Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:178

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
20-003037-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:8009, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voormalig hoofd administratie Bonnefantenmuseum te Maastricht ter zake van verduistering in dienstbetrekking. Niet kan worden gezegd dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte degene is geweest die geldbedragen uit de kluis van het museum heeft weggenomen. Wel veroordeling ter zake van vervalsen bedrijfsadministratie. Gelijke straf als de rechtbank.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 326
Wetboek van Strafrecht 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003037-15

Uitspraak : 24 januari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 22 september 2015 in de strafzaak met parketnummer 03-866386-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te Maastricht op [geboortedag] 1949,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde en ter zake van de onder 1 primair ten laste gelegde verduistering gepleegd in dienstbetrekking, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis. Voorts is de vordering van de benadeelde partij volledig toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens de akte rechtsmiddel onbeperkt ingesteld en daardoor ook gericht tegen de vrijspraak door de rechter in eerste aanleg van het onder 2 ten laste gelegde feit. Aangezien een verdachte op grond van artikel 404 van Wetboek van Strafvordering geen hoger beroep kan instellen tegen een vrijspraak, moet hij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Voor wat betreft een bewezen verklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde en een strafoplegging heeft de verdediging zich, zo begrijpt het hof, gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij komt dan de rechter in eerste aanleg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks het tijdvak van 1 maart 2010 tot en met 31 december 2012 te Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een hoeveelheid geld (te weten ongeveer 65.786,15 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde(n) aan het Bonnefantenmuseum , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed hij, verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als hoofd administratie/medewerker Bonnefantenmuseum , in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling zou leiden, dat,

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 maart 2010 tot en met 31 december 2012 te Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, meermalen, althans eenmaal, (telkens) administratieve bescheiden (bedrijfsadministratie e.d.) – (telkens) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft hij, verdachte, (telkens) valselijk de boekhouding opgemaakt, althans onjuiste gegevens in de boekhouding genoteerd, zodat de tekortkomingen in de financiële middelen niet ontdekt zouden worden, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof stelt voorop dat direct bewijs ontbreekt waaruit blijkt dat de verdachte in de ten laste gelegde periode een of meer geldbedragen uit de kluis van het Bonnefantenmuseum heeft weggenomen.

Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt voorts dat naast de verdachte meerdere andere personen werkzaam in of betrokken bij het museum toegang konden hebben tot de kluis van het museum, die zich bevond op de afdeling administratie alwaar verdachte (als leidinggevende) werkzaam was.

De verdachte heeft verklaard dat hij in 2010, 2011 en 2012 kastekorten heeft geconstateerd en dat hij deze tekorten vervolgens telkens heeft ‘weggeboekt’ in de financiële administratie van het museum door deze te vervalsen. Verdachte heeft aangegeven dat hij dit deed, enerzijds omdat hij niemand van de medewerkers wou beschuldigen en anderzijds omdat hij vlak voor zijn pensioen stond en meende dat zijn opvolger een en ander wel zou oplossen. Toen hij het eenmaal in 2010 had gedaan, kon hij voor zijn gevoel niet meer terug en heeft hij het nogmaals gedaan toen bleek dat zijn pensioen langer op zich liet wachten.

De verklaring van de verdachte vindt voor wat betreft de gang van zaken met betrekking tot de toegang tot de kluis en de geconstateerde kastekorten steun in de verklaring van [getuige] , destijds collega van de verdachte bij het museum.

Onder deze omstandigheden is het hof, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte degene is geweest die geldbedragen uit de kluis van het museum heeft weggenomen, mede in aanmerking genomen dat geen nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar de financiële positie van de verdachte noch naar de mogelijke rol van andere personen bij het museum die toegang tot de kluis konden hebben. Evenmin is (door middel van getuigenverhoren) onderzoek gedaan naar de door verdachte gestelde ICT-problemen, als denkbare oorzaak van de kastekorten.

Mitsdien zal de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in het tijdvak van 1 maart 2010 tot en met 31 december 2012 te Maastricht meermalen administratieve bescheiden (bedrijfsadministratie e.d.) – telkens zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – heeft vervalst, immers heeft hij, verdachte, telkens onjuiste gegevens in de boekhouding genoteerd, zodat de tekortkomingen in de financiële middelen niet ontdekt zouden worden, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft als hoofd van de (financiële) administratie van het Bonnefantenmuseum meermalen de financiële administratie vervalst teneinde daarmee tekortkomingen in de financiële middelen (kas) van het museum te verhullen. Juist van iemand die verantwoordelijk is voor de financiële administratie mag volledige integriteit en onkreukbaarheid worden verwacht. Door de door hem geconstateerde kastekorten niet bij zijn werkgever te melden maar in plaats daarvan meerdere malen de financiële administratie te vervalsen, heeft de verdachte het vertrouwen dat zijn werkgever in hem stelde ernstig beschaamd. Dit geldt te meer nu het geen eenmalige fout betreft maar de verdachte drie opeenvolgende jaren op deze wijze te werk is gegaan. Ook heeft verdachte door geen melding te maken van de kastekorten zijn werkgever de mogelijkheid ontnomen gelijk te kunnen handelen en onderzoek in te stellen. Het hof neemt de verdachte dit alles zeer kwalijk.

Ten voordele van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat hij, blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 1 november 2016, niet eerder ter zake strafbare feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte inmiddels niet meer voor het museum werkzaam is, zodat er reeds om die reden een laag risico op recidive bestaat.

Een en ander in aanmerking genomen acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en een taakstraf voor de duur van 200 uren, zoals door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden. Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en daarnaast een taakstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

In de omstandigheid dat het hof anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal niet bewezen acht dat de verdachte geldbedragen uit de kluis van het museum heeft verduisterd ziet het hof geen aanleiding om tot een lagere strafoplegging te komen nu daarmee de ernst van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte onvoldoende tot uitdrukking zou worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij Bonnefantenmuseum

De benadeelde partij Bonnefantenmuseum heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 65.064,82, zijnde het totaalbedrag van de uit de kluis van het museum verdwenen geldbedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts heeft de benadeelde partij in eerste aanleg vergoeding van de kosten van rechtsbijstand gevorderd tot een bedrag van € 3.768,-.

Bij vonnis waarvan beroep is deze vordering volledig toegewezen. De vordering duurt derhalve van rechtswege voort in hoger beroep. In hoger beroep heeft de benadeelde partij voorts vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep gevorderd tot een bedrag van € 1.742,40.

Het hof stelt voorop dat de concrete omstandigheden van het geval bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen (in dit geval: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd) en de door de benadeelde partij geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959).

Zoals hiervoor is overwogen is in het onderhavige geval niet komen vast te staan dat de verdachte een of meer geldbedragen afkomstig uit de kluis van de benadeelde partij heeft verduisterd. Gelet hierop is het hof van oordeel dat nader onderzoek noodzakelijk is naar de vraag of en zo ja in hoeverre voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte – het meermalen vervalsen van de boekhouding teneinde daarmee tekortkomingen in de financiële middelen te verhullen – en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen, al dan niet deels, rechtstreeks schade heeft geleden. De enkele omstandigheid dat door het handelen van de verdachte een onderzoek door de benadeelde partij naar de verdwenen geldbedragen is bemoeilijkt acht het hof onvoldoende om het bestaan van rechtstreekse schade aan te nemen. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Mitsdien zal het hof de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Voor wat betreft de kosten zal het hof bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Verklaart de benadeelde partij Bonnefantenmuseum in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. P.J. Hödl en mr. J.J.M. Gielen-Winkster, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F. Gerritsen, griffier,

en op 24 januari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.