Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:174

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
200.202.120_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b nu schuldenaar ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek niet te goeder trouw is geweest alsmede ex artikel 288 lid 1 aanhef sub c nu onvoldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Het verzoek op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw is hierbij niet gehonoreerd.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 19 januari 2017

Zaaknummer : 200.202.120/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/225771/ FT RK 16/1219

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. R.G. van der Laan te Leiden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 17 oktober 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 oktober 2016, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog te bepalen dat het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering wordt toegewezen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017. Bij die gelegenheid is gehoord:

  • -

    [appellant] , bijgestaan door mr. S.N. Diekstra, waarnemend voor mr. Van der Laan,

  • -

    mevrouw [beschermingsbewindvoerder] in haar hoedanigheid van informante, hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 12 september 2016;

  • -

    het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 5 januari 2017;

  • -

    de brieven met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 6 januari 2017 en 9 januari 2017;

- het ter zitting door de advocaat van [appellant] overgelegde stuk, te weten: een aan [appellant] gericht schrijven van het UWV d.d. 18 oktober 2016 met betrekking tot de beëindiging van diens ziektewetuitkering.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit de uitlatingen van de beschermingsbewindvoerder zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat deze bekend is met het hoger beroep dat [appellant] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over dit hoger beroep en het door [appellant] gegeven verzoek te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 58.520,39. Daaronder bevinden zich een schuld aan het UWV GAK van € 11.934,12 alsmede een schuld aan de Belastingdienst van € 1.277,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest en dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Op de ingediende schuldenlijst wordt een totale schuldenlast vermeld van

€ 58.520,39. Een opvallende schuld betreft een schuld aan het UWV van € 11.934,12. De verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij vanaf 16 januari 2012 tot november 2012 in detentie heeft gezeten in verband met een geweldsdelict en dat hij daarna dakloos is geraakt.

Alhoewel de verzoeker ter zitting heeft verklaard dat hij deze omstandigheden heeft doorgegeven aan het UWV, heeft hij nagelaten zijn stelling en overige informatie ten aanzien van deze schuld met schriftelijke bescheiden te onderbouwen, waardoor de rechtbank ook niet heeft kunnen vaststellen of de aangegeven ontstaansdatum - 1 januari 2011 - juist is, mede nu de detentie nadien zou hebben plaatsgevonden.”

(…)

“Uit het verslag van een psychologisch onderzoek van 24 februari 2015 blijkt dat de verzoeker een langdurige en ernstige verslavingsachtergrond (alcohol en cannabis) heeft en in die periode doende was een behandelingstraject bij Novadic Kentron af te sluiten. Hij zou aangemeld zijn voor een verdere vervolgbehandeling en in dat verband zou een natraject - onder meer een EMDR-behandeling - dienen plaats te vinden. Ook uit de eindevaluatie van 9 maart 2015 blijkt dat psychologische behandeling met EMDR noodzakelijk is, in combinatie met agressieregulatie en ontspanningstherapie. Alhoewel de verzoeker positieve stappen heeft gemaakt blijkt uit het rapport dat ook hijzelf vindt dat de behandeling nog niet klaar is onder meer omdat de kans op terugval in gebruik erg groot is. De verzoeker heeft ter: zitting verklaard dat het natraject nog (steeds) niet gestart is. Tot juli 2016 had de verzoeker zorg in natura en woonde in een beschermde woonomgeving. Deze zorg dient nog omgezet te worden in een PGB waarmee de EMDR, de ontspannings- en agressietherapie en therapie bij angstaanvallen en panieksituaties zullen worden bekostigd. De verzoeker heeft geen enkel schriftelijk stuk overgelegd waaruit blijkt dat hij zijn psychische problemen onder controle heeft.”

3.5.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] is enige tijd gedetineerd geweest en als gevolg hiervan diende zijn ziektewetuitkering te worden stopgezet. In geval van detentie wordt dit door Dienst Justitiële Instellingen aan het UWV gemeld hetgeen in onderhavige kwestie ook is gebeurd. Echter door een fout van het UWV is de uitkering nimmer stopgezet en deze fout is ook door het UWV erkend. [appellant] is dan ook van mening dat aan hem niets te wijten valt en dat hij te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan van deze schuld. [appellant] acht het voorts van belang te melden dat hij zelf het initiatief heeft genomen om zijn verslaving te behandelen. Hij heeft deze behandeling in februari afgerond, maar om terugval te voorkomen bevindt hij zich in een afsluitend traject. [appellant] is desondanks van mening dat zijn verslavingsproblematiek voldoende beheersbaar is. Daarnaast is er een voldoende sociaal vangnet.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] merkt ten aanzien van zijn verslavingsproblematiek op dat hij inmiddels al twee jaar clean is. De nabehandeling voor zijn psychosociale problematiek staat dan ook helemaal los van zijn voormalige verslavingsproblematiek. Voorts benadrukt [appellant] dat hij gedurende zijn detentie niet op de hoogte was van het feit dat zijn ziektewetuitkering gewoon doorliep. Eerst na zijn detentie is hem dit naar eigen zeggen gebleken. Ook kwam hij er toen pas achter dat zijn toenmalige vriendin deze uitkering had geïncasseerd en voor eigen doeleinden had aangewend. Uit de door hem bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde brief van het UWV blijkt volgens [appellant] bovendien dat het feit dat zijn ziektewetuitkering gedurende zijn detentie gewoon is doorgelopen een fout van het UWV is geweest. Het UWV was immers wel op de hoogte gesteld van zijn detentie en [appellant] heeft er dan ook op vertrouwd dat een en ander op een juiste wijze door het UWV zou worden afgewikkeld. [appellant] geeft vervolgens aan dat hij op korte termijn zal starten met een zogenaamde EMDR therapie en dat hij daarnaast nog een tweetal behandelingen zal ondergaan, te weten een agressieregulatie- en een ontspanningstherapie. [appellant] denkt dat dit traject aan half jaar tot een jaar zal gaan belopen. Desgevraagd weet [appellant] niet waar zijn belastingschuld, schuld no. 1 op zijn concurrente schuldenlijst van € 1.277,00, op ziet, hij vermoedt dat een en ander te maken zou kunnen hebben met het gedurende zijn detentie onterecht ontvangen van diverse toeslagen. Tot slot doet [appellant] een nadrukkelijk beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw.

3.7.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – nog het volgende aangevoerd. Het beschermingsbewind verloopt al vanaf het begin naar behoren. [appellant] voorziet de beschermingsbewindvoerder zowel spontaan als gevraagd steeds tijdig en volledig van informatie. [appellant] is alert, betrokken en bereikbaar en komt zijn afspraken steeds goed na. De beschermingsbewindvoeder acht de kans op een succesvol verloop van de schuldsaneringsregeling, mede gelet op de hulp en ondersteuning die [appellant] op dit moment ontvangt, dan ook zeer wel aanwezig.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.8.2.

Het hof acht allereerst aan [appellant] het ontstaan van de schuld aan het UWV, preferente schuld no. 1 op de schuldenlijst van € 11.934,12, niet toerekenbaar. Het hof baseert zijn oordeel hierbij op het door [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegd schrijven van het UWV waarin het UWV nadrukkelijk stelt dat het doorlopen van de ziektewetuitkering van [appellant] gedurende diens detentie het gevolg is van een interne systeemfout. Daarbij acht het hof het voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant] , zoals hij zelf ook stelt, hiervan gedurende zijn detentie niet op de hoogte is geweest, dat hij het gebruik van de betreffende gelden door zijn toenmalige vriendin niet heeft kunnen voorkomen en oordeelt het hof dat hij er ook gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat het UWV, nu zijn detentie immers door de Dienst Justitiële Instellingen tijdig aan het UWV was bericht, een en ander naar behoren had verwerkt. Ten aanzien van het ontstaan van deze schuld dient [appellant] dan ook als zijnde te goeder trouw te worden aangemerkt.

3.8.3.

Vast staat evenwel ook dat er sprake is van een belastingschuld. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Dit geldt temeer nu [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd niet in staat is gebleken de aard en ontstaansgeschiedenis met betrekking tot deze belastingschuld nader te duiden, laat staan ex artikel 3.1.2.6. sub g van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken zijn goede trouw middels verificatoire bescheiden dan wel anderszins te onderbouwen. Het hof acht het onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan van deze schuld aan de Belastingdienst te goeder trouw is geweest.

3.8.4.

Vast staat voorts dat [appellant] nog immer kampt met een aanzienlijke psychosociale problematiek waarvoor hij op korte termijn een drietal gecombineerde therapieën, waaronder de ingrijpende EMDR therapie, zal gaan volgen. Ingevolge artikel 5.4.3. van voornoemd procesreglement wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Niet alleen is een dergelijke verklaring niet door [appellant] overgelegd, het hof acht het, gelet op het feit dat [appellant] nog een aanvang moet maken met de EMDR-therapie in combinatie met agressieregulatie en ontspanningstherapie reeds om die reden onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de psychosociale problematiek van [appellant] duurzaam beheersbaar moet worden geacht. Daarbij merkt het hof in zijn algemeenheid nog op dat een te premature toelating tot de wettelijke schuldsanering het ingrijpende gevolg kan hebben dat, indien een saniet niet aan alle in dat kader geldende verplichtingen kan voldoen, de schuldsaneringsregeling voortijdig wordt beëindigd met het voor saniet nog ingrijpender gevolg, dat deze, ingevolge de visie van de wetgever en de stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad - als wederom bevestigd in HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1031 -, in beginsel de komende tien jaar geen nieuw verzoek tot toelating kan doen. Ook dit is een aspect dat aandacht verdient en meeweegt bij het oordeel of en wanneer een schuldenaar geschikt is om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Ten overvloede merkt het hof evenwel op dat [appellant] , nu zijn verslavingsproblematiek tot het verleden behoort en hij op het punt staat om ten aanzien van zijn psychosociale problematiek een drietal therapieën te gaan volgen, zeer zeker op de goede weg is.

3.8.5.

Tot slot is het hof van oordeel dat het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule ex art. 288 lid 3 Fw niet kan slagen. Wil een beroep op artikel 288 lid 3 Fw slagen, dan is in het algemeen immers vereist dat de schuldenaar een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die zich toont in het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Dat blijkt ook uit het feit dat artikel 288 lid 3 Fw volgens de wetsgeschiedenis vooral ziet op "echte gedragsaspecten" (Handelingen I 2006-2007, nr. 30, blz. 958). Het hof is, zoals reeds overwogen onder r.o. 3.8.4. van dit arrest, evenwel van oordeel dat [appellant] deze omstandigheden, meer in het bijzonder zijn psychosociale problematiek, nog niet afdoende en volledig onder controle heeft gekregen, hoezeer hij ook op de goede weg is en [appellant] ook op de zitting in hoger beroep in dat opzicht een goede indruk maakte. Een en ander nog daargelaten dat een beroep op de hardheidsclausule niet af kan doen aan een afwijzing die mede gebaseerd is op artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw.

3.8.6.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, A.P. Zweers-van Vollenhoven en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2017.