriteiten aanwezig was dan wetenschap van hetgeen hiervóór onder a en b is vermeld.

4.1.10.

Belanghebbende heeft gesteld dat de Nederlandse overheid in november 2000 wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de gegevens in België op onrechtmatige wijze waren verkregen. Hij heeft daartoe in zijn pleitnota ter zitting van 19 november 2015 de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd:

  1. De gegevens waren enkele jaren eerder door een Belgische crimineel tegen betaling aan de Nederlandse overheid aangeboden en de Nederlandse overheid wist dat de gegevens “in de markt” waren.

  2. Ter gelegenheid van de verstrekking van de gegevens heeft de Belgische overheid laten weten dat vanwege Belgisch staatsbelang geen vragen zouden worden beantwoord over de wijze waarop de Belgische overheid in bezit was gekomen van de gegevens.

  3. Reeds vanaf 1996/1997, dus vóór de overhandiging van de gegevens, waren regelmatig publicaties in de Belgische media, waaruit blijkt dat in België geprocedeerd werd over de (on)rechtmatige verkrijging van de gegevens door de Belgische overheid.

Voorts heeft belanghebbende er herhaaldelijk op gewezen dat de heer [G] zou hebben gezegd dat de discussie over de rechtmatigheid van de bewijsgaring in België borrelpraat is en dat hij het niet wilde weten.

4.1.11.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende hiermee en met al het overige dat hij heeft aangevoerd niet meer dan speculaties heeft geuit over de wetenschap van de Nederlandse overheid. Feiten en omstandigheden waaruit zou volgen dat de Nederlandse belastingautoriteiten wetenschap hadden van de onrechtmatige verkrijging, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.

4.1.12.

Ten aanzien van belanghebbendes grief dat de Inspecteur in strijd met artikel 8:42 van de Awb niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, overweegt het Hof als volgt. Voor zover belanghebbende meent dat de heer [G] (dan wel de Belastingdienst) schriftelijk verslag had moeten doen van de beweerdelijke wetenschap van de Nederlandse belastingautoriteiten ten tijde van de gegevensoverdracht, stuit dit standpunt af op hetgeen onder 4.1.9 tot en met 4.1.11 is overwogen. Verder is er van het gesprek tussen de heren [G] en [H] verslag gedaan door [G] aan zijn teamleider alsmede in het Proces-verbaal van ambtshandeling van 10 januari 2003, welke stukken tot de gedingstukken behoren (bijlagen 1 en 2 bij het verweerschrift in hoger beroep). Voor zover belanghebbende bedoelt dat er nog andere stukken zijn die de Inspecteur in het geding had moeten brengen, stelt het Hof in de eerste plaats vast dat belanghebbende onvoldoende heeft gemotiveerd welke andere stukken van belang zijn geweest voor de besluitvorming in deze zaak en de Inspecteur voorts heeft ontkend dat dergelijke stukken bestaan. Ook overigens zijn er naar het oordeel van het Hof geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd zodat belanghebbendes grief hieromtrent dient te worden verworpen.

4.1.13.

Gelet op het vorenstaande beantwoordt het Hof vraag a bevestigend.

Ten aanzien van vraag b (hoogte van de belastingaanslagen)

4.2.1.

De Inspecteur heeft in hoger beroep gesteld dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.2.2.

Volgens vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Een bedrag van € 2.101 is op zichzelf bezien aanzienlijk (zie Hoge Raad 24 april 2015, nr. 14/04104, ECLI:NL:HR:2015:1083, BNB 2015/176; hierna: het arrest BNB 2015/176).

4.2.3.

Ter nadere zitting van het Hof heeft de Inspecteur zich primair op het standpunt gesteld dat in een geval als het onderhavige, waarin de belastingplichtige heeft bekend rekeninghouder te zijn (geweest) doch geen informatie dienaangaande verstrekt, het niet relevant is of de volgens aangifte verschuldigde belasting absoluut en relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Dit standpunt vindt naar het oordeel van het Hof geen steun in het recht.

4.2.4.

Subsidiair heeft de Inspecteur gesteld dat de volgens aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Over de vraag of de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV op zichzelf beschouwd aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV, heeft de Inspecteur het volgende gesteld.

Absoluut verschil tussen de aangegeven en werkelijk verschuldigde belasting

IB/PVV 1997

f

2.958

IB/PVV 1998

f

3.966

IB/PVV 1999

f

3.966

IB/PVV 2000

f

3.965

IB/PVV 2001

729

IB/PVV 2002

729

IB/PVV 2003

729

IB/PVV 2004

729

IB/PVV 2005

729

IB/PVV 2006

729

IB/PVV 2007

729

Bij deze berekening heeft de Inspecteur de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  1. de jaarlijkse rentebate bedraagt f 9.932, uitgaande van het percentage zoals dat is toegepast bij de berekening van de geschatte correcties in het project;

  2. belanghebbende heeft (uitsluitend) dit bedrag van f 9.932 jaarlijks voor consumptieve doeleinden opgenomen;

  3. het saldo op de KBL-rekening bedroeg op 31 januari 1994 f 133.861 ofwel € 60.743 en is, gelet op hetgeen is vermeld onder a en b, in elk van de jaren daarna gelijkblijvend; en

  4. e niet genoten rentevrijstelling is in aanmerking genomen.

Voorts heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat voor de jaren vanaf 2001 de belasting volgens de aangifte over het inkomen uit sparen en beleggen moet worden afgezet tegen de werkelijk verschuldigde belasting over het inkomen uit sparen en beleggen. Het hanteren van deze maatstaf is volgens de Inspecteur reëel in verband met de lage tariefstelling in box 3.

4.2.5.

Belanghebbende heeft op zijn beurt gesteld dat de rekening op 25 april 2002 is gesloten (zie 2.19) en dat het saldo op dat moment nog slechts een paar honderd euro bedroeg.

4.2.6.

De Inspecteur heeft daarop gesteld dat over het saldo van de rekening ten tijde van de sluiting van de rekening op 25 april 2002 niets bekend is. Voorts betwist de Inspecteur de verklaring van belanghebbende dat dit saldo slechts een paar honderd euro zou zijn geweest.

4.2.7.

Het Hof acht de verklaring van belanghebbende, zoals weergegeven in 4.2.5, ongeloofwaardig. Belanghebbende heeft zijn verklaring op geen enkele wijze met stukken onderbouwd noch anderszins nader bewijs bijgebracht. Bovendien heeft belanghebbende ter zitting van 11 februari 2016 innerlijk tegenstrijdige verklaringen afgelegd omtrent het doel van de KBL-rekening en de bestedingen van het saldo op de KBL-rekening.

4.2.8.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een gebrek dat ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV over de jaren 1997, 1998 en 1999 zowel in absolute als relatieve zin aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.2.7 acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende bewust het geld buiten het zicht van de Inspecteur wilde houden en zich ervan bewust was dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan IB/PVV niet zou worden geheven.

4.2.9.

De verschuldigde IB/PVV over het door de Inspecteur berekende gecorrigeerde inkomen over het jaar 2000 van ƒ 107.028 bedraagt ƒ 42.516. In relatieve zin wijkt de volgens aangifte verschuldigde IB/PVV derhalve 9,3% (ƒ 3.965 / ƒ 42.516) af van de werkelijk verschuldigde IB/PVV. Het Hof acht dit verhoudingsgewijs niet aanzienlijk.

4.2.10.

Anders dan de Inspecteur is het Hof van oordeel dat in geen van de jaren 2001 tot en met 2007 sprake is van een op zichzelf beschouwd aanzienlijk belastingbedrag dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet is geheven. Het Hof is verder van oordeel dat de Inspecteur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor de jaren vanaf 2001 de belasting volgens de aangifte over het inkomen uit sparen en beleggen moet worden afgezet tegen de werkelijk verschuldigde belasting over het inkomen uit sparen en beleggen. Deze door de Inspecteur bepleite maatstaf vindt immers geen steun in het recht (zie het arrest BNB 2015/176).

Voor zover de Inspecteur nog heeft betoogd dat de belastingbedragen over de jaren 2001 tot en met 2007 tezamen in aanmerking moeten worden genomen ter bepaling van de absolute en relatieve afwijking ten opzichte van de volgens de aangifte verschuldigde belasting, overweegt het Hof dat ook dit standpunt geen steun vindt in het recht.

4.2.11.

Ten aanzien van de vraag of de volgens de aangifte verschuldigde VB zowel op zichzelf beschouwd als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde VB, heeft de Inspecteur geen standpunt ingenomen. De Inspecteur heeft derhalve niet aan de op hem rustende stelplicht voldaan.

4.3.1.

Gelet op hetgeen is overwogen in 4.2.8 dient de bewijslast te worden omgekeerd ten aanzien van de IB/PVV over de jaren 1997, 1998 en 1999.

4.3.2.

Het Hof is van oordeel dat de door de Inspecteur in de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1997, 1998 en 1999 in aanmerking genomen KBL-correcties berusten op een redelijke schatting. De uitspraak op bezwaar betreffende deze navorderingsaanslagen dienen te worden bevestigd.

4.4.1.

Gelet op hetgeen is overwogen in 4.2.9 tot en met 4.2.11 is omkering van de bewijslast niet aan de orde ten aanzien van de IB/PVV over de jaren 2000 tot en met 2007 en de VB over de jaren 1999 en 2000. De Inspecteur dient voor betreffende jaren aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast de zogenoemde KBL-correcties aannemelijk te maken.

4.4.2.

De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat het saldo op de KBL-rekening op 31 januari 1994 f 133.861 ofwel € 60.743 bedroeg en dat de KBL-correctie op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen jaarlijks 4% van € 60.743 = € 2.430 bedraagt. Gelet op de hoogte van het saldo, de eigen verklaringen van belanghebbende (zie 4.2.5 en 4.2.7), de identificatie van belanghebbende als rekeninghouder van de tegoeden alsmede de bekentenis van belanghebbende als zodanig, en de periode waarin deze rekening is aangehouden (zie 2.19) bestaat volgens het Hof een bewijsvermoeden dat belanghebbende als rechthebbende van de KBL-tegoeden deze tegoeden niet in zijn aangiften IB/PVV heeft verantwoord. Belanghebbende heeft dit bewijsvermoeden niet ontzenuwd. Hij heeft onvoldoende aangevoerd waardoor gerede twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van het bewijsvermoeden. Ten aanzien van de hoogte van de belasting ter zake van de KBL-correcties zal het Hof aansluiten bij de door de Inspecteur gemaakte berekening (zie 4.2.4).

4.4.3.

Gelet op hetgeen is overwogen in 4.4.2, dient de navorderingsaanslag IB/PVV 2000 te worden verminderd tot een aanslag naar een te betalen bedrag van f 3.965 en dienen de aanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2007 te worden verminderd tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van de volgende bedragen, onder handhaving van de overige elementen van de aanslagen:

Jaar

Belastbaar inkomen uit

sparen en beleggen

2001

6.862

(nl. € 4.432 + (€ 60.743 * 4%))

2002

6.303

(nl. € 3.873 + (€ 60.743 * 4%) )

2003

5.576

(nl. € 3.146 + (€ 60.743 * 4%))

2004

2.983

(nl. € 553 + (€ 60.743 * 4%))

2005

2.430

(nl. € 60.743 * 4%)

2006

2.430

(nl. € 60.743 * 4%)

2007

2.430

(nl. € 60.743 * 4%)

De beschikkingen heffingsrente dienen overeenkomstig te worden verminderd.

4.4.4.

Omtrent de hoogte van de navorderingsaanslagen VB 1999 en 2000 heeft de Inspecteur geen standpunt ingenomen. De Inspecteur heeft derhalve niet aan de op hem rustende stelplicht voldaan. Het Hof vernietigt de navorderingsaanslagen VB 1999 en 2000, en de daarbij behorende beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen.

4.5.

Belanghebbende heeft zich ter zitting van 11 februari 2016 ermee akkoord verklaard dat de KBL-correcties volledig bij belanghebbende in aanmerking worden genomen. Het incidentele hoger beroep van de Inspecteur met betrekking tot de aanslagen IB/PVV 2005 en 2006 is derhalve gegrond.

Ten aanzien van vraag c (boeten)

4.6.1.

In hoger beroep zijn uitsluitend de boeten in geschil behorende bij de belastingaanslagen IB/PVV 1997 tot en met 2006.

4.6.2.

De Rechtbank heeft ten aanzien van de boeten het volgende overwogen:

“4.5.6. Belanghebbende heeft niet betwist dat hij wist dat tegoeden en inkomsten van een buitenlandse bankrekening moeten worden vermeld in zijn aangiften. De rechtbank acht de inspecteur dan ook geslaagd in het bewijs dat het aan opzet van belanghebbende te wijten is dat de oorspronkelijke aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld dan wel belanghebbende de desbetreffende tegoeden opzettelijk niet heeft aangegeven in de aangiften met het doel hierover geen belasting te betalen. De rechtbank acht de boeten van 100% passend en geboden.”

Het Hof verenigt zich met deze overweging en maakt die tot de zijne.

4.6.3.

Het Hof heeft de belastingaanslagen IB/PVV 2000 tot en met 2006 verminderd (zie 4.4.3). Het Hof vermindert de daarbij behorende boeten dienovereenkomstig tot ƒ 3.965 voor het jaar 2000 en € 729 voor de jaren 2001 tot en met 2006, dit is 100% van de te weinig geheven belasting.

4.6.4.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur hem heeft gesommeerd te verklaren of een buitenlandse bankrekening is aangehouden, dan wel nog wordt aangehouden onder dreiging van een (kort geding leidend tot opleggen van een) dwangsom. Volgens belanghebbende heeft hij naar aanleiding van de aanzegging van die dwangsom bekend rekeninghouder te zijn (geweest). Omdat dit in strijd is het met het verbod op zelf-incriminatie, is belanghebbende van mening dat de boeten dienen te worden vernietigd.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2015, nr. 14/00584, ECLI:NL:HR:2015:1359, oordeelt het Hof dat deze stelling van belanghebbende geen doel treft.

4.6.5.

Voorts heeft belanghebbende gesteld dat de boeten moeten worden verminderd tot nihil, omdat de Inspecteur niet “all material evidence” in het geding heeft gebracht. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1.12 ziet het Hof geen aanleiding de boeten te verminderen.

4.6.6.

Voorts heeft belanghebbende nog gesteld dat de boeten (verder) moeten worden verminderd tot nihil omdat de redelijke termijn is overschreden. Tussen partijen is niet in geschil dat met betrekking tot de boeten de redelijke termijn is overschreden.

4.6.7.

Ten aanzien van de boeten bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 1997, 1998 en 1999 heeft het navolgende te gelden. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de boeten reeds verminderd met 20 procent wegens overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op de door de Hoven geformuleerde uitgangspunten, welke meebrengen dat een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twee jaar niet tot een verdere vermindering van verhogingen en boeten dan met 20 percent leidt, zal het Hof deze boeten niet verder kwijtschelden dan wel verminderen.

4.6.8.

Het Hof heeft de boeten bij de belastingaanslagen IB/PVV 2000 tot en met 2006 verminderd wegens vermindering van de belastingaanslagen (zie 4.6.3). Het Hof zal deze boeten verder verminderen met 20 procent wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.6.9.

Het Hof stelt vast dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 1997, 1998 en 1999 met omkering van de bewijslast zijn komen vast te staan (zie 4.3.1). Het Hof ziet daarin aanleiding de corresponderende boeten te matigen. De grondslag van deze boeten is daarmee immers ook vastgesteld met omkering van de bewijslast. Het Hof is van oordeel dat een matiging deswege van de boeten met 20 procent op zijn plaats is.

4.6.10.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, vermindert het Hof de boeten tot de volgende bedragen:

Jaar

Boete

1997

f

6.127

1998

f

7.725

1999

f

11.367

2000

f

3.172

2001

583

2002

583

2003

583

2004

583

2005

583

2006

583

Ten aanzien van vraag d (vergoeding wegens immateriële schade)

4.7.

Partijen zijn tijdens de nadere zitting van 11 februari 2016 overeengekomen dat de vergoeding wegens immateriële schade wegens de lange behandelduur van het bezwaar en beroep dient te worden bepaald op € 8.500, dat de Inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van een bedrag van € 4.505 en dat de Minister wordt veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van een bedrag van € 3.995.

Ten aanzien van vraag e (proceskostenvergoeding)

4.8.

Belanghebbende verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten. Het Hof acht daartoe geen termen aanwezig.

Slotsom

4.9.

De slotsom is dat zowel het hoger beroep van belanghebbende als het incidentele hoger beroep van de Inspecteur gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Omdat de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 123 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11.1.

Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.11.2.

Daarbij wordt uitgegaan van 13 samenhangende zaken waarin belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. Het Hof doet heden ook uitspraak in de zaken van belanghebbendes ex-echtgenote en beschouwt die zaken in hoger beroep als samenhangend met de zaken van belanghebbende.

4.11.3.

Het Hof stelt de tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 4 (punten; 1 punt voor het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de nadere zitting, 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen en 0,5 punt voor de nadere zitting,) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 2.970.

4.11.4.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

4.11.5.

In verband met de samenhang van de zaken van belanghebbende met die van zijn ex-echtgenote, zal het Hof in de onderhavige zaken de helft van het bedrag van € 2.970 = € 1.485 toekennen.

5 Beslissing

Ten aanzien van het hoger beroep met kenmerk 15/00322 (IB/PVV 1997)

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, doch enkel wat betreft de boete;

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van f 6.127; en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Inspecteur voor het overige.

Ten aanzien van het hoger beroep met kenmerk 15/00323 (IB/PVV 1998)

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, doch enkel wat betreft de boete;

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van f 7.725; en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Inspecteur voor het overige.

Ten aanzien van het hoger beroep met kenmerk 15/00324 (IB/PVV 1999)

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, doch enkel wat betreft de boete;

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van f 11.367; en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Inspecteur voor het overige.

Ten aanzien van het hoger beroep met kenmerk 15/00325 (IB/PVV 2000)

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag tot een te betalen bedrag van f 3.965;

  • -

    vermindert de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig; en

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van f 3.172.

Ten aanzien van het hoger beroep met kenmerk 15/00326 (IB/PVV 2001)

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.862, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;

  • -

    vermindert de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig; en

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van € 583.

Ten aanzien van het hoger beroep met kenmerk 15/00327 (IB/PVV 2002)

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.303, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;

  • -

    vermindert de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig; en

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van € 583.

Ten aanzien van het hoger beroep met kenmerk 15/00328 (IB/PVV 2003)

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.576, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;

  • -

    vermindert de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig; en

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van € 583.

Ten aanzien van het hoger beroep met kenmerk 15/00329 (IB/PVV 2004)

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.983, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;

  • -

    vermindert de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig; en

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van € 583.

Ten aanzien van het (incidentele) hoger beroep met kenmerk 15/00330 (IB/PVV 2005)

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    verklaart het incidentele hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.430, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;

  • -

    vermindert de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig; en

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van € 583.

Ten aanzien van het (incidentele) hoger beroep met kenmerk 15/00331 (IB/PVV 2006)

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    verklaart het incidentele hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.430, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;

  • -

    vermindert de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig; en

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van € 583.

Ten aanzien van het hoger beroep met kenmerk 15/00332 (IB/PVV 2007)

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de boete;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.430, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag; en

  • -

    vermindert de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig.

Ten aanzien van het hoger beroep met kenmerk 15/00342 (VB 1999)

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag; en

  • -

    vernietigt de heffingsrente- en boetebeschikking.

Ten aanzien van het hoger beroep met kenmerk 15/00343 (VB 2000)

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag; en

  • -

    vernietigt de heffingsrente- en boetebeschikking.

Ten aanzien van het hoger beroep met kenmerk 15/00322 tot en met 15/00332, 15/00342 en 15/00343

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, voor zover het betreft de beslissing omtrent de vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, voor zover het betreft de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 4.505;

  • -

    veroordeelt de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 3.995;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 123 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.485.

Aldus gedaan op 20 januari 2017 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, P.C. van der Vegt en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.