Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1735

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-04-2017
Datum publicatie
19-04-2017
Zaaknummer
200.192.994_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4209
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alog-criteria.

Verhouding hoofdverhuurder t.o.v. onderhuurder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2017/64
AR 2017/2039
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.192.994/01

arrest van 18 april 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. E.H.J. Plass te Horst ,

tegen

[bierbrouwerij 1] N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.N.E. Visser te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 mei 2016 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 30 maart 2016 en 13 april 2016, gewezen in de hoofdzaak tussen appellant - [appellant] - als gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eisende partij in conventie, verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 4164447 \ CV EXPL 15-5185)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het vonnis van 30 september 2015 waarbij in het incident [geïntimeerde] is gelast [verhuurder] , hierna: [verhuurder] , te dagvaarden teneinde deze op de eis in vrijwaring te laten antwoorden en in de hoofdzaak een verschijning van partijen is bevolen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord;

- de door [appellant] genomen akte;

- de door [geïntimeerde] genomen antwoordakte.

Vervolgens is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter heeft in het vonnis van 30 maart 2016 onder “2. De feiten” vastgesteld van welke feiten bij de beoordeling van het geschil is uitgegaan. Die feiten zijn niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Het hof gaat daarnaast nog van enkele gestelde en niet bestreden feiten uit. Hierna volgt een opsomming van alle feiten.

a. Op 29 juni 1994 hebben [verhuurder] als verhuurder en [bierbrouwerij 2] Bierbrouwerij B.V. als huurster een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [adres] te [postcode] [vestigingsplaats] , waarbij de huur zal ingaan na afronding van de verbouwing van dat pand tot café-restaurant. [verhuurder] is eigenaresse van het verhuurde (nr. 7 inleidende dagvaarding en nr. 1 conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie).

b. Voormeld pand is vervolgens ingaande 1 april 1995 door V.O.F. Praat-eetcafé Soestdijk gehuurd van [geïntimeerde] .

c. Bij notariële akte van 26 juni 1996 zijn onder meer de aandelen van [bierbrouwerij 2] Bierbrouwerij B.V. geleverd aan [bierbrouwerij 3] N.V.

d. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 10 februari 2016 is op 20 november 1996 ingeschreven de akte van fusie d.d. tussen [bierbrouwerij 3] N.V. en onder meer [bierbrouwerij 2] Holding B.V. en [bierbrouwerij 2] Bierbrouwerij B.V.

e. Bij statutenwijziging van 2 januari 2006 is de naam [bierbrouwerij 3] N.V. gewijzigd in [bierbrouwerij 1] N.V.

f. Bij akte van indeplaatsstelling (productie 1 dagvaarding in eerste aanleg) is [appellant] met ingang van 1 mei 2011 huurder geworden van voormelde bedrijfsruimte. De op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW van [geïntimeerde] (productie 1 dagvaarding in eerste aanleg) luiden, voor zover van belang:

“(…)

11.5

Verhuurder is niet aansprakelijk voor de gevolgen van gebreken, die hij niet kende of niet behoorde te kennen bij het aangaan van de huurovereenkomst.

11.6

Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade toegebracht aan de persoon of goederen van huurder en huurder heeft geen recht op huurprijsvermindering, geen recht op verrekening of opschorting van enige betalingsverplichting en geen recht op ontbinding van de huurovereenkomst in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van gebreken, waaronder die ten gevolge van zichtbare en onzichtbare gebreken aan het gehuurde (…) storing van de installaties en apparatuur, in- en uitstroming van gassen, (…) tekortkomingen in de leveringen en diensten. (…)

11.8

Verhuurder is niet aansprakelijk voor bedrijfsschade van huurder, of voor schade als gevolg (…) van belemmeringen in het gebruik van het gehuurde die derden veroorzaken of voor gebreken die zijn ontstaan doordat huurder zijn onderhoudsplicht niet is nagekomen.

(…)

18.1

De betaling van de huurprijs (…) zal uiterlijk op de vervaldata (…) – zonder opschorting, korting, aftrek of verrekening met een vordering welke huurder op verhuurder heeft of meent te hebben – geschieden door storting (…) op een door verhuurder op te geven rekening. (…)”.

g. vanaf september 2011 is in het gehuurde geëxploiteerd het restaurant “Ristorante la Vita”.

h. het e-mailbericht van 22 oktober 2013 van [personeelslid van geintimeerde] van [geïntimeerde] aan [verhuurder] (productie 2 conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie) houdt in, voor zover van belang:

“(…)

Betreff: [adres] [vestigingsplaats]

(…)

Eveneens blijkt dat er nog steeds stankoverlast is in het restaurantgedeelte. (…) Wij stelden u voor om een ontluchting aan te brengen conform de u toegestuurde offerte van [naam] , maar dit is volgens ons nog niet uitgevoerd.

(…)”.

i. [appellant] heeft in elk geval met ingang van 1 januari 2014 geen huurpenningen meer betaald (nr. 14 conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie).

j. De brief van 25 juni 2014 van [geïntimeerde] aan [appellant] (productie 4 dagvaarding in eerste aanleg) houdt in, voor zover relevant:

“(…)

U stelt zich op het standpunt dat er sprake zou zijn van gebreken aan het gehuurde (…). AB [geïntimeerde] kan evenwel geen aansprakelijkheid voor de gestelde schade accepteren.

Zo staat thans niet vast dat er sprake zou zijn van gebreken die op grond van de huurovereenkomst voor rekening van AB [geïntimeerde] zouden komen. (…) Mogelijk is de stankoverlast niet het gevolg van een gebrek aan de huisaansluiting, maar van een gebrek aan de gemeentelijke riolering. Mocht dat het geval zijn, dan is er sprake van een zogenoemde feitelijke stoornis. Daarvoor is AB [geïntimeerde] niet aansprakelijk. Voorts wordt er in de partijen bekende rapportages van Gebr. [advies 1] B.V. en [advies 2] gesproken over problemen met de pastakoker en vetvangput. Deze zaken komen op basis van de huurovereenkomst voor rekening van huurder.(…)”

k. De brief van [appellant] aan [geïntimeerde] van 27 juni 2014 (productie 5 dagvaarding in eerste aanleg) houdt in, voor zover relevant:

“(…)

De oorzaak van de problemen bestaat uit gebrekkige (“niet – mechanische”) ontluchting van de inpandige riolering. [geïntimeerde] is daarvoor jegens ons in beginsel aansprakelijk, wellicht tenzij erin slaagt aan te tonen dat zij het gebrek niet behoorde te kennen voorafgaand aan de met ons gesloten overeenkomst.

(…)

Wat daarvan ook zij, in antwoord op uw vraag, of de overlast inmiddels is verholpen, luidt het antwoord ontkennend. Er is tot op heden namelijk niets gebeurd. (…)”.

4.2.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. ontbindt de huurovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] per datum van het te wijzen vonnis, althans per een in goede justitie te bepalen datum;

2. [appellant] veroordeelt tot betaling aan [geïntimeerde] van:

a. € 56.957,88 ter zake van de achterstallige huurpenningen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW over de opeisbare huurtermijnen berekend vanaf de vervaldag van de respectieve huurpenningen, te weten iedere eerste dag van de betreffende maand, althans vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

b. € 5.700,-- ter zake van contractuele boetes, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van verschuldigdheid (zijnde de vervaldag van de respectieve huurpenningen), althans vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

c. € 1.695,91 ter zake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

d. € 36.298,08 ter zake van schadevergoeding wegens ontbinding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

e. de kosten van de procedure, inclusief het salaris gemachtigde en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee dagen na het vonnis tot de dag der algehele voldoening.

4.2.2

[appellant] heeft in eerste aanleg in reconventie en na vermeerdering van eis gevorderd dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, zonder borgstelling, [geïntimeerde] veroordeelt om aan [appellant] te betalen € 216.269,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der sommatie (29 september 2014) tot aan de dag der algehele voldoening en [geïntimeerde] veroordeelt tot het betalen van aanvullende schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, kosten rechtens.

Het hof merkt hierbij op dat de kantonrechter in het vonnis van 30 maart 2016 wel heeft vermeld dat [appellant] zijn eis heeft vermeerderd, maar vervolgens in dat vonnis niet de betreffende vermeerdering heeft vermeld. [appellant] heeft zijn eis vermeerderd met de vordering om [geïntimeerde] te veroordelen tot het betalen van aanvullende schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Naar het hof begrijpt heeft de kantonrechter ook deze vordering afgewezen.

4.2.3

De kantonrechter heeft vastgesteld dat [appellant] met ingang van 1 november 2013 zijn huurbetalingen volledig heeft opgeschort en het gehuurde op 11 december 2014 heeft verlaten. Voor zover hij al gerechtigd zou zijn om zijn huurbetalingsverplichting op te schorten (waarbij de kantonrechter in het midden heeft gelaten of opschorting op grond van de van de huurovereenkomst deel uitmakende algemene voorwaarden is toegestaan), kan dat indien sprake is van een zeer grote inbreuk op het huurgenot. Volgens de kantonrechter is een dergelijke inbreuk niet komen vast te staan en is het bewijsaanbod van [appellant] onvoldoende concreet en specifiek. Dat aanbod heeft de kantonrechter daarom gepasseerd. De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat [appellant] geen verweer heeft gevoerd tegen de door [geïntimeerde] gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst met ingang van de datum van het te wijzen vonnis. In reconventie heeft hij geoordeeld dat niet dan wel onvoldoende is gebleken van de gestelde stankoverlast terwijl bovendien het causale verband tussen de eventuele stankoverlast en het als gevolg daarvan wegblijven van klanten onvoldoende is komen vast te staan.

Vervolgens is [appellant] in conventie veroordeeld tot betaling van € 56.957,88 aan achterstallige huurpenningen tot en met mei 2015 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, tot betaling van € 1.695,91 aan buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met wettelijke rente en is hij veroordeeld tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten, vermeerderde met de wettelijke rente. De veroordelingen in conventie zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen. Bij herstelvonnis van 13 april 2016 is bepaald dat aan de conventionele veroordeling moet worden toegevoegd dat de huurovereenkomst is ontbonden met ingang van de dag dat het vonnis van 30 maart 2016 is uitgesproken.

In reconventie is de vordering van [appellant] afgewezen met veroordeling van hem in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.3

[appellant] vordert in het hoger beroep onder het voordragen van drie grieven, dat het hof in conventie [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel haar vorderingen zal afwijzen als ongegrond en onbewezen.

In reconventie vordert hij dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal vernietigen de vonnissen van 30 maart 2016 en 13 april 2016 en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Primair:

zonder borgstelling, [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van € 216.269,- aan [appellant] uit hoofde van schadevergoeding;

Subsidiair:

[geïntimeerde] veroordeelt tot een schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

2. [geïntimeerde] veroordeelt om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] mocht hebben voldaan aan [appellant] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag der terugbetaling;

3. [geïntimeerde] veroordeelt in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest (zoals het hof “vonnis” leest).

[geïntimeerde] voert verweer.

4.4.1

In zijn eerste grief voert [appellant] aan dat in rov. 4.4 van het vonnis van 30 maart 2016 ten onrechte is overwogen dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een zodanige ernstige overlast dat sprake is geweest dat dit een inbreuk op het huurgenot kan opleveren. In zijn tweede grief voert hij aan dat in rov. 4.8 van het vonnis van 30 maart 2016 zijn bewijsaanbod ten onrechte is gepasseerd als onvoldoende concreet en niet specifiek genoeg. Zijn derde grief houdt in dat in rov. 4.19 van het vonnis van 30 maart 2016 ten onrechte is overwogen dat het causale verband tussen eventuele stankoverlast en het als gevolg daarvan wegblijven van klanten onvoldoende is komen vast te staan ten gevolge waarvan de door hem gevorderde schadevergoeding is afgewezen. In het hierna volgende zullen de grieven in onderling verband en samenhang worden beoordeeld, waarmee zij dus niet afzonderlijk aan de orde worden gesteld.

4.4.2

Het hof stelt voorop dat de genoemde rechtsoverwegingen 4.4 en 4.8 zijn opgenomen onder het hoofd “in conventie en in reconventie” in het vonnis van 30 maart 2016. Rov. 4.19 is opgenomen onder het hoofd “in reconventie” in dat vonnis. Bij gebreke aan een voldoende duidelijke toelichting in de drie grieven op welke wijze succes daarvan zou kunnen leiden tot vernietiging van de in conventie in eerste aanleg uitgesproken veroordelingen en de in conventie uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst, kunnen de grieven niet leiden tot vernietiging van het vonnis voor zover in conventie gewezen. Het hof merkt daarbij nog op dat [appellant] niet voldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij krachten art. 18.1 van de algemene voorwaarden niet is gerechtigd tot opschorting van de betaling van de huurpenningen. Het hof leest in het door [appellant] aangevoerde niet een naar behoren gemotiveerde en onderbouwde stelling dat [geïntimeerde] geen beroep mag doen op art. 18.1 van de algemene voorwaarden. Het hof leest verder in de grieven van [appellant] evenmin dat hij bezwaar heeft tegen de door de kantonrechter in conventie uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst, waarbij het hof erop wijst dat [appellant] het gehuurde al in december 2014 op eigen initiatief heeft verlaten.

4.5

[appellant] heeft geen bezwaren aangevoerd tegen het door de kantonrechter vastgestelde feit dat hij de huurder is van het pand. [appellant] heeft nog wel aangevoerd dat hij de huurovereenkomst heeft ingebracht in [huurbedrijf] B.V. (hierna [huurbedrijf] ), dat [huurbedrijf] die inbreng heeft bekrachtigd en ook de huurpenningen heeft betaald. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet het hof niet dat die feiten, zoal juist, in dit geding tussen [geïntimeerde] en [appellant] relevante juridische rechtsgevolgen hebben, zodat daaraan voorbij zal worden gegaan. Met inachtneming van hetgeen het hof hiervoor in rov. 4.4 heeft geoordeeld, heeft de onderhavige vordering van [appellant] in dit geding geen betrekking op nakoming van de huurovereenkomst, maar op onrechtmatige daad door [geïntimeerde] jegens [huurbedrijf] . [appellant] beroept zich uitdrukkelijk niet op een huurderschap van [huurbedrijf] , omdat hij, zo voert hij aan, meent dat [geïntimeerde] zich niet kan beroepen op de contractuele exoneratie jegens [huurbedrijf] nu [huurbedrijf] geen contractuele wederpartij is van [geïntimeerde] (nr. punt 18 conclusie van antwoord, tevens van eis in reconventie). Uit de door [appellant] aangevoerde feiten valt niet af te leiden dat ten aanzien van de huurovereenkomst sprake is geweest van schuld- of contractsoverneming in de zin van art. 6:155 en verder BW.

4.6.1

Uit hetgeen [appellant] in de nrs. 18 en 19 van zijn eis in reconventie heeft vermeld, bezien in samenhang met de als productie 5 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie overgelegde akte van cessie blijkt dat zijn reconventionele vordering bestaat uit de vordering die [huurbedrijf] stelt te hebben op [geïntimeerde] . [appellant] heeft het pand gehuurd van [geïntimeerde] , maar niet hij heeft het pand gebruikt voor de uitoefening van het restaurant. [huurbedrijf] dreef en exploiteerde het restaurant in het pand. Dit betekent dat allereerst de vraag moet worden beantwoord of [huurbedrijf] uit hoofde van onrechtmatige daad, bestaande uit, kort gezegd, de stankoverlast, eventueel een vordering op [geïntimeerde] heeft (die [huurbedrijf] vervolgens heeft gecedeerd aan [appellant] ).

4.6.2

Het hof stelt voorop dat de contractverhouding tussen [geïntimeerde] en [appellant] een schakel vormt in het rechtsverkeer waarmee of waaraan het belang van [huurbedrijf] is verbonden. [huurbedrijf] is immers middels [appellant] het door [appellant] van [geïntimeerde] gehuurde pand gaan gebruiken, waarbij is gesteld noch gebleken dat [appellant] het pand niet op deze manier in gebruik mocht geven. Het pand is door [huurbedrijf] gebruikt op een wijze die was toegelaten krachtens de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] . Gelet hierop staat het [geïntimeerde] niet onder alle omstandigheden vrij om de belangen te verwaarlozen die [huurbedrijf] had bij een behoorlijke nakoming door [geïntimeerde] van de tussen [geïntimeerde] en [appellant] gesloten overeenkomst (HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2044:AO9069). Er kan voorshands van worden uitgegaan dat de belangen van [huurbedrijf] (zie rov. 4.1 sub f en g) zo nauw zijn betrokken bij een behoorlijke uitvoering van de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] dat [huurbedrijf] schade kan lijden als [geïntimeerde] in die uitvoering tekortschiet. De normen van hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, kunnen vervolgens in een geval als het onderhavige meebrengen dat [geïntimeerde] de belangen van [huurbedrijf] had behoren aan te trekken dan wel te ontzien door de gestelde stankoverlast te verhelpen. Of deze normen dit in deze zaak met zich brengen hangt in elk geval af van:

a. de hoedanigheid van alle betrokken partijen;

b. de aard en strekking van de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] ;

c. de wijze waarop de belangen van [huurbedrijf] bij deze overeenkomst zijn betrokken en of deze betrokkenheid kenbaar was voor [geïntimeerde] ;

d. de vraag of [huurbedrijf] erop mocht vertrouwen dat haar belangen zouden worden ontzien of in acht zouden worden genomen;

e. de vraag in hoeverre het voor [geïntimeerde] bezwaarlijk was met de belangen van [huurbedrijf] rekening te houden;

f. de aard en omvang van het nadeel dat dreigde of is verwezenlijkt;

g. de vraag of [huurbedrijf] maatregelen had kunnen en moeten nemen om dat nadeel te beperken en de vraag of [geïntimeerde] eventueel een schadeloosstelling heeft aangeboden.

Partijen hebben zich over dit alles nog niet zodanig concreet uitgelaten dat het hof daarover reeds kan oordelen. Het hof zal partijen daarom in staat stellen om zich nader uit te laten over in elk geval deze punten a tot en met g.

4.7

Indien de betreffende uitlatingen van partijen leiden tot de conclusie dat [geïntimeerde] zich de belangen van [huurbedrijf] ter harte had moeten nemen, terwijl zij dit niet heeft gedaan, kan worden aangenomen dat zij zich zo onrechtmatig heeft gedragen ten opzichte van [huurbedrijf] dat zij daardoor schadeplichtig is geworden. In dat geval heeft [huurbedrijf] mogelijkerwijs een vordering op [geïntimeerde] die zij heeft kunnen cederen en moet de vraag worden beantwoord of [geïntimeerde] zich kan beroepen op art. 11.5, 11.6 en/of 11.8 van haar algemene voorwaarden tegen de onderhavige vordering van [appellant] die is gegrond op een door [geïntimeerde] jegens [huurbedrijf] gepleegde onrechtmatige daad. Het hof stelt partijen in staat om zich in de door hen te nemen aktes ook hierover nader uit te laten.

4.8

Bij de weging en nadere invulling van enkele van de hiervoor in rov. 4.6.2 opgesomde punten, kan het van belang zijn om kennis te hebben van de mate van de door [appellant] en [huurbedrijf] gestelde stankoverlast, maar ook de oorzaak daarvan. Het hof merkt wat dat betreft op dat geen der partijen bezwaren heeft aangevoerd tegen de vaststelling door de kantonrechter in rov. 4.7 dat op sommige plekken in het restaurant sprake was van rioollucht en dat de hoofdverhuurder werkzaamheden heeft uitgevoerd aan de riolering van het pand. Alleen al gelet daarop kan niet zonder meer worden voorbijgegaan aan het aanbod van [appellant] om te bewijzen dat de stankoverlast zodanig was dat publiek wegbleef. Gelet op het feit dat in het onderhavige pand een restaurant werd gedreven, is het niet aanstonds onwaarschijnlijk dat klanten wegblijven indien bekend is dat aan het pand een rioollucht hangt. In dat kader wenst het hof in elk geval van [geïntimeerde] te weten of er nadat [appellant] (en [huurbedrijf] ) in december 2014 uit het pand zijn vertrokken, werkzaamheden in of aan of nabij het pand zijn verricht naar aanleiding van de klachten omtrent stank door [appellant] en zo ja welke werkzaamheden en waartoe die hebben geleid. Het hof wenst verder te vernemen of het pand na het vertrek van [appellant] door een ander in gebruik is genomen en zo ja, wanneer en op welke wijze het pand thans wordt gebruikt.

4.9

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De uitspraak

Het hof:

stelt [appellant] in staat zich bij akte, te nemen ter rolle van 16 mei 2017 uit te laten over hetgeen het hof hiervoor in rov. 4.6.2, 4.7 en, voor zover mogelijk, 4.8 aan de orde heeft gesteld;

stelt [geïntimeerde] in staat om vier weken nadat [appellant] genoemde akte heeft genomen, een antwoordakte te nemen omtrent hetgeen hiervoor in rov. 4.6, 4.7 en 4.8 aan de orde is gesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, J.R. Sijmonsma en H.AE. Uniken Venema en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 april 2017.

griffier rolraadsheer