Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:180

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-01-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
15/01209
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6001, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een omgevingsvergunning aangevraagd in verband met de uitbreiding van zijn vleeskalverenhouderij. Daarvoor is aan hem een bedrag aan leges in rekening gebracht. De Heffingsambtenaar heeft het bedrag aan leges gebaseerd op de bij de legesverordening 2012 behorende tarieventabel. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de legesfactuur tot een te hoog bedrag aan hem is opgelegd. Het Hof oordeelt dat er geen redenen zijn om de legesverordening 2012 of de daarbij behorende tarieventabel onverbindend te verklaren. Belanghebbende heeft overigens niet aannemelijk gemaakt dat de legesverordening 2012 voor de jaren daarna is gewijzigd omdat de daarin opgenomen normbedragen aanzienlijk hoger waren dan de daadwerkelijke bouwkosten. Belanghebbendes beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel gaat ook niet op. Aan belanghebbende wordt wel een immateriële schadevergoeding opgelegd wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Het hoger beroep is gegrond wegens het niet toekennen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende door de Rechtbank. Voor het overige bevestigt het Hof de uitspraak van de Rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2017/207 met annotatie van R.T. Wiegerink
V-N Vandaag 2017/740
V-N 2017/20.20.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01209

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 9 september 2015, kenmerk AWB 14/2210, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen-Chaam,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te noemen factuur leges omgevingsvergunning.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft bij formulier van 28 september 2012 bij de gemeente Alphen-Chaam een omgevingsvergunning aangevraagd in verband met de uitbreiding van zijn vleeskalverenhouderij. Aan belanghebbende is daarvoor bij factuur van 3 juni 2013 een bedrag aan leges in rekening gebracht van € 18.773. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Heffingsambtenaar van 26 februari 2014 ongegrond verklaard.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328. Bij genoemde uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 497.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 8 december 2016 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] en mevrouw [B] , namens belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, de heer [C] en mevrouw [D] .

Ter zitting heeft mevrouw [B] desgevraagd een stuk overhandigd waaruit blijkt dat het hogerberoepschrift op 27 oktober 2015 ter post is bezorgd.

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van het verhandelde ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is gevestigd op het perceel [adres] 2 te [plaats] (NB). Belanghebbende heeft op 28 september 2012 een aanvraag voor een “omgevingsvergunning milieu en bouw voor uitbreiding vleeskalverenhouderij” ingediend.

Bij deze aanvraag heeft belanghebbende als geschatte kosten voor de bouwwerkzaamheden een bedrag vermeld van € 350.000 (exclusief omzetbelasting).

2.2.

Ten tijde van het indienen van de aanvraag gold in de gemeente Alphen -Chaam de Legesverordening 2012 (hierna: de Verordening). Ingevolge onderdeel 5.3.1.1 van de bij de Verordening behorende Tarieventabel (hierna: de Tarieventabel), bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een omgevingsvergunning, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in 2.1, eerste lid , onder a, van de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), 2,20 % (van de bouwkosten), met een minimumbedrag van € 175.

2.3.

Ingevolge onderdeel 5.1.1.2 van de Tarieventabel wordt onder de term “bouwkosten” verstaan:

“de eenheidsprijzen voor de bouwkostenberekening, exclusief BTW, zoals vastgesteld volgens bijlage 1, zijnde bouwkosten ten behoeve van de berekening voor de bouwleges-toets. De vermelde eenheidsprijzen gelden per eenheid van oppervlak, inhoud, lengte of plaats”.

2.4.

In Bijlage 1 bij de Legesverordening, zijnde het “Overzicht bouwkosten ten behoeve van de bouwleges-toets m.i.v. 1-1-2012” (hierna: de Bijlage) is bij onderdeel 9.4, met de omschrijving “Stal voor vleeskalveren systeembouw (bv beton en staalwanden)”, het bedrag van € 316 per m² vermeld.

2.5.

In onderdeel 2.1.1.2 van de Tarieventabel Leges 2013 behorende bij de Legesverordening van de gemeente Alphen -Chaam voor het jaar 2013 (hierna: de Tarieventabel 2013) wordt het begrip “bouwkosten” als volgt gedefinieerd:

“de aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 ( UAV 2012 ), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt, een raming van de bouwkosten, exclusief omzetbelasting, bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd. Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in deze titel onder bouwkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aan vraag betrekking heeft.”

2.6.

Aan belanghebbende is blijkens de factuur voor de leges aanvraag omgevingsvergunning van 3 juni 2013 een bedrag aan leges in rekening gebracht van € 18.773, bestaande uit:

- € 18.238 voor het in behandeling nemen van de aanvraag, en

- € 535 voor de afwijking van het bestemmingsplan.

Voor de bepaling van het bedrag van € 18.238, voor het in behandeling nemen van de aanvraag, is ingevolge onderdeel 5.3.1.1 van de Tarieventabel uitgegaan van 2.20 % van de (totale) bouwkosten. De bouwkosten zijn ingevolge onderdeel 5.1.1.2. van de Tarieventabel, in samenhang met onderdeel 9.4 van de Bijlage, berekend aan de hand van de eenheidsprijs van € 316 voor in totaal 2.625 m², resulterend in een bedrag van € 829.500.

3 Geschil , alsmede standpunten en conclusies van partijen

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de legesfactuur tot een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot een gegrond hoger beroep, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Heffingsambtenaar en vermindering van de legesfactuur tot een behorend bij het bedrag aan bouwkosten van € 481.635.

De Heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende heeft zijn in 2.1 genoemde aanvraag gedaan in het jaar 2012. In dat jaar was (de onder 2.2 genoemde) Verordening van toepassing. Gesteld noch gebleken is dat de Verordening onjuist is toegepast of dat de onder 2.6 vermelde berekening onjuist is.

4.2.

Belanghebbende stelt dat toepassing van de Verordening tot een aanzienlijk te hoge legesheffing leidt, omdat de Verordening gebaseerd is op normbedragen voor de bouwkosten die veel hoger zijn dan de feitelijke bouwkosten. Belanghebbende is van mening dat de Heffingsambtenaar de legesheffing had moeten baseren op de bouwkosten zoals deze blijken uit de door hem overgelegde offerte en dat de Tarieventabel onverbindend dient te worden verklaard. Belanghebbende verwijst hierbij tevens naar de uitspraak van
Hof ’s-Hertogenbosch van 17 december 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BP8392; in deze uitspraak verklaarde het Hof de “Tarieventabel van de Legesverordening van de gemeente Baarle-Nassau” onverbindend, omdat de in deze tabel opgenomen normbedragen 50% hoger lagen dan de werkelijke bouwkosten.

4.3.

De uit de Verordening voorvloeiende bouwkosten bedragen in onderhavig geval € 829.500, terwijl uit de door belanghebbende overgelegde offerte van aannemersbedrijf [E] B.V. een begroot bedrag van (afgerond) € 478.235 (exclusief omzetbelasting) blijkt. Ter onderbouwing van de stelling dat deze offerte een reëel bedrag noemt, heeft belanghebbende nog een stuk overgelegd van [F] B.V.

De Heffingsambtenaar heeft een rapport van een extern adviesbureau, [G] , overgelegd, uitkomende op een bouwsom van € 1.521.698 (exclusief omzetbelasting).

4.4.

Nu belanghebbende stelt dat de Tarieventabel onverbindend dient te worden verklaard, is het aan hem om aannemelijk te maken dat de betreffende Verordening, dan wel de daaraan verbonden Tarieventabel, in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel of dat de Tarieventabel leidt tot een legesheffing die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid tot het heffen van leges niet op het oog kan hebben gehad (conform Hoge Raad 8 oktober 2004, nr. 37.631, ECLI:NL:HR:2004:AR3495, BNB 2005/22).

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat de werkelijke bouwkosten € 478.235 of € 481.635 bedragen en daarmee 50 à 60% lager liggen dan de op de normbedragen uit de Verordening gebaseerde bouwkosten van € 829.500. Het Hof baseert dit oordeel op het feit dat belanghebbende geen bindende aannemingsovereenkomst heeft overgelegd en op het feit dat uit het rapport van het extern adviesbureau dat door de Heffingsambtenaar is overgelegd, blijkt dat de door belanghebbende overgelegde offerte van [E] B.V. niet volledig is.

Gelet op dit oordeel acht het Hof geen gronden aanwezig om de betreffende Verordening, dan wel de Tarieftabel onverbindend te verklaren.

De verwijzing naar de in 4.2 genoemde uitspraak kan belanghebbende evenmin baten, nu (derhalve) niet is gebleken dat in casu de in de Tarieventabel genoemde normbedragen 50 % hoger liggen dan de werkelijke bouwkosten.

4.5.

Belanghebbende stelt dat reeds uit het feit dat de Legesverordening 2013 is aangepast ten opzichte van de Verordening blijkt dat de in de Verordening en de daaraan verbonden Tarieventabel de normbedragen aanzienlijk hoger liggen dan de werkelijke bouwkosten. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting gemotiveerd weersproken dat de in 2013 ingevoerde, gewijzigde, opzet is ingegeven doordat de in 2012 gehanteerde opzet zou leiden tot te hoge bouwkosten. De reden voor de wijziging is ingegeven door het feit dat het niet mogelijk was om alle typen bouwwerken op de Bijlage te omschrijven en omdat het lastig was om voor alle typen bouwwerken een juiste eenheidsprijs vast te stellen, aldus de Heffingsambtenaar.

Het Hof is van oordeel dat uit de raadstukken niet kan worden afgeleid dat de Legesverordening is gewijzigd omdat de in de Verordening genoemde normbedragen aanzienlijk hoger waren dan de werkelijke bouwkosten; ook deze stelling kan belanghebbende niet baten.

4.6.

Belanghebbende stelt dat er sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel en voert daartoe een tweetal gevallen aan waarin bij een aanvraag in 2012 de bouwkosten zijn vastgesteld op basis van de Legesverordening 2013.

Het door de Heffingsambtenaar gevoerde beleid houdt in dat, indien het verschil tussen de door een legesplichtige aangegeven aanneemsom en de op grond van de normbedragen berekende bouwkosten minder dan 10 % bedraagt, de legesnota voor een in 2012 ingediende bouwaanvraag berekend wordt naar de tarieven van de Legesverordening 2013. Eén van de twee door belanghebbende in het kader van zijn beroep op de schending van het gelijkheidsbeginsel aangevoerde gevallen betreft een situatie waarbij het verschil tussen de aanneemsom en de volgens de normbedragen berekende bouwkosten minder dan 10 % bedroeg; de legesnota is in dat geval derhalve in overeenstemming met het gevoerde beleid berekend naar de tarieven van de Legesverordening 2013.

Van het andere door belanghebbende aangevoerde geval heeft de Heffingsambtenaar geloofwaardig verklaard dat dit geval rechtstreeks viel onder de Legesverordening 2013.

De situatie van belanghebbende is niet te scharen onder de gevallen ten aanzien waarvan de Heffingsambtenaar beleid heeft gevoerd, te weten de gevallen waarbij de door een legesplichtige aangegeven aanneemsom minder dan 10 % afwijkt van de door de Heffingsambtenaar gehanteerde normbedragen. Gelet hierop is er naar het oordeel van het Hof geen sprake van enige schending van het gelijkheidsbeginsel, zodat ook belanghebbendes beroep hierop dient te worden verworpen.

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat de legesnota niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.

Gronden ten aanzien van de immateriële schadevergoeding

4.8.

Ter zitting heeft belanghebbende verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijving van de redelijke termijn in eerste aanleg.

4.9.

Voor de berechting van een zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de Rechtbank niet binnen twee jaar nadat de Heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt uitspraak doet. In onderhavig geval is deze termijn aangevangen op 2 juli 2013 en is uitspraak gedaan door de Rechtbank op 9 september 2015. Daarmee is bij de afdoening van de zaak in eerste aanleg de redelijke termijn overschreden. Van bijzondere omstandigheden die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen, is niet aan het Hof gebleken.

4.10.

In onderhavig geval is de redelijke termijn van twee jaar pas verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak voor de Rechtbank; in dat geval wordt geen verzoek om vergoeding van immateriële schade van belanghebbende verlangd. De Rechtbank had ambtshalve moeten beoordelen of de redelijke termijn was overschreden en ambtshalve een vergoeding van immateriële schade moeten toekennen (vergelijk Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, rechtsoverweging 3.13.2).

Doende wat de Rechtbank had dienen te doen, kent het Hof aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toe van (éénmaal) € 500. Het Hof verklaart, gelet op het voorgaande, het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Gronden ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Aangezien het hoger beroep gegrond is, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 497 te vergoeden.

Gronden ten aanzien van de proceskostenvergoeding

4.12.

Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De te vergoeden kosten van de hogerberoepsfase moeten, gelet op de gedingstukken en het Besluit proceskosten bestuursrecht, worden gesteld op 2 (punten) x € 495 x 1 (wegingsfactor) is € 990.

5 Beslissing.

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond wegens het niet toekennen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende door de Rechtbank;

  • -

    bevestigt voor het overige de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende een vergoeding wegens immateriële schade betaalt ten bedrage van € 500;

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht van

    € 497 vergoedt;

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990.

Aldus gedaan op: 20 januari 2017

door G.J. van Muijen, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en T.A. Gladpootjes, leden, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier, op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is ondertekend door de griffier, alsmede door P.A.M. Pijnenburg, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.