Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1764

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-04-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
16/03781
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5266, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een uit Duitsland afkomstige auto. In geschil is of de auto is aan te merken als een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM. Reeds het feit dat ten tijde van de aangifte en registratie in Nederland met de auto 2.267 kilometer is gereden, kan naar het oordeel van het Hof tot geen andere conclusie leiden dan dat de auto niet een nieuwe personenauto betreft. Of de auto gebruikssporen vertoonde en of belanghebbende de auto in de maanden voorafgaand aan de registratie bewust en opzettelijk kilometers heeft laten maken, is niet ter zake doende.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1425
V-N 2017/39.21.1
FutD 2017-1565
NTFR 2017/1792 met annotatie van mr. P.A.M. Breekpot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03781

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 2 augustus 2016, nummer BRE 14/1965, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 26 september 2013, onder aanslagnummer [aanslagnummer] , een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 4.806 aan belasting (hierna: de naheffingsaanslag). Voorts is bij beschikking belastingrente ten bedrage van € 106 in rekening gebracht. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft bij brief van 26 maart 2014 beroep ingesteld tegen de fictieve weigering van de Inspecteur om uitspraken op bezwaar te doen. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328. Hangende het beroep heeft de Inspecteur alsnog uitspraken op bezwaar gedaan, waarbij de naheffingsaanslag is verminderd tot € 3.806 aan belasting en de beschikking belastingrente is verminderd tot € 88. Voorts is een vergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend van € 243. De Rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet‑ontvankelijk verklaard, het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard, de Minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500 en gelast dat de Minister van Veiligheid en Justitie het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 328 aan haar vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 503.

De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

1.4.

De Inspecteur heeft op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vóór de zitting een nader stuk getiteld ‘Verweerschrift’ ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 22 februari 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , adviseur te [B] , als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld door de heren [C] (deskundige) en [D] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [E] , [F] en [G] .

1.6.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft een personenauto van het merk [automerk] , [type] , met identificatienummer [nummer] (hierna: de auto), gekocht van [H] in Duitsland. Daarbij is mondeling overeengekomen dat de verkoper de auto als demonstratie-auto mag gebruiken tot het moment dat de auto aan belanghebbende zal worden geleverd. De auto is op [datum 1] 2012 op naam van belanghebbende in het Duitse kentekenregister geregistreerd.

2.2.

De factuur betreffende de aankoop van de auto is gedagtekend [datum 2] 2012 en vermeldt een aankoopprijs van € 43.750. Daarbij is tevens vermeld dat de auto een ‘Gebraucht Fahrzeug’ betreft.

2.3.

Belanghebbende heeft ter zake van de registratie van de auto in Nederland op 24 april 2012 aangifte BPM gedaan. De auto had toen een kilometerstand van 2.267. Bij de controle door de RDW zijn geen gebruikssporen geconstateerd. De registratie heeft plaatsgevonden op [datum 3] 2012.

2.4.

De aangifte vermeldt een te betalen bedrag aan BPM van € 8.953. Belanghebbende is er hierbij van uitgegaan dat de auto een gebruikte auto als bedoeld in artikel 10 Wet BPM betreft. Belanghebbende heeft de bruto‑BPM en de verschuldigde BPM als volgt berekend:

Netto catalogusprijs zonder extra accessoires/opties € 46.825

Bijtelling accessoires/opties € 2.538

Netto catalogusprijs € 49.363

11,1% € 5.479

Brandstoftoeslag € 1.900

CO2-toeslag (158 g/km) € 6.480

Bruto BPM € 13.859

Historische nieuwprijs € 72.732

Inkoopwaarde volgens koerslijst € 46.963

Afschrijving € 25.769 = 35,4%

Bruto BPM € 13.859

Afschrijving 35,4% € 4.906

Te betalen BPM € 8.953.

2.5.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto nieuw en ongebruikt is en heeft een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 13.759. De Inspecteur is hierbij uitgegaan van een netto catalogusprijs van € 48.464 inclusief accessoires/opties:

11,1% x € 48.464 € 5.379

Brandstoftoeslag € 1.900

CO2-toeslag (158 g/km) € 6.480

Bruto BPM € 13.759.

2.6.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de bruto BPM vastgesteld op € 12.759 omdat ten onrechte geen rekening was gehouden met de Euro 6 korting van € 1.000 op de bruto BPM.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Is de auto aan te merken als een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Niet in geschil is, dat bij bevestigende beantwoording van de vraag, de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben partijen hieraan het volgende toegevoegd:

Belanghebbende (gemachtigde):

- Hetgeen aan het einde van mijn pleitnota is vermeld betreffende de Fahrzeugbrief is onjuist en dat trek ik in.

- Ik verzoek om vergoeding van proceskosten voor de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

- Indien het Hof beslist dat sprake is van een gebruikte auto, beroep ik mij primair op de waarde volgens de koerslijst en dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd. Subsidiair beroep ik mij op de forfaitaire afschrijvingstabel; de verschuldigde BPM bedraagt dan € 11.830.

Belanghebbende (deskundige):

- Belanghebbende is geen autohandelaar; zij verhuurt bungalows.

- De beste referentie is een demonstratie-auto.

- De Inspecteur noemt een korting van 7%. Dat is niet in alle gevallen gebruikelijk. Soms wordt er zelfs meer dan de nieuwprijs betaald, indien er sprake is van schaarste. Er kan ook korting zijn gegeven voor het gebruik als demonstratie-auto.

De Inspecteur:

- Belanghebbende heeft eigenlijk gewoon de nieuwprijs betaald in Duitsland, rekening houdend met een korting van € 3.500. Dat is heel gebruikelijk tussen handelaren.

- Ook al is belanghebbende geen autohandelaar, dan nog is een korting van 7% heel gebruikelijk als je niets inruilt.

- Misschien is de auto helemaal niet gebruikt als demonstratie-auto maar is de kilometerteller gemanipuleerd en op 2.267 kilometer gezet. Ik weet het niet.

- Indien het Hof beslist dat sprake is van een gebruikte auto, dient de tabel te worden toegepast en niet de koerslijst.

- Voor het geval het hoger beroep gegrond wordt verklaard, ben ik akkoord met de gevraagde vergoeding voor de deskundige.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken van de Inspecteur en van de naheffingsaanslag en van de beschikking belastingrente.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

De Inspecteur heeft verzuimd binnen de door het Hof gestelde termijn een verweerschrift in te dienen. Evenmin is een verweerschrift ingediend nadat het Hof de Inspecteur heeft gewezen op dit verzuim. Pas na ontvangst van de uitnodiging voor de zitting heeft de Inspecteur een nader stuk ingediend, aangeduid als ‘verweerschrift’. Het Hof heeft geconstateerd dat dit verzuim niet berust op een incidentele fout, maar dat dit structureel plaatsvindt in zaken betreffende de heffing van BPM. Het Hof heeft in haar uitspraken in de zaken 16/00057, 16/03494, 16/03497 en 16/03498, dienaangaande het volgende overwogen:

“Het handelen van de Inspecteur is in strijd met het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb. Uiteindelijk heeft de Inspecteur weliswaar met toepassing van artikel 8:58 van de Awb een stuk ingediend met een inhoudelijk verweer tegen het gestelde in het hogerberoepschrift, maar door deze handelwijze ontneemt de Inspecteur de wederpartij de mogelijkheid van het indienen van een conclusie van repliek en noodzaakt de wederpartij tot het op het allerlaatste moment nog indienen van nadere stukken als reactie op het “verweerschrift”. Voornoemd gedrag van de Inspecteur en de vervolgeffecten daarvan verstoren voorts de voorbereiding van het Hof. Het aldus handelen door de Inspecteur belemmert een efficiënte procesgang. Met een dergelijk gedrag miskent de Inspecteur zijn positie als professionele procespartij, in het bijzonder nu hij optreedt namens de overheid.

Het Hof volstaat op dit moment met een laatste waarschuwing aan de Inspecteur. In toekomstige zaken waarin dit gebeurt zal het Hof aan het handelen van de Inspecteur consequenties verbinden, bijvoorbeeld door middel van het toekennen van een proceskostenvergoeding, ongeacht de uitkomst van het geschil.”

4.2.

Deze uitspraken zijn gedaan op 17 maart 2017. Dat is na de in de onderhavige zaak gestelde termijn voor het indienen van een verweerschrift zodat de Inspecteur daar nog geen rekening mee heeft kunnen houden. Het Hof zal daarom in deze zaak nog geen consequenties aan het handelen van de Inspecteur verbinden.

Ten aanzien van het geschil

Nieuw/gebruikt

4.3.

Uit de op 27 januari 2017 gewezen arresten van de Hoge Raad, nrs. 16/02949 en 16/03401, ECLI:NL:HR:2017:78 en 79, volgt dat de omstandigheid dat de auto voorafgaand aan de overbrenging naar Nederland in Duitsland op kenteken is gezet, niet bepalend is voor de vraag of sprake is van een gebruikte auto in de zin van de Wet BPM. Voorts kan niet met vrucht een beroep worden gedaan op het in de Leidraad BPM 2006 neergelegde beleid. Onder een nieuwe personenauto moet volgens de Hoge Raad worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest.

4.4.

Vaststaat dat de auto ten tijde van de aangifte een kilometerstand had van 2.267. Voor het eerst ter zitting voor het Hof heeft de Inspecteur vraagtekens gezet bij deze kilometerstand. Voor zover de Inspecteur hiermee heeft bedoeld te stellen dat met de auto niet daadwerkelijk 2.267 kilometer is gereden, verwerpt het Hof deze stelling, nu de Inspecteur deze blote stelling op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof neemt derhalve aan dat met de auto ten tijde van de aangifte (en dus ook ten tijde van de registratie) ook daadwerkelijk 2.267 kilometer is gereden.

4.5.

Partijen twisten over de vraag of de auto ten tijde van de aangifte en registratie gebruikssporen vertoonde. De Inspecteur stelt dat de ambtenaar van de RDW geen schade of gebruikssporen heeft geconstateerd. Belanghebbende stelt dat de linkerzijde van de auto gebruikssporen vertoonde en dat de ambtenaren van de RDW deze niet wilden bekijken.

4.6.

De vraag of de auto gebruikssporen vertoonde ten tijde van de aangifte, kan naar het oordeel van het Hof in het midden blijven. Reeds het feit dat ten tijde van de aangifte en registratie in Nederland met de auto 2.267 kilometer is gereden, kan naar het oordeel van het Hof tot geen andere conclusie leiden dan dat de auto niet een nieuwe personenauto betreft. De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende, als degene die vanaf [datum 1] 2012 de feitelijke beschikkingsmacht over de auto had, deze bewust en opzettelijk kilometers heeft laten maken – al dan niet door derden – opdat zij hem korte tijd later als een gebruikte auto voor de BPM kon aangeven. Het Hof verwerpt deze stelling, nu deze omstandigheid – wat er ook van zij van de juistheid van de stelling – niet ter zake doende is. Van belang is slechts of ten tijde van de registratie in Nederland sprake is van een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest, en daarvan is, zoals het Hof hiervoor heeft overwogen, geen sprake.

4.7.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de auto ten tijde van de registratie in Nederland als een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM, dient te worden aangemerkt. Voor dat geval beroept belanghebbende zich op de tot de stukken behorende koerslijst XRAY, waaruit een inkoopwaarde van de auto van € 46.963 volgt. Deze koerslijst heeft belanghebbende ook reeds gebruikt bij de aangifte. Het Hof ziet geen reden waarom deze koerslijst niet gehanteerd zou kunnen worden; het Hof volgt de Inspecteur dan ook niet in zijn stelling dat de afschrijving moet worden berekend volgens de forfaitaire afschrijvingstabel. Voor dat geval is niet in geschil dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht van € 328, respectievelijk € 503, dat is in totaal € 831, te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.11.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 990, voor de behandeling bij de Rechtbank, en op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 990, te vermeerderen met de, niet in geschil zijnde, kosten van de ter zitting verschenen deskundige, van € 81,40, is € 1.071,40, voor de behandeling bij het Hof. De totale proceskostenvergoeding bedraagt derhalve € 990 + € 1.071,40, is € 2.061,40.

4.12.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing betreffende het niet tijdig beslissen door de Inspecteur en de beslissing betreffende de vergoeding van immateriële schade;

- verklaart het beroep tegen de uitspraken van de Inspecteur gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van de kosten van bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht van in totaal € 831 vergoedt, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 2.061,40.

Aldus gedaan op 20 april 2017 door J. Swinkels, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.