Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:182

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-01-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
15/01430
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na verwijzing HR 11 december 2015, nr. 14/03653, ECLI:NL:HR:2015:3492. Hoewel de doelomschrijving van de ingevolge art. 7 van de Experimentenwet opgerichte Stichting aanleiding geeft tot onduidelijkheid, leidt een zinvolle uitleg van de doelomschrijving het Hof tot het oordeel dat de statutaire doelstelling voldoet aan de in de Experimentenwet omschreven uitgangspunten. Gelet op hetgeen is overwogen in HR 11 december 2015, nr. 14/02510, ECLI:NL:HR:2015:3425, dienen de activiteiten van de Stichting, zoals onder meer die in de begroting vermeld onder ‘Evenementen’ en ‘Schoon heel en veilig’, mede een publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone en voldoen daarmee aan de eis van art. 1, lid 2 van de Experimentenwet. De BIZ-bijdrage heeft het karakter van een bestemmingsheffing, daarmee behoeft er in de relatie tot de belastingplichtige geen rechtstreekse tegenprestatie te zijn. Voorts blijkt uit de doelstelling van de Experimentenwet, waaronder het vergroten van de veiligheid en/of aantrekkelijkheid van de bedrijfsomgeving, van het profijt voor een advocatenkantoor als dat van belanghebbende. Belanghebbendes stellingen inzake beïnvloeding door de Gemeente op de besteding van gelden, de hoogte van de BIZ-heffing en de omvang van het BIZ-gebied zijn gelegen in het politieke domein en onttrokken aan het oordeel van de belastingrechter.

Wetsverwijzingen
Experimentenwet BI-zones 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2017/254 met annotatie van A.W. Schep
V-N 2017/22.22.2
V-N Vandaag 2017/682
FutD 2017-0761
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01430

Uitspraak op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Drenthe,

hierna: de Heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 25 april 2013, kenmerk AWB LEE 12/1276, in het geding tussen

[belanghebbende] te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna te noemen aanslag BIZ-bijdrage.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 29 februari 2012 voor het jaar 2012, met andere aanslagen en beschikkingen op één aanslagbiljet onder nummer [aanslagnummer] verenigd, een aanslag BIZ-bijdrage opgelegd ter zake van de onroerende zaak, plaatselijk bekend [adres 1] 6 te [woonplaats] (hierna: de aanslag BIZ-bijdrage), ten bedrage van € 500. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Heffingsambtenaar van 9 mei 2012 ongegrond verklaard.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42. Bij uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar, alsmede de aanslag BIZ-bijdrage vernietigd en vergoeding van proceskosten en griffierecht gelast.

1.3.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft de Heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Bij zijn uitspraak van 17 juni 2014, nr. 13/00601, ECLI:NL:GHARL:2014:4800 (hierna: de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden), heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de uitspraak van de Rechtbank bevestigd en vergoeding van proceskosten gelast.

1.4.

De uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden is, op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe (hierna: het College), bij arrest van de Hoge Raad van 11 december 2015, nr. 14/03653, ECLI:NL:HR:2015:3492, BNB 2016/64 (hierna: het verwijzingsarrest), vernietigd en verwezen naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest.

1.5.

Belanghebbende heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld door het Hof, bij brief van 15 januari 2016 een conclusie op het verwijzingsarrest ingediend. De Heffingsambtenaar is door het Hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het verwijzingsarrest en de conclusie van belanghebbende, hetgeen hij heeft gedaan bij conclusie van 10 februari 2016.

1.6.

Het onderzoek ter eerste zitting heeft plaatsgehad op 8 juli 2016 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen belanghebbende en de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, de heren [B] en [C] .

1.7.

Het Hof heeft het onderzoek ter zitting direct na de opening daarvan geschorst vanwege de verschoning van een van de raadsheren in verband met de omstandigheid dat een van de vertegenwoordigers van de Heffingsambtenaar een bekende van hem is.

1.8.

Het onderzoek ter tweede zitting heeft plaatsgehad op 8 december 2016 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, de heren [B] en [C] .

1.9.

Het Hof heeft aan het einde van de tweede zitting het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de tweede zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is ondernemer en oefent onder de naam [D] een advocatenpraktijk uit. Haar onderneming is gevestigd op het adres [adres 1] 6 te [woonplaats] .

2.2.

In het kader van de Experimentenwet bedrijven investeringszones, wet van 19 maart 2009, 31 430, Stb. 2009, nr 165 (hierna: Experimentenwet) heeft de Ondernemersvereniging ‘Hartje Drenthe’ (hierna: de Ondernemersvereniging) de gemeente Midden-Drenthe (hierna: de Gemeente) verzocht om een bedrijven investeringszone (hierna: de BI-zone of BIZ) in te stellen en een BIZ-heffing in te voeren voor het centrum van [woonplaats] (hierna: het BIZ-gebied). Op 25 november 2010 heeft de raad van de gemeente (hierna: de Raad) de ‘Verordening BI-zone centrum [woonplaats] 2011’ (hierna: de Verordening) vastgesteld.

De Verordening is op 8 december 2010 bekendgemaakt.

2.3.

In de Verordening is in artikel 3 bepaald dat onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ een directe belasting wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone.

In artikel 4 van de Verordening is opgenomen dat de BIZ-bijdrage gedurende een periode van maximaal vijf jaren jaarlijks wordt geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en van degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de BI-zone gelegen onroerende zaken gebruiken. Aan de Verordening is een plattegrond gehecht waarin het aangewezen BIZ-gebied is gemarkeerd.

In de Verordening is vastgelegd dat de BIZ-bijdrage wordt geheven naar een vast bedrag van € 500 per onroerende zaak. Voorts is in de Verordening bepaald dat de ‘Stichting [E] ’ (hierna: de Stichting) wordt aangewezen als stichting als bedoeld in artikel 7 van de Experimentenwet.

2.4.

Op 1 november 2010 heeft de Ondernemersvereniging de Stichting opgericht. In de statuten van de Stichting (hierna: de Statuten) is in artikel 2, Doel en Middelen, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“1. De stichting heeft ten doel:

a. het oprichten van een bedrijveninvesteringszone (ook te noemen “BIZ”) als bedoeld

in de Experimentenwet BI-zones waarin de collectieve ambities van de ondernemers in het centrum van [woonplaats] door middel van een actieplan tot uitvoering gebracht kunnen worden;

het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste

zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het sluiten van een overeenkomst(en) met de gemeente Midden-Drenthe, als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Experimentenwet BI-zones, en de uitvoering daarvan en voorts het beheren en bestemmen van de in de vorm van subsidie van een of meerdere overheidsinstelling(en) ontvangen bedragen.

3. Een actieplan omschrijft de te ontplooien activiteiten welke zijn gericht op de versterking van de economische positie van het centrum door de nadruk te leggen op het onderscheidend vermogen, de (boven)regionale bekendheid, de aantrekkingskracht, de kwaliteit van de openbare ruimte, de levendigheid en belevingswaarde en het kwalitatief versterken van het gedifferentieerde aanbod van het centrum van [woonplaats] .

4. (…)”

2.5.

De Gemeente heeft op 10 november 2010 met de Stichting de ‘Uitvoeringsovereenkomst BIZ 2011 t/m 2015’ (hierna: de Uitvoeringsovereenkomst) gesloten, waarin in artikel 4 is bepaald dat de door de gemeente verkregen BIZ-inkomsten in de vorm van een subsidie door het College aan de Stichting zullen worden verstrekt. In artikel 5, lid 1, van de Uitvoeringsovereenkomst is verder bepaald dat de Stichting met de verstrekte subsidie uitsluitend activiteiten financiert die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van het BIZ-gebied.

2.6.

Bij overeenkomst van 28 februari 2012 zijn partijen in verband met artikel 7, lid 3, van de Experimentenwet, ook wel aangeduid als afdwingbepaling, een aanvulling op de Uitvoeringsovereenkomst overeengekomen. Hierbij is vastgelegd dat de Stichting verplicht is de in artikel 5, lid 1, van de Uitvoeringsovereenkomst genoemde activiteiten uit te voeren en dat de subsidie aan de Stichting wordt verstrekt voor de uitvoering van deze activiteiten.

2.7.

In bijlage 2 bij de Uitvoeringsovereenkomst is de ‘Begroting Stichting [E] over de jaren 2011 tot en met 2015’ (hierna: de Begroting) opgenomen. Hierin zijn de inkomsten begroot op 80 x € 500 = € 40.000 voor het eerste jaar, een jaarlijkse verhoging van € 600 in elk volgend jaar en een rentebate van € 50 in 2012, die in de jaren daarop telkens met € 50 toeneemt. Met betrekking tot de uitgaven is, beperkt, tot de jaren 2011 en 2012, verkort weergegeven, het volgende vermeld:

Uitgaven 2011 2012

Evenementen

Zomer- en lenteactiviteiten, Koninginnedag, Midzomernacht,

Jaarmarkt, Eindejaars- en overige activiteiten € 26.500 € 27.710

Gemeentelijk Beleid

Vergader- en uitvoeringskosten € 500 € 500

Schoon heel en veilig

Decemberverlichting/aankleding centrum € 5.000 € 5.000

Schoonmaak € 500 € 500

Banieren € 500 € 500

AED € 1.000 € 1.000

Exploitatie stichting

Bestuursondersteuning en financiële verantwoording € 500 € 1.200

Oprichtingskosten € 1.000 € 0

Onvoorziene kosten/reservering € 4.500 € 4.240

Totaal uitgaven (inclusief reservering) € 40.000 € 40.650

Totaal inkomsten € 40.000 € 40.650

2.8.

In de toelichting op de Begroting is, voor zover van belang, opgenomen:

“In de begroting is rekening gehouden met 80 bijdrageplichtige ondernemers en met de navolgende kosten.

1. Een professionele promotie van het centrum door het organiseren van evenementen in nauwe samenwerking met [woonplaats] Promotie;

Begroting 1e jaar: € 26.500 oplopend naar € 32.980 in het 5e jaar. (…)

2. Het maken van goede afspraken met de Gemeente over beleid wat de ondernemers in het centrum direct aangaat, zoals een goede bereikbaarheid, voldoende parkeerplaatsen, een aantrekkelijk terrassenbeleid, versterking van het winkelaanbod enz. Dit alles in nauw overleg met de ondernemersvereniging Hartje Drenthe.

Begroting per jaar: € 500

3. Het aanpakken van concrete knelpunten en het samen met de gemeente zorgdragen voor een schoon, veilig een aantrekkelijk centrum.

Begroting 1e tot en met 3e jaar: € 7.000, waarin rekening is gehouden met de aanschaf/ huurkoop van nieuwe feestverlichting in het centrum. Nadat de feestverlichting is afbetaald valt een deel van de begroting vrij ten gunste van de evenementen.

4. Exploitatie stichting, bestuurskosten, oprichtingskosten en onvoorziene kosten, alsmede reservering voor toekomstige uitgaven.

Begroting per jaar (…) circa € 5.000 oplopend naar circa € 6.000 in het 5e jaar”.

2.9.

Tot de stukken behoort de ‘Begroting Activiteitenplan BIZ 2012’ van de Stichting (hierna: het Activiteitenplan), welke de volgende activiteiten en de daarmee begrote kosten omvat:

Activiteiten op bepaalde data tussen 31 maart 2012 en december 2012

Palm Pasen € 250

Klant is koning vrijdagavond € 1.000

Moederdagactie/brunch verloting € 1.000

Midzomernacht/Vaderdagactie € 4.500

Zomermarkten met kramen en muziek ( [adres 2] ) € 7.500

Fietsvierdaagse € 200

Oldtimers € 2.000

Bourgondisch [woonplaats] met als thema Italië € 2.500

Shanty Festival € 1.000

Ummekeer € 3.950

Sinterklaas intocht € 4.000

Kerstmarkt € 4.000

Extra vermaak tijdens koopavonden (in december) € 2.000

Activiteiten gedurende het gehele jaar 2012

PR alle activiteiten € 2.500

Verlichting centrum afschrijving 5 jaar € 9.138

AED € 1.000

Schoonmaak centrum € 2.500

Diversen € 3.000

Vergunningen activiteiten € 100

Buma/sena € 1.000

Totaal € 53.138.

Hierbij zijn als uitgangspunten vermeld:

“- Alle bedragen in de begroting zijn excl. btw.

- Vegen na Koninginnedag, Midzomernacht, Ummekeer, Kerstmarkt, intocht Sinterklaas.”

2.10.

Belanghebbende was op 1 januari 2012 gebruiker van de onroerende zaak [adres 1] 6 te [woonplaats] . Deze onroerende zaak is gelegen in het BIZ-gebied waarbinnen ingevolge de Verordening een BIZ-bijdrage ten bedrage van € 500 wordt geheven.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht een aanslag BIZ-bijdrage is opgelegd, in die zin of de Verordening jegens belanghebbende verbindend is.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter tweede zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest overwogen:

“2.3.1 Voor de vraag of een aanslag in zoverre rechtsgeldig is opgelegd dat hij berust op een verbindende verordening, is beslissend of de verordening verbindend was op het tijdstip waarop de aanslag werd opgelegd (zie HR 31 maart 1993, nr. 28034, ECLI:NL:HR:1993:ZC5307, BNB 1993/182 en HR 6 november 2015, nr. 14/02652, ECLI:NL:HR:2015:3222, V-N 2015/59.18).

De onderhavige aanslag is opgelegd met dagtekening 29 februari 2012. Bij overeenkomst van 28 februari 2012 is de Uitvoeringsovereenkomst gewijzigd. Vanaf die laatste datum was derhalve sprake van een stichting waarmee de gemeente een uitvoeringsovereenkomst had gesloten met inbegrip van de in artikel 7, lid 3, van de Experimentenwet voorgeschreven afdwingbepaling. Daarmee was tevens voldaan aan het bepaalde in artikel 13 van de Verordening.

De omstandigheid dat de wetgever ervan is uitgegaan dat het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 van de Experimentenwet aan de vaststelling van een verordening BIZ-bijdrage vooraf moet gaan, brengt niet mee dat een aan een dergelijke uitvoeringsovereenkomst klevend gebrek, zoals hier het ontbreken van de afdwingbepaling, niet achteraf kan worden hersteld.

2.3.2.

Het overwogene onder 2.3.1 brengt mee dat de onderhavige aanslag berust op een verbindende Verordening. De middelen slagen derhalve in zoverre en behoeven voor het overige geen behandeling.

2.4.

Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor de behandeling van de voor de Rechtbank en het Hof onbehandeld gebleven geschilpunten. Daarbij dient mede acht te worden geslagen op hetgeen is opgenomen in het arrest van de Hoge Raad van 11 december 2015, nr. 14/02510, ECLI:NL:HR:2015:3425.”

4.2.

Belanghebbende heeft tijdens de tweede zitting verklaard dat de onbehandelde grieven zijn: de statutaire doelstelling van de Stichting strookt niet met het in de Experimentenwet voorgeschreven uitgangspunt, de besteding van de ter zake van de BIZ-bijdragen als subsidie ontvangen gelden betreft geen publiek belang, met als aanvulling dat belanghebbende geen profijt heeft van deze activiteiten, en de uitspraak op bezwaar is onvoldoende gemotiveerd.

Statutaire doelstelling van de Stichting

4.3.

In artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet is bepaald, dat de BIZ-bijdrage een belasting is die strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone.

In artikel 7, lid 1, van de Experimentenwet is geregeld dat de opbrengst van de belasting als subsidie wordt verstrekt aan de bij de verordening aangewezen vereniging of stichting.

In artikel 7, lid 2, van de Experimentenwet is vastgelegd, voor zover van belang, dat de verordening uitsluitend aanwijst een vereniging of stichting, die als statutaire doelstelling uitsluitend heeft het uitvoeren van activiteiten als bedoeld in voornoemd artikel 1, lid 2.

4.4.

Belanghebbende stelt dat de statutaire doelomschrijving van de Stichting niet voldoet aan de wettelijk voorgeschreven doelstelling. In dit verband merkt belanghebbende op dat ‘het tot uitvoering brengen van de collectieve ambities van de ondernemers in het centrum van [woonplaats] in de ruimste zin’ weinig meer heeft te maken met dit wettelijk voorgeschreven vereiste. Belanghebbende is van mening dat de wetgever met de beperking van de wettelijke doelstelling heeft willen voorkomen dat de als subsidie verstrekte gelden praktisch overal aan kunnen worden besteed, hetgeen, zo stelt belanghebbende, wel mogelijk is binnen de onderhavige doelstelling, waaruit nauwelijks enige beperking kan worden afgeleid. Voorts acht belanghebbende van belang de betekenis van statuten in privaatrechtelijke zin, in die zin dat een statutaire doelstelling strekt ter bescherming van, in het onderhavige geval, de belastingplichtigen voor de BIZ en ook de rechtspersoon die de doelstelling hanteert. Met de onderhavige ruime doelstelling kan de Stichting jegens derden geen enkele bescherming van haar statuten verwachten en dat is te meer kwalijk daar het gaat om publieke gelden, waarvan de besteding conform bepaalde doelen dient te geschieden, aldus belanghebbende.

4.5.

De Heffingsambtenaar bestrijdt het standpunt van belanghebbende en betoogt dat de oprichting van een BIZ met geen enkel ander doel kan geschieden dan de uitvoering van activiteiten, die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone en dat ook de handelingen die de Stichting mag verrichten beperkt zijn tot de uitvoering van de Experimentenwet. De Heffingsambtenaar is in dit verband van mening dat de onderdelen van artikel 2 van de statuten van de Stichting in samenhang gelezen en uitgelegd moeten worden. Voorts wijst de Heffingsambtenaar erop dat nadrukkelijk een link naar de oprichting van een BI-zone overeenkomstig de Experimentenwet wordt gelegd en dat daaruit niet anders kan worden afgeleid dan dat de statutaire doelstelling volledig daarmee in overeenstemming is.

4.6.

Het Hof kan belanghebbende in zoverre in haar standpunt volgen, dat de onderhavige doelomschrijving tot onduidelijkheid aanleiding geeft. Blijkens artikel 2, lid 1, letters a en b, van de Statuten heeft de Stichting zich tot doel heeft gesteld, het oprichten van een BI-zone als bedoeld in de Experimentenwet en alle handelingen, daarvoor en daartoe in de ruimste zin, te verrichten, welk doel de Stichting vervolgens heeft bereikt met de totstandkoming van de BI-zone per 1 januari 2011. Het Hof is echter van oordeel dat dit geen zinvolle uitleg is van genoemd artikellid betreffende de doelomschrijving van de Stichting. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat deze doelomschrijving moet worden bezien in verband met het duidelijk beoogde voortbestaan van de BI-zone, waarop de overige bepalingen ten aanzien van de doelstelling van artikel 2 van de Statuten zien. De Stichting streeft met betrekking tot de BI-zone na, de collectieve ambities van de ondernemers in het BIZ-gebied tot uitvoering te kunnen brengen en hanteert ter realisatie van die collectieve belangen een actieplan, dat omvat de te ontplooien activiteiten, welke zijn gericht op de economische positie van het BIZ-gebied, de (boven)regionale bekendheid, de aantrekkingskracht, de kwaliteit van de openbare ruimte, de levendigheid en belevingswaarde en het versterken van het aanbod van het BIZ-gebied.

Dat bij de doelomschrijving wordt gesproken van ‘kunnen’ in verband met het tot uitvoering brengen van de collectieve ambities, betekent naar het oordeel van het Hof niet dat nog andere werkzaamheden dan de activiteiten van het actieplan uitgeoefend worden, maar heeft betrekking op de mogelijkheid dat ondanks het streven van de Stichting de collectieve ambities van de ondernemers te realiseren, niet alle ambities gerealiseerd worden.

Aan het voorgaande voegt het Hof het volgende toe. Dat bij de doelomschrijving wordt gesproken van het ‘in de ruimste zin’ verband houden of bevorderlijk zijn van alle verdere handelingen betreffende de BI-zone wordt naar het oordeel van het Hof in voldoende mate begrensd door de in een actieplan te omschrijven te ontplooien activiteiten.

Het Hof is van oordeel dat de statutaire doelstelling van de Stichting, zoals in artikel 2 van de Statuten omschreven en in samenhang bezien, voldoet aan de in de Experimentenwet voorgeschreven uitgangspunten.

4.7.

Gelet op voornoemd oordeel, verwerpt het Hof de stelling van belanghebbende omtrent het gebrek aan bescherming van de Statuten voor de belastingplichtigen voor de BIZ en de Stichting, alsmede het daarmee, volgens belanghebbende, gemoeide risico betreffende de besteding van publieke gelden. Naar ‘s Hofs oordeel is de statutaire doelomschrijving van de Stichting niet (te) ruim en biedt deze daarmee voldoende bescherming, ook jegens derden.

4.8.

Gelet op het vorenoverwogene wijst het Hof de grief van belanghebbende dat de statutaire doelstelling van de Stichting niet strookt met het in de Experimentenwet voorgeschreven uitgangspunt af.

Besteding gelden en profijtbeginsel

4.9.

In het in het verwijzingsarrest genoemde arrest van 11 december 2015, nr. 14/02510, ECLI:NL:HR:2015:3425, BNB 2016/63 (hierna: het arrest BNB 2016/63), heeft de Hoge Raad overwogen:

“2.2.1. Het geschil voor het Hof spitste zich toe op de vraag of de krachtens de Verordening geheven BIZ-bijdrage strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone, zoals is voorgeschreven in artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de onder 2.1.4 vermelde activiteiten in de categorieën ‘Attractiviteit & gastvrijheid’ en ‘Bereikbaarheid & overig’ eerst en vooral zijn gericht op de promotie van de in de BI-zone gevestigde winkels en horecagelegenheden. Voorts kent het Hof wat betreft de activiteiten ‘Kerstverlichting’, ‘Aanschaf extra kerstverlichting’ en ‘Evenementen’ mede betekenis toe aan de omstandigheid dat het aanbrengen van kerstverlichting en het organiseren van evenementen niet pas na invoering van de BI-zone ter hand zijn genomen, maar in eerdere jaren door de winkeliersvereniging zijn verzorgd. Gelet op een en ander is het Hof van oordeel dat de activiteiten in beide categorieën hooguit zijdelings verband houden met het publieke belang in de openbare ruimte. Daarom voldoen deze activiteiten niet aan de voorwaarde van artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet, aldus het Hof.

2.3.1.

Het eerste middel betoogt dat het Hof heeft miskend dat de beoordeling of bepaalde activiteiten al dan niet in voldoende mate het publiek belang dienen, door de gemeenteraad dient te geschieden.

Dit middel faalt. De Experimentenwet gaat ervan uit dat tussen de gemeente en de Vereniging een uitvoeringsovereenkomst wordt gesloten waarin dwingend is vastgelegd welke activiteiten moeten worden verricht waarvoor de uit de BIZ-bijdragen gevormde subsidie moet worden aangewend. Daarbij dient de gemeente te beoordelen of de voorgenomen activiteiten van de Vereniging voldoen aan de omschrijving in artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet. Dat betekent echter niet dat de ingevolge een verordening verschuldigde BIZ-bijdragen waartoe het overleg tussen de gemeente en een vereniging of stichting heeft geleid, aan het oordeel van de belastingrechter zijn onttrokken. Met name zal de belastingrechter in een hem op dat punt voorgelegd geschil moeten beoordelen of de kosten ter bestrijding waarvan de BIZ-bijdrage wordt geheven kosten zijn als bedoeld in artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet.

2.3.2.

Het tweede middel komt op tegen ’s Hofs onder 2.2.2 weergegeven oordeel met het betoog dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd omdat het feit dat bepaalde activiteiten in het belang van de ondernemers in de BI-zone zijn, niet uitsluit dat die activiteiten zijn gericht op een ‘mede publiek belang’. Dat bepaalde activiteiten ook vóór de invoering van een BI-zone werden uitgevoerd, is daarbij niet relevant, aldus dit betoog.

2.3.3.

Bij de beoordeling van dit middel wordt het volgende vooropgesteld. Zoals volgt uit de wetsgeschiedenis, weergegeven in de onderdelen 4.14 tot en met 4.32 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, is de doelstelling van de Experimentenwet om “de veiligheid en/of de aantrekkelijkheid van de bedrijfsomgeving voor de ondernemers en voor hun klanten te vergroten” (Kamerstukken II 2007/08, 31 430, nr. 3, blz. 11). “Een leefbare bedrijfsomgeving heeft invloed op de leefbaarheid van het omliggende gebied; burgers willen een veilige en leefbare omgeving om in te werken, te wonen en te winkelen. Het collectieve belang van de ondernemers valt op deze punten samen met het algemene belang van een kwalitatief hoogwaardige bedrijfsomgeving.” (Kamerstukken II 2007/08, 31 430, nr. 3, blz. 1). In verband daarmee is het voorschrift van artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet “bewust tamelijk ruim geformuleerd” (Kamerstukken II 2007/08, 31 430, nr. 6, blz. 7). Bij de behandeling van het wetsvoorstel is als illustratie genoemd dat het aanbrengen van kerstverlichting, als aanvulling op door de gemeente verzorgde activiteiten, om het hele ondernemingsgebied onder de aandacht te brengen, valt te beschouwen als een activiteit waarmee mede een publiek belang wordt gediend (Handelingen II 2008/09, blz. 265).

Gelet op deze toelichtingen is de wetgever ervan uitgegaan dat activiteiten die de aantrekkelijkheid van een winkelgebied voor het winkelend publiek vergroten en daarmee bijdragen aan een kwalitatief hoogwaardig winkelgebied, voldoen aan de eis van artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet dat die activiteiten zijn gericht op een ‘mede publiek belang’. Een ‘mede publiek belang’ ontbreekt pas indien de activiteit in de openbare ruimte geheel of nagenoeg geheel is gericht op de particuliere belangen van één of meer ondernemers of van derden.

2.3.4.

Bij zijn oordeel dat de onderhavige activiteiten eerst en vooral gericht zijn op de promotie van de in de BI-zone gevestigde winkels en horecagelegenheden en hooguit zijdelings verband houden met een publiek belang in de openbare ruimte, heeft het Hof een onjuiste, want te beperkte, maatstaf aangelegd, aangezien het daarbij geen acht heeft geslagen op de vergroting van de aantrekkelijkheid van de BI-zone voor het winkelend publiek. Anders dan het Hof heeft overwogen is te dezen niet doorslaggevend dat enkele van de activiteiten in eerdere jaren ook reeds door de winkeliersvereniging werden georganiseerd. Het middel slaagt derhalve.

2.4.

Gelet op hetgeen onder 2.3.4 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. In ’s Hofs vaststelling dat de beschreven activiteiten eerst en vooral zijn gericht op promotie van de winkels en horecagelegenheden ligt besloten dat daarmee tevens wordt beoogd de aantrekkelijkheid van het winkelgebied voor de klanten te vergroten. Die activiteiten zijn daarom niet uitsluitend (of nagenoeg uitsluitend) gericht op de particuliere belangen van de ondernemers in de BI-zone of van derden, maar dienen ook een ‘mede publiek belang’. Het Hof heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de Verordening onverbindend is.”

4.10.

Belanghebbende stelt dat een in de Statuten genoemd actieplan ontbreekt, er is slechts een Begroting op een paar A4-tjes en ongedateerd opgesteld. Belanghebbende is van mening dat de Hoge Raad met het in het arrest BNB 2016/63 onder r.o. 2.3.3 gegeven oordeel, dat ‘activiteiten die de aantrekkelijkheid van een winkelgebied voor het winkelend publiek vergroten’ (mede) in het publieke belang zijn (totaal) geen acht slaat op de omstandigheid dat van alle ondernemers in de BI-zone belasting wordt geheven, en niet in het bijzonder van (bijvoorbeeld) de winkels en horecagelegenheden. In dit verband voert belanghebbende, die een advocatenkantoor exploiteert, aan dat zij op geen enkele manier mede profijt heeft van de betreffende activiteiten, die veelal plaatsvinden in het weekend of ’s avonds, zoals een ‘Klant is koningactie’ of een steltloper die op Moederdag rozen uitdeelt. Belanghebbende bestrijdt dat in het kader van de Experimentenwet een belasting kan worden geheven waarvan de Ondernemersvereniging vervolgens de activiteiten financiert die de plaatselijke vereniging daarvoor ook altijd al organiseerde, alleen toen van de bijdragen van haar leden.

4.11.

De Heffingsambtenaar betwist dat een actieplan ontbreekt en verwijst naar de Begroting en het Activiteitenplan. De Heffingsambtenaar bestrijdt dat bij de beoordeling of de besteding van de gelden overeenkomstig de Experimentenwet is, het profijt voor de belastingplichtige moet worden getoetst. De Heffingsambtenaar betoogt dat de BIZ-bijdrage een bestemmingsheffing is, die in zijn opzet enige grofheid kent doordat alle gebruikers van onroerende zaken in een gebied, die niet als woning kwalificeren, in de heffing worden betrokken. Of de heffing door een belangrijk deel van de betrokkenen als ongewenst wordt ervaren, komt naar voren in de draagvlakmeting en voor een individuele toets is binnen de opzet van de BIZ-bijdrage geen ruimte, aldus de Heffingsambtenaar.

4.12.

Het Hof stelt voorop dat in artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet is bepaald, dat de BIZ-bijdrage een belasting is, die strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone. Zoals in het arrest BNB 2016/63 is overwogen, volgt uit de wetsgeschiedenis dat de doelstelling van de Experimentenwet is om ‘de veiligheid en/of de aantrekkelijkheid van de bedrijfsomgeving voor de ondernemers en voor hun klanten te vergroten’ (Kamerstukken II 2007/08, 31 430, nr. 3, blz. 11). ‘Een leefbare bedrijfsomgeving heeft invloed op de leefbaarheid van het omliggende gebied; burgers willen een veilige en leefbare omgeving om in te werken, te wonen en te winkelen. Het collectieve belang van de ondernemers valt op deze punten samen met het algemene belang van een kwalitatief hoogwaardige bedrijfsomgeving.’ (Kamerstukken II 2007/08, 31 430, nr. 3, blz. 1). In verband daarmee is het voorschrift van artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet ‘bewust tamelijk ruim geformuleerd’ (Kamerstukken II 2007/08, 31 430, nr. 6, blz. 7). Bij de behandeling van het wetsvoorstel is als illustratie genoemd dat het aanbrengen van kerstverlichting, als aanvulling op door de gemeente verzorgde activiteiten, om het hele ondernemingsgebied onder de aandacht te brengen, valt te beschouwen als een activiteit waarmee mede een publiek belang wordt gediend (Handelingen II 2008/09, blz. 265). Een ‘mede publiek belang’ ontbreekt pas indien de activiteit in de openbare ruimte geheel of nagenoeg geheel is gericht op de particuliere belangen van één of meer ondernemers of van derden.

4.13.

Het Hof verwerpt de grief van belanghebbende dat een mede publiek belang ontbreekt.

Het Hof stelt voorop dat de onder 2.7 tot en met 2.9 genoemde activiteiten overeenstemmen met de doelstelling van de Experimentenwet, zoals volgt uit de wetsgeschiedenis daarvan, alsook met de activiteiten beschreven in het arrest BNB 2016/63. Het Hof noemt in dit verband de in de Begroting onder de categorieën ‘Evenementen’ en ‘Schoon heel en veilig’ vermelde activiteiten om de veiligheid en/of aantrekkelijkheid van de bedrijfsomgeving voor de ondernemers en voor hun klanten te vergroten. Voorts is niet gesteld of gebleken, dat de onderhavige activiteiten in de openbare ruimte geheel of nagenoeg geheel gericht zijn op de particuliere belangen van één of meer ondernemers gevestigd in het BIZ-gebied of van derden. Het Hof is van oordeel dat de onderhavige activiteiten van de Stichting voldoen aan de eis van artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet.

4.14.

Belanghebbende stelt voorts dat ook in het geval activiteiten worden uitgevoerd zoals omschreven in artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet, het niet terecht is dat van alle ondernemers in de BI-zone een BIZ-bijdrage wordt geheven en dat zij van de georganiseerde evenementen geen profijt heeft.

4.15.

Het Hof wijst deze klachten af. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2007/2008, 31 430, nr. 3, blz. 20) wordt artikel 1 van de Experimentenwet als volgt toegelicht: ‘Dit artikel bevat de expliciete bevoegdheid de belasting op te leggen zoals die wordt geëist door artikel 132, zesde lid, van de Grondwet, geeft de belastinggrondslag en karakteriseert de belasting als een bestemmingsheffing.’ Gelet op de omstandigheid dat de BIZ-bijdrage een bestemmingsheffing is, hoeft in de relatie met de belastingplichtige geen sprake te zijn van een rechtstreekse tegenprestatie in de vorm van een verleende dienst of een voorziening waarvan de belastingplichtige gebruik maakt. Het Hof voegt hieraan toe dat de doelstelling van de Experimentenwet is om de veiligheid en/of de aantrekkelijkheid van de bedrijfsomgeving voor de ondernemers en voor hun klanten te vergroten en dat een veilige en leefbare bedrijfsomgeving van belang is, onder meer, om in te werken. Hieruit blijkt dan ook van het profijt voor een advocatenkantoor, als dat van belanghebbende.

4.16.

De klacht van belanghebbende dat in het kader van de Experimentenwet geen belasting kan worden geheven ter zake van activiteiten die vóór de invoering van de BIZ-heffing werden uitgevoerd door de plaatselijke ondernemersvereniging en gefinancierd van de bijdragen van haar leden, faalt. In het arrest BNB 2016/63 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat te dezen niet doorslaggevend is dat enkele van de activiteiten in eerdere jaren ook reeds door de winkeliersvereniging werden georganiseerd (r.o. 2.3.4 van het arrest BNB 2016/63).

4.17.

Belanghebbendes stellingen dat de Gemeente invloed had kunnen en moeten uitoefenen op de besteding van de gelden, de hoogte van de BIZ-heffing en desnoods het BIZ-gebied beperkter moeten vaststellen, zijn gelegen in het politieke domein en aan het oordeel van de belastingrechter onttrokken. Hieraan voegt het Hof toe dat de Heffingsambtenaar heeft verklaard, dat er een afweging is gemaakt om de [adres 1] op te nemen in het BIZ-gebied, omdat het de toegangsweg is om van de parkeergelegenheid naar het centrum te komen.

4.18.

Gelet op het vorenoverwogene komt het Hof tot het oordeel dat het gelijk aangaande de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Heffingsambtenaar is, dat de Verordening jegens belanghebbende verbindend is en dat de aanslag BIZ-bijdrage terecht is opgelegd.

Motivering uitspraak op het bezwaarschrift

4.19.

De grief van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, verwerpt het Hof. Naar het oordeel van het Hof is de Heffingsambtenaar in zijn uitspraak uitgebreid ingegaan om de door belanghebbende in het bezwaarschrift aangedragen grieven, heeft hij deze grieven beargumenteerd afgewezen en het bezwaar mitsdien gemotiveerd ongegrond verklaard.

Slotsom

4.20.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep ongegrond verklaren.

Ten aanzien van het griffierecht

4.21.

Gelet op de omstandigheid dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Heffingsambtenaar inzake het door hem ingestelde hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.22.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, en

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op: 20 januari 2017 door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, T.A. Gladpootjes en P.C. van der Vegt, leden, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.