Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1750

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-04-2017
Datum publicatie
19-04-2017
Zaaknummer
200.207.756_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:6961
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Relatiebeding. Uitleg. Belangenafweging. Schorsing. Dwangsommen. Geheimhouding. Vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2034
AR-Updates.nl 2017-0490
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.207.756/01

arrest van 18 april 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. P. Trip te Apeldoorn,

tegen

Orangeworks Engineering B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Orangeworks,

advocaat: mr. D.M. Schipper te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 januari 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 16 december 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en Orangeworks als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 55207/CV EXPL 16-10027)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    het mondeling pleidooi gehouden op 24 maart 2017, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij brieven d.d. 10, 15 en 22 maart 2017 door Orangeworks toegezonden producties, die zij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht;

  • -

    de bij brief d.d. 17 maart 2017 door [appellant] toegezonden producties, die hij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg, met uitzondering van de bij brief d.d. 22 maart 2017 door Orangeworks toegezonden producties. Het hof is van oordeel dat gelet op het tijdstip van toezending en de aard en omvang van de producties, deze geen deel behoren uit te maken van de gedingstukken. Het hof overweegt hiertoe als volgt. [appellant] heeft bij de dagvaarding in hoger beroep verzocht om een spoedbehandeling van dit kort geding. Het hof heeft dit verzoek toegewezen. Gezien artikel 9.1.10 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (zevende versie, januari 2017) dient een partij die bij pleidooi in een spoedappel in kort geding nog producties in het geding wenst te brengen, ervoor te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk vier dagen voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen. Het hof stelt vast dat de onderhavige producties niet tijdig zijn toegezonden. De producties zijn eerst op 24 maart 2017 bij het hof ingekomen en de behandelende combinatie heeft deze kort voor de zitting ontvangen. [appellant] heeft tegen het indienen van de producties bezwaar gemaakt op de grond dat niet valt in te zien dat deze niet tijdig konden worden ingediend. De advocaat van Orangeworks heeft toegelicht dat dit per abuis niet is gebeurd.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de door de kantonrechter in rov. 2.1 tot en met 2.7 vastgestelde feiten. Het hof zal deze hierna vernummerd tot rov. 3.1.1 tot en met 3.1.7 weergeven. De grieven van partijen zijn niet gericht tegen deze feitenvaststelling. Wel heeft [appellant] gesteld dat die onvolledig is. Bij de verdere beoordeling zal het hof zo nodig, voorshands oordelend, aanvullende feiten vaststellen.

3.1.1.

Orangeworks is gespecialiseerd in het ontwerpen, fabriceren en installeren van systemen voor de voedingsindustrie en het zgn. wet petfood. Dit zijn onder andere koeltunnels, stoomtunnels en een grote diversiteit aan andere proces installaties en machines.

3.1.2.

[appellant] is bij Orangeworks per 1 maart 2015 in dienst getreden in de functie van sales manager, daarbij is hij lid van het management team, tegen een salaris van € 6.817,25 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. Hij is geboren op 28 december 1961. Aanvankelijk is hij aangenomen voor bepaalde tijd, maar met ingang van 1 maart 2016 is zijn arbeidsovereenkomst omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

3.1.3.

In artikel 10 van zijn arbeidsovereenkomst is het volgende beding opgenomen:

“Werknemer zal geïntroduceerd worden bij alle (strategische) relaties van werkgever waar, voor het merendeel, reeds een jarenlange relatie bestaat. Om deze redenen vindt werkgever het essentieel om een concurrentiebeding af te spreken t.a.v. van alle bestaande en ook nieuwe relaties in de markt:

Het is de werknemer niet toegestaan om, behoudens uitdrukkelijke toestemming van werkgever, direct of indirect gedurende een periode van twee jaren na afloop van de arbeidsovereenkomst op enigerlei wijze zaken te doen met, diensten te verrichten voor of te laten verrichten, activiteiten te ontplooien, direct of indirect zakelijke contacten aan te gaan of te onderhouden met klanten, relaties en potentiële klanten en relaties van de werkgever, dan wel deze te (laten) benaderen of te (laten) bedienen.

Relaties van de werkgever zijn alle natuurlijke en rechtspersonen waarmee de werkgever voorafgaande aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst direct of indirect zakelijke contacten heeft onderhouden, daaronder begrepen (rechts)personen waarmee de werkgever in onderhandeling is (geweest) om diensten en/of producten aan te leveren.”

3.1.4.

De CAO metaal en techniek voor het metaalverwerkingsbedrijf is van toepassing verklaard op de arbeidsovereenkomst.

3.1.5.

In de CAO is in artikel 23 een algemeen artikel met betrekking tot geheimhouding opgenomen. Dit luidt als volgt:

“het is de werknemer verboden aan derden bijzonderheden betreffende het bedrijf van werkgever mede te delen waarvan hij weet, of redelijkerwijze kan vermoeden dat hij deze geheim behoort te houden”.

3.1.6.

De functieomschrijving van [appellant] luidt als volgt:

“Ontwikkelen en realiseren van plannen en strategieën t.a.v. de eigen afdeling

- samen met de overige leden van het Managementteam de strategie op lange en middellange termijn van de organisatie ontwikkelen; deze strategie vertalen naar plannen en acties voor de eigen afdeling

- signaleren van (trend)ontwikkelingen m.b.t. de organisatie en de eigen afdeling; plannen hierover bijstellen en rapporteren aan de directie

- initiëren en (laten) implementeren van verbeteringen /-innovaties m.b.t. de eigen afdeling;

Sturen, bewaken en optimaliseren van de systemen en (werk)processen van de afdeling

- strategische beslissingen van de organisatie vertalen naar kaders/richtlijnen voor processen, procedures en werkwijzen m.b.t. de eigen afdeling

- het optimaliseren van de systemen en (werk)processen m.b.t. de eigen afdeling delegeren aan leidinggevende of medewerkers (en er op toezien)

- eindverantwoordelijk voor een optimale output en kwaliteit van de eigen afdeling

Leidinggeven

(…)”

3.1.7.

[appellant] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd op 30 oktober 2016, waarbij de arbeidsovereenkomst eindigt per 30 november 2016.

3.2.1.

In eerste aanleg vorderde Orangeworks, in conventie, [appellant] uitvoerbaar bij voorraad bij wege van voorlopige voorzieningen te veroordelen tot:

1. Naleving van het tussen [appellant] en Orangeworks overeengekomen concurrentiebeding tot en met 1 december 2018, door [appellant] te verbieden om, behoudens uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van Orangeworks, direct of indirect op enigerlei wijze zaken te doen met, diensten te verrichten of te laten verrichten, activiteiten te ontplooien, direct of indirect zakelijke contacten aan te gaan of te onderhouden met klanten, relaties en potentiële klanten en relaties van Orangeworks, dan wel deze te (laten) benaderen of te (laten) bedienen.

Een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag of een dagdeel tot een maximum van € 1.825.000 dat [appellant] – na betekening van dit vonnis – nalaat om aan dit vonnis te voldoen, dan wel een oordeel te geven zoals de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;

Alsmede

2. [appellant] te verbieden aan derden bijzonderheden betreffende het bedrijf van Orangeworks mede te delen waarvan hij weet, of redelijkerwijs kan vermoeden dat hij deze geheim behoort te houden.

Een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel tot een door de kantonrechter te bepalen maximum dat [appellant] – na betekening van dit vonnis – nalaat om aan dit vonnis te voldoen, dan wel een oordeel te geven zoals de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;

3. Met veroordeling van [appellant] in de kosten van dit geding.

3.2.2.

In voorwaardelijke reconventie vorderde [appellant] , indien en voor zover de kantonrechter als Voorzieningenrechter mocht oordelen dat het in dienst treden van de heer [appellant] bij FT NON in strijd zou zijn met het “concurrentiebeding” tussen hem en zijn werkgever Orangeworks:

Primair:

het concurrentiebeding geheel, althans gedeeltelijk te vernietigen, althans te schorsen, in die zin dat het [appellant] wordt toegestaan om met ingang van 1 december 2016 voor FT NON werkzaamheden te gaan verrichten;

Subsidiair:

het concurrentiebeding te matigen in duur, in die zin dat de geldigheidsduur beperkt wordt tot drie maanden na uitdiensttreding, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn;

Meer subsidiair:

vordert [appellant] onder dezelfde voorwaarden en voor zover zijn primaire en subsidiaire eis tot (gedeeltelijke) vernietiging, schorsing of matiging van het concurrentiebeding mocht worden afgewezen, op grond van artikel 7:653 lid 5 BW een vergoeding gelijk aan zijn salaris bij Orangeworks inclusief vakantietoeslag voor de gehele periode ingaande per 1 december 2016 dat het beding hem mocht beletten om voor FT NON werkzaamheden te gaan verrichten.

Primair en (meer) subsidiair:

met veroordeling van Orangeworks in de kosten van het geding.

3.2.3.

Op hetgeen Orangeworks en [appellant] aan hun onderscheidenlijke vorderingen ten grondslag hebben gelegd alsmede op de door hen gevoerde verweren, zal het hof, voor zover in hoger beroep van belang, hierna ingaan.

3.3.1.

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter in conventie [appellant] veroordeeld tot naleving van het tussen hem en Orangeworks overeengekomen beding als bedoeld in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst tot en met 1 december 2017, door [appellant] te verbieden om, behoudens uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van Orangeworks, direct of indirect op enigerlei wijze zaken te doen met, diensten te verrichten of te laten verrichten, activiteiten te ontplooien, direct of indirect zakelijke contacten aan te gaan of te onderhouden met klanten, relaties en potentiële klanten en relaties van Orangeworks waaronder FT NON valt, dan wel deze te (laten) benaderen of te (laten) bedienen.

Een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of een dagdeel tot een maximum van € 200.000,- dat [appellant] – na betekening van het vonnis waarvan beroep – nalaat om aan dit vonnis te voldoen. Daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat deze dwangsom vatbaar is voor matiging voor zover handhaving van de vermelde dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding.

Voorts heeft de kantonrechter [appellant] verboden tot en met 1 december 2017 aan derden bijzonderheden betreffende het bedrijf van Orangeworks mede te delen waarvan hij weet, of redelijkerwijs kan vermoeden dat hij deze geheim behoort te houden. Het gaat dan onder meer om beleid en strategie, calculaties, marktkansen, expansiedoeleinden en sales prognoses.

Een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel tot maximum van € 100.000,- dat [appellant] – na betekening van het vonnis waarvan beroep – nalaat om aan dit vonnis te voldoen. Ook daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat deze dwangsom vatbaar is voor matiging voor zover handhaving van de vermelde dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

[appellant] is veroordeeld in de kosten van het geding.

Het vonnis is, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.3.2.

In reconventie heeft de kantonrechter het beding gematigd in duur, in die zin dat de geldigheidsduur beperkt wordt tot een jaar na uitdiensttreding. Voorts heeft de kantonrechter Orangeworks veroordeeld aan [appellant] op grond van artikel 7:653 lid 5 BW een vergoeding te betalen ter hoogte van 3 maandsalarissen inclusief vakantiegeld. Het vonnis is, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten werden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

3.4.1.

[appellant] heeft in (principaal) hoger beroep twaalf grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en voorts zoals is vermeld op pagina’s 30 en 31 van de dagvaarding in hoger beroep.

3.4.2.

Orangeworks heeft in incidenteel hoger beroep twee grieven aangevoerd. Voor haar eis in hoger beroep verwijst het hof naar pagina’s 28 en 29 van de memorie van Orangeworks.

3.5.

De grieven 1 en 2 in principaal hoger beroep betreffen de uitleg van het in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst opgenomen beding. Partijen zijn het eens dat het hierbij gaat om een relatiebeding (Orangeworks noemde dit aanvankelijk een concurrentiebeding, daarbij de tekst van artikel 10 volgend), maar leggen dit beding verschillend uit. Het geschil van partijen spitst zich daarbij toe op de vraag of [appellant] in dienst mag treden bij FT NON. [appellant] beantwoordt deze vraag bevestigend, Orangeworks ontkennend.

3.6.

Het hof stelt voorop dat de betekenis van een omstreden beding in een schriftelijke overeenkomst door de rechter moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen. Hierbij dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval en kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (de Haviltex-maatstaf). De Haviltex-maatstaf brengt mee dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin deze bepalingen zijn gesteld, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang.

3.7.

Naar het voorlopig oordeel van het hof dient FT NON als een relatie van Orangeworks te worden beschouwd als bedoeld in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst (zie hiervoor rov. 3.1.4, derde alinea (“Relaties […] te leveren.”). Doorslaggevend is daarvoor het feit dat er in de laatste maanden van het dienstverband van [appellant] met Orangeworks contacten tussen Orangeworks en FT NON zijn geweest om te onderzoeken of een strategische samenwerking tussen Orangeworks en FT NON tot stand kon worden gebracht. Dit in het kader van een door Orangeworks met een derde partij, Solutherm, ingediende aanvraag voor een patent. Daarbij gaat het om de ontwikkeling van een nieuw soort stoomtunnel voor de productie van wet petfood. Hiervoor was inmiddels een Confidential Disclosure Agreement getekend (productie 7, inleidende dagvaarding). Niet relevant acht het hof in dit verband dat [appellant] , naar hij stelt, FT NON in contact heeft gebracht met Orangeworks. Dit maakte immers onderdeel uit van zijn werkzaamheden als sales manager bij Orangeworks. Van minder betekenis is daarom ook de stelling van Orangeworks er ook in 2006 en 2007 al zakelijke contacten tussen Orangeworks en FT NON waren.

3.8.

Voor zover [appellant] betoogt dat het beding onduidelijk is en dit (met toepassing van de contra-proferentemregel) ten gunste van hem moet worden uitgelegd, volgt het hof hem daarin niet. Uit de verklaringen tijdens het pleidooi van zowel [appellant] als [managing director van Orangeworks] , managing director van Orangeworks, blijkt dat voordat [appellant] in dienst trad bij Orangeworks zij de arbeidsovereenkomst hebben besproken, inclusief artikel 10. Volgens [appellant] heeft hij bezwaar gemaakt tegen het beding en heeft [managing director van Orangeworks] daarop gezegd dat dit een breekpunt was met als reden dat Orangeworks haar belangen wilde beschermen. Ook [managing director van Orangeworks] heeft aangegeven dat er wat artikel 10 betreft geen onderhandelingsruimte was. Gelet daarop had [appellant] kunnen weten dat Orangeworks zwaar tilde aan het in artikel 10 opgenomen beding. Hij had hem dan ook duidelijk moeten zijn dat Orangeworks niet licht zou denken over indiensttreding van hem bij FT NON, mede gelet op de aard en inhoud van de contacten tussen Orangeworks en FT NON in de laatste maanden van het dienstverband van [appellant] zoals hiervoor in rov. 3.7 beschreven.

3.9.

Aan voormeld oordeel van het hof draagt voorts bij de motivering voor het beding gegeven in de eerste alinea van artikel 10 (“Werknemer […] de markt:”). Tijdens het pleidooi heeft [aandeelhouder van Orangeworks] , aandeelhouder van Orangeworks, uiteengezet dat Orangeworks niet een bedrijf is met veel klanten, maar wel met lange relaties. Orangeworks investeert veel geld, tijd en moeite in het onderhouden van bestaande relaties en het vormen van nieuwe, en daarom lijdt Orangeworks schade als zij relaties kwijtraakt, aldus [aandeelhouder van Orangeworks] . [appellant] , die ook lid van het management team was, wist dat de strekking van het beding was dit te voorkomen of had dit in elk geval moeten beseffen. Ook gezien de eerste alinea van artikel 10 had hij zich moeten realiseren dat het beding ook (of juist) een geval als het onderhavige besloeg. Waar [appellant] stelt dat Orangeworks met het beding (enkel) tot doel had te voorkomen dat omzet bij Orangeworks zou wegvloeien, geeft zij dan ook op basis van de thans ter beschikking staande gegevens een te beperkte uitleg aan het beding. Voor nadere feitenonderzoek en eventueel bewijslevering is in dit kort geding geen ruimte, zodat het hof aan deze stelling verder voorbij gaat.

3.10.

[appellant] heeft zich nog beroepen op eerdere ervaringen van hem bij vorige werkgevers. Hij stelt dat hij heeft ervaren dat in de branche waarin hij werkzaam is partijen geen hinder ondervinden van een overstap van een werknemer naar een andere werkgever in dezelfde branche. Volgens hem kunnen partijen elkaar versterken en is het zo dat een overstap juist een verdergaande samenwerking en synergie mogelijk maakt en zelfs gezamenlijke projecten kunnen worden aangegaan. Het hof overweegt dat ook indien in de maatschappelijk kring(en) waartoe partijen behoren het in het algemeen zo is zoals [appellant] stelt, dit in het onderhavige geval anders lijkt te zijn. Hierbij is van belang het door Orangeworks als productie 9 in hoger beroep overgelegde proces-verbaal van bevindingen van deurwaarder [de deurwaarder] . Dit betreft een door deze beluisterde geluidsopname, te weten een telefoongesprek tussen [appellant] en [medewerker van Solutherm] van Solutherm. Uit het in het proces-verbaal weergegeven gesprek komt naar voren dat ook [appellant] vindt dat hoe het in het onderhavige geval is gegaan niet ‘de schoonheidsprijs’ verdient; hij maakt hiervoor ook excuses aan [medewerker van Solutherm] .

3.11.

Geconcludeerd kan worden dat het juist [appellant] is die had moeten begrijpen dat FT NON een relatie van Orangeworks in de zin van de betreffende bepaling was. [appellant] kende als geen ander het belang van Orangeworks bij de samenwerking met FT NON. [appellant] wist hoeveel tijd en geld er besteed was om te komen tot een innovatieve stoomtunnel; hij maakte immers niet alleen deel uit van het managementteam van Orangeworks maar hij was ook lid van het projectteam dat al sedert begin 2016 werkte aan de ontwikkeling van deze stoomtunnel. Hij wist dat de stoomtunnel qua techniek concurrerend zou zijn (op het gebied van de petfood) met de bestaande stoomtunnels die FT NON tot op dat moment produceerde. Als de samenwerking tot stand zou komen, zou FT NON haar bestaande techniek kunnen vervangen door deze nieuwe techniek met als gevolg dat Orangeworks indirect de klanten van FT NON zou kunnen bedienen. (zie punt 12, dagvaarding eerste aanleg). Duidelijk was dus dat FT NON op het moment van de uitdiensttreding van [appellant] een belangrijke strategische relatie van Orangeworks was en, bij overeenstemming over de samenwerking, langdurig zou blijven.

Het feit dat [appellant] , zoals hij zelf aangeeft, een hem intern per e-mail op 28 oktober 2016 toegezonden presentatie aangaande de samenwerking, niet heeft geopend omdat hij toen al wist dat hij naar FT NON zou gaan, geeft aan dat hij zich realiseerde welke belangen er voor Orangeworks op het spel stonden.

3.12.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, staat het artikel 10 van de arbeidsovereenkomst opgenomen beding er – tot en met 1 december 2018 – aan in de weg dat [appellant] in dienst treedt van FT NON. Voor zover [appellant] bij de grieven 1 en 2 in principaal hoger beroep anders beweert, falen deze grieven derhalve.

3.13.

De afweging van het belang van Orangeworks om [appellant] te houden aan het beding tegen het belang van [appellant] om dit teniet te doen, waarop de grieven 3 tot en met 6 in principaal hoger beroep betrekking hebben, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

3.14.

Enerzijds heeft Orangeworks voldoende aannemelijk gemaakt dat zij gelet op haar zakelijke belangen er een gerechtvaardigd belang bij heeft om [appellant] te houden aan het beding. Daarbij gaat specifiek om haar belang in verband met de ontwikkeling van de stoomtunnel, het daarvoor aangevraagde octrooi en de wijze waarop het product in de toekomst in de markt kan worden gezet. Het octrooi is aangevraagd op 14 juli 2016 en hierop is nog niet beslist. Voor Orangeworks is het van belang dat de kennis over dit octrooi daadwerkelijk niet bij FT NON terecht komt, omdat FT NON deze kennis en techniek, desnoods met een geringe wijziging, kan toepassen op reeds bestaande ontwerpen, dan wel dat FT NON op een andere wijze kan voorkomen dat zij door de introductie van de nieuwe stoomtunnel haar klanten verliest. Door het in dienst nemen van [appellant] , die daarvoor de technische kennis heeft, zou dit voor FT NON worden vergemakkelijkt. Bij FT NON, marktleider op het gebied van de productie van stoomtunnels, is al een behoorlijke basiskennis aanwezig. Aldus – steeds – Orangeworks.

Meer in het algemeen heeft Orangeworks met recht aangevoerd dat het belang van Orangeworks wordt gevormd door andere zaken als interne, vertrouwelijke informatie van Orangeworks in de meest brede zin van het woord waarover [appellant] beschikt, zoals met betrekking tot beleidszaken en strategie, calculaties, marktkansen, expansiedoelstellingen en sales prognoses van Orangeworks.

Kortom, het belang van Orangeworks is gelegen in haar bedrijfsdebiet.

3.15.

[appellant] heeft het belang van Orangeworks niet althans onvoldoende weersproken. Weliswaar heeft [appellant] naar voren gebracht dat het octrooi wordt beschermd door de octrooiaanvraag zelf en het in artikel 23 van de CAO opgenomen geheimhoudingsbeding. Het hof deelt echter het standpunt van Orangeworks dat daarmee het belang van Orangeworks niet ondervangen is. Niet alleen is het belang van Orangeworks breder dan de octrooiaanvraag zoals hiervoor in rov. 3.14 is overwogen, ook speelt mee dat het [appellant] het vertrouwen van Orangeworks heeft geschaad. Dit doordat hij, terwijl er contacten waren tussen Orangeworks en FT NON voor een strategische samenwerking, hij een overstap naar FT NON in beraad hield zonder daarover mededeling te doen aan Orangeworks. Dit blijkt uit het telefoongesprek tussen [appellant] en [medewerker van Solutherm] , waar [appellant] [medewerker van Solutherm] desgevraagd antwoordt dat hij al ‘een aantal maanden’ met FT NON in gesprek was en voorts zegt dat hij de beslissing ‘een hele tijd’ voor zich uit heeft geschoven alvorens ‘afgelopen vrijdag’ (bedoeld is: 28 oktober 2016) zijn handtekening onder zijn arbeidscontract met FT NON te zetten. De vrees van Orangeworks voor benadeling door [appellant] is daarom voldoende gegrond.

3.16.

Anderzijds heeft [appellant] gesteld dat zijn belang bestaat uit de mogelijkheid van positieverbetering door indiensttreding bij FT NON (alleen al het basissalaris ligt € 1.500,- bruto per maand hoger en dan is de variabele beloning nog niet mee genomen). Zijn kansen op de arbeidsmarkt zijn volgens hem overigens echter niet gunstig. Daarbij speelt mee dat hij inmiddels vijfenvijftig jaar oud is en een gebroken cv heeft (door de onderhavige kwestie). Hij ondervindt ook nadeel van het relatiebeding bij het vinden van een passende werkkring.

3.17.

Het hof acht de door [appellant] gestelde belangen om het beding (gedeeltelijk) teniet te doen op zichzelf gerechtvaardigd, met dien verstande dat aan zijn belang om zijn positie te verbeteren bij FT NON het volgende afbreuk doet. Zoals Orangeworks heeft benadrukt, is [appellant] gedurende een aantal maanden niet transparant geweest over zijn mogelijke indiensttreding bij FT NON (zie ook de weergave van het gesprek tussen [appellant] en [medewerker van Solutherm] hiervoor in rov. 3.15). [appellant] heeft hiervoor als reden gegeven dat een werknemer dat over het algemeen niet is als hij bezig is met het veranderen van een baan. Het hof overweegt dat dit in het algemeen zo moge zijn, maar dat het in het onderhavige geval wel op zijn weg had gelegen mededeling te doen aan Orangeworks dat hij een aanbod had gekregen om in dienst te treden van FT NON. Daarbij is van betekenis de contacten tussen Orangeworks en FT NON voor een strategische samenwerking bezien tegen de achtergrond van de status van het octrooi.

Orangeworks heeft betwist dat [appellant] geen of weinig kans op een andere baan heeft. [appellant] heeft ter gelegenheid van het pleidooi verklaard dat hij reeds vierenhalve maand werkloos thuis zit en ondanks zijn inspanningen er niet in is geslaagd om een normaal inkomen te genereren. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen.

3.18.

Al met al is het hof voorshands van oordeel dat, anders dan [appellant] bij de grieven 3 tot en met 6 in principaal hoger beroep meent, de belangenafweging niet in zijn voordeel uitvalt. Deze grieven falen dan ook wat dat betreft.

3.19.

Het hof zal thans de grieven 9 en 10 in principaal hoger beroep en grief 1 in incidenteel hoger beroep behandelen. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat de kantonrechter de duur van het beding ten onrechte (slechts) tot een jaar, dus tot en met 1 december 2017, heeft gematigd. Volgens hem moet het beding volledig worden geschorst, althans ligt een beperking tot de duur van drie maanden meer in de rede. Orangeworks is daarentegen van mening dat de volledige duur van het beding moet worden gehandhaafd (twee jaren na afloop van de arbeidsovereenkomst), althans dat de duur van het beding in ieder geval gelijk gesteld moet worden met de duur van de arbeidsovereenkomst (een jaar en negen maanden).

3.20.

Op basis van het procesdossier en het verhandelde tijdens het pleidooi heeft het hof de overtuiging bekomen dat Orangeworks er een zwaarwegend belang bij heeft dat [appellant] niet in dienst treedt bij FT NON of anderszins direct of indirect op enigerlei wijze een relatie aangaat met FT NON die onder het in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst opgenomen beding valt. Daarbij is van betekenis dat de ontwikkeling van de stoomtunnel waarvoor het octrooi is aangevraagd tijdrovend is. Te meer nu de samenwerking tussen Orangeworks en FT NON naar het zich laat aanzien – wellicht reeds als gevolg van de handelwijze van [appellant] – niet doorgaat, is de duur van een jaar te kort. Hetgeen [appellant] in dit verband naar voren heeft gebracht, doet daaraan niet af. Het hof ziet daarom geen goede grond om het beding in relatie tot FT NON te schorsen. Gegeven de belangen over en weer (zie ook hiervoor rov. 3.13 tot en met 3.18) wordt [appellant] er in dit bijzondere geval niet onbillijk door benadeeld dat dit de overeengekomen duur van twee jaar blijft. In zoverre falen de grieven 9 en 10 in principaal hoger beroep en slaagt grief 1 in incidenteel hoger beroep.

3.21.

Dit ligt anders voor andere klanten, relaties en potentiële klanten en relaties dan FT NON. Mede gezien de als productie 18 in hoger beroep door [appellant] overgelegde e-mail van 17 maart 2017 van Z-Vizier, een recruiter, heeft [appellant] voldoende onderbouwd dat het relatiebeding hem sterk belemmerd bij het vinden van een nieuwe dienstbetrekking. Daartegenover acht het hof het algemeen gestelde belang van Orangeworks (zie hiervoor rov. 3.14) onvoldoende om [appellant] nog langer te houden aan het beding anders dan voor wat betreft FT NON. Voor het overige heeft Orangeworks in dit verband onvoldoende aangevoerd. Het hof zal de duur van het beding daarom overigens beperken tot drie maanden na het einde dienstverband van [appellant] met Orangeworks, dus tot en met 1 maart 2017. In zoverre slagen de grieven 9 en 10 in principaal hoger beroep en faalt grief 1 in incidenteel hoger beroep.

3.22.

De kantonrechter heeft de veroordeling van [appellant] om zich te houden aan het in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst opgenomen beding versterkt met een dwangsom van € 1.000,- per dag of een dagdeel tot een maximum van € 200.000,-. Hiertegen is grief 8 in principaal hoger beroep gericht. Het hof ziet evenwel geen aanleiding om wijziging te brengen in de dwangsomoplegging. Onder ogen is gezien dat [appellant] een particulier is met een voor zover bekend geringe draagkracht. Rekening moet echter ook worden gehouden met de draagkracht van FT NON. Orangeworks heeft er terecht op gewezen dat FT NON er kennelijk veel aan gelegen is om [appellant] aan zich te binden. Zo is FT NON bereid [appellant] een aanzienlijk hogere beloning te bieden dan hij bij Orangeworks verdiende. Zoals hiervoor is overwogen (rov. 3.20), heeft Orangeworks er een zwaarwegend belang bij dat [appellant] niet in dienst treedt bij FT NON of anderszins direct of indirect op enigerlei wijze een relatie aangaat met FT NON die onder het in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst opgenomen beding valt. Voorts heeft het hof in de overwegingen betrokken dat met dit arrest het relatiebeding ten opzichte van anderen dan FT NON geschorst zal zijn (rov. 3.21). Grief 8 in principaal hoger beroep faalt dus (althans ten aanzien van de veroordeling van [appellant] om zich te houden aan het relatiebeding; de geheimhoudingsverplichting komt hierna in rov. 3.23 aan de orde).

3.23.

Vervolgens zal het hof grief 7 in principaal hoger beroep, waarmee [appellant] zich keert tegen zijn veroordeling om zich te houden aan de in artikel 23 van de CAO opgenomen geheimhoudingsverplichting, bespreken. Orangeworks heeft in haar verweer tegen de onderhavige grief gesteld dat de onderhavige veroordeling ‘louter preventief van aard’ is. Naar het oordeel van het hof is dat onvoldoende reden om die veroordeling te handhaven, in aanvulling op de veroordeling van [appellant] om zich te houden aan het in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst opgenomen beding. Met die veroordeling wordt voldoende recht gedaan aan het feit dat [appellant] door zijn handelen het vertrouwen heeft geschaad van Orangeworks. Grief 7 in principaal hoger beroep slaagt dus. Nu de hoofdveroordeling vervalt, behoeft grief 8 in principaal hoger beroep met betrekking tot de opgelegde dwangsom bij de geheimhoudingsverplichting geen verdere bespreking.

3.24.

Dan grief 11 in principaal hoger beroep en grief 2 in incidenteel hoger beroep. Deze grieven zien beide op de veroordeling van Orangeworks om [appellant] een vergoeding te betalen ter hoogte van 3 maandsalarissen inclusief vakantiegeld (vgl. artikel 7:653 lid 5 BW). [appellant] heeft verzocht om, voor het geval het hof van oordeel zou zijn dat [appellant] een verbod tot indiensttreding bij FT NON opgelegd zou moeten worden, bij de hoogte van de toe te kennen vergoeding aansluiting te zoeken bij de duur van het op te leggen verbod. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in rov. 3.20, komt dit neer op een vergoeding ter hoogte van 24 maandsalarissen. Orangeworks meent dat zij in het geheel geen vergoeding verschuldigd is.

3.25.

Het hof acht het in de gegeven omstandigheden niet op zijn plaats om voor de vergoeding aansluiting te zoeken bij de duur van het verbod op indiensttreding bij FT NON. Wel is het billijk om aansluiting te zoeken bij de periode van drie maanden waartoe het relatiebeding door het hof ten aanzien van anderen wordt beperkt. Bij het vinden van een nieuwe dienstbetrekking heeft het relatiebeding [appellant] immers ernstig benadeeld, ook afgezet tegen de betrekkelijk korte duur van het dienstverband (een jaar en negen maanden). Op dit punt zal het hof daarom geen wijziging brengen in de veroordeling in het vonnis waarvan beroep. Daarmee is ook beslist op de onderhavige grieven.

3.26.

Ten slotte, de proceskostenveroordeling. Grief 12 in principaal hoger beroep houdt in dat [appellant] in eerste aanleg ten onrechte is veroordeeld in de proceskosten in conventie en dat de proceskosten in voorwaardelijke reconventie ten onrechte zijn gecompenseerd. [appellant] heeft gevorderd om Orangeworks te veroordelen tot voldoening van zijn volledige proceskosten. Ook vordert [appellant] veroordeling van Orangeworks tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen hij in verband met de procedure in eerste aanleg reeds heeft voldaan aan Orangeworks (lees: de proceskosten in conventie). Op haar beurt heeft Orangeworks gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld in de werkelijke kosten van het geding in beide instanties.

3.27.

Het hof overweegt dienaangaande dat gelet op de uitkomst van deze procedure [appellant] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in conventie heeft te gelden. In reconventie zijn de proceskosten terecht gecompenseerd, nu partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Dat laatste geldt ook voor het principaal en het incidenteel hoger beroep. Daarom zal het hof ook daarin de kosten compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Gezien de te dezen geldende maatstaf (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516, rov. 4.5 en HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, rov. 5.1) is onvoldoende gesteld om over te gaan tot een volledige vergoeding van proceskosten. Het vorenstaande brengt ook mee dat grief 12 in principaal hoger beroep faalt. De vordering tot terugbetaling van de proceskosten in conventie van [appellant] moet ook worden afgewezen.

3.28.

Voor de duidelijkheid zal het hof het vonnis waarvan beroep geheel vernietigen, met uitzondering van de beslissing over de proceskosten, en de beslissingen in deze zaak in het dictum volledig weergeven.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de beslissing over de proceskosten in eerste aanleg;

en opnieuw recht doende:

veroordeelt [appellant] tot naleving van het tussen hem en Orangeworks overeengekomen beding als bedoeld in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst tot en met 1 december 2018, door [appellant] te verbieden om, behoudens uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van Orangeworks, direct of indirect op enigerlei wijze zaken te doen met, diensten te verrichten of te laten verrichten, activiteiten te ontplooien, direct of indirect zakelijke contacten aan te gaan of te onderhouden met FT NON, zijnde Food Technology Noord-Oost Nederland BV , dan wel deze te (laten) benaderen of te (laten) bedienen,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of een dagdeel tot een maximum van € 200.000,-,

onder de bepaling dat deze dwangsom vatbaar is voor matiging voor zover handhaving van de vermelde dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

matigt het beding in duur, in die zin dat de geldigheidsduur ten aanzien van andere klanten, relaties en potentiële klanten en relaties van Orangeworks dan FT NON beperkt wordt tot drie maanden na uitdiensttreding van [appellant] bij Orangeworks, dus tot en met 1 maart 2017;

veroordeelt Orangeworks aan [appellant] een vergoeding te betalen ter hoogte van 3 maandsalarissen inclusief vakantiegeld;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de beslissing over de proceskosten in eerste aanleg;

wijst de vordering tot terugbetaling van de proceskosten in conventie van [appellant] af;

compenseert de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, J.M.H. Schoenmakers en A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 april 2017.

griffier rolraadsheer